id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 19 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.918 Rolnummer: A. 194024/XIV-31396 Zaak: Cassatiebeschikking 4918 - Dienst Vreemdelingenzaken - 19/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-26 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 03:42 Fiche Beschikking nr 4.918 van 19 oktober 2009 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 4918 van 19 oktober 2009 in de zaak A. 194.024/XIV-31.396 In zake : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Antwerpsesteenweg 59B tegen : XXXXX, in eigen naam en in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. HENDRICKX, kantoor houdende te 1160 BRUSSEL, Vorstlaan 144/33 -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, op 21 september 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 30.415 van 18 augustus 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 28 september 2009; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel een schending aanvoert van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 7, §§1 en 2 van het koninklijk besluit tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het XIV-31.396-1/3 grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat in het bestreden arrest wordt vastgesteld en uit het administratief dossier ook blijkt dat de verwerende partij een medisch attest van een pediater en attesten van een ziekenhuis bij haar aanvraag om machtiging tot verblijf heeft gevoegd; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in casu van mening is dat de informatie die de verzoekende partij heeft aangebracht voldoet aan de vereisten van artikel 9ter, §1 van de Vreemdelingen en de verzoekende partij deze appreciatie betwist; dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden zodat het eerste middel kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van de jurisdictionele motiveringsplicht, die voortvloeit uit artikel 149 van de Grondwet en uit artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet en van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 4.2 van het bestreden arrest de nota van huidige verzoekende partij weergeeft; dat de verzoekende partij niet aangeeft met welke elementen van haar uiteenzetting in die nota geen rekening zou zijn gehouden; dat aan de motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen is voldaan en dat de verzoekende partij geen schending van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging aannemelijk maakt; dat het tweede middel kennelijk ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op negentien oktober tweeduizend en negen, door : XIV-31.396-2/3 de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-31.396-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.918 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.