← België

Cassatiebeschikking 5099 - Dienst Vreemdelingenzaken - 08/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.5.099 Rolnummer: A. 194302/XIV-31518 Zaak: Cassatiebeschikking 5099 - Dienst Vreemdelingenzaken - 08/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-16 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:00 Fiche Beschikking nr 5.099 van 8 december 2009 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 5099 van 8 december 2009 in de zaak A. 194.302/XIV-31.518 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. MICHOLT, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Maria van Bourgondiëlaan 7 bus B tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Iraakse nationaliteit, op 14 oktober 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 31.777 van 18 september 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 21 oktober 2009; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende, anders dan de verzoekende partij in het enige middel voorhoudt, dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in het bestreden arrest wel degelijk als een afzonderlijke voorwaarde wordt behandeld en niet als een “beoordeling ten gronde van de aangevoerde middelen in het verzoekschrift”; dat de uiteenzetting van het door de verzoekende partij voorgehouden moeilijk te herstellen ernstig nadeel in het bestreden arrest wordt samengevat en deels geciteerd, waarna dat voorgehouden nadeel wordt beoordeeld als zijnde beperkt tot algemene beschouwingen en een loutere hypothese; dat in het bestreden arrest uitgebreid wordt ingegaan op de manier waarop asielaanvragen thans in Griekenland worden behandeld, niet alleen in theorie na de omzetting in Griekenland van richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 en van richtlijn 2005/85/EG van 1 december 2005, maar ook XIV-31.518-1/3 in de praktijk; dat in het bestreden arrest uitdrukkelijk wordt gesteld dat de verzoekende partij niet weet te overtuigen “waar zij stelt dat er een onredelijk groot risico bestaat dat zij zal worden teruggestuurd naar Irak zonder een daadwerkelijk onderzoek van haar vluchtmotieven”, dat de rechtspraak van het Duitse Bundesverfassungsgericht geen precedentswaarde heeft, dat de aangevoerde rechtspraak van de Raad van State over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel hier niet kan worden gevolgd omdat de verzoekende partij “in de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel op geen enkele concrete wijze aantoont dat (haar) asielaanvraag in Griekenland niet correct zal worden behandeld” en dat de blote beweringen, waartoe de verzoekende partij zich beperkt, niet volstaan om aannemelijk te maken dat zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal lijden bij de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing; dat de verzoekende partij geen schending van artikel 39/82, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen met betrekking tot de inhoud van het begrip “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” aannemelijk maakt; dat de verzoekende partij voor het overige een eigen feitelijke beoordeling van het aangevoerde nadeel voorstelt, doch dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden; dat het enige middel in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij niet uiteenzet hoe, laat staan aannemelijk maakt dat, artikel 43, § 1, van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou zijn geschonden; dat het enige middel ook in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij tenslotte aanvoert dat het strijdig is met het karakter van openbare orde van artikel 3 van het E.V.R.M. dat zij “van de bescherming van dit grondrecht afstand zou kunnen doen door middel van (haar) niet-foutief gedrag”; dat dit in het bestreden arrest echter nergens expliciet of impliciet wordt gesteld; dat het enige middel in die mate feitelijke grondslag mist en derhalve kennelijk ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. XIV-31.518-2/3 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op acht december tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-31.518-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.5.099 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.