← België

Cassatiebeschikking 5134 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 16/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 16 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.5.134 Rolnummer: A. 194515/XIV-31589 Zaak: Cassatiebeschikking 5134 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 16/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-24 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:03 Fiche Beschikking nr 5.134 van 16 december 2009 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 5134 van 16 december 2009 in de zaak A. 194.515/XIV-31.589 In zake : XXXXX die woonplaats kiest bij advocaat J. DE LIEN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Afghaanse nationaliteit, op 5 november 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 32.425 van 2 oktober 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 10 november 2009; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de vraag of de lidstaten dienen “te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83” niet dienend is voor de oplossing van het geschil, omdat de Vreemdelingenwet precies dergelijk beroep bij een administratief rechtscollege, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, voorziet; dat artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ten tijde van het bestreden arrest geen bindende kracht had; dat het Europees Hof van Justitie in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C-540/03 uitdrukkelijk stelt dat “het Handvest geen bindend rechtsinstrument is”; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar luid van artikel 39/2, § 1, van de Vreemdelingenwet de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan bevestigen, hervormen, vernietigen wegens een substantiële onregelmatigheid, of vernietigen XIV-31.589-1/4 omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder hiertoe aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen; dat de artikelen 39/69 en 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet het de partijen bovendien mogelijk maken onder bepaalde voorwaarden “nieuwe gegevens” ter kennis van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te brengen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tenslotte de beslissing van de commissaris-generaal kan vernietigen en voor een nieuw onderzoek naar de commissaris- generaal terugsturen indien hij van oordeel is dat hij de zaak niet ten gronde kan onderzoeken omdat hij niet beschikt over bepaalde essentiële gegevens en waarvoor het nodig is aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen derhalve kennis neemt van het geschil in zijn volledigheid en dat het om een beroep met volle rechtsmacht gaat; dat de uiteenzetting van de verzoekende partij wat betreft artikel 6, eerste lid, van het E.V.R.M. niet dienend is omdat die verdragsbepaling niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat, waar de verzoekende partij aanvoert dat de rechtmatigheid van haar convocatie op een onbehoorlijke wijze wordt afgewezen, er noch in het bestreden arrest noch in de initieel bestreden beslissing van de commissaris-generaal sprake is van een neergelegde convocatie zodat deze grief feitelijke grondslag mist; dat, waar de verzoekende partij verwijst naar de uitspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over de hoorplicht, er nergens in het bestreden arrest dergelijke passage terug te vinden is zodat ook deze grief feitelijke grondslag mist; dat het eerste middel, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is en dat om de hierboven uiteengezette redenen niet op het verzoek om twee prejudiciële vragen te stellen moet worden ingegaan; Overwegende dat, zoals reeds in het eerste middel werd besproken, artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het tweede middel kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij in het derde, genoemd “vierde”, middel aanvoert dat zij een “arguable claim” heeft nu haar tweede asielaanvraag in overweging werd genomen; dat deze stelling feitelijke grondslag mist, nu uit het administratief dossier of het rechtsplegingsdossier van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen tweede asielaanvraag blijkt; dat zij voor het overige een theoretische uiteenzetting geeft en aanvoert dat door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onvoldoende rechtsbescherming wordt geboden daar “deze geen enkele afweging maakt inzake de mogelijke schending van art. 3 EVRM” en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “bovendien niet beschikt over voldoende ‘volle rechtsmacht’ in de zin van art. 13 (EVRM)”; dat de verzoekende partij artikel 3 van het E.V.R.M. niet heeft aangevoerd voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zodat zij dit XIV-31.589-2/4 middel niet voor het eerst kan aanvoeren in cassatie; dat, wat de vraag naar de volle rechtsmacht betreft, kan worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel; dat de verzoekende partij niet aantoont waarom deze volle rechtsmacht onvoldoende is in het licht van artikel 13 van het E.V.R.M.; dat het derde middel, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij in het vierde, genoemd “vijfde”, middel aanvoert dat het bestreden arrest artikel 4.3 van Richtlijn 2004/83/EG schendt doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de situatie in haar land van haar herkomst niet heeft onderzocht of dat dit niet blijkt uit de motivering van het arrest; dat, wat betreft de onderzoeksbevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, kan worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel; dat in punt 2.7 van het bestreden arrest wordt opgemerkt dat uit de de bespreking van de situatie in Kabul door de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt dat er voor burgers geen reëel risico bestaat en dat de verzoekende partij geen elementen heeft aangebracht die deze vaststelling kunnen ontkrachten; dat het vierde middel, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is en dat niet op het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen moet worden ingegaan; Overwegende dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over de volle rechtsmacht beschikt en de verzoekende partij niet aantoont waarom deze volle rechtsmacht onvoldoende is in de zin van artikel 39 van Richtlijn 2005/85 betreffende de minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus; dat het vijfde, genoemd “zesde” middel, kennelijk ongegrond is en dat niet op het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen moet worden ingegaan, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-31.589-3/4 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op zestien december tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-31.589-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.5.134 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.