← België

Cassatiebeschikking 5153 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 29/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 29 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.5.153 Rolnummer: A. 194535/XIV-31591 Zaak: Cassatiebeschikking 5153 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 29/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-08 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-30 04:06 Fiche Beschikking nr 5.153 van 29 december 2009 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 5153 van 29 december 2009 in de zaak A. 194.535/XIV-31.591 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. MOSKOFIDIS, kantoor houdende te 3600 GENK, Rootenstraat 21/18 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Russische nationaliteit, op 7 november 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 32.444 van 6 oktober 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 12 november 2009; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat artikel 1, A, 2) van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, (Vluchtelingenverdrag) geen directe werking in het Belgische recht heeft; dat de verzoekende partij, waar zij in het middel uiteenzet dat haar verklaringen “wel degelijk voldoende en ernstige aanwijzingen voor een gegronde vrees voor vervolging” in de zin van het Vluchtelingenverdrag bevatten en waar zij met kritiek op de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de weigeringsgronden van de aanvraag inhoudelijk aanvecht, in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak vraagt; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als rechter ten gronde soeverein oordeelt of het gehoorverslag van het commissariaat-generaal al dan niet voldoende leesbaar is; dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de XIV-31.591-1/3 beoordeling van de feiten te treden; dat het middel in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalt dat de beslissingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met redenen zijn omkleed; dat in het bestreden arrest de middelen van de verzoekende partij worden weergegeven, met in punt 2.

  1. onder meer de kritiek dat de handgeschreven nota’s van het commissariaat-generaal moeilijk leesbaar zouden zijn, niet letterlijk de weergave van haar verklaringen zouden zijn en in strijd met de notities van de raadsman van de verzoekende partij zouden zijn; dat in punt 2.
  2. van het bestreden arrest wordt geantwoord dat de nota’s in het administratieve dossier wel degelijk voldoende leesbaar zijn, dat het opstellen van de nota’s door een onpartijdig ambtenaar de nodige garanties inzake objectiviteit biedt, dat aan die nota’s derhalve de voorkeur wordt gegeven boven de nota’s van de raadsman van de betrokkene zelf en dat precies uit het interview, met de mogelijkheid om de asielmotieven uiteen te zetten en om stukken te neer te leggen, dit alles bijgestaan door een tolk en een raadsman, geen schending van de zorgvuldigheidsplicht blijkt; dat in punt 2.
  3. van het bestreden arrest ook wordt geantwoord op de kritiek dat de woorden van de verzoekende partij zouden zijn verdraaid en dat de dossierbehandelaar onvoldoende gekwalificeerd zou zijn; dat de verzoekende partij niet aantoont dat in het bestreden arrest niet op bepaalde middelen of onderdelen zou zijn geantwoord; dat geen schending van de motiveringsplicht als vormvereiste in de zin van het voornoemde artikel 39/65 blijkt en dat het middel in die mate kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de rechten van verdediging niet schendt door op dergelijke gemotiveerde wijze de voorkeur aan het gehoorverslag van het commissariaat-generaal te geven boven de notities van de raadsman van de verzoekende partij zelf; dat het middel ook in die mate kennelijk ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  4. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-31.591-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op negenentwintig december tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-31.591-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.5.153 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.