← België

Arrest 199331 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.331 Rolnummer: A. 183421/X-13299 Zaak: Arrest 199331 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-08 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 08:07 Fiche Arrest nr 199.331 van 5 januari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 199.331 van 5 januari 2010 in de zaak A. 183.421/X-13.299. In zake: 1. Jacques VAN EYCK 2. Mireille DE KEYSER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep Het beroep, ingesteld op 16 mei 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 15 maart 2007 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende de gedeeltelijke inwilliging onder voorwaarden van het beroep ingesteld door Jacques Van Eyck tegen het besluit van 20 november 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een schuilhok voor 2 paarden, het aanleggen van een opslagplaats voor mest, het regulariseren van een rijpiste en het bouwen van een keermuur te Sint-Niklaas, Sint-Gillisbaan 94, kadastraal bekend sectie A, nrs. 165/v/2 en 165/y/2, in zoverre “het bouwen van een schuilhok voor 2 paarden, het aanleggen van een opslagplaats voor mest en het regulariseren van een rijpiste” uit de voormelde vergunning worden gesloten. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. X-13.299-1/12 De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 november 2009. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthias Valkeniers, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partijen, en Marie-Anne De Geest, bestuurssecretaris, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partijen zijn eigenaar van de percelen gelegen te Sint-Niklaas, Sint-Gillisbaan 94, kadastraal bekend sectie A, nrs. 165/v/2 en 165/y/2. Deze percelen zijn volgens het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Sint-Niklaas - Lokeren, deels gelegen in woongebied, en deels in agrarisch gebied. 3.2. Op de voormelde percelen bevinden zich in woongebied de woning van de verzoekende partijen en een stal voor 4 paarden, waarvoor door het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas op 11 april 2005 een stedenbouwkundige vergunning wordt verleend. Daarachter, in agrarisch gebied, hebben de verzoekende partijen een rijpiste aangelegd. X-13.299-2/12 3.3. Op 13 juni 2006 wordt een proces-verbaal opgesteld, waarin wordt vastgesteld dat het terrein met de rijpiste werd opgehoogd zonder daartoe over de vereiste stedenbouwkundige vergunning te beschikken. 3.4. Op 25 augustus 2006 (datum van het ontvangstbewijs) dienen de verzoekende partijen bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas een aanvraag in tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een schuilhok voor 2 paarden, het aanleggen van een opslagplaats voor mest, het regulariseren van een rijpiste en het bouwen van een keermuur op de voormelde percelen. 3.5. De dienst milieu van de stad Sint-Niklaas verleent op 9 oktober 2006 een ongunstig advies voor de aanleg van de mestopslagplaats om reden dat het “overeenkomstig artikel 5.28.2.2. §1. van Vlarem II (...) verboden (

  1. is)een niet bij rubriek 9.3, 9.4, 9.5, 9.6, 9.7 en 9.8 van de Vlarem-indelingslijst horende ingedeelde (rubriek 28.2) mestopslagplaats aan te leggen op minder dan 100 m afstand van een woongebied”. Voor de overige handelingen is het advies gunstig. 3.6. Op 6 november 2006 brengt het departement Landbouw en Visserij het volgende advies uit: “De aanvraag heeft geen betrekking op professionele agrarische of para- agrarische activiteiten. De aanvraag is gelegen in een agrarisch gebied dat op deze plaats nog weinig landbouwstructurele kwaliteiten heeft zodat het meer een zaak is van goede plaatselijke aanleg afgewogen in zijn juridisch-administratieve context. Nochtans stellen we hier vast dat geen rekening werd gehouden met de vroegere adviezen, dat de noodzakelijke weide voor het houden van weidedieren is te niet gedaan als rijpiste zodat er ook geen stalling kan worden toegestaan (zie omzendbrief van 25 jan 2002)”. 3.7. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint- Niklaas weigert de gevraagde stedenbouwkundige vergunning bij besluit van 20 november 2006, “gelet op de argumentatie in het advies van de afdeling Land en de dienst Milieu”. 3.8. Bij aangetekend schrijven van 10 januari 2007 tekent de raadsman van de verzoekende partijen beroep aan tegen de voormelde weigeringsbeslissing. X-13.299-3/12 3.9. Bij het bestreden besluit van 15 maart 2007 willigt de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het beroep van de verzoekende partijen gedeeltelijk in onder voorwaarden. Voor wat betreft het bouwen van de keermuur wordt de stedenbouwkundige vergunning verleend, onder voorwaarde dat “alle (bouw)materialen in de zone tussen waterloop en afsluiting verwijderd worden (ijzeren palen op voet e.d.)”. Het schuilhok, de mestopslagplaats en de te regulariseren rijpiste worden uit de vergunning gesloten. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep 4. In hun verzoekschrift beperken de verzoekende partijen het voorwerp van hun annulatieberoep uitdrukkelijk tot die onderdelen van de aanvraag die door het bestreden besluit worden geweigerd. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5.1. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van artikel 99, §1, vijfde lid van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO) samengelezen met de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), uit “de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag” en uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de materiële motiveringsplicht. 5.2. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden beslissing het aanleggen van de rijpiste als vergunningsplichtig beschouwt en de regularisatie ervan weigert, zonder daarvoor enige afdoende en concrete motivering te geven. Ze preciseren dat het aanleggen van de rijpiste geenszins een reliëfverhoging heeft teweeg gebracht, doch dat enkel de bovenlaag werd vervangen omdat dit noodzakelijk was aangezien de paarden de weide hadden stukgelopen. Volgens de verzoekende partijen is hierdoor echter geen of slechts een minimaal niveauverschil ontstaan en ook het feitelijk gebruik van het terrein is ongewijzigd gebleven. De X-13.299-4/12 verzoekende partijen laten gelden dat ze dit betoog reeds in hun beroepschrift als grief tegen de weigering van de vergunningsaanvraag hebben ontwikkeld, maar dat de verwerende partij niet op deze argumenten is ingegaan. De verzoekende partijen stellen dat de weigering van de regularisatie van de piste in het bestreden besluit louter op dezelfde gronden gemotiveerd wordt als de weigering van het oprichten van het schuilhok, met name op basis van het motief dat er onvoldoende graasweide is voorzien om de paarden te kunnen stallen. Op die manier motiveert het bestreden besluit niet waarom het aanleggen van de rijpiste als een aanmerkelijke reliëfwijziging en bijgevolg als een vergunningsplichtig werk dient te worden beschouwd. Ook de overweging dat de terreinophoging “niet passend” is binnen de goede plaatselijke ruimtelijke ordening en “de ruimtelijke draagkracht in het gedrang kan brengen”, kan niet als een afdoende motivering voor de weigering van de regularisatievergunning voor de rijpiste worden beschouwd, aangezien deze motivering een loutere stijlformule uitmaakt, zonder enige verdere verduidelijking. 5.3. In de memorie van wederantwoord leveren de verzoekende partijen kritiek op de overweging van het bestreden besluit dat de aanvraag niet in overeenstemming is met de bestemmingsvoorschriften van agrarisch gebied. Vooreerst laten ze gelden dat het bestreden besluit niet vermeldt op welke werken deze overweging betrekking heeft, met name op de vermeende terreinophoging of op het oprichten van het schuilhok, zodat de motivering op dit punt alleszins niet duidelijk en concreet is. Voorts voeren ze aan dat evenmin gemotiveerd wordt waarom deze constructies in concreto planologisch onverenigbaar zouden zijn. Ze stellen dat bepaalde constructies in het kader van gelegenheids- of hobbylandbouw, zoals in casu, wel verenigbaar zijn met de landbouwbestemming, zodat de enkele vaststelling dat de rijpiste en het schuilhok planologisch onverenigbaar zijn, geen voldoende motief is om de aanvraag te weigeren. Wat betreft de overweging dat “de noodzakelijke weide voor het houden van weidedieren niet voorhanden is”, voegen de verzoekende partijen nog toe dat dit motief enkel betrekking heeft op het al dan niet mogen oprichten van een stalling, en dus niet pertinent is voor het weigeren van de aanleg van de rijpiste. Ze betogen dat de voorwaarde van het voorhanden zijn van een graasweide nooit werd gesteld in de beslissing houdende het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning voor de stalling voor vier paarden. In dit opzicht werpen de verzoekende partijen tevens op dat ze wel degelijk over voldoende graasweide beschikken en dat ze dienaangaande tijdens de procedure voor de verwerende partij hun huurovereenkomst voor graasweiden langsheen de Waterschootstraat te Sint-Niklaas (Belsele) hebben bijgebracht. X-13.299-5/12 Beoordeling 5.4. In het middel betwisten de verzoekende partijen onder meer dat de aanleg van de rijpiste vergunningsplichtig zou zijn. Een vernietigingsarrest dat zou stellen dat de aanleg van de rijpiste niet vergunningsplichtig is, kan de verzoekende partijen echter geen rechtstreeks nut opleveren, vermits de werken reeds zijn uitgevoerd. Het belang dat er alleen in bestaat te horen zeggen dat hetgeen aangevraagd werd door de verzoekende partijen niet vergunningsplichtig was, is geen belang verbonden aan het doen verdwijnen van de bestreden akte uit de rechtsorde, wanneer het, zoals in casu, om een regularisatieaanvraag gaat. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat de aanleg van de rijpiste niet vergunningsplichtig is, is het middel derhalve onontvankelijk. 5.5. Waar de verzoekende partijen aanvoeren dat het bestreden besluit niet motiveert waarom de reliëfwijziging “aanmerkelijk” is en als een vergunningsplichtig bouwwerk dient te worden beschouwd, dient vooreerst te worden opgemerkt dat noch de aanvraag, noch de beslissing in eerste aanleg, noch de bestreden beslissing het aanleggen van de rijpiste als een aanmerkelijke wijziging van het reliëf van de bodem hebben gekwalificeerd. Het feit dat de verwerende partij dit thans in haar memorie van antwoord wel doet, houdt niet in dat deze kwalificatie met terugwerkende kracht relevant wordt met betrekking tot de wettigheid van de bestreden beslissing. Tevens valt niet in te zien waarom de verwerende partij in haar beslissing zou moeten aangeven op welke gronden de betrokken handelingen vergunningsplichtig zijn, nu de verzoekende partijen door hun aanvraag voor onder andere het aanleggen van een rijpiste, zelf te kennen hebben gegeven op de hoogte te zijn van de vergunningsplicht. 5.6. Het bestreden besluit weigert de aanvraag voor de rijpiste en het schuilhok onder meer omdat de aanvraag “niet in overeenstemming is met de geldende bestemmingsbepalingen van het agrarisch gebied aangezien het hier niet gaat om een aanvraag ten behoeve van een agrarische en para-agrarische activiteit”. Dit motief volstaat om de aanvraag met betrekking tot het schuilhok en de rijpiste te weigeren. De verzoekende partijen betwisten dit weigeringsmotief pas in de memorie van wederantwoord, terwijl niets hen verhinderde dit reeds in het verzoekschrift te doen. Deze argumentatie is dan ook onontvankelijk. X-13.299-6/12 5.7. Nu de overweging dat de rijpiste onverenigbaar is met de bestemming agrarisch gebied een afdoend weigeringsmotief uitmaakt, betreft de kritiek van de verzoekende partijen op de overwegingen met betrekking tot de afwezigheid van de graasweide en de goede plaatselijke ordening, overtollige motieven. Kritiek op een overtollig motief kan niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. 5.8. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 6.1. Een tweede middel wordt door de verzoekende partijen afgeleid uit de schending van de formele motiveringsplicht, uit “de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag”, uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de materiële motiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel, alsook van artikel 11.4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit) met toepassing van artikel 159 van de Grondwet. 6.2. De verzoekende partijen betogen dat de bestreden beslissing ten onrechte gesteund is op de omzendbrief RO/2002/01 van 25 januari 2002, in zoverre wordt geoordeeld dat de oprichting van het desbetreffende schuilhok dient te worden geweigerd aangezien de weide is omgevormd tot een rijpiste, waardoor er geen daadwerkelijk grasland meer is voorzien voor de paarden. Vooreerst stellen de verzoekende partijen dat deze omzendbrief enkel geldt als richtlijn bij de oprichting van stallingen, en dus niet van toepassing kan zijn op de huidige aanvraag, die betrekking heeft op de oprichting van een schuilhok. De verzoekende partijen verwijzen naar de omzendbrief van 8 juli 1997, die wel van toepassing is op schuilhokken. Voorts stellen de verzoekende partijen dat in het besluit van 11 april 2005 van het college van burgemeester en schepenen, waarbij hen de vergunning werd verleend voor de paardenstal, geen toepassing wordt gemaakt van deze omzendbrief, hoewel deze aanvraag duidelijk betrekking had op een stalling, zodat de toepassing van de omzendbrief in casu “nog onbegrijpelijker voorkomt”. In zoverre toch toepassing zou dienen te worden gemaakt van de bovenvermelde omzendbrieven, laten de verzoekende partijen gelden dat deze X-13.299-7/12 omzendbrieven een nieuwe wettelijke voorwaarde in het leven roepen, “daar het inrichtingsbesluit nergens bepaalt dat stallingen of schuilhokken slechts kunnen worden toegelaten in agrarisch gebied, op voorwaarde dat zij in de onmiddellijke omgeving van een graasweide zijn gelegen” en bijgevolg dienen te worden geherkwalificeerd als verordenende omzendbrieven, “die volgens de wettelijke en decretale procedures tot stand dienen te komen, waaronder via machtiging door een wet of decreet, collegiale beslissing in de Vlaamse regering en advies van de afdeling van de Raad van State”. Aangezien de voormelde omzendbrieven de voorgeschreven procedures niet hebben nageleefd, vragen de verzoekende partijen deze op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te laten. Beoordeling 6.3. Bij de bespreking van het eerste middel is reeds gebleken dat de bestreden beslissing de aanvraag voor de rijpiste en het schuilhok onder meer weigert omdat de aanvraag “niet in overeenstemming is met de geldende bestemmingsbepalingen van het agrarisch gebied aangezien het hier niet gaat om een aanvraag ten behoeve van een agrarische en para-agrarische activiteit” en dat dit motief volstaat om de aanvraag met betrekking tot het schuilhok en de rijpiste te weigeren. Ook voor wat betreft het tweede middel, ontwikkelen de verzoekende partijen in het verzoekschrift geen enkele kritiek op dit afdoende weigeringsmotief. Het is pas in de memorie van wederantwoord dat de verzoekende partijen dit weigeringsmotief betwisten, door verwijzing naar hun argumentatie in het eerste middel, terwijl niets hen verhinderde dit reeds in het verzoekschrift te doen. Ook deze argumentatie is derhalve onontvankelijk. In hun laatste memorie citeren de verzoekende partijen een deel van hun betoog uit het verzoekschrift, waaruit moet blijken dat ze het motief betreffende de bestemmingsbepalingen van het agrarisch gebied reeds in hun verzoekschrift hebben bekritiseerd. De geciteerde argumentatie heeft echter geen betrekking op het voormelde weigeringsmotief, maar wel op het motief betreffende de afwezigheid van een graasweide, en meer bepaald op de onwettigheid van de ter zake toegepaste omzendbrief. De verwijzing naar deze argumentatie kan dan ook niet tot de conclusie leiden dat de kritiek die slechts in de memorie van wederantwoord aangaande het andere weigeringsmotief geleverd wordt, toch ontvankelijk zou zijn. X-13.299-8/12 6.4. Het tweede middel heeft louter betrekking op het overtollige weigeringsmotief dat de noodzakelijk graasweide voor het houden van weidedieren niet voorhanden is. Het tweede middel kan derhalve niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. 6.5. Het tweede middel is niet ontvankelijk. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 7.1. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending van de formele motiveringsplicht, uit “de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag” en uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de materiële motiveringsplicht, alsook uit de schending van de artikelen 5.28.2.1 en 5.28.2.2 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II). 7.2. In een eerste onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat de weigering voor de oprichting van de mestopslagplaats louter gemotiveerd wordt door verwijzing naar bepalingen van de milieuwetgeving, zonder in concreto te motiveren waarom deze constructie volgens de stedenbouwkundige voorschriften niet zou kunnen worden toegelaten. De verzoekende partijen laten gelden dat een milieuvergunning en een stedenbouwkundige vergunning twee afzonderlijke beslissingen uitmaken, en dat de vergunningverlenende overheid zich bij de beoordeling van een stedenbouwkundige aanvraag enkel dient uit te spreken over de stedenbouwkundige aspecten, en zeker niet louter mag verwijzen naar de wettelijke criteria zoals bepaald in de milieureglementering. De overige motivering in het bestreden besluit dat de mestopslagplaats “niet passend (
  2. is)binnen een goede plaatselijke ruimtelijke ordening en de ruimtelijke draagkracht in het gedrang kan brengen” is volgens de verzoekende partijen een loutere stijlformule, die niet als een afdoende motivering kan worden beschouwd. 7.3. In een tweede onderdeel laten de verzoekende partijen gelden dat het bestreden besluit ten onrechte toepassing heeft gemaakt van de verbodsbepalingen inzake de oprichting van opslagplaatsen voor dierlijk mest, zoals bepaald in de artikelen 5.28.2.1 en 5.28.2.2 Vlarem II. De verzoekende partijen X-13.299-9/12 betogen dat de exploitatie van de betrokken mestopslagplaats niet milieuvergunningsplichtig is, aangezien een stal voor het houden van minder dan 5 paarden, met inbegrip van de bijbehorende mestopslagplaatsen, gelegen in een andere bestemmingsgebied dan woongebied met landelijk karakter en agrarisch gebied, niet milieuvergunningsplichtig is en het in casu gaat om een mestopslagplaats die gehecht is aan de vergunde paardenstal en enkel dient als opslagplaats voor de mest afkomstig van de 4 aanwezige paarden in deze stal. Beoordeling 7.4. Artikel 4 DRO bepaalt: “De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit”. 7.5. Een overheid die zich over een bouwaanvraag uitspreekt, dient, gelet op het hierboven geciteerde artikel, ook oog te hebben voor de impact van het project op het leefmilieu en kan dus, te dien einde, de regelgeving inzake milieu mede in overweging nemen. Het betoog van de verzoekende partijen dat “de vergunningverlenende overheid zich enkel dient uit te spreken over de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag, zodat de verwijzing naar Vlarem II op het eerste gezicht niet dienstig kan zijn” kan dan ook niet worden aangenomen. De verzoekende partijen kunnen niet gevolgd worden waar zij stellen dat de weigering van de vergunning voor wat betreft de mestopslagplaats louter gemotiveerd wordt door verwijzing naar de bepalingen van de milieuwetgeving. Het bestreden besluit motiveert tevens dat de mestopslagplaats “niet passend (
  3. is)binnen een goede plaatselijke ruimtelijke ordening en de ruimtelijke draagkracht in het gedrang kan brengen”. In het licht van de overwegingen in het bestreden besluit in verband met de milieuregelgeving, en dan meer bepaald met betrekking tot de bepalingen van Vlarem II, is deze overweging, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, geenszins een stijlformule. Het eerste onderdeel van het middel is ongegrond. X-13.299-10/12 7.6. Rubriek 28.2, a), 2/ van bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: de indelingslijst) stelt mestopslagplaatsen met een capaciteit van 10 m³ tot en met 100 m³ vergunningsplichtig, in klasse 2. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen trachten voor te houden, maakt de indelingslijst deze vergunningsplicht niet afhankelijk van de vergunningsplicht voor het houden van de dieren waarvan de mest afkomstig is. Bijgevolg is de vaststelling dat het houden van paarden in woongebied slechts vergunningsplichtig is vanaf 5 dieren, conform rubriek 9.4.3, a), 1/ van de indelingslijst, niet relevant voor het bepalen van de vergunningsplicht voor de mestopslagplaats. Uit het voorgaande volgt dat de door de verzoekende partijen gevraagde mestopslag wel degelijk milieuvergunningsplichtig is. 7.7. Artikel 5.28.2.1, §1 Vlarem II bepaalt: “§1. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de subrubriek 28.2 van de indelingslijst met uitzondering van de opslagplaatsen van dierlijk mest die zijn gehecht aan een inrichting als bedoeld in de subrubrieken 9.3, 9.4, 9.5, 9.6, 9.7 en 9.8 van de indelingslijst”. Dit artikel verandert niets aan de vergunningsplicht voor de mestopslagplaatsen van rubriek 28.2. Het bepaalt enkel dat de bepalingen van artikel 5.28.2 Vlarem II niet van toepassing zijn op de mestopslagplaatsen “die zijn gehecht aan een inrichting als bedoeld in de subrubrieken 9.3, 9.4, 9.5, 9.6, 9.7 en 9.8 van de indelingslijst”. De mestopslagplaats van de verzoekende partijen is echter geen mestopslagplaats “gehecht aan een inrichting als bedoeld in de subrubrieken 9.3, 9.4, 9.5, 9.6, 9.7 en 9.8 van de indelingslijst”, aangezien de bedoelde inrichtingen enkel deze zijn die in de vermelde subrubrieken vergunningsplichtig worden gesteld, en dus niet deze waarin de vermelde diersoorten worden gehouden in aantallen kleiner dan de vergunningsdrempel. De mestopslagplaats van de verzoekende partijen valt derhalve onder de toepassing van de bepalingen van afdeling 5.28.2.Vlarem II. 7.8. Artikel 5.28.2.2, §1 Vlarem II bepaalt wat volgt: “§1. Het is verboden een inrichting als bedoeld in artikel 5.28.2.1 te exploiteren: 1/ die geheel of gedeeltelijk gelegen is in waterwingebied en/of een beschermingszone I, II of III of in een woongebied; 2/ die gelegen is op minder dan 100m afstand van een woongebied”. X-13.299-11/12 Luidens de voormelde bepaling is de exploitatie van de door de verzoekende partijen gevraagde opslagplaats van dierlijk mest verboden in woongebied. De verzoekende partijen betwisten niet dat de gevraagde opslagplaats gelegen is in woongebied. Aldus oordeelt de verwerende partij terecht dat “de aanleg van de mestopslagplaats gelegen is in woongebied en aldus niet kan vergund worden” en leidt zij daaruit terecht af dat “de mestopslagplaats (...) niet passend” is “binnen een goede plaatselijke ruimtelijke ordening en de ruimtelijke draagkracht in het gedrang kan brengen”. Het tweede onderdeel van het middel is niet gegrond 7.9. Het derde middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, ieder voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf januari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-13.299-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.331 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.