← België

Arrest 199366 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 07/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.366 Rolnummer: A. 184286/IX-5694 Zaak: Arrest 199366 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 07/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-14 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-02 08:08 Fiche Arrest nr 199.366 van 7 januari 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 199.366 van 7 januari 2010 in de zaak A. 184.286/IX-

  1. In zake : Eddy BAERTSOEN, wonende te WEZEMBEEK-OPPEM, Astridlaan 59 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Eddy BAERTSOEN op 6 juli 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit nr. 6542 van 25 april 2007 waardoor Bernard Van Hecke, van de Franse taalrol, op 1 november 2006 door verhoging naar de hogere klasse A3 (vakrichting : personeel en organisatie) tot adviseur wordt bevorderd; Gezien de memorie van antwoord en de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de verzoekende partij op 12 juni 2009; Gelet op de kennisgeving door de hoofdgriffier, op 11 september 2009, van de mededeling bedoeld in artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, IX-5694-1/3 OVERWEEGT WAT VOLGT: Naar luid van artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag. In het auditoraatsverslag is te dezen de verwerping van het beroep voorgesteld. De verzoekende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De hoofdgriffier heeft de verzoekende partij medegedeeld, met toepassing van artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de kamer de afstand van het geding zou uitspreken, tenzij de verzoekende partij binnen een termijn van vijftien dagen zou vragen om te worden gehoord. De verzoekende partij heeft niet gevraagd om te worden gehoord. Het vermoeden van afstand van geding is te dezen van toepassing. OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
  2. De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. IX-5694-2/3 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 7 januari 2010, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5694-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.366 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.