id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.420 Rolnummer: A. 156453/IX-4678 Zaak: Arrest 199420 - Bescherming van de consument - 11/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-18 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-07-02 08:11 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(
- en)DE Fiche Arrest nr 199.420 van 11 januari 2010 Economische zaken - Bescherming van de consument Beslissing : Verwerping heropening debatten prejudiciële vraag Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 199.420 van 11 januari 2010 in de zaak A. 156.453/IX-4678 In zake : 1. de VZW UNIE VAN ZELFSTANDIGE ONDERNEMERS (UNIZO) 2. de VZW NATIONALE FEDERATIE VAN DE UNIES VAN DE MIDDENSTAND (FNUCM) 3. de NV SALM INVEST 4. de NV OVANIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Willy Van Eeckhoutte kantoor houdend te Gent Driekoningenstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Zelfstandigen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Boeraeve kantoor houdend te Brussel Louizalaan 409/1 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 12 oktober 2004, strekt tot de nietigver- klaring van de artikelen 1, 2 en 7 van het koninklijk besluit van 31 juli 2004 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 15 maart 1993 tot uitvoering van hoofstuk II van titel III van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, met betrekking tot de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van vennootschappen bestemd voor het sociaal statuut van de zelfstandigen, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 augustus 2004. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. IX-4678-1/13 Adjunct-auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 november 2009. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Tineke Verstraete, die loco advocaat Willy Van Eeckhoutte verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Laurence Fabre, die loco advocaat Christophe Boeraeve verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Inge Vos heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De bijdrage ten laste van de vennootschappen, bestemd voor het sociaal statuut van de zelfstandigen werd oorspronkelijk ingevoerd als een eenmalige maatregel door de artikelen 76 tot 85 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen. Aldus werd voor vennootschappen een bijdrage van 7000 BEF (173,53 euro) ingevoerd, om de financiering van het sociaal statuut der zelfstandigen te ondersteunen. Deze financiering was in het gedrang gekomen door de sterke stijging van het aantal opgerichte vennootschappen. 3.2. Tegen voormelde bepalingen werd een beroep tot nietigverklaring aanhangig gemaakt bij het Grondwettelijk Hof. De schending werd aangevoerd van de artikelen 6 en 6bis van de Grondwet (de huidige artikelen 10 en 11 G.W.), doordat de bestreden bepalingen alle vennootschappen onderwerpen aan de betaling van een eenmalige bijdrage zonder dat rekening gehouden wordt met de balans- of IX-4678-2/13 bedrijfstoestand van die vennootschappen; in tegenstelling tot de directe belastingen en de sociale bijdragen die in verhouding staan tot de middelen van elk individu, zou de bijdrage ongrondwettig zijn wegens het blinde karakter ervan. Het Hof verwierp met zijn arrest nr. 77/93 van 3 november 1993 het beroep. Er werd geen schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel vastgesteld. 3.3. Met de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen (Hoofdstuk II van Titel III) besliste de wetgever om de eenmalige bijdrage ten laste van de vennootschappen om te vormen tot een jaarlijkse bijdrage. Het koninklijk besluit van 13 maart 1993 ter uitvoering van hoofdstuk II van titel III van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen met betrekking tot de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van vennootschap- pen bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen, gaf uitvoering aan deze wet. 3.4. Artikel 91 van de genoemde wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen werd laatst vervangen door artikel 279 van de Programmawet van 22 december 2003, die op 1 januari 2004 in werking getreden is. Deze bepaling (hierna vermeld als artikel 91 van de wet van 30 december 1992) luidt: “De vennootschappen zijn een jaarlijkse forfaitaire bijdrage verschuldigd. De Koning stelt, opdat het van toepassing zal zijn vanaf 2004, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de door vennootschappen verschuldigde bijdragen vast, maar zonder dat deze de 868 EUR kunnen overschrijden. Hierbij kan Hij een onderscheid maken op basis van criteria die rekening houden met inzonderheid de omvang van de vennootschap.” Tegen deze nieuwe regeling werd geen annulatieberoep ingediend bij het Grondwettelijk Hof. 3.5. De in het kader van onderhavige procedure voor de Raad van State bestreden artikelen 1, 2 en 7 van het koninklijk besluit van 31 juli 2004 houdende wijziging van het koninklijk besluit van 15 maart 1993 tot uitvoering van hoofdstuk II van titel III van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, met betrekking tot de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten IX-4678-3/13 laste van vennootschappen bestemd voor het sociaal statuut, geven uitvoering aan het sub 3.4 geciteerd artikel 91 van de wet van 30 december 1992. Deze artikelen 1, 2 en 7 luiden als volgt: - Artikel 1: “In het koninklijk besluit van 15 maart 1993 tot uitvoering van hoofdstuk II van titel III van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, met betrekking tot de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van de vennootschappen, bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen, wordt een artikel 2bis ingevoegd, luidende : ‘Art. 2bis. De jaarlijkse forfaitaire bijdrage bedoeld in artikel 91 van de wet wordt voor het bijdragejaar 2004 vastgesteld op 347,50 EUR.’” - Artikel 2: “In hetzelfde besluit wordt een artikel 2ter ingevoegd, luidende : ‘Art. 2ter. In afwijking van artikel 2bis wordt de jaarlijkse forfaitaire bijdrage bedoeld in artikel 91 van de wet vastgesteld op 840 EUR voor de vennoot- schappen waarvoor blijkt, op basis van gegevens verstrekt door de Balanscen- trale van de Nationale Bank van België, dat het balanstotaal van het voorlaatste afgesloten boekjaar 520.000 EUR overschrijdt. Het balanstotaal bedoeld in het eerste lid is de totale boekwaarde van de activa zoals blijkt uit het balansschema dat vastgesteld is bij koninklijk besluit op grond van artikel 92, § 1, van het Wetboek van vennootschappen.’” - Artikel 7: “De artikelen 1 en 2 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2004.” Het koninklijk besluit van 31 juli 2004 is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 augustus 2004. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 4. De verwerende partij betwist het belang van de verzoekende partijen omdat zij geen beroep ingesteld hebben tegen de wijziging aangebracht aan IX-4678-4/13 artikel 91 van de wet van 30 december 1992 en omdat het bestreden besluit die wettelijke bepaling alleen maar uitvoert, zodat een vernietiging hen geen voordeel kan opleveren. De verwerende partij merkt voorts op dat de verzoekende partijen niet bewijzen dat zij de nodige formaliteiten vervuld hebben om de rechtspersoon- lijkheid te verwerven en dat ook geen gegevens worden voorgelegd aangaande de samenstelling van de raad van bestuur die beslist heeft tot het indienen van het onderhavig beroep. De eerste verzoekende partij heeft, als organisatie die de belangen van de zelfstandigen verdedigt, geen belang bij haar beroep, aangezien de betwiste bijdrage er precies toe strekt het sociale zekerheidssysteem van de zelfstandigen te voeden. Bovendien komen de eerste twee verzoekende partijen slechts op voor de belangen van bepaalde van hun leden en wijzigt in ieder geval de situatie van de ondernemingen bedoeld in artikel 1 van het bestreden besluit niet, omdat de verplichte bijdrage voor 2004 -behoudens indexatie- niet verschilt van deze verschuldigd in 2003. 5. De verzoekende partijen stellen in hun memorie van weder- antwoord dat het bestreden besluit meer is dan een loutere uitvoeringsmaatregel en dat zij zich precies verzetten tegen de discretionair vastgestelde regeling van het bestreden besluit. Zij leggen ook stukken neer om het bezit van de rechtspersoonlijkheid en de regelmatigheid van de beslissing om in rechte te treden aan te tonen. De eerste twee verzoekende partijen wijzen er voorts op dat zij belangenverenigingen zijn die optreden voor de belangen van de zelfstandige ondernemers in het algemeen en voor de kleine en middelgrote ondernemingen, ook wanneer zij de vorm van een vennootschap aangenomen hebben en stellen in dat verband dat het voor het behartigen van een collectief belang niet vereist is dat alle leden van de vereniging een nadeel ondergaan. Beoordeling 6. Uit de stukken die de verzoekende partijen overleggen blijkt dat zij allen de rechtspersoonlijkheid bezitten en dat zij alle vier overeenkomstig de bepalingen van hun statuten, besloten hebben om het onderhavig beroep in te dienen. Die vaststelling volstaat om de beroepen ratione personae ontvankelijk te bevinden, zeker nu de verwerende partij geen gegevens overlegt die eraan kunnen IX-4678-5/13 doen twijfelen dat de desbetreffende beslissingen van de bestuursorganen rechtsgeldig tot stand gekomen zijn. 7. De omstandigheid dat de verzoekende partijen artikel 91 van de wet van 30 december 1992, zoals gewijzigd door artikel 279 van de Programmawet van 22 december 2003, niet voor het Grondwettelijk Hof bestreden hebben, belet hen niet bij de Raad van State de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit waarbij het bedrag van de bijdrage van de vennootschappen voor het jaar 2004 precies wordt vastgesteld en daarbij de grondwettigheid van artikel 91 te betwisten. 8. De derde en vierde verzoekende partijen zijn vennootschappen die door het bestreden besluit verplicht worden om een forfaitaire bijdrage te storten. Zij hebben als zodanig een persoonlijk belang bij het beroep. De eerste en de tweede verzoekende partijen zijn belangen- verenigingen van zelfstandige ondernemers, opgericht onder de vorm van een VZW. Een belangenvereniging kan bij de Raad van State opkomen tegen een reglementair besluit wanneer zij daarmee een collectief belang van haar leden verdedigt, wanneer het behartigen van dergelijk belang ingepast kan worden in het maatschappelijk doel van de rechtspersoon en de bestreden beslissing met dat doel in verband kan worden gebracht. Het is niet vereist dat de belangen van alle leden van de vereniging bedreigd worden. 9. De eerste twee verzoekende partijen hebben tot statutair doel het behartigen van de belangen van de zelfstandige ondernemers. Aangezien veel zelfstandigen hun onderneming onder een of andere vennootschapsvorm uitbaten, ondergaan zij de nadelige gevolgen van het bestreden reglement en worden zij in hun belangen geschaad door de beslissing om de vennootschappen een bijdrage te doen betalen teneinde de financiering van het sociaal statuut der zelfstandigen te ondersteunen. Aldus kunnen de eerste twee verzoekende partijen als belangenvereniging opkomen voor de rechten van die groep van hun leden. 10. De excepties worden verworpen. IX-4678-6/13 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 11. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 3 en 84 van gecoördineerde wetten op de Raad van State, en van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de verwerende partij ten onrechte de hoogdringendheid in de zin van artikel 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zou ingeroepen hebben bij de totstandkoming van het bestreden besluit, hetgeen nochtans een grote impact gehad heeft op de diepgang van het advies en de rechtsbescherming van de burger, aangezien het beroep op de hoogdringendheid elke inhoudelijke controle en de toetsing aan hogere rechtsnormen onmogelijk gemaakt heeft. Volgens de verzoekende partijen was er geen sprake van hoogdringendheid of werd zij veroorzaakt door het onzorgvuldig optreden van de uitvoerende macht. 12. De verwerende partij antwoordt dat zij het bestreden besluit slechts kon uitvaardigen na verschillende adviezen te hebben ingewonnen en verschillende denkpistes onderzocht te hebben en dat een termijn van zes maanden daarvoor niet abnormaal is. Zij wijst erop dat de verzoekende partijen de pertinentie van de motieven, die de hoogdringende adviesaanvraag bij de afdeling wetgeving van de Raad van State ondersteunden, niet betwisten. Zij voegt daaraan toe dat er in ieder geval een advies ingewonnen werd, dat de afdeling wetgeving geen kritiek uitgebracht heeft op de ingeroepen hoogdringendheid en dat de rechtspraak minder streng is voor een overheid die een advies inwint maar daarvoor de hoogdringendheid inroept dan voor een overheid die zich aan de adviesverplichting onttrekt. 13. In hun memorie van wederantwoord wijzen de verzoekende partijen erop dat het vroegst gedagtekend stuk van het bestuur dagtekent van 21 juni 2004 en dat het, aangezien het bekend was dat het criterium van het balanstotaal mogelijk een discriminatie bevatte, toch gewenst was een volledig wettigheids- toezicht van de Raad van State af te wachten. Zij voegen daaraan toe dat de IX-4678-7/13 omstandigheid dat de afdeling wetgeving van de Raad van State de eerste beoordeelster is van de hoogdringendheid waarmee een adviesaanvraag wordt ingediend, niet belet dat de afdeling bestuursrechtspraak er anders over oordeelt, inzonderheid wanneer niet alle beoordelingselementen eerder bekend waren. Beoordeling 14. De afdeling wetgeving van de Raad van State is met betrekking tot het bestreden besluit op 31 juli 2004 om advies gevraagd overeenkomstig artikel 84, § 1, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Die bepaling verplicht de afdeling wetgeving tot het verlenen van een -weliswaar tot bepaalde rechtspunten beperkt- advies binnen de vijf werkdagen wanneer de aanvrager daarom met een gemotiveerde aanvraag verzoekt. 15. In dit geval heeft de verwerende partij het spoedeisend karakter van de adviesaanvraag als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat de sociale bijdragen ten laste van de vennootschappen voor het jaar 2004 ten laatste op 31 december 2004 dienen te zijn betaald conform artikel 92 van de wet van 30 december 1992, gewijzigd bij artikel 231 van de programmawet van 9 juli 2004; Overwegende dat er nog heel veel administratieve voorbereidingen dienen te gebeuren alvorens de sociale verzekeringsfondsen kunnen overgaan tot de inning van deze bijdragen eens zij weten welk bedrag voor welke vennootschap dient te worden geïnd : - opmaken bij de NBB van het gegevensbestand betreffende de geviseerde vennootschappen; - verwerking van de gegevens bij het RSVZ en verdeling van de gegevens naar de sociale verzekeringsfondsen toe; - tijdig opsturen van de vervaldagberichten door de sociale verzekerings- fondsen, rekening houdend met de door het RSVZ verstrekte gegevens;” 16. De afdeling wetgeving, die als eerste de rechtmatigheid beoordeelt van de bijzondere redenen waarop het spoedeisend karakter van de adviesaanvraag stoelt, heeft daarover geen bemerkingen gemaakt. De verzoekende partijen brengen ook geen argumenten aan die erop wijzen dat de afdeling niet over alle gegevens beschikt zou hebben om het spoedeisend karakter van de aanvraag gefundeerd te beoordelen. De verzoekende partijen betwisten nu ook niet dat de nieuw ingevoerde bijdrage ten laatste op 31 december 2004 betaald moest zijn en dat er, wegens de redenen vermeld in de aanvraag, niet langer getalmd mocht worden met het uitvaardigen van het nieuwe reglement. Er is geen reden om thans afstand te nemen IX-4678-8/13 van het impliciet oordeel van de afdeling wetgeving dat de adviesaanvraag spoedeisend was. De wettelijke bepaling, waarin het bestreden besluit zijn grondslag vindt, is goedgekeurd op 22 december 2003 en uit het dossier blijkt dat het bestreden besluit reeds in februari en maart 2004 binnen de administratie werd voorbereid. Er is dan ook geen reden om aan het bestuur het verwijt te maken dat het, wegens zijn laattijdige aanpak, zelf verantwoordelijk is voor het spoedeisend karakter van de adviesaanvraag. 17. Het middel is niet gegrond. B. Middelen waarin een prejudiciële vraag wordt voorgesteld Uiteenzetting 18. In het tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet, doordat de hier bestreden vennootschapsbijdrage geen sociale zekerheidsbijdrage is maar een belasting. Zij betogen in dat verband dat de bijdrageplichtigen geen arbeidsprestaties leveren en er ook geen enkele prestatie van de sociale zekerheid tegenover staat. Zij stellen vast dat de verplichte bijdrage het hoogst is voor de grotere vennootschappen terwijl die precies het minst of zelfs helemaal niet opgericht zijn om een zelfstandige activiteit in onder te brengen en zijn van oordeel dat het bepalen van de hoogte van een belasting een aangelegenheid is die de wetgever zelf moet regelen. Daaruit volgt dat de delegatie die artikel 91 van de wet van 30 december 1992 aan de Koning verleend heeft, niet in overeenstemming is met de aangehaalde bepalingen van de Grondwet, zodat het aangewezen is een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. In het vierde middel, eerste onderdeel, voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet doordat de ingestelde verplichte bijdrage een forfaitair karakter heeft die geen rekening houdt met de concrete toestand van de individuele betrokkenen, terwijl de artikelen 10 en 11 van de Grondwet nochtans daartoe verplichten en terwijl het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 77/93 toch reeds gesteld heeft dat de eenmalige vennootschaps-bijdrage principieel in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de IX-4678-9/13 Grondwet en de redenen waarom het Hof toen de grondwettigheid van de ingevoerde bijdrage aanvaard heeft nu niet gelden. Aangezien het forfaitair karakter van de bijdrage besloten in artikel 91 van de wet van 30 december 1992, wordt daarover een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof voorgesteld. In het zesde middel voeren de verzoekende partijen aan dat, wanneer de betwiste bijdrage als een sociale zekerheidsbijdrage gekwalificeerd wordt, artikel 91 van de wet van 30 december 1992 en de bestreden bepalingen van het koninklijk besluit van 31 juli 2004 het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel miskennen, doordat bepaalde personen en met name vennootschappen, hoewel zij niet sociaal verzekerd zijn en geen rechten kunnen putten uit het betalen van bijdragen, toch verplicht worden een bijdrage aan de sociale zekerheid te leveren zonder dat daarvoor een redelijke en evenredige verantwoording wordt gegeven. De problematiek van de compensatie is niet aan bod gekomen tijdens de parlementaire bespreking van de wet van 22 december 2003 en in ieder geval is dat geen geldig criterium van onderscheid, aangezien de forfaitaire bijdrage niet wordt beperkt tot de vennootschappen die een zelfstandige activiteit afdekken en de omstandigheid dat zelfstandigen vennootschappen hebben opgericht geen gevolgen gehad heeft voor de inkomsten van het statuut van de zelfstandigen. Ook daarover wensen zij het Grondwettelijk Hof te bevragen. 19. De verwerende partij betoogt dat er geen prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof gesteld kunnen worden omdat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het annulatieberoep. Zij stelt ook dat het Grondwettelijk Hof zich reeds over de aangelegenheid uitgesproken heeft in het arrest nr. 77/93 van 3 november 1993 en dat het toen geen ongrondwettigheid vastgesteld heeft. Beoordeling 20. Hoger is uiteengezet waarom de verzoekende partijen belang hebben bij de vernietiging van het bestreden besluit. Dat zij geen beroep ingesteld hebben tegen artikel 91 van de wet van 30 december 1992 verhindert niet dat de Raad van State in het kader van het onderzoek van de wettigheid van een uitvoeringsbesluit daarvan, prejudiciële vragen stelt aan het Grondwettelijk Hof. 21. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 77/93 van 3 november 1993 uitspraak gedaan over de schending van de artikelen 10 en 11 van IX-4678-10/13 de Grondwet door artikel 78 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen. Deze bepaling had niet dezelfde draagwijdte als het in de onderhavige zaak betrokken artikel 91 van de wet van 30 december 1992 en toen was ook de vraag naar het karakter van de ingevoerde bijdrage en de overeenstemming daarvan met de artikelen 170 en 172 van de Grondwet niet aan de orde gesteld. De door de verzoekende partijen voorgestelde vragen vinden geen antwoord in het arrest nr. 77/93. 22. De verzoekende partijen wensen, met het oog op de vernietiging van de bestreden bepalingen van het koninklijk besluit van 31 juli 2004, vastgesteld te zien dat artikel 91 van de wet van 30 december 1992 op verschillende punten niet in overeenstemming is met de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet, aangezien de Koning de bevoegdheid krijgt om een belasting op te leggen aan vennootschappen, aangezien de bijdrage een forfaitair karakter heeft en er dus geen rekening gehouden kan worden met de concrete financiële omstandigheden waarin de vennootschappen zich bevinden en aangezien -in de visie dat de forfaitaire bijdrage geen belasting is maar een bijdrage aan de sociale zekerheid- de Koning de bevoegdheid krijgt een bepaalde bijdrage op te leggen aan personen die geen sociaal verzekerden zijn en ook geen recht op uitkeringen hebben. Het Grondwettelijk Hof heeft zich nog niet uitgesproken over de vragen die door de verzoekende partijen worden voorgesteld en die de Raad van State noodzakelijk acht om uitspraak te doen over de gegrondheid van de hoger samengevatte middelen. Toepassing makend van artikel 26, § 2, eerste lid van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof worden de door de verzoekende partijen voorgestelde vragen -wat betreft de tweede vraag licht aangepast omdat artikel 91 van de wet van 30 december 1992 in een diversificatie van de forfaitaire toelage voorziet in functie van “criteria die rekening houden met inzonderheid de omvang van de vennootschap” maar geen andere criteria, zoals de financiële toestand, toelaat - aan het Grondwettelijk Hof voorgelegd. C. Overige middelen 23. In het tweede onderdeel van het tweede middel voeren de verzoekende partijen de ongrondwettigheid aan van de bestreden bepalingen van het koninklijk besluit van 31 juli 2004, doordat daarin een onderscheid gemaakt wordt tussen de verschillende bijdrageplichtigen op basis van het balanstotaal van de IX-4678-11/13 vennootschap. In het derde middel wordt de schending aangevoerd van, onder meer, artikel 91 van de wet van 30 december 1992 doordat de bestreden bepalingen een onderscheid maken tussen de vennootschappen op grond van criteria die de wet niet toelaat en zij het doel miskennen dat de wetgever met artikel 91 beoogde. In het vijfde middel wordt de schending aangevoerd van het EG-verdrag, dat iedere discriminatie op grond van de nationaliteit verbiedt, terwijl de bestreden bepalingen tot gevolg hebben dat niet-Belgische vennootschappen bijna altijd slechts de laagste bijdrage zullen moeten betalen. De beoordeling van deze middelen wordt mede bepaald door het antwoord van het Grondwettelijk Hof op de hierna vermelde vragen die voorgesteld zijn door de verzoekende partijen. Het onderzoek ervan wordt uitgesteld tot er uitsluitsel is over de grondwettigheid van artikel 91 van de wet van 30 december 1992. BESLISSING 1. Het eerste middel wordt verworpen. 2. De debatten worden heropend. 3. Aan het Grondwettelijk Hof worden de volgende prejudiciële vragen gesteld: a. Schendt artikel 91 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, zoals gewijzigd door de programmawet van 22 december 2003, de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenlezing met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het aan de Koning de bevoegdheid verleent het bedrag van de ingevolge die wet door vennootschappen verschuldigde bijdrage vast te leggen, terwijl overeenkomstig de genoemde grondwetsbepalingen een belasting slechts door de wet mag worden opgelegd en alle rechtsonderhorigen, dus ook de vennootschappen die tot betaling van de bijdrage gehouden zijn, op gelijke wijze de garantie moeten hebben dat een belasting slechts kan worden opgelegd door een democratisch verkozen en beraadslagend orgaan dat alle rechtsonderhorigen vertegenwoordigt? b. Schendt artikel 91 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, zoals gewijzigd door de programmawet van 22 december 2003, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet doordat het oplegt dat de jaarlijkse bijdrage die de vennootschappen verschuldigd zijn, een forfaitair karakter moet hebben en de Koning een onderscheid kan maken op basis van criteria die rekening houden met de omvang van de vennootschap waardoor vennootschappen die zich op een IX-4678-12/13 andere manier van elkaar onderscheiden dan door de omvang van de vennootschap niettemin op identieke wijze worden behandeld? c. Indien het Grondwettelijk Hof van oordeel is dat de vennootschapsbijdrage in artikel 91 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen als een sociale zekerheidsbijdrage dient te worden gekwalificeerd, schendt dit artikel dan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het aan personen die geen sociaal verzekerden zijn en op geen enkele wijze enig recht hebben of kunnen creëren op socialezekerheidsprestaties, oplegt een sociale zekerheidsbijdrage te betalen en daarbij aan de Koning de bevoegdheid verleent de omvang van die sociale zekerheidsbijdrage te bepalen? 4. Na het antwoord van het Grondwettelijk Hof wordt aan de partijen een termijn van 30 dagen gegeven om een memorie in te dienen waarin zij hun middelen kunnen bespreken in functie van de antwoorden van het Grondwettelijk Hof. 5. Het door de Auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt vervolgens belast met het verder onderzoek van de zaak. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 11 januari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-4678-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.420 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.118 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.