← België

Arrest 199454 - Fiscale provinciale en lokale reglementen - 12/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.454 Rolnummer: A. 120347/XII-3542 Zaak: Arrest 199454 - Fiscale provinciale en lokale reglementen - 12/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-14 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-02 08:13 Versie(s): Vertaling FR Fiche Arrest nr 199.454 van 12 januari 2010 Fiscaliteit - Fiscale provinciale en lokale reglementen Beslissing : heropening debatten Verwijzing naar alg.rol Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK ALGEMENE VERGADERING nr. 199.454 van 12 januari 2010 in de zaak A. 120.347/g-112 In zake: de BVBA ARTS & SCIENCES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Véronique De Brabanter kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 412 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE ANDERLECHT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Vincent De Wolf kantoor houdend te 1060 Brussel Guldenvlieslaan 68/9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 april 2002 strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 6 december 2001 van de gemeenteraad van Anderlecht tot het heffen van een belasting op vertoningen, tentoonstellingen en gelijkaardige evenementen in privéruimten. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 195.585 van 20 augustus 2009 worden de debatten heropend en de zaak is voorgelegd aan de Voorzitter van de Raad van State; De zaak wordt op 16 oktober 2009 naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak verwezen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting van de algemene vergadering afdeling bestuursrechtspraak, die heeft plaatsgevonden op 24 november 2009. AV-112n-1\7 Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Véronique De Brabanter, verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaten Pierre Geerinckx en Boudewijn Ronse, die loco advocaat Vincent De Wolf verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Onderzoek van het derde middel Standpunt van de partijen 3. Verzoekster voert in een derde middel de schending aan van artikel 464 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna: W.I.B. 1992) en van het non bis in idem beginsel, doordat de gemeentebelasting dezelfde grondslag treft als de vennootschapsbelasting. Toegelicht wordt dat verwerende partij krachtens het bestreden reglement een belasting heft van 10 % op de bruto- ontvangsten van het entreegeld van de betrokken voorstelling, tentoonstelling of ander evenement, niettegenstaande artikel 464 W.I.B. -dat de uitdrukking is van het non bis in idem beginsel- inhoudt dat gemeenten niet gemachtigd zijn tot het heffen van belastingen op de grondslag of op het bedrag van de vennootschapsbelasting. 4. Verwerende partij werpt tegen dat de gemeentebelasting niets te maken heeft met "gelijkaardige" belastingen op de grondslag of het bedrag van de inkomstenbelastingen. Zij benadrukt dat het bestreden reglement niet een nieuwe belasting op de inkomsten tot doel heeft maar is ingegeven door de lasten die door privévertoningen worden veroorzaakt, zoals het reinigen van de straten in de omgeving ervan, het surplus aan werk voor verkeersagenten, enzovoort. Tevens wijst zij erop dat artikel 464 W.I.B. 1992 teruggaat op artikel 34 van de wet van 24 december 1948 betreffende de gemeentelijke en provinciale financiën, terwijl diezelfde wet in het artikel 36, 2/, ook de -op alle bruto-ontvangsten gevestigde- rijksbelastingen op de vertoningen en vermakelijkheden heeft afgeschaft met de bedoeling om die belasting voortaan aan de lokale overheden voor te behouden. Zij AV-112n-2\7 concludeert dat genoemd artikel 36, 2/, ofwel een wettelijke uitzondering vormt op artikel 34, huidig artikel 164 W.I.B. 1992, ofwel tegenspreekt dat de wetgever de intentie heeft gehad een gemeentebelasting op het brutobedrag van de vertoningen en vermakelijkheden te verbieden. Beoordeling 5. De bestreden beslissing voert ten laste van de inrichter, de eigenaar van de plaats, en de persoon die bijdragen int van de aanwezigen of deelnemers, een belasting in op vertoningen, tentoonstellingen en gelijkaardige evenementen in privéruimten, die wordt berekend in functie van de ontvangsten. Ze bedraagt meer bepaald 10 % van de bruto-ontvangsten van het entreegeld. In het tussenarrest nr. 195.585 van 20 augustus 2009 is vastgesteld dat de bruto-ontvangsten van de entreegelden die verzoekster int een essentieel element uitmaken bij de bepaling van de belastbare winst in de vennootschapsbelasting waaraan zij onderworpen is en dat aldus de bestreden belasting gebruik maakt van een constitutief bestanddeel of een wezenlijke component van de grondslag van deze vennootschapsbelasting. Is het zo dat dit -inzonderheid gelet op het verschillende doel dat door de vennootschapsbelasting, respectievelijk de gemeentebelasting wordt nagestreefd- geen vragen doet rijzen ten aanzien het non bis in idem beginsel als zodanig, anders is het wat het artikel 464 W.I.B. 1992 betreft. 6. Artikel 464 W.I.B. 1992 schrijft voor: " De provincies, de agglomeraties en gemeenten zijn niet gemachtigd tot het heffen van: 1/ opcentiemen op de personenbelasting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtspersonenbelasting, en op de belasting van niet-inwoners of van gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van die belastingen, uitgezonderd evenwel wat de onroerende voorheffing betreft; 2/ belastingen op het vee". De bepaling komt inhoudelijk overeen met de verbodsbepaling van artikel 83 van de samengeschakelde wetten op de inkomstenbelastingen, zoals gewijzigd door artikel 34 van de wet van 24 december 1948 betreffende de gemeentelijke en provinciale financiën. Dit artikel luidde na die wijziging: AV-112n-3\7 " De provinciën en gemeenten zijn niet gemachtigd tot het heffen van:

  1. a)Opcentimes op de gesplitste inkomstenbelasting of gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van deze belastingen. Uitzondering wordt nochtans gemaakt voor de grondbelasting;
  2. b)Belastingen op het vee". 7. Artikel 36 van de voormede wet van 24 december 1948, waarop verwerende partij zich te dezen beroept, bepaalt wat volgt: " Worden opgeheven, behoudens hetgeen de dienstjaren vóór dat van 1949 betreft: 1/ [...] 2/ De ten behoeve van het Rijk geheven belastingen op
  3. a)De vertoningen en vermakelijkheden; [...] De provinciale en gemeentelijke belastingen op de vertoningen en vermakelijkheden mogen geen toepassing vinden op de vertoningen gegeven in de schouwburgzalen en in te delen in een der volgende categorieën: treurspel, opera, opera comique, operette, blijspel, vaudeville, folkloristische klucht, drama, begin-, eindeseizoenrevue of eindejaarsrevue door de vast verbonden gezelschappen". 8. Eerder, in zijn arrest inzake Kemme e.a. tegen de gemeente Lanaken, nr. 117.154 van 18 maart 2003, heeft de Raad van State reeds geoordeeld dat het artikel 464 W.I.B. 1992 niet zo duidelijk is dat het verboden zou zijn ter interpretatie de parlementaire voorbereiding ervan na te gaan. Anders dan verzoekster betoogt, geldt dat evengoed voor het artikel 36 van de wet van 24 december 1948 en voor de verhouding ervan ten opzichte van het artikel 34, dat aan de basis van artikel 464 W.I.B. 1992 ligt. Dit artikel 36 heft de bestaande, ten behoeve van het Rijk geheven, belastingen op vertoningen en vermakelijkheden op en stelt die belasting beschikbaar voor provincies en gemeenten. Tot vóór de opheffing werd de rijksbelasting op de vertoningen en vermakelijkheden geheven op het brutobedrag van de ontvangsten, waarbij -gelet op de wet van 22 januari 1931 op het provinciaal en gemeentelijk belastingswezen- aan de gemeenten een aandeel van vier tienden van de belasting werd toegekend en zij gemachtigd werden tot het heffen van opcentiemen, die het vierde van de belasting niet te boven mochten gaan. Aangezien het artikel 36 van de wet van 24 december 1948 deze rijksbelasting afschaft ten bate van onder andere de gemeenten, kan de vraag rijzen of de belastingen op vertoningen en vermakelijkheden voort op dezelfde grondslag AV-112n-4\7 gevestigd mogen worden, dan wel of de gemeenten terzake rekening moeten houden met het artikel 34 van dezelfde wet. 9. De voorbereidende werken van de wet van 24 december 1948 doen er duidelijk van blijken dat de wetgever met het artikel 36, 2/, zeer uitdrukkelijk heeft gewild de belasting op de vertoningen en vermakelijkheden die voorheen ten behoeve van het Rijk werd gevestigd, over te laten aan de gemeenten -en provincies- die "aldus hun belastingvermogen met een overeenkomstig bedrag zien toenemen" (Parl. St. Kamer, 1947-48, nr. 492, pp. 11 en 42; Parl. St. Senaat 1947-48, nr. 492, pp. 10-11). Het wettigt de overtuiging dat de gemeenten en provincies, ten gevolge van het artikel 36, het Rijk zijn opgevolgd wat de betrokken belastingheffing betreft en dat zij bijgevolg, zoals voorheen het geval was in hoofde van het Rijk, de vertoningen in functie van de ontvangsten van de exploitant mogen belasten. Immers bestond de oorspronkelijk ten voordele van het Rijk geheven belasting op de vertoningen en vermakelijkheden precies in een belasting op het brutobedrag van de inkomsten, waarvan een fractie of een vast aandeel aan de gemeenten werd toegekend. De wet van 24 december 1948 brengt daar verandering in, doordat ze de rijks- en de gemeentebelastingen zoveel mogelijk wil scheiden, reden waarom de gemeentelijke aandelen en opcentiemen moeten wegvallen. Aldus strekt artikel 34 ertoe om het artikel 83 van de samengeschakelde wetten op de inkomstenbelastingen, dat een uitzondering vormt op de door de Grondwet verankerde autonomie van de gemeenten in belastingzaken, te herleiden tot enkele bepalingen houdende verbod, voor de provincies en gemeenten, tot het heffen van opcentiemen en "gelijkaardige" belastingen op de gesplitste inkomstenbelastingen, behalve inzake grondbelasting, en tot het heffen van een belasting op het vee (Parl. St. Senaat, 1947-48, nr. 492, pp. 10 e.v.). Tegelijk met de afschaffing van de gemeentelijke aandelen en opcentiemen, schuift de wetgever, in het artikel 36, de gemeenten de vroegere rijksbelasting op de vertoningen en vermakelijkheden door, om hen toe te laten hun belastingrendement op peil te houden. Niets in de voorbereidende werken laat toe aan te nemen dat de wetgever daarbij bedoeld zou hebben te verbieden dat het bedrag van de gemeentebelasting op de vertoningen en vermakelijkheden voort wordt gevestigd op de entreegelden. De enige uitzondering waarin de wetgever heeft voorzien is dat de gemeentelijke en provinciale belastingen op de vertoningen en vermakelijkheden AV-112n-5\7 geen toepassing mogen vinden op vertoningen in de schouwburgzalen, voor zoveel ze in één van de opgegeven categorieën in te delen zijn. 10. In het licht van het voorgaande wordt geconcludeerd dat vanwege artikel 36 van de wet van 24 december 1948, het artikel 464, 1/, W.I.B. 1992 niet geacht kan worden de gemeenten te verbieden om een belasting op vertoningen en vermakelijkheden te heffen op basis van de bruto-ontvangsten van het entreegeld. Deze interpretatie wordt alleen maar bevestigd door de modelverordening die bij omzendbrief van 31 oktober 1949 van de minister van Binnenlandse Zaken in 1949 aan de gemeenten werd aanbevolen. In dit type- reglement, dat gestoeld was op de vroegere rijksbelasting, werd het bedrag van de belasting bepaald in functie van de bruto-ontvangsten. 11. Het derde middel is ongegrond. Aangezien het verslag van het auditoraat tot het onderzoek van dat middel beperkt is, blijkt er reden tot het opstellen van een aanvullend verslag. BESLISSING 1. De debatten worden heropend. 2. De zaak wordt naar de XIIe kamer verwezen. 3. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt ermee gelast het onderzoek van de zaak voort te zetten. AV-112n-6\7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 12 januari 2010, door de Raad van State, algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak, samengesteld uit: Marie-Rose Bracke voorzitter van de Raad van State, Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Michel Leroy, kamervoorzitter, Jules Messinne, kamervoorzitter, André Vandendriessche, kamervoorzitter, Philippe Quertainmont, staatsraad, Jacques Vanhaeverbeek, staatsraad, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, François Daout, staatsraad, Eric Brewaeys, staatsraad, Imré Kovalovszky, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, Michel Pâques, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, Luc Cambier, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, Diane Deom, staatsraad, bijgestaan door Danièle Langbeen, hoofdgriffier. De hoofdgriffier De voorzitter van de Raad van State Danièle Langbeen Marie-Rose Bracke AV-112n-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.454 Gerelateerde publicatie(
  4. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.585 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.222.670 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.