← België

Arrest 199457 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 12/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.457 Rolnummer: A. 193200/XIV-33305 Zaak: Arrest 199457 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 12/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-18 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-07-02 08:13 Fiche Arrest nr 199.457 van 12 januari 2010 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 199.457 van 12 januari 2010 in de zaak A. 193.200/XII-5874 In zake: Luc DE VRIENDT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willy Van Der Gucht en Frank Dieu kantoor houdend te Gent Sint-Denijslaan 201 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het ALGEMEEN STEDELIJK ZIEKENHUIS AALST AV bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 30 juni 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de raad van bestuur van de autonome verzorgingsinstelling Algemeen Stedelijk Ziekenhuis te Aalst van 28 mei 2009, waarbij aan Luc Devriendt als tuchtstraf het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Bart Weekers heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 november
  3. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. XII-5874-1\37 Advocaat Willy Van Der Gucht, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Bart Weekers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is sedert 1 maart 2004 aangesteld in het mandaat van algemeen directeur van het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis AV te Aalst (hierna ook : het ASZ Aalst). Het ASZ Aalst is een autonome verzorgingsinstelling zoals bedoeld in hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : de OCMW-wet). 3.
  6. Met een brief van 1 december 2008 aan het directiecomité, uitgaande van de voorzitter van de medische raad en van de voorzitter van de vzw MSSZ (Medische Staf Stedelijk Ziekenhuis) -dokter E.V.H.- die beiden ook zetelen in het directiecomité, worden een aantal feiten in hoofde van verzoeker aangeklaagd. Zo wordt onder meer gewag gemaakt van onregelmatigheden bij de renovatie van het kantoor van de algemeen directeur. Verzoeker reageert op deze brief met een schrijven gedateerd 5 december
  7. Op 9 december 2008 melden de auteurs van de brief van 1 december 2008 dat de algemene vergadering van geneesheren het vertrouwen in verzoeker opzegt. Redenen daartoe zijn, onder andere, het niet opstarten van onderhandelingen voor een nieuw raamakkoord, de wijze van opvolging van het pensioendossier en het niet finaliseren van belangrijke bouwdossiers. Op 11 december 2008 antwoordt dokter E.V.H. op de brief van verzoeker van 5 december
  8. XII-5874-2\37 3.
  9. Het directiecomité bespreekt een en ander op 15 december 2008, in aanwezigheid van verzoeker. Het comité vraagt de ontvanger-penningmeester een aanvullend onderzoek uit te voeren. 3.
  10. Het directiecomité bespreekt een tussentijds rapport op 29 december 2008, zonder verzoeker. Op 15 januari 2009 deelt dokter E.V.H. aan de ontvanger- penningmeester mee dat de vzw MSSZ eind 2006 - begin 2007 winterwielen en een tankkaart heeft betaald aan -en op uitdrukkelijke vraag van- verzoeker. Hiervan neemt het directiecomité kennis op 30 januari 2009, opnieuw in afwezigheid van verzoeker. 3.
  11. Op 4 februari 2009 geeft verwerende partij kennis van een aantal feiten aan de procureur des Konings, hetgeen tot een gerechtelijk onderzoek aanleiding geeft. 3.
  12. Op 6 februari 2009 neemt de raad van bestuur van het ASZ Aalst kennis van het verslag van de penningmeester. De raad van bestuur beslist vervolgens om een tuchtprocedure te starten ten laste van verzoeker op grond van vier mogelijke tuchtfeiten : - het vragen en ontvangen van materiële voordelen van de vzw MSSZ, met name winterwielen voor de privé-wagen en een tankkaart voor de jaren 2007 en 2008; - het niet naleven van de regelgeving inzake overheidsopdrachten of van de interne besluitvormingsprocedures met betrekking tot opfrissingswerken aan het kantoor van de algemeen directeur; - privé-uitgaven op kosten van het ASZ Aalst, te weten het laten plaatsen van een geïntegreerde telefoon in de privé-wagen en het ten onrechte laten uitschijnen dat de factuur werd goedgekeurd door het financieel comité door het aanbrengen van de vereiste stempel en korttekening; - ongeoorloofde tussenkomsten in de administratie met het oog op het zichzelf laten toekennen van een hogere wedde dan wettelijk toegelaten en het onrechtmatig laten uitbetalen van wachtvergoedingen aan zichzelf en enkele directieleden. XII-5874-3\37 3.
  13. Ook beslist de raad van bestuur om verzoeker bij hoogdringendheid preventief te schorsen met inhouding van wedde ten belope van 50% en om verzoeker op te roepen voor verhoor op 16 februari
  14. Na verzoeker en zijn raadsman gehoord te hebben op 16 februari 2009, beslist de raad van bestuur op 17 februari 2009 om de preventieve schorsing met inhouding van wedde te handhaven. 3.
  15. Op 21 april 2009 neemt de raad van bestuur kennis van het tuchtdossier en beslist hij verzoeker en vier getuigen waaronder dokter E.V.H. op te roepen voor een hoorzitting op 11 en 13 mei
  16. Verzoeker vraagt later om nog drie andere personen als getuige op te roepen. Op vraag van verzoeker wordt een bijkomende zitting ingelast op 19 mei 2009, om verzoeker toe te staan zijn verweer te voeren met kennis van de getuigenverklaringen. De hoorzittingen vinden plaats op de geplande data. Op 13 mei 2009 vraagt verzoeker een verder uitstel om zijn verweer te kunnen voorbereiden, maar dit wordt hem geweigerd, zodat verzoeker zijn verweer voert op de zitting van 19 mei
  17. 3.
  18. Op 28 mei 2009 beslist de raad van bestuur om aan verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen, met terugwerkende kracht tot op de datum waarop de preventieve schorsing uitwerking had gekregen. IV. De schorsingsvoorwaarden
  19. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. XII-5874-4\37 V. Beoordeling van de aangevoerde middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  20. Het eerste middel is geput uit de schending van de rechten van de verdediging en van het onpartijdigheidsbeginsel. Verzoeker licht toe dat hem na de zitting van 13 mei 2009 een kopie is gegeven van de geluidsbanden met het oog op zijn verweer “in een poging de rechten van verdediging toch enigszins te respecteren”. Op die geluidsbanden bevonden zich echter niet enkel de getuigenverhoren, maar ook de opnames van de voor- en nabesprekingen door de raad van bestuur. Uit deze besprekingen blijkt volgens verzoeker dat minstens een meerderheid van de raad zich reeds een oordeel over hem moet hebben gevormd zonder dat hij de kans had gekregen zich te verdedigen. Er werd immers gesuggereerd dat in de tuchtzaak een beslissing zich opdrong vóór het verstrijken van de preventieve schorsing omdat anders alsnog de ingehouden wedde uitbetaald zou dienen te worden, hetgeen gelet op de elementen van het dossier niet de bedoeling zou kunnen zijn. Verzoeker citeert : “Het is uiterst belangrijk dat we [voor 6 juni] een beslissing nemen. Want doen we dat niet dan vervalt elk gevolg. Dat betekent ook alle ingehouden wedde hem alsnog moet worden uitbetaald en ik denk van wat we ondertussen weten uit het dossier dat dat niet echt de bedoeling zal zijn”. Deze uitspraak werd volgens verzoeker door niemand in vraag gesteld noch tegengesproken, wat volgens hem impliceert dat minstens een meerderheid binnen de raad reeds tot het besluit was gekomen om hem een tuchtsanctie op te leggen, en zelfs dat hij van ambtswege ontslagen diende te worden. Ook viel volgens verzoeker op de opnames te horen dat de voorzitter stelde dat hij toch in beroep zou gaan, wat er op wijst dat het voornemen tot het opleggen van een sanctie reeds vast stond. Verzoeker wijst er op dat hij daarom de wraking gevraagd had van de raad van bestuur in zijn toenmalige samenstelling. Dit kon perfect zonder dat de uitoefening van de tuchtbevoegdheid onmogelijk werd, aangezien de leden van de raad van bestuur zich statutair konden laten vervangen én de betrokken OCMW- raden ook andere leden naar de raad van bestuur kunnen afvaardigen. XII-5874-5\37 Beoordeling
  21. Het middel steunt op hetgeen voor en na de getuigenverhoren door leden van de raad van bestuur zou zijn gezegd. De Raad van State stelt vast dat door geen van beide partijen oorspronkelijk de bewuste geluidsopnames werden voorgelegd. Ter terechtzitting heeft dan verzoeker toch een kopie van de opnames neergelegd. Dit is echter voor het beoordelen van de schorsing te laat, aangezien verzoeker dit reeds samen met zijn verzoekschrift had kunnen doen. De Raad zal in de huidige stand van de procedure dan ook geen kennis nemen van de geluidsopnames. De Raad stelt evenwel vast dat verwerende partij in haar nota met opmerkingen de feitelijke uiteenzetting die verzoeker doet ter adstructie van het middel niet tegenspreekt. Om die reden, en gelet op het bepaalde in artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in het geval waarin een bestuur nalaat een (volledig) administratief dossier neer te leggen, neemt de Raad van State in de huidige stand van de procedure aan dat die feitelijke gegevens niet kennelijk onjuist zijn en worden ze vooralsnog als bewezen geacht.
  22. Het bestreden besluit verwerpt het verzoek tot wraking op grond van volgende motieven : “De heer Devriendt vraagt de wraking van de volledige raad van bestuur omdat volgens hem uit de geluidopnames van de hoorzittingen van 11 en 13 mei 2009, meer bepaald uit de voor- en nabesprekingen van de getuigenverhoren die per vergissing eveneens aan de betrokkene werden bezorgd, zou blijken dat minstens een meerderheid van de raad van bestuur zich reeds een oordeel heeft gevormd over hem, vooraleer hij zijn verweer heeft kunnen voeren. Dit wordt afgeleid uit de intentie van de raad van bestuur om een beslissing te nemen vooraleer de periode van preventieve schorsing verstrijkt, alsook uit de uitspraak dat de betrokkene toch in beroep zal gaan. Allereerst moet worden opgemerkt dat luidens de rechtspraak van de Raad van State een verzoek tot wraking van de bevoegde tuchtoverheid niet tot gevolg kan hebben dat de uitoefening van de tuchtbevoegdheid onmogelijk wordt. Alleen reeds om die reden moet het verzoek tot wraking worden verworpen. De raad van bestuur wil echter beklemtonen dat er in casu ook geen sprake is van een schending van het onpartijdigheidsbeginsel. Het loutere feit dat de raad van bestuur - gelet op de vraag tot uitstel van de hoorzitting - in zijn zoektocht naar een eventuele andere geschikte datum ermee rekening houdt dat de preventieve schorsing eindigt op 6 juni 2009, brengt niet met zich dat de beslissing al vast staat. Artikel 312, §2 van de Nieuwe Gemeentewet bepaalt XII-5874-6\37 dat alle gevolgen van de preventieve schorsing vervallen, indien geen tuchtstraf wordt opgelegd vóór het verstrijken van de preventieve schorsing. Het getuigt eerder van zorgvuldig bestuur dan van partijdigheid om de werkzaamheden zodanig te plannen dat een beslissing over het tuchtdossier kan worden genomen vóór het verstrijken van de preventieve schorsing. De stelling van de betrokkene dat enkel het ontslag van ambtswege de preventieve schorsing en de inhouding van wedde kan opslorpen is immers onjuist; reeds vanaf een inhouding van wedde als tuchtstraf, is een verrekening van de tuchtstraf op de preventieve schorsing en de ingehouden wedde mogelijk. De raad van bestuur had op 13 mei 2009 nog geen enkel debat gevoerd over het al dan niet tuchtrechtelijk bestraffen van de heer Devriendt, noch formeel, noch informeel, laat staan over een eventuele strafmaat. De geluidsopnames die per vergissing aan de betrokkene werden bezorgd, getuigen hiervan. Nooit werd gesteld dat de één of de andere straf zou worden opgelegd, laat staan het ontslag. Het getuigt echter van goed bestuur om erover te waken dat een beslissing over het tuchtdossier - ongeacht welke beslissing - kon worden genomen vooraleer de preventieve schorsing zou vervallen. Dit geldt vooral nu de ernst van het tuchtdossier niet kan worden ontkend - zo niet zou hij ook niet preventief geschorst zijn - en de heer Devriendt zelf een aantal feiten nooit heeft betwist, zoals bv. dat hij materiële voordelen van de VZW MSSZ heeft ontvangen. Ook de uitspraak dat de heer Devriendt toch in beroep zal gaan tegen een tuchtbeslissing, impliceert niet dat voor de meerderheid van de raad van bestuur op dat ogenblik zou hebben vastgestaan dat hij tuchtrechtelijk zou worden gestraft, laat staan met het ontslag van ambtswege. Tot slot moet worden opgemerkt dat de tuchtoverheid sinds 6 februari 2009 met het tuchtdossier werd geconfronteerd; dat de heer Devriendt reeds een eerste repliek gaf op de tuchtfeiten op de hoorzitting in het raam van de preventieve schorsing; dat de raad van bestuur intussen kennis nam van de resultaten van het tuchtonderzoek en van de stukken van het tuchtdossier. Dat intussen niemand zich stilaan een oordeel begon te vormen over bepaalde zaken of minstens een aantal vragen begon te stellen bij een aantal zaken, kan in redelijkheid niet van de leden van de raad van bestuur worden verlangd. Het onpartijdigheidsbeginsel vereist dit evenmin, zolang men maar open staat voor het verweer en daaraan minstens evenveel aandacht besteedt”.
  23. In de huidige stand van de procedure valt de Raad van State deze motivering bij. De ene door verzoeker in het inleidend verzoekschrift beschreven uitlating van de voorzitter en de ene tussenkomst van een lid van de meer dan twintig leden tellende raad van bestuur en het daar niet onmiddellijk op reageren door de overige leden van de raad van bestuur toont vooralsnog geen onpartijdigheid aan. Zoals verzoeker de feiten uiteenzet, betreft het slechts uitlatingen van de voorzitter en van een individueel lid van het bestuur. Dat die uitspraken volgens wat verzoeker heeft gehoord op de opnames niet dadelijk en uitdrukkelijk worden tegengesproken, of in vraag gesteld, betekent in de eerste plaats dat ze niet werden besproken. Met de bestreden beslissing neemt de Raad vooralsnog aan dat op 13 mei 2009 nog geen debat is gevoerd over het al dan niet bestraffen van verzoeker of over een op te leggen sanctie. Het is voorts niet onredelijk om aan te nemen dat de leden van de tuchtoverheid in die fase van de tuchtprocedure -na kennisname van het XII-5874-7\37 tuchtdossier, na enkele tussentijdse besprekingen van het tuchtdossier, na kennisname van enkele schriftelijke verweerschriften van verzoeker en na de eerste getuigenverhoren- zich al een bepaald idee van de zaak hebben gevormd zonder dat hiermee is aangetoond dat zij niet meer zouden open staan voor het nog te voeren verweer door verzoeker. Uit de verdere motivering van het tuchtbesluit lijkt alleszins dat verweer in de beoordeling betrokken te zijn geworden. Het argument dat de uitoefening van de tuchtbevoegdheid niet onmogelijk mag worden, lijkt in dit licht een overtollig motief.
  24. Het middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  25. Als tweede middel voert verzoeker de onbevoegdheid aan van de raad van bestuur als tuchtoverheid. Naar analogie met hetgeen de nieuwe gemeente- wet bepaalt over de gemeentesecretaris moet worden aangenomen dat enkel de algemene vergadering van de vereniging bevoegdheid kan hebben inzake tuchtzaken tegen de algemeen directeur, die de bevoegdheden heeft van de secretaris van het OCMW met betrekking tot de uitbating van een ziekenhuis als zou het onder de uitbating van het OCMW vallen. De algemene vergadering is krachtens artikel 17 van de statuten bevoegd voor de vaststelling van het administratief statuut van het personeel en heeft op grond van die bevoegdheid beslist dat wat de tuchtregeling betreft titel XIV van de nieuwe gemeentewet van toepassing is. Daardoor heeft de algemene vergadering zich impliciet maar zeker de tuchtbevoegdheid voorbehouden over de algemeen directeur. Beoordeling
  26. Met toepassing van artikel 120, eerste lid, 5/ en 7/, van de OCMW-wet valt het aan verwerende partij toe in haar statuten de respectieve bevoegdheden van haar algemene vergadering en van haar raad van bestuur vast te leggen. Uit artikel 128, § 1, van dezelfde wet, gelezen in samenhang met de artikelen 51 en 52, volgt voorts dat op de statutaire personeelsleden van de vereniging de tuchtregeling van de nieuwe gemeentewet van toepassing is, zonder XII-5874-8\37 dat dit nog door de algemene vergadering van verwerende partij bevestiging behoefde. Dit impliceert echter niet dat de tuchtstraf moet worden uitgesproken door de algemene vergadering.
  27. Indien artikel 51 van de OCMW-wet betrokken wordt op de door de verwerende partij opgestelde statuten van de vereniging, blijkt dat, overeenkomstig artikel 26, § 1, van die statuten de raad van bestuur over de volheid van bevoegdheid beschikt behoudens de bevoegdheden die door de statuten worden voorbehouden aan de algemene vergadering. Artikel 17 van de statuten handelt over de vaststelling van het administratief statuut. Verzoeker wijst echter geen bepaling aan die het opleggen van tuchtstraffen aan de algemeen directeur uitdrukkelijk aan de algemene vergadering voorbehoudt. Hieruit volgt prima facie dat de tuchtbevoegdheid onder de volheid van bevoegdheid van de raad van bestuur ressorteert.
  28. Het middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  29. Het derde middel is geput uit de schending van de rechten van de verdediging die volgens verzoeker “dienden [...] te wijken voor de reisplannen van de raadsleden”. Verzoeker laakt dat hij eerst op vrijdag 15 mei 2009 kennis kreeg van het proces-verbaal van het getuigenverhoor van woensdag 13 mei 2009, terwijl zijn verdediging al op dinsdag 19 mei 2009 diende te geschieden. De weigering om de behandeling van de zaak met slechts één week te verdagen maakt een schending uit van zijn rechten van verdediging. Verzoeker laakt ook dat hij het proces-verbaal van de zitting van 19 mei 2009 ondertekend moest terug bezorgen vóór hij er de geluidsopname van kreeg. Het getuigenverslag van de zitting van 13 mei 2009 zou ook niet correct een vraagstelling van de voorzitter weergeven. XII-5874-9\37 Verder is volgens verzoeker gebleken dat van een welbepaalde getuige verklaringen in het dossier zijn opgenomen die niet stroken met wat de betrokken getuige precies heeft gezegd. Het was derhalve absoluut nodig om kennis te kunnen nemen van de weerslag van de getuigenverklaringen om zich nuttig te kunnen voorbereiden op de uiteindelijke hoorzitting. Beoordeling
  30. Wat de weigering betreft om het gevraagde uitstel toe te staan, motiveert de bestreden beslissing : “De heer Devriendt vroeg om de hoorzitting van 19 mei 2009 met minstens één week uit te stellen. Dit verzoek werd voor het eerst opgeworpen op de hoorzitting van 13 mei
  31. De raad van bestuur heeft op dat ogenblik gedurende ongeveer een half uur informeel overlegd en agenda’s vergeleken om tot een oplossing te komen en op het verzoek tot uitstel in te gaan om de betrokkene zo veel als mogelijk ter wille te zijn. Na een lang overleg is gebleken dat een uitstel materieel onmogelijk was. Nu de heer Devriendt per vergissing ook de geluidsopname van deze gesprekken heeft bekomen, kan hij dit enkel beamen, alsook dat al het mogelijke werd gedaan om hem alsnog een uitstel te verlenen. Uiteindelijk werd beslist om de datum van de laatste hoorzitting – die op zich al een uitstel was – te behouden. De volgende motieven hebben daarbij meegespeeld: - de wens van het bestuur om een beslissing te nemen vóór het verstrijken van de preventieve schorsing gelet op de bepalingen van artikel 312, §2 Nieuwe Gemeentewet; - het vereiste quorum dat binnen het ASZ bijzonder complex is: niet alle leden van de raad van bestuur hebben immers stemrecht. Om geldig te kunnen stemmen dient ten minste de helft van de leden met beraadslagende stem (= stemrecht) van iedere deelgenoot aanwezig te zijn. Voor wat betreft deelgenoot Aalst, betekent dit 10 stemgerechtigde leden, dus minstens 5 aanwezigen. Voor wat betreft deelgenoot Geraardsbergen, 5 stemgerechtigde leden, dus minstens 3 aanwezigen. Voor wat betreft Wetteren, 3 stemgerechtigde leden, dus minstens 2 aanwezigen.- de vaststelling dat niet onmiddellijk na het aanhoren van het verweer een beslissing kon worden genomen, daar er eerst een proces-verbaal van verhoor moest worden opgesteld en ter ondertekening aangeboden aan de betrokkene, zodat er na het verweer nog een bijkomende vergadering moest worden gepland vóór het verstrijken van de preventieve schorsing. De reden waarom geen uitstel kon worden verleend houdt inderdaad verband met de afwezigheid van een aantal leden van de raad van bestuur met stemrecht in combinatie met het vereiste quorum. Of dit nu om redenen van vakantie of om andere redenen is, is op zich irrelevant. De heer Devriendt kan echter niet ernstig staande houden dat zijn rechten van verdediging geschonden zijn. Hij werd reeds bij brief dd. 22.04.09 opgeroepen om te worden gehoord op 11 en indien nodig, 13 mei
  32. De wettelijke oproepingstermijn werd daarbij ruimschoots geëerbiedigd. Hij ontving met deze zending meteen – hoewel niet verplicht - een volledige kopie van het tuchtdossier, zodat hij meteen ook hiervan kennis kon nemen en zijn verweer kon voorbereiden. XII-5874-10\37 De getuigen die door het bestuur werden opgeroepen – iets waarvan de betrokkene samen met de oproeping om te worden gehoord in tuchtzaken in kennis werd gesteld – hadden allen reeds verklaringen afgelegd die zich in het tuchtdossier bevonden; veel nieuwe elementen kon hun verhoor niet opleveren, zodat de voorbereiding van het verweer hierdoor niet kon worden gehinderd. Dit is bewaarheid gebleken nu de confrontatie van Dr. [E.V.H.] en de heer [B.] met de heer Devriendt op de hoorzitting niet veel heeft opgeleverd: de getuigen zijn bij hun verklaring gebleven; hetzelfde geldt overigens voor de heer Devriendt. De getuigenverklaring van de heer [D.B.] was voor de raad van bestuur op sommige punten verrassend, maar kon dit zeker niet zijn voor de heer Devriendt. Hij heeft immers bij zijn stukken neergelegd ter zitting een schriftelijke verklaring van de heer [D.B.] gevoegd met een versie van de feiten zoals naar voor gebracht tijdens het mondelinge getuigenverhoor, trouwens reeds opgesteld op 02.04.
  33. Daarenboven verklaarde de heer [D.B.] tijdens het getuigenverhoor op 13.05.09 op een vraag van de voorzitter dat hij reeds was gecontacteerd door de heer Devriendt sinds de start van de tuchtprocedure en dat die toen met hem heeft overlopen of de versie van de heer Devriendt over de weddenvaststelling - ‘het geval van de provincie’ - en de wachtvergoedingen wel juist was. Ook de heer [D.P.] heeft in zijn mondelinge antwoorden op vragen niets essentieel toegevoegd aan zijn tuchtverslag en het tuchtdossier. De getuigen opgeroepen door de heer Devriendt konden evenmin grote verrassingen hebben opgeleverd. Hij wist uiteraard wel waarom hij die getuigen heeft opgeroepen en welke vragen hij die getuigen zou stellen. De bijkomende vragen vanuit de raad van bestuur aan deze getuigen waren verder zeer beperkt. De heer Devriendt beschikte vanaf de oproeping om te worden gehoord in tuchtzaken dan ook over alle elementen om zijn verweer tegen de tuchtfeiten mogelijk te maken en voor te bereiden. Hij was daarmee reeds vóór de oproeping bezig, wat o.m. blijkt uit de reeds op 02.04.09 opgestelde verklaring van de heer [D.B.] die de heer Devriendt neerlegt. Dat hij de getuigenverklaringen wenste te verwerken in het verweer is begrijpelijk, doch hem werd speciaal met het oog daarop reeds een uitstel gegeven van 13.05.09 naar 19.05.
  34. Op zijn vraag werd hem op 13.05.09 ook nog de geluidsopname van de zittingen van 11.05.09 en 13.05.09 overhandigd. Daarenboven werden op 13.05.09 de processen-verbaal van getuigenverhoor dd. 11.05.09 en op 15.05.09 ’s ochtends de processen-verbaal van getuigenverhoor van 13.05.09 bezorgd. Alle processen-verbaal van getuigenverhoor werden niet alleen in papieren vorm maar ook elektronisch via e-mail bezorgd. Daarenboven hebben zowel de heer Devriendt, als zijn raadsman de getuigenverhoren bijgewoond en eraan deelgenomen, zodat zij geenszins dienden te wachten op de processen-verbaal om te vernemen wat er gezegd was. Het feit dat niet kan worden ingegaan op een tweede, in extremis geformuleerd verzoek tot uitstel – met name tijdens de hoorzitting van 13.05.09 – heeft gelet op het voorgaande dan ook niet tot gevolg dat de rechten van verdediging geschonden zijn. Zowel de heer Devriendt als zijn raadsman zijn op de hoorzitting dd. 19.05.09 overigens perfect in staat gebleken om uitvoerig het verweer te voeren en daarenboven elk een schriftelijke verweernota neer te leggen van samen bijna 100 pagina’s, naast een omvangrijk bundel met overtuigingsstukken”.
  35. Wat het bezorgen van de geluidsopnames van de hoorzitting van 19 mei 2009 betreft, merkt verwerende partij in haar nota met opmerkingen op, eensdeels, dat noch de toepasselijke tuchtregeling, noch de beginselen van behoorlijk bestuur de tuchtoverheid ertoe verplichten om de geluidsopnames van de XII-5874-11\37 hoorzitting te bezorgen aan het betrokken personeelslid, laat staan binnen een bepaalde termijn en, anderdeels, dat niet valt in te zien welk nut deze opnames voor verzoeker konden hebben, nu hij mag worden verondersteld te weten wat hijzelf op de hoorzitting heeft gezegd.
  36. De auditeur-verslaggever stelt vast dat verzoeker nergens een schending aanvoert van de terzake in de nieuwe gemeentewet uitgewerkte procedureregels en hij beoordeelt het middel in concreto als volgt : “Voorts stelt de verslaggever vast (AD, stuk 80) dat de raadsman van verzoeker een nota heeft laten ronddelen op de raad van bestuur van 19 mei
  37. Vanaf bladzijde 30 tot 34 behandelt deze nota ten gronde de aantijgingen omtrent het vaststellen van de eigenlijke wedde in de schaal A10b en herhaaldelijk verwijst deze nota naar de mondelinge getuigenis van [D.B.] van 11 en 13 mei
  38. Ook op de pagina’s 35 tot 37 (verdediging ten gronde inzake de wachtvergoedingen) heeft de nota geen enkele moeite om te verwijzen naar de persoon van [D.B.] . Vanaf pagina 70 tot 77 (vaststelling wedde in de schaal A10b), doch voorts ook bijvoorbeeld op pagina 78 (wachtvergoedingen), volgt dan een zeer gedetailleerde bespreking van de getuigenis van 11 en 13 mei 2009 van [D.B.] . Wat voorafgaat, geeft er blijk van dat de getuigenissen van [D.B.] van 11 en 13 mei 2009 werden verwerkt in het verweer op 19 mei
  39. Voorts maakt het verzoekschrift van 30 juni 2009 nergens concreet aannemelijk dat verzoeker nog bijkomend verweer, bovenop het gevoerde verweer, zou hebben kunnen ontwikkelen, indien hij meer werkdagen had gekregen om zijn verweer voor de raad van bestuur voor te bereiden. De verslaggever besluit dat het verzoekschrift geen ernstig middel betrekt op de schending van de rechten van de verdediging naar aanleiding van de beweerde tijdnood op 19 mei 2009”.
  40. In de huidige stand van de procedure valt de Raad van State de sub 15 tot 17 gemaakte vaststellingen en overwegingen bij en besluit hij daaruit dat het middel niet ernstig is. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  41. Als vierde middel voert verzoeker de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel. XII-5874-12\37 Volgens verzoeker moet dit beginsel ook worden gerespecteerd bij het voeren van het tuchtonderzoek, het samenstellen van het tuchtdossier en het opstellen van het tuchtverslag. In de voorliggende zaak werd de ontvanger-penningmeester aangesteld als onderzoeker. Dit doet volgens verzoeker in de eerste plaats een probleem rijzen van objectieve schijn van partijdigheid, aangezien de penningmeester verantwoordelijk is voor de betalingen door het ASZ Aalst en een groot deel van de beweerde tuchtfeiten nu precies betrekking heeft op betalingen, waarvan zeker een deel gebeurden onder de verantwoordelijkheid van de penningmeester. Evident heeft deze er dan belang bij de zaken dermate voor te stellen dat hijzelf van de feiten niets wist. Volgens verzoeker is er nog meer aan de hand en kan de aangestelde onderzoeker ook de toets van de subjectieve onpartijdigheid niet doorstaan. De penningmeester was immers duidelijk vooringenomen jegens verzoeker en heeft enkel een onderzoek “à charge” gevoerd. Om hem het feit met betrekking tot de bedrijfsvoorheffing te kunnen aanwrijven, is zelfs met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer -zijn gezinssamenstelling- geen rekening gehouden. De tuchtonderzoeker kon die informatie niet op een wettig geoorloofde wijze in zijn bezit krijgen of openbaar maken. De onderzoeker laat anderzijds ook elementen ten gunste van verzoeker uit het dossier weg, zoals het antwoord dat verzoeker gaf op een e-mail van 8 december 2009 en het meest gunstige evaluatierapport van verzoeker. In het tuchtdossier zijn ondervragingen opgenomen die door de betrokkenen niet ondertekend zijn, waarbij dus aan de betrokkenen om het even wat in de mond gelegd kan zijn. Verzoeker wijst concreet op tegenspraak tussen het getuigenverhoor van D.B. en een ondertekende verklaring van D.B. tegenover hetgeen de tuchtonderzoeker deze getuige zogenaamd deed verklaren in het tuchtdossier. Ook andere stukken zijn volgens verzoeker gemanipuleerd; zo is in het tuchtdossier een andere -niet getekende en gestempelde- bestelbon opgenomen met betrekking tot de schilderwerken aan zijn kantoor dan de -behoorlijk getekende en gestempelde- bon die voorkwam in het dossier van zijn preventieve schorsing. Het feit dat de onderzoeker op zoek is gegaan naar deze tweede bon toont aan dat enkel de bedoeling voorlag om verzoeker in een zo slecht mogelijk daglicht te plaatsen en het zou alleszins correcter zijn geweest de beide bestelbonnen in het dossier op te nemen. Dat de raad van bestuur de bestelbon in het tuchtdossier als de definitieve bestelbon na uitvoering van de werken beschouwt, XII-5874-13\37 wijst er volgens verzoeker op dat er nog contacten zijn geweest tussen de raad van bestuur en de tuchtonderzoeker aangezien niet valt in te zien hoe de raad van bestuur uit eigen beweging tot dergelijke verklaring zou kunnen komen. De uitleg is volgens verzoeker trouwens niet correct. De bestelbon in het dossier preventieve schorsing was de authentieke bon, wat in het tuchtdossier is opgenomen is slechts een interne nota die door de boekhouding kan worden aangewend nadat de kostprijs van de werken uitgevoerd in regie gekend is. Verzoeker somt nog andere elementen op die volgens hem de vooringenomenheid van de tuchtonderzoeker illustreren. Niet onbelangrijk is volgens verzoeker nog het gegeven dat de tuchtonderzoeker destijds ook kandidaat was voor het mandaat van algemeen directeur. Beoordeling
  42. Verwerende partij heeft in de bestreden beslissing als volgt geoordeeld over deze, reeds in de tuchtprocedure door verzoeker opgeworpen grief : “De heer Devriendt meent dat het tuchtonderzoek door de penningmeester niet objectief gebeurde en dat er minstens een schijn van partijdigheid bestaat. Allereerst moet worden opgemerkt dat het onverkort toepassen van het onpartijdigheidsbeginsel op de persoon belast met het tuchtonderzoek niet zo vanzelfsprekend is als de heer Devriendt laat uitschijnen. Het is immers niet omdat de heer Devriendt de bevindingen van de tuchtonderzoeker niet deelt, dat deze partijdig zou zijn. Globaal genomen beschikt de raad van bestuur niet over aanwijzingen dat het tuchtonderzoek ernstige tekortkomingen vertoont of in die mate zou gekleurd zijn door een partijdige kijk dat de raad van bestuur niet meer met de nodige kennis van zaken en in alle objectiviteit een uitspraak zou kunnen doen, te meer nu de heer Devriendt via zijn verweer alle kansen heeft gehad om op eventuele onvolkomenheden in het onderzoek of het dossier te wijzen en zelf bepaalde stukken aan het dossier toe te voegen, wat hij overigens ook heeft gedaan. De heer Devriendt steunt de beweerde schending van het onpartijdigheids- beginsel op het feit dat de penningmeester verantwoordelijk is voor de betalingen van het ASZ. Dit klopt uiteraard, maar belet geen objectief tuchtonderzoek. Uit de omschrijving van de tuchtfeiten blijkt immers dat niet het uitbetalen van bepaalde zaken tuchtrechtelijk wordt verweten - in welk geval er discussie zou kunnen rijzen over de vraag of dit de verantwoordelijkheid was van de penningmeester, dan wel van de algemeen directeur. De tuchtfeiten betreffen echter wel degelijk en zonder enige twijfel het handelen van de algemeen directeur, met name: - het vragen en ontvangen van materiële voordelen van de VZW MSSZ; - het niet naleven van de regelgeving inzake overheidsopdrachten en/of van de interne besluitvormingsprocedures m.b.t. de opfrissingwerken aan het kantoor van de algemeen directeur; XII-5874-14\37 - het laten plaatsen van een geïntegreerde telefoon in de privé-wagen, en het ten onrechte laten uitschijnen dat de factuur werd goedgekeurd door het financieel comité door het aanbrengen van de vereiste stempel en korttekening; - ongeoorloofde tussenkomsten in de administratie met het oog op het zichzelf laten toekennen van een hogere wedde dan wettelijk toegelaten en het onrechtmatig laten uitbetalen van wachtvergoedingen aan zichzelf en enkele directieleden, alsook het opgeven van een fictief aantal personen ten laste. De heer Devriendt steunt de beweerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel eveneens op het feit dat de penningmeester duidelijk vooringenomen zou zijn en zelfs de wetgeving op de privacy zou hebben geschonden. De penningmeester zou op onwettige wijze de samenstelling van het gezin van de heer Devriendt hebben nagetrokken. Uit het tuchtdossier blijkt dit echter geenszins. De heer Devriendt geeft evenmin enige aanwijzing dat op een onwettige wijze informatie uit het bevolkingsregister zou zijn opgevraagd en bekomen. De enige stukken die de penningmeester aan het tuchtdossier heeft toegevoegd zijn een brief van de heer Devriendt aan het ASZ en andere stukken in het bezit van het ASZ. Het feit dat de heer Devriendt drie kinderen heeft is binnen het bestuur en de directie van het ASZ van algemene bekendheid. Dit geldt trouwens ook voor de beperkte informatie over de studies en de tewerkstelling van de drie kinderen. Als ook de penningmeester over deze informatie beschikt, is het omdat hij dit in de loop der jaren van de heer Devriendt zelf heeft vernomen. De heer Devriendt steunt de beweerde schending van het onpartijdigheids- beginsel eveneens op het feit dat de penningmeester bepaalde stukken zou hebben ‘vergeten’ toe te voegen aan het tuchtdossier, met name een e-mail van de heer Devriendt aan de penningmeester van 08.12.08 en het meest gunstige evaluatierapport. Wat de e-mail betreft verklaarde de penningmeester – op vraag van de raadsman van de heer Devriendt – dat die e-mail hem wellicht is ontgaan omdat hij op dat ogenblik al andere dingen aan het onderzoeken was en de e-mail niets kon veranderen aan het feit dat de wachtvergoedingen z.i. in het verleden onterecht werden uitbetaald. Deze verklaring is aannemelijk; enig kwaad opzet om dit stuk achter te houden is niet waarschijnlijk, te meer niets belet dat de heer Devriendt zelf de bewuste e-mail neerlegt, wat hij ook heeft gedaan. Wat het evaluatierapport betreft, werd er reeds op gewezen dat dit geen officiële evaluatie was in de zin van het administratief statuut, die zich bijgevolg niet in het personeelsdossier hoefde te bevinden. Enkel de evaluaties die zich in het personeelsdossier bevinden werden aan het tuchtdossier toegevoegd. Deze zogenaamde evaluatie was er slechts één uit een gelijkaardige reeks voor de ganse directie naar aanleiding van het afscheid van de toenmalige voorzitter, de heer [D.G.]. Verder beweert de heer Devriendt dat tal van ondervragingen niet door de betrokkenen zijn ondertekend. Bij nazicht van het dossier blijkt dit enkel te gaan om de verklaringen van de heer [D.B.] en de heer [D.G.]. Het betreft twee personen, de voormalige personeelsdirecteur en de voormalige voorzitter, die bij hen thuis over bepaalde feiten werden ondervraagd. Het verslag van deze gesprekken kon materieel gezien blijkbaar pas achteraf worden opgesteld en kon bijgevolg niet op hetzelfde ogenblik worden ondertekend. Dit feit op zich betekent nog niet dat de penningmeester valse verklaringen op papier heeft gezet, noch dat hij partijdig zou zijn. Ook zouden stukken van het tuchtdossier zijn gemanipuleerd, met name de bestelbon voor de schilderwerken in het bureel van de directeur: in het dossier van de preventieve schorsing zat een ander stuk dan in het tuchtdossier. Op het eerste gezicht is hiermee echter niets mis. De eerste bestelbon van 15.09.08 was blijkbaar de opdracht, daar erop vermeld staat ‘schilderen bureel directeur volgens lopend contract’ en er nog geen bedrag is ingevuld, omdat het werken XII-5874-15\37 in regie betreft waarvan de exacte kost niet op voorhand kon worden geraamd. De tweede bestelbon van 25.11.08 is de bestelbon opgesteld na uitvoering van de werken - het exacte bedrag is nu wel ingevuld - met het oog op de facturatie. Aan de definitieve bestelbon werd trouwens een lijst gehecht van het detail van verplaatsingskosten, uurloon en materialen. Deze stukken maken deel uit van het dossier. Van manipulatie is geen sprake. De heer Devriendt voert ook nog aan dat de penningmeester destijds ook kandidaat was voor de functie van algemeen directeur en dit niet heeft gemeld aan de tuchtoverheid. De penningmeester heeft dit bevestigd op vraag van de raadsman van de heer Devriendt. Hij voegde er aan toe dat dit in casu irrelevant is want dat hij het weren van zijn kandidatuur in 2004 - nog voor de eigenlijke selectie tussen de aanvaarde kandidaten - sportief heeft opgenomen en dat iedereen kan getuigen dat hij een goede verstandhouding had met de algemeen directeur. De raad van bestuur kan dit enkel beamen. Ook hieruit volgt geen schending van het onpartijdigheidsbeginsel. Ten slotte leidt de heer Devriendt de vooringenomenheid van de penningmeester af uit de wijze waarop de penningmeester de inhouding van wedde tijdens de preventieve schorsing heeft verwerkt, meer bepaald per 1 april
  43. De inhouding gezien over de gehele periode gebeurde echter zonder meer correct. Bij de wedden betaald op 30/1/2009 heeft de heer Devriendt uiteraard zijn volledige wedde voor februari ontvangen. Bij de wedden betaald op 27/2/2009 werd hem, in afwachting van de definitieve uitspraak ivm de preventieve schorsing in de maand maart zijn volledige wedde voor die maand uitbetaald, verminderd met een inhouding van 1118.54 Euro, zijnde het bedrag dat de inhouding van wedde van 7/2/2009 t/m 28/2/2009 vertegenwoordigde. Er moet dus worden vastgesteld dat de tuchtonderzoeker-penningmeester zijn mogelijkheid om op 27/2/2009 de wedde voor maart 2009 half in te houden niet uitoefende omdat hij niet wou vooruitlopen op de definitieve uitspraak in diezelfde maand maart over de preventieve schorsing. Bij de betaling van de wedde op 27/3/2009 werd dhr. Luc Devriendt een halve wedde voor april 2009 uitbetaald, verminderd met de inhouding van 1561.73 Euro, zijnde het bedrag dat de schorsing voor de maand maart 2009 vertegenwoordigde. Voor de maand mei 2009 werd op 30/4/2009 een halve maand wedde uitbetaald. In tegenstelling tot wat de heer Devriendt aanvoert is er geen reden om aan te nemen dat de penningmeester zijn taak als tuchtonderzoeker niet behoorlijk heeft vervuld, noch om het tuchtonderzoek als waardeloos te bestempelen”.
  44. Verzoeker laakt de aanstelling van de penningmeester als tuchtonderzoeker omdat diezelfde persoon verantwoordelijk is voor de betalingen door het ASZ Aalst en een groot deel van de feiten op betalingen betrekking hebben zodat hij er alle belang bij heeft de eventuele eigen betrokkenheid te verdoezelen. Verzoeker herhaalt aldus enkel zijn grief, die in de bestreden beslissing is tegengesproken omdat uit de omschrijving van de tuchtfeiten “blijkt [...] dat niet het uitbetalen van bepaalde zaken tuchtrechtelijk wordt verweten - in welk geval er discussie zou kunnen rijzen over de vraag of dit de verantwoordelijkheid was van de penningmeester, dan wel van de algemeen directeur” en omdat de tuchtfeiten “wel degelijk en zonder enige twijfel het handelen van de algemeen directeur [betreffen]”. Verzoeker gaat niet nader in op deze weerlegging, zodat het middelonderdeel vooralsnog feitelijke grondslag wordt ontzegd. Overigens laat XII-5874-16\37 verzoeker na, van welk tuchtfeit ook, concreet aannemelijk te maken dat de onderzoeker er toentertijd van op de hoogte moet zijn geweest.
  45. Voor zover voorts verzoeker een subjectieve partijdigheid aanvoert in hoofde van de penningmeester, wijst zulks nog niet op enige partijdigheid of vooringenomenheid van de tuchtoverheid zelf. Reeds wanneer de tuchtoverheid een collegiaal optreden orgaan is, gaat de kritiek van subjectieve partijdigheid alleen op als duidelijke feiten worden aangevoerd die het vermoeden kunnen wekken dat één of meer leden van het college partijdig waren en als uit omstandigheden blijkt dat die partijdigheid invloed kan hebben gehad op de overige leden van dat college. De penningmeester is te dezen evenwel niet eens zelf een lid van het tuchtorgaan dat over het opleggen van een tuchtsanctie beslist, maar is enkel het personeelslid dat werd belast met het samenstellen van en het verslag uitbrengen over het tuchtdossier. De vraag die dan op het eerste gezicht rijst is niet zozeer of die verslaggever vooringenomen is, maar wel of die beweerde partijdigheid de besluitvorming van de tuchtoverheid heeft kunnen beïnvloeden op een wijze die verzoekers rechten van verdediging schendt. Dit zou het geval kunnen zijn indien de omstandigheden van de zaak ervan doen blijken dat het tuchtdossier op zo een wijze is samengesteld en aan de tuchtoverheid is voorgelegd dat die tuchtoverheid niet meer verondersteld kan worden met kennis van zaken en objectief te oordelen over de feiten. Hierbij moet prima facie wel ook rekening worden gehouden met de mate waarin het betrokken personeelslid een mogelijk al te eenzijdige voorstelling van de feiten door de verslaggever nog nuttig heeft kunnen aanvullen of rechtzetten en met de bereidheid van de tuchtoverheid om met die verdediging rekening te houden, dan wel of het bestuur halsstarrig gefixeerd is gebleven op de in het tuchtverslag voorgehouden feiten. 23.
  46. Verzoeker somt volgende gegevens op ter adstructie : - de onderzoeker is de samenstelling van zijn gezin over verscheidende jaren nagegaan; - de onderzoeker heeft over de wachtvergoedingen een e-mail van 8 december 2009 “à décharge” uit het tuchtdossier gelaten; XII-5874-17\37 - de onderzoeker legt het meest gunstige evaluatierapport niet voor terwijl hij er wel andere toevoegt; - het tuchtdossier bevat ondervragingen die niet ondertekend zijn en derhalve geen bewijskracht hebben; - de onderzoeker is op zoek gegaan naar een tweede bestelbon voor de schilderwerken aan het kantoor van verzoeker; - de onderzoeker ontkende in zijn getuigenverhoor dat een voorschot was betaald voor een bestelling van een lamp terwijl uit de factuur het tegendeel blijkt; - de onderzoeker maakte tijdens het verhoor van E.D.B. kenbaar dat verzoeker best zelf ontslag zou nemen; - de onderzoeker was destijds zelf kandidaat voor de functie van algemeen directeur; - de onderzoeker heeft in de wijze waarop hij de inhouding van wedde uitvoerde zijn vooringenomenheid getoond; - de onderzoeker heeft de raad van bestuur misleid over de wijze waarop de weddebepaling op de agenda is geplaatst en over de wijze warop de regelgeving inzake de overheidsopdrachten moet worden nageleefd. 23.
  47. Het lijkt aanvaardbaar, zoals in de bestreden beslissing wordt gesteld, dat de samenstelling van het gezin van verzoeker in het ziekenhuis een zaak is van algemene bekendheid. Ook aanvaardbaar lijkt de uitleg, dat de éloge van de afscheid nemende voorzitter van het OCMW geen officiële evaluatie was, opgesteld volgens de geëigende procedures en door de daartoe bevoegde overheid. Overigens lijkt de aantijging dat de onderzoeker deze evaluatie niét en andere wél opnam te falen in feite, aangezien in het tuchtdossier ook geen andere evaluaties van verzoeker werden opgenomen. Verzoeker beweert wel dat er tegenstrijdigheden bestaan tussen niet ondertekende ondervragingen en het getuigenverhoor, maar hij laat na ook maar één tegenstrijdigheid concreet aan te wijzen en aan de Raad van State te verduidelijken wélke de woorden zijn die door de onderzoeker in de mond gelegd zijn. De verklaring van de onderzoeker over een betaald voorschot op een bestelling van een lamp lijkt niet zo affirmatief als verzoeker laat uitschijnen. Het proces-verbaal van het verhoor van 11 mei 2009 geeft de woorden van de XII-5874-18\37 penningmeester daaromtrent weer als volgt: “Bij mijn weten is er voor die lamp, en de feiten zijn de feiten, geen voorschot uitbetaald, denk ik toch niet”. Het loutere feit dat de onderzoeker destijds ook kandidaat was voor de functie van algemeen directeur volstaat niet om enige persoonlijke animositeit te bewijzen. Verzoeker beweert niet, noch concretiseert hij, dat sedertdien tussen hem en de penningmeester wrijvingen zouden bestaan hebben die terug te voeren zijn tot die gemiste aanstelling. Hij spreekt de bestreden beslissing niet tegen waar deze vaststelt dat tussen hemzelf en de penningmeester “een goede verstandhouding” bestond. Zoals reeds opgemerkt, is de onderzoeker geen lid van de tuchtoverheid en heeft hij niet deel genomen aan de beraadslaging over de tuchtsanctie. Dat die onderzoeker dan als persoonlijke opvatting over de zaak laat verstaan aan een van de getuigen dat verzoeker er beter mee af zou zijn door zelf ontslag te nemen -de onderzoeker ontkent overigens dit te hebben verklaard- is op zich geen schending van het aan de tuchtoverheid opgelegde onpartijdigheidsbeginsel. Dat de onderzoeker zich die mening zou hebben gevormd op grond van het onderzoek dat hij aan het voeren is, rechtvaardigt nog niet het vermoeden dat hij het tuchtdossier niet langer op een correcte wijze zou kunnen samenstellen. Over de wijze waarop de inhouding van de wedde is gebeurd erkent verzoeker zelf dat dit “niet direct betrekking [heeft] op de tuchtprocedure”; daarenboven gaat hij niet in op de gedetailleerde verantwoording die in de bestreden beslissing hierover is gegeven. 23.
  48. Aldus dient vastgesteld dat verzoeker in een deel van zijn bewijsvoering faalt. Met betrekking tot de overige gegevens -daargelaten of ze correct zijn en daargelaten wat ze vervolgens aantonen met betrekking tot de zielsgesteldheid van de onderzoeker en manipulaties bij de samenstelling van het tuchtdossier- stelt de Raad in de huidige stand van de procedure vast dat verzoeker er zijn visie en argumenten heeft kunnen tegenoverstellen bij het voeren van zijn verweer. Hij was aanwezig tijdens de getuigenverhoren en kon elke getuige confronteren over zijn verklaringen die door de onderzoeker werden opgetekend. Hij heeft zijn visie kunnen geven over de bestelbonnen en over ontbrekende stukken omtrent de wachtvergoedingen in het tuchtdossier. Uit de hierna ook in het vijfde XII-5874-19\37 middel nader aan de orde komende motivering van de bestreden beslissing lijkt op het eerste gezicht begrepen te mogen worden dat de tuchtoverheid de argumenten van verzoeker te zijner verdediging, mee in de beoordeling heeft betrokken. Verzoeker heeft vooralsnog niet aangetoond dat de tuchtoverheid bij het nemen van haar beslissing verschalkt werd door manipulaties door de tuchtonderzoeker, en niet ten volle de waarde van het tuchtdossier en van de verdediging van verzoeker heeft kunnen beoordelen.
  49. Het middel is niet ernstig. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  50. Het vijfde middel is geput uit de schending van de materiële motiveringsplicht. Verzoeker bekritiseert de motivering van elk ten laste gelegde tuchtfeit. Verzoeker ontkent dat hij de gegevens omtrent zijn gezinstoestand zou hebben doorgegeven toen hij algemeen directeur werd. Zijn verzoek om voor de bedrijfsvoorheffing rekening te houden met vijf personen ten laste, dateert van 1997 toen hij nog werkte voor het OCMW van Aalst, en de personeelsdienst heeft zijn verzoek toen ingewilligd. De motivering faalt dan ook waar ze stelt dat dit gelet op zijn functie een inbreuk zou zijn op de vereiste loyauteit en integriteit. Verzoeker bestempelt het voorts als giswerk dat hij daardoor een hogere nettowedde genoot, waarvan hij pas later via de inkomstenbelasting een deel moest terugbetalen. Hij wijst er op, steeds een terugbetaling te hebben verkregen, reden van zijn aanvankelijk verzoek. Hij heeft dan ook niets foutief gedaan, doch alleen maar een mogelijkheid gezocht om correcter belast te worden. Verzoeker ontkent ook dat hij zou hebben laten uitschijnen dat de uitbetaling van wachtvergoedingen was besproken met de penningmeester in de financiële commissie. Het enige wat hij gedaan heeft is meedelen aan E.D.B. dat het punt besproken was op de financiële commissie, nadat het eerder met de XII-5874-20\37 penningmeester was besproken. Dat E.D.B. aannam dat de penningmeester aanwezig was op de financiële commissie is niet de fout van verzoeker. De motivering rond deze tenlastelegging is dan ook puur giswerk. Het tuchtbesluit komt tot de conclusie dat het agenderen van een weddevaststelling zonder uitleg en zonder vermelding van enige naam toentertijd ook voor andere personeelsleden de gebruikelijke manier van werken was. Het is dan ook een raadsel waarom het besluit dan meent dat verzoeker dit nu anders had moeten agenderen. Zijn naam kwam overigens voor in het verslag en minstens de voorzitter wist wat de bedoeling was. Wanneer in die omstandigheden een beslissing wordt genomen zonder dat iemand vragen stelt, kan hier bezwaarlijk een tuchtfeit lastens verzoeker uit worden afgeleid. De factuur voor de autotelefoon is volgens verzoeker wel degelijk op het financieel comité gebracht en goedgekeurd, hetgeen wordt aangetoond door de afstempeling. Verzoeker wijst er voorts op dat deze telefoon geen privé-uitgave betreft maar noodzakelijk en inherent is aan zijn voortdurende bereikbaarheid “ingevolge zijn continu wachtverzekering als eindverantwoordelijke” en in het kader van het wettelijk geregelde rampenplan. Ook wijst verzoeker op de vele tijd die hij beroepshalve in zijn wagen doorbrengt (het traject Bredene-Aalst heen en weer) en wijst hij de in het bestreden besluit geformuleerde alternatieven voor de geïntegreerde telefoon van de hand. Wat de gevolgde procedure bij de facturatie betreft, betwist verzoeker dat de factuur op het directiecomité had moeten komen. Hij voert aan het bedrag eerst te hebben voorgeschoten en vervolgens de factuur in alle openheid op het financieel comité van 19 december 2006 te hebben aangeboden, wat zou worden aangetoond door het feit dat de factuur nadien is afgestempeld. De financiële commissie keurde de factuur goed en de betaling aan de garagehouder is naderhand door het ziekenhuis ook uitgevoerd en is dus gekend. Verzoeker is derhalve van oordeel dat hem niet kan worden aangewreven dat hij ten onrechte zou hebben laten uitschijnen dat de factuur werd goedgekeurd op het financieel comité en overweegt dat - gelet op de werkwijze aldaar - helemaal niets kan worden afgeleid uit de vaststelling dat de factuur niet voorkomt op een lijst van de boekhouding voor het financieel comité. Hij is voorts ook van oordeel dat het bestreden besluit gist omtrent de werkwijze van het financieel comité en hem met terugwerkende kracht opdraagt regels te respecteren, welke nooit gerespecteerd werden. XII-5874-21\37 Verzoeker argumenteert dan dat de uitvoering van renovatie- werken aan het kantoor van de algemeen directeur élke algemeen directeur -wie die functie ook moge vervullen- en het ASZ Aalst ten goede komt aangezien “zijn” kantoor evident eigendom is van verwerende partij. Het kantoor wordt evenmin uitsluitend gebruikt door de algemeen directeur maar is een plaats waar veel vergaderingen en ontmoetingen doorgaan. Het bestuur gaat er volgens verzoeker voorts aan voorbij dat alle bestellingen vooraf op een financiële commissie werden gebracht, met uitzondering van de bestelling van het vast meubilair. Verzoeker kon dit echter niet weten, omdat de technische dienst deze opdracht had opgemaakt op een werkorder met een code die betrekking had op groot onderhoud en die hem in een vloeiboek is voorgelegd samen met de wekelijks honderden bons die door hem ondertekend moesten worden. Verder geeft het bestuur toe dat geen fouten werden gemaakt in de wetgeving op de overheidsopdrachten. Dat hij de werken heimelijk liet uitvoeren noemt verzoeker voor werken van die omvang evidente nonsens. Tijdens de werken maakte hij gebruik van het kantoor van de voorzitter, die daarvoor toestemming had gegeven. Het bestuur wist dan ook per definitie van de werken. Over de materiële voordelen die verzoeker ontvangen zou hebben van de vzw MSSZ spreekt verzoeker niet tegen dat deze vzw in rechte een van verwerende partij te onderscheiden rechtspersoon is. Hij betoogt dat de zaken de facto wel anders liggen : de zetel is op hetzelfde adres; de benaming van de vzw refereert aan het ziekenhuis; de vzw bestaat in de relatie met de beheerder bij gratie van een delegatiebevoegdheid van de medische raad; vertegenwoordigers van de vzw zetelen in alle bestuursorganen van het ASZ Aalst en in het directiecomité heeft de voorzitter van de vzw stemrecht; bij de bespreking van de begroting verlaat die voorzitter niet de zitting van het directiecomité, de raad van bestuur of de algemene vergadering op het ogenblik dat het te onderhandelen bedrag ter discussie komt dat de artsen krachtens het raamakkoord tussen vzw en beheerder aan de beheerder moet betalen wat tegenspreekt dat vzw en verwerende partij er van uitgaan zelfs tegenstrijdige belangen te hebben; de vzw stelt meer dan 200 personeelsleden te werk in het ASZ Aalst; zij is voor tal van projecten bouwheer in de gebouwen van het ASZ Aalst, zij baat ook buiten het ziekenhuis poliklinische diensten uit in naam van het ASZ Aalst en zij voert heel wat bestellingen uit voor het ziekenhuis. Uit al deze elementen kan volgens verzoeker bezwaarlijk anders dan geconcludeerd worden dat ook voor het bestuur zelf de vzw MSSZ de facto beschouwd wordt als een onderdeel van het ASZ Aalst. XII-5874-22\37 Beoordeling
  51. Het tuchtbesluit verwijt met betrekking tot de informatie over zijn gezinssamenstelling aan verzoeker hierover onjuiste gegevens te hebben opgegeven. Dat die situatie reeds bestond sedert 1997 is aan het bestuur geenszins ontgaan, net zomin als latere aanpassingen die op vraag van verzoeker werden aangebracht maar die nog steeds niet overeenstemden met de werkelijkheid. Het tuchtbesluit stelt daarover immers het volgende vast : “Uit het tuchtverslag blijkt dat de heer Devriendt gedurende zijn carrière zich bijna altijd een fiscaal voordeliger statuut inzake bedrijfsvoorheffing heeft aangemeten dan wat wettelijk mocht. Reeds op 1 augustus 1997 liet hij zich een bedrijfsvoorheffing afhouden voor 5 personen ten laste (naast zijn echtgenote) terwijl hij in realiteit op dat ogenblik 3 kinderen ten laste had. Op 1 maart 2003 werd het aantal kinderen ten laste verminderd tot 4, dit volgens de penningmeester ten gevolge de tewerkstelling van de oudste dochter die haar rechtenstudies beëindigde. Op 1 juli 2005 had de heer Devriendt nog steeds 3 kinderen ten laste met het oog op een kleinere afhouding voor de bedrijfsvoorheffing. Op 1 november 2006 werd het aantal kinderen ten laste verminderd tot
  52. Einde 2008 liet de heer Devriendt zich nog altijd bedrijfsvoorheffing afhouden op basis van 2 personen ten laste (naast de echtgenote) terwijl alle kinderen ondertussen een volwaardige job bekleden in het beroepsleven. De heer Devriendt voegt hieraan toe in zijn verweer dat hij met e-mail van 15.04.09 aan de personeelsdirecteur heeft gevraagd het aantal kinderen ten laste op nul te brengen. Hij ontkent de feitelijke gegevens, vermeld in het tuchtverslag en ondersteund door de stukken van het tuchtdossier, echter niet. Het feit is dan ook bewezen: de gegevens over het aantal opgegeven personen ten laste blijken uit de stukken van het tuchtdossier, allemaal stukken in het bezit van het ASZ. De gegevens over het aantal kinderen van de heer Devriendt en hun tewerkstelling worden door de betrokkene niet betwist”. Verzoekers uitgangspunt, dat de beslissing er zou van uitgaan -of er moest van uitgaan- dat hij deze foutieve gegevens doorgegeven heeft toen hij algemeen directeur werd, lijkt aldus niet te stroken met de geciteerde motivering. Dat verzoeker door deze weddeberekening geen latere terugbetaling aan de fiscus moest doen omdat hij nooit belastingen diende bij te betalen en dat hij door zijn handelen “alleen maar een mogelijkheid [zocht] om correcter belast te worden”, lijkt niet relevant. Wat voor de tuchtoverheid immers een tuchtvergrijp is, is het feit dat verzoeker bewust foute gegevens heeft doorgegeven aan de werkgever. Verwerende partij erkent overigens in de bestreden beslissing dat zij “hierdoor geen materiële schade leed”. Het brengt haar er toe dit XII-5874-23\37 vergrijp te kwalificeren als “niet even ernstig” als de andere tuchtfeiten, maar “het [is] wel degelijk een tuchtfeit”. Verzoeker, die de feiten niet ontkent, toont vooralsnog niet aan dat die vaststelling niet afdoende is gemotiveerd. 27.
  53. Over de uitbetaling van de wachtvergoeding wordt in het tuchtbesluit overwogen wat volgt : “Uit de stukken van het tuchtdossier blijkt dat de uitbetaling van wachtvergoedingen vanaf 01.01.08 aan de leden van de directie, inclusief de heer Devriendt, gebeurde op zijn uitdrukkelijke vraag van eind december 2007 (stuk 4.3.2.). Nooit stelde enig lid van de directie de vraag om een dergelijke vergoeding te bekomen, wat werd bevestigd door de heer [D.B.] tijdens het getuigenverhoor op 13.05.
  54. Alleen de heer Devriendt was vragende partij. De heer Devriendt voert aan dat hij door de heer [D.B.] verkeerd werd ingelicht over de toepasselijke bepalingen van het statuut. Nochtans bepaalt bijlage 3 van het geldelijk statuut duidelijk: ‘De hiernavolgende onder deze titel I opgenomen bepalingen zijn niet van toepassing voor de personeelsleden bekleed met een ambt met een weddenschaalminimum gelijk aan of hoger dan dat van de bestuurssecretaris.’ Enige twijfel over het antwoord op de vraag of de leden van de directie een wachtvergoeding konden krijgen was dus niet mogelijk. De heer Devriendt kan – in tegenstelling tot de beoordelingsfout ten tijde van de invoering van het wachtgeld voor de directie - wél kwalijk worden genomen dat hij, nadat de penningmeester de uitbetaling had geschorst met de vraag het statuut na te zien en dit op de financiële commissie te brengen, niet zelf het statuut ter zake heeft nagekeken. Dit was het minste dat van een algemeen directeur kon worden verwacht na een schorsing van de betalingen door de penningmeester. Blijkens zijn verweer heeft hij dat niet gedaan, maar vertrouwde hij opnieuw op de foutieve informatie meegedeeld door de heer [D.B.]. In november 2008 stelde de penningmeester vast dat opnieuw wachtvergoedingen aan de directie werden uitbetaald en dit sinds augustus 2008, zonder dat hij hiervan in kennis was gesteld. Uit het verslag van de financiële commissie dd. 25.06.08 – waarop de ontvanger niet aanwezig was - kan immers niet worden afgeleid dat werd beslist tot de herinvoering van de wachtvergoedingen voor de directie. Het verslag vermeldt integendeel dat voor de uitvoering de ontvanger zal worden gecontacteerd, wat dus kennelijk niet gebeurde. De heer Devriendt mocht dan ook niet op 26.06.08 de opdracht geven om de wachtvergoeding terug uit te betalen: in tegenstelling tot wat van hem mocht worden verwacht had hij het statuut immers niet nagekeken. Hij had evenmin de penningmeester gecontacteerd, die niet aanwezig was op de financiële commissie. Nochtans moet de heer Devriendt toch iets in die zin gesuggereerd hebben aan de heer [D.B.] nu die op 26.06.08 schrijft: ‘Dit is besproken op de financiële commissie van woensdag 25/06 in aanwezigheid van de heer [D. D. P.]’. Daar de heer [D.B.] verklaarde tijdens het getuigenverhoor noch deel uit te maken van de financiële commissie, noch het verslag ervan te ontvangen, kan hij dergelijke informatie enkel van de heer Devriendt hebben bekomen. De heer [D.B.] bevestigde tijdens het getuigenverhoor overigens dat hij al zijn informatie kreeg van de heer Devriendt. Men kan nog aannemen dat de heer [D.B.] thans niet meer precies weet wat er letterlijk is gezegd op 26.06.08, maar XII-5874-24\37 dat hij dat diezelfde dag al niet meer zou geweten hebben en dus onjuist zou neergeschreven hebben is toch volstrekt ongeloofwaardig. Door toch terug de opdracht tot uitbetaling te geven, zonder enig eigen nazicht van het statuut en door te laten uitschijnen – in strijd met de waarheid - dat het opnieuw uitbetalen was besproken met de penningmeester, handelde hij in strijd met zijn beroepsplicht tot integriteit en loyaliteit. Dit geldt te meer nu hij zelf vragende partij en begunstigde was van de wachtvergoeding en hij dus dubbel oplettend diende te zijn over de wettelijkheid ervan. In tegenstelling tot wat de heer Devriendt aanvoert, kan hij dit tuchtfeit niet afdoen als een loutere vergissing, en dan nog niet één van hem, maar wel en uitsluitend van de heer [D.B.]. De heer [D.B.] handelde bij de hernieuwde uitbetaling van de wachtvergoedingen echter louter in opdracht van de heer Devriendt en op basis van de informatie verschaft door de heer Devriendt, wat blijkt uit de getuigenverklaring van de heer [D.B.]. Het feit dat de heer Devriendt de vergissing over de interpretatie van het statuut toegaf bij e-mail van 08.12.08, doet aan het vastgestelde tuchtfeit geen afbreuk. De heer Devriendt werpt nog op dat het tuchtfeit geen tweede keer kan worden aangerekend, nu er al een beslissing over genomen is, met name de beslissing tot terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde wachtvergoedingen. Een dergelijke beslissing tot terugvordering is echter geen tuchtmaatregel en bijgevolg volstrekt verenigbaar met deze tuchtbeslissing”. 27.
  55. Verzoeker spreekt allereerst niet tegen dat van hem mocht worden verwacht dat hij het statuut zélf zou nazien, noch de vaststelling dat dit statuut geen twijfel laat over de vraag of de leden van de directie een wachtvergoeding konden krijgen, noch de vaststelling dat het verslag van de financiële commissie van 25 juni 2008 enkel vermeldt dat voor de uitvoering van de herinvoering van de wachtvergoedingen de ontvanger zal worden gecontacteerd “wat kennelijk niet gebeurde”. Wat verzoeker met betrekking tot deze tenlastelegging wel doet, is twijfel zaaien over zijn communicatie met de D.B. over de bespreking van de betaling van wachtgelden in de financiële commissie, om dan de verantwoordelijkheid over een eventueel misverstand op conto van D.B. te schrijven. De Raad bedenkt daarbij, ook als verzoeker bij D.B. zou hebben laten uitschijnen dat hij met de penningmeester voorafgaandelijk aan een financiële commissie de herinvoering van de wachtvergoedingen had besproken, dat niet dadelijk valt in te zien waarom dit voor verzoeker een verschoning kan zijn, nu de beslissing van de financiële commissie precies er op neerkwam dat de ontvanger alsnog -en dus eventueel opnieuw- moest worden gecontacteerd. Ook in de versie van verzoeker lijkt de waarheid haar rechten niet te krijgen. Hoe dan ook bedenkt de Raad dat verzoeker er aan voorbijgaat dat de essentie van deze tenlastelegging niet zozeer is wat hij al dan niet aan D.B. liet XII-5874-25\37 uitschijnen, dan wel dat hij (terug) de opdracht gaf tot uitbetaling van de wachtvergoedingen zonder het statuut na te lezen of de penningmeester te contacteren en dit terwijl hij zelf vragende partij en begunstigde was van die vergoeding. 27.
  56. Verwerende partij lijkt het bedoelde feit zoals omschreven in het tuchtbesluit als vaststaand te mogen beschouwen. 28.
  57. Met betrekking tot de vaststelling van verzoekers wedde, motiveert het tuchtbesluit aldus : “In het raam van het tuchtonderzoek werd een onderzoek uitgevoerd naar de wedde van de algemeen directeur, de heer Devriendt. Hieruit is het volgende gebleken. De betrokkene werd aangesteld in het ambt van algemeen directeur vanaf 1 maart 2004, en bleef bij aanvang correct verloond in de schaal A9b, zijnde de weddenschaal die hij op dat ogenblik genoot, omdat de weddenschaal A10a, waarop hij als algemeen directeur recht zou hebben, minder voordelig was. Dit is de toepassing van artikel 22 van het geldelijk statuut dat bepaalt dat het personeelslid dat bevorderd is, in zijn nieuwe graad nooit een lagere wedde bekomt, dan deze die het in zijn vorige graad zou hebben genoten. Op de agenda van het directiecomité van 7 augustus 2006 werd – op initiatief van de heer Devriendt - een punt ‘individuele weddenvaststelling’ geplaatst (stuk 4.1.
  58. agendapunt 119). Dit is een agendapunt dat regelmatig op de agenda verschijnt en steeds de loutere vaststelling inhoudt van de wedde van nieuwe of bevorderde personeelsleden overeenkomstig de bepalingen van het geldelijk statuut. De penningmeester heeft er in zijn verslag terecht op gewezen dat noch op de agenda zelf, noch in de bijlagen (stuk 4.1.2.) enige naam voorkomt van personeelsleden die het voorwerp uitmaakten van de individuele weddenvaststelling. Pas in het verslag van het directiecomité wordt wel een lijst van namen weergegeven waaronder in dit geval de naam van dhr. Devriendt gekoppeld aan het bedrag van 57.300 euro (stuk 4.1.3.). Het is juist – zoals de heer Devriendt aanvoert – dat dit destijds de gebruikelijke wijze van agenderen van individuele weddenvaststellingen was. Dit gegeven is echter wel belangrijk, omdat het directiecomité eigenlijk nooit wist welke weddenvaststellingen werden goedgekeurd, laat staan dat het zou weten dat iets anders dan een loutere weddenvaststelling werd goedgekeurd. In principe was deze wijze van voorstelling niet echt problematisch omdat een individuele weddenvaststelling een louter rechtserkennende bestuurshandeling is, waarbij louter wordt vastgesteld wat de rechtstoestand is van het betrokken personeelslid, met name wat zijn wedde is, ingevolge de toepassing van het geldelijk statuut. Het bestuur heeft ter zake geen enkele discretionaire beslissingsmarge; het betreft een louter gebonden bevoegdheid. Nazicht van de weddenbarema heeft geleerd dat het bedrag van 57.300 euro (aan 100 %) echter de verloning betekent in weddenschaal A10b. Dit kon echter niet louter op zicht van het verslag na het directiecomité worden vastgesteld. De heer Devriendt werd daarenboven in oktober 2006 – zonder enige beslissing van een bestuursorgaan - met terugwerkende kracht tot maart 2004 een aanzienlijk maandelijks supplement van 439,83 euro (maart 2004) tot 566,28 euro (september 2006) betaald, zijnde het verschil tussen zijn wettelijke weddenschaal A9b en A10b (stuk 4.1.4.). De heer Devriendt eigende zich op XII-5874-26\37 deze wijze een som toe van 15.149,22 euro (bruto) aan onrechtmatige achterstallen. Deze feitelijke vaststellingen blijken onmiskenbaar uit de stukken van het tuchtdossier en worden op zich ook niet betwist. Wel is er betwisting over de vraag of er al dan niet een tuchtfeit werd gepleegd. Volgens de raad van bestuur is het onbetwistbaar dat in casu een tuchtfeit werd gepleegd door de heer Devriendt. Overeenkomstig het administratief statuut van het ASZ kennen alle vast benoemde personeelsleden een functionele loopbaan. De functionele loopbaan bestaat in de toekenning van een of meer hogere weddenschalen op basis van schaalanciënniteit, vorming en evaluatie (artikel 70). De schaalanciënniteit is de anciënniteit verworven in de weddenschalen van de functionele loopbaan (artikel 112; zie ook p. 80, stuk 4.1.5) en moet alzo worden onderscheiden van de graadanciënniteit, de niveauanciënniteit en de dienstanciënniteit (artikelen 109-111). De functionele loopbaan van ziekenhuisdirecteur kent twee weddenschalen: A10a en A10b. Naar de weddenschaal A10b kan worden overgestapt na ten minste 9 jaar schaalanciënniteit in A10a, vorming en gunstige evaluatie (bijlage 1 geldelijk statuut). Het administratief en geldelijk statuut van het ASZ is op dit punt volstrekt in overeenstemming met het algemeen kader dat door de Vlaamse overheid werd opgelegd via de gemeenschappelijke krachtlijnen voor een samenhangend personeelsbeleid in de lokale en regionale besturen, de zogenaamde ‘Krachtlijnen Kelchtermans’ (p. 33 en 85, stuk 4.1.5.). Krachtens deze Krachtlijnen Kelchtermans worden de weddenschalen vastgesteld binnen de opgelegde minimum- en maximumweddenschalen (p. 31 stuk 4.1.5), wat ook in het ASZ gebeurde (bijlage 2 geldelijk statuut). De toepassing van zowel het administratief en geldelijk statuut van het ASZ enerzijds, alsook de Krachtlijnen Kelchtermans anderzijds heeft dus onvermijdelijk en zonder enige marge tot afwijking tot gevolg dat: - vanaf de bevordering van de heer Devriendt tot algemeen directeur (in maart 2004) hij terecht kwam in de weddenschaal A10a; - maar dat hij ingevolge de toepassing van artikel 22 van het geldelijk statuut geen lagere wedde bekwam dan hij voordien genoot; - dat hij pas kon overgaan naar de weddenschaal A10b na 9 jaar schaalanciënniteit in de weddenschaal A10a en mits vorming en gunstige evaluatie. De Krachtlijnen Kelchtermans laten desbetreffend niet de minste twijfel: ‘Personeelsleden die bevorderd worden verliezen schaal en schaalanciënniteit. Schaal en schaalanciënniteit hangen immers samen met de graad.’ (p. 66 stuk 4.1.5.) De heer Devriendt beging dan ook een bijzonder zware fout door toch aan het directiecomité een beslissing te ontlokken om de weddenschaal A10b te bekomen. Deze fout heeft overigens zware financiële gevolgen voor het ASZ, doordat niet alleen vanaf augustus 2006 op onwettige wijze een hogere wedde werd uitbetaald, maar bovendien is gebleken dat de ‘aanpassing’ naar A10b retroactief werd ingevoerd tot op het ogenblik van zijn aanstelling tot algemeen directeur, twee en een half jaar eerder. De heer Devriendt erkent in zijn verweerschrift dat deze weddenvaststelling ‘inderdaad niet automatisch uit het statuut’ volgt, ‘doch de statutaire bepalingen verzetten zich er evenmin tegen’. Dit laatste is echter manifest onjuist, wat ook de heer Devriendt weet, minstens moest weten. De hierboven aangehaalde bepalingen van het administratief en geldelijk statuut, alsook de Krachtlijnen Kelchtermans verzetten zich daar wél tegen. Het is immers glashelder wat schaalanciënniteit is, alsook dat negen jaar schaalanciënniteit in A10a vereist is om van de weddenschaal A10a naar A10b te kunnen overgaan. XII-5874-27\37 De heer Devriendt klampt zich ter verschoning van de onwettige aanpassing van zijn weddenschaal vast aan de algemene toelichting in de Krachtlijnen Kelchtermans van de nieuwe weddenschalen (p. 31 stuk 4.1.5.) en meer bepaald aan de ene zin dat tussen de verschillende graden een redelijke loonspanning gerespecteerd moet blijven. Deze ene zin rechtvaardigt niet - en deze zin heeft dit ook niet tot doel - dat de weddenschalen en de uitgewerkte functionele loopbanen zomaar opzij worden geschoven. Wanneer men naar de uitgewerkte weddenschalen kijkt, blijkt overigens dat er wel degelijk een ‘redelijke’ loonspanning is tussen de verschillende graden (p. 95 e.v. stuk 4.1.5.). Men moet hierbij echter vergelijken wat vergelijkbaar is en niet - zoals de heer Devriendt - de hoogste weddentrap van de ene graad met de laagste weddentrap van de andere graad. Een blik op de weddenschalen - zowel die van het ASZ als die van de Krachtlijnen Kelchtermans - leert overigens dat de problematiek waardoor de heer Devriendt zich tekort gedaan voelde - zijnde dat hij gelet op zijn hoge schaalanciënniteit in A9b in de weddenschaal A10a niets meer ging verdienen - een algemeen probleem is dat zich ook voor tal van andere personeelsleden voordoet. Hetzelfde ‘probleem’ bestaat immers voor alle personeelsleden die ver gevorderd zijn in de functionele loopbaan en dan bevorderen, bv. wanneer men van een graad in de functionele loopbaan A1-A3 bevordert naar een graad op A4 of A5 niveau, wanneer men van een functie met loopbaan B1-B3 bevordert naar een graad met functionele loopbaan B4-B5, enz. Dit is inherent aan de weddenschalen zoals vastgesteld in het statuut en de Krachtlijnen Kelchtermans en men was zich hiervan ook bewust. Precies om die reden is voorzien in de regel van artikel 22 van het geldelijk statuut: dat men nooit een lagere wedde kan bekomen na bevordering dan degene die men daarvoor genoot en dat de wedde pas terug zal stijgen na de vereiste schaalanciënniteit te hebben opgebouwd in de nieuwe weddenschaal van de nieuwe functionele loopbaan. Het inroepen van één zinnetje uit de toelichting van de Krachtlijnen Kelchtermans - dat bovendien fout wordt geïnterpreteerd - is geen excuus, laat staan een wettige rechtsgrond om de duidelijke bepalingen van het statuut en de Krachtlijnen Kelchtermans voor zijn individuele geval en enkele medebegunstigde verpleegkundigen niet toe te passen. De heer Devriendt beroept zich verder op een beweerde mondelinge toezegging van een ambtenaar van de provinciale dienst van de toezichthoudende overheid. Die zou hebben gezegd dat de heer Devriendt wel ineens de weddenschaal A10b zou kunnen bekomen, mits ‘een’ beslissing van het bestuur. [...] Dan nog moet evenwel worden vastgesteld dat een onwettigheid werd begaan. Een louter mondelinge bewering van een provinciaal ambtenaar van de toezichthoudende overheid wettigt immers niet de toekenning van een hogere weddenschaal in strijd met de bepalingen van het statuut en de Krachtlijnen Kelchtermans. Zoals aangetoond beletten de duidelijke bepalingen én van het administratief en geldelijk statuut én van de Krachtlijnen Kelchtermans dat de heer Devriendt de weddenschaal A10b kon bekomen. De heer Devriendt moest weten – en wist dit wellicht ook heel goed – dat een louter mondelinge bewering van een provinciaal ambtenaar geen rechtsgrond was om het statuut ter zijde te schuiven. Daarenboven wijst de gevolgde werkwijze er op dat het zeker niet de bedoeling was om hierover open kaart te spelen. Op geen enkel ogenblik werd formeel aan het bestuur gevraagd - en bijgevolg ook nooit door het bestuur formeel beslist - om een afwijking te bekomen van de bepalingen van het geldelijk statuut. Dit zou nochtans - indien de heer Devriendt overtuigd was van zijn gelijk en de mogelijkheid tot afwijking - de normale gang van zaken geweest zijn. Daarenboven diende een dergelijke beslissing tot individuele afwijking van het statuut te worden voorgelegd aan de raad van bestuur en niet aan het XII-5874-28\37 directiecomité. Het directiecomité is immers enkel bevoegd voor zaken van ‘dagelijks bestuur’, behoudens een aantal andere in casu niet relevante bevoegdheden. Een dergelijke afwijking van het geldelijk statuut kan niet als een zaak van ‘dagelijks bestuur’ worden beschouwd. Het is ook een fout om deze individuele afwijking van het geldelijk statuut te laten goedkeuren via een individuele weddenvaststelling. Een individuele weddenvaststelling is zoals hierboven uiteengezet immers het louter vaststellen van de concrete wedde waarop een welbepaald personeelslid in toepassing van het administratief en geldelijk statuut recht heeft. Het is een louter rechtserkennende handeling. In casu kan niet worden betwist dat de heer Devriendt krachtens het administratief en geldelijk statuut geen recht had op de weddenschaal A10b, zodat het geen vaststelling betrof van de wedde waarop hij recht had, maar precies een afwijking hiervan. Het feit dat één en ander op voorhand werd aangekaard bij de vorige voorzitter, verandert niets aan het tuchtfeit nu de vorige voorzitter verklaarde dat hij daar inderdaad over werd aangesproken, maar dat het aan hem werd voorgesteld als zijnde een volstrekt wettige beslissing en dat nooit over terugwerkende kracht werd gesproken. Daarenboven is de bespreking met de vorige voorzitter irrelevant, nu deze geenszins over de bevoegdheid beschikte om een dergelijke afwijking en de toekenning van een hogere weddenschaal goed te keuren. Aan dit tuchtfeit wordt ook geen afbreuk gedaan door het feit dat tegelijk een aantal verpleegkundigen op dezelfde wijze werden bevoordeeld, noch door het feit dat mogelijk nadien ook nog enkele verpleegkundigen op die wijze werden bevoordeeld – hoewel dit geenszins bewezen is en er daarentegen ernstig aan kan worden getwijfeld gelet op de verklaringen van de heren [V.H.] en [V. D. M.] (stukken 4.1.7.en 4.1.11). De heer Devriendt legt een e-mail van mevrouw [S.] voor waarin om een aangepaste schaalanciënniteit wordt gevraagd voor enkele verpleegkundigen (stuk 1 van bundel II), doch die vraag werd precies door de heer Devriendt afgewezen, omdat het beleid ter zake eerst zou moeten worden besproken. Dit is echter moeilijk te verzoenen met de stelling van de heer Devriendt, daarin gevolgd door de heer [D.B.], dat het wel degelijk om een algemene regel zou gaan, een princiepsbeslissing die telkens werd toegepast in gelijkaardige gevallen. Gelet op al het voorgaande is er onmiskenbaar sprake van een zwaar tuchtfeit. Het was volstrekt ongeoorloofd - want manifest onwettig - voor de heer Devriendt om de opdracht te geven om via een individuele weddenvaststelling een punt op de agenda van het directiecomité te plaatsen, zonder enig woord uitleg en zonder zelfs vermelding van enige naam, om nadien, op basis van deze ‘weddenvaststelling’ op volstrekt onwettige wijze zich te laten verlonen volgens de weddenschaal A10b en dit bovendien met terugwerkende kracht tot zijn aanstelling, waardoor hij zich een aanzienlijk weddensupplement extra liet uitbetalen. Dit tuchtfeit - dat duidelijk bewezen is aan de hand van de stukken van het dossier - is een bijzonder zware inbreuk op de plicht tot integriteit en loyaliteit. De heer Devriendt werpt op dat dit tuchtfeit verjaard is, omdat de beslissing ‘uiteraard bekend’ is en ‘evident met kennis van zaken’ genomen, daar het met de vorige voorzitter was doorgenomen. Van verjaring is echter geen sprake. Uit wat hierboven werd uiteengezet volgt dat het geenszins zo is dat de beslissing om de heer Devriendt met terugwerkende kracht een hogere weddenschaal toe te kennen ‘uiteraard bekend’ is. Zoals aangetoond werd aan het directiecomité gevraagd te beslissen over een agendapunt ‘individuele weddenvaststellingen’ zonder letterlijk ook maar één woord uitleg of één naam. Hieruit kan nooit de beslissing volgen om aan de heer Devriendt een hogere weddenschaal toe te kennen in strijd met het statuut. Bovendien is een dergelijke beslissing geen ‘weddenvaststelling’, noch de bevoegdheid van het directiecomité. Het directiecomité kon op het ogenblik XII-5874-29\37 van het nemen van de beslissing onmogelijk weten en moest ook niet weten, wat er achter de ‘individuele weddevaststellingen’ precies schuilging. Gelet op haar beperkte bevoegdheden, mocht het directiecomité erop vertrouwen dat het ook niet meer dan weddenvaststellingen waren, met name beslissingen zonder enige beoordelingsmarge. Ook het feit dat de zaak op voorhand met de vorige voorzitter werd besproken, doet de verjaring niet lopen, nu de vorige voorzitter heeft verklaard dat het aan hem werd voorgesteld als een volstrekt wettige beslissing en dat er zeker niet werd gesproken over de terugwerkende kracht. Hij verklaarde dan ook zich misleid te voelen. De verjaringstermijn van een tuchtfeit begint maar te lopen op het ogenblik dat een lid van de tuchtoverheid een voldoende nauwkeurige kennis heeft van de feiten zodat hij die als een mogelijk tuchtfeit kan inschatten. Uit de verklaring van de vorige voorzitter blijkt dat dit geenszins het geval was”. 28.
  59. Met verwerende partij vraagt ook de Raad van State zich vooralsnog af of verzoeker “de bladzijdelange formele motivering van dit tuchtfeit, waarin haarfijn wordt uitgelegd wat verzoeker precies wordt verweten, waarom dit feit bewezen is, waarom het een tuchtfeit is en waarom het niet verjaard is hetzij niet heeft gelezen, hetzij niet wil lezen”. Reeds in die motivering van het tuchtbesluit lijkt het antwoord te vinden te zijn op de losse bemerkingen van verzoeker, en wordt op omstandige wijze het verschil uit de doeken gedaan tussen, eensdeels, de quasi automatische weddevaststellingen waarover het directiecomité eerder acteert dan beslist en, anderdeels, de onwettige weddeverhoging die verzoeker zich heeft laten toekennen onder het mom van dergelijke individuele weddevaststelling. 28.
  60. Verzoeker toont op het eerste gezicht niet aan dat het bestuur tekortschoot bij de motivering van dit tuchtfeit. 29.
  61. Verzoeker betwist dat de geïntegreerde telefoon in zijn privéwagen als een privé-uitgave is te bestempelen. Verwerende partij antwoordt hierop gevat, en het lijkt vooralsnog ad rem, dat zij sinds de uitdiensttreding van verzoeker de bedoelde telefoon niet heeft teruggekregen, waarmee verzoeker dan toch lijkt aan te geven dat hij ze als zijn persoonlijk bezit meent te moeten beschouwen. In de bestreden beslissing wordt voorts overwogen : “Dat dit privé-uitgaven zijn is niet voor ernstige betwisting vatbaar, al was het maar omdat de telefoon vast is geïntegreerd in zijn privéwagen. De heer Devriendt meent echter dat deze uitgaven noodzakelijk zijn voor zijn functie, gelet op zijn dagelijks woon-werkverkeer van meer dan twee uur en dienstverplaatsingen naar Brussel en tussen de drie campussen van het ASZ. Het feit dat de heer Devriendt dagelijks meer dan twee uur onderweg is aan woon-werkverkeer omdat hij in Bredene woont is niet de verantwoordelijkheid van het bestuur. Indien de heer Devriendt vindt dat hij gedurende die reisweg een geïntegreerde telefoon in de auto moet hebben, dan is dit wel degelijk een privé-uitgave, te meer nu hij zelf heeft aangevoerd in zijn verweer dat hij zeer XII-5874-30\37 lange dagen werkte tot lang na de gewone diensturen. De kans dat hij daarna nog wordt opgeroepen vanuit het ziekenhuis is wel heel klein. Ook voor de vermelde dienstverplaatsingen is een geïntegreerde telefoon niet ‘noodzakelijk’. De heer Devriendt was in ieder geval via zijn GSM bereikbaar [...]”. Verzoeker weerlegt deze overwegingen niet, door enkel nogmaals te affirmeren dat deze uitgave inherent is aan zijn functie. De kwalificatie van deze uitgave als privé lijkt deugdelijk gemotiveerd te zijn. 29.
  62. Verzoeker betoogt dat de factuur voor deze uitgave wel degelijk door het financieel comité is goedgekeurd en ziet het bewijs hiervan dat ze achteraf afgestempeld is. Hij beweert ook dat de motivering faalt door een werkwijze te beschrijven die het financieel comité in de praktijk niet hanteert. Die kritiek heeft betrekking op de volgende motivering in het tuchtbesluit : “Indien de geïntegreerde telefoon dan toch zo noodzakelijk was, valt niet in te zien waarom de heer Devriendt hiertoe niet gewoon een verzoek had kunnen richten aan het directiecomité. Hij mocht in geen geval zelf tot die uitgave overgaan, zonder enige goedkeuring van het directiecomité, nu hij daartoe niet bevoegd was: het is immers geenszins een dringende uitgave waartoe hij zou kunnen beslissen op basis van artikel 27bis, §4 van het huishoudelijk reglement. Dit feit is een duidelijk tuchtfeit nu het om een privé-uitgave gaat waartoe hij niet zelf kon beslissen. De heer Devriendt handelde dan ook in strijd met de verplichting om het ambt op een loyale en integere wijze uit te oefenen en bijgevolg in strijd met artikel 5, §1 van het administratief statuut. De heer Devriendt is de hiërarchisch hoogste ambtenaar en geniet vanuit die functie een groot vertrouwen van het bestuur. Wanneer de algemeen directeur meent dat er bepaalde uitgaven moeten gebeuren ten gunste zijn van zijn eigen werkcomfort, vereist de van hem verwachte integriteit en loyaliteit dat hij dit openlijk en formeel voorlegt aan het bestuur, met name aan het directiecomité. Dit is deontologisch gezien de enige correcte werkwijze voor dergelijke uitgaven. Rest er de vraag of de heer Devriendt zelf de stempel van het financieel comité heeft aangebracht of niet, en zo heeft laten uitschijnen dat het financieel comité de factuur heeft goedgekeurd. De aangebrachte datum van het financieel comité is dezelfde als de factuurdatum. Daar men mag aannemen dat de factuur niet valselijk werd gepostdateerd, is er maar één mogelijkheid waarop de factuur eventueel op een financieel comité zou kunnen beland zijn en dat is doordat de factuur door de heer Devriendt persoonlijk werd afgehaald en meteen diezelfde dag werd meegenomen naar het financieel comité, zonder dat de factuur was geagendeerd. Uit de verklaringen van mevrouw [B.] - en er is geen reden om aan te nemen dat zij niet de waarheid zou spreken - blijkt dat het niet anders kan dan dat de heer Devriendt de datumstempel zelf heeft aangebracht of in zijn opdracht heeft laten aanbrengen. De bewering van de heer Devriendt dat wekelijks nog niet geagendeerde facturen worden meegebracht naar het financieel comité wordt bevestigd, doch mevrouw [B.] verduidelijkt dat facturen waarvan er geen bestelbon was, zoals in casu, na goedkeuring (via de paraaf van de heer Devriendt) op een lijst voor een volgend financieel comité XII-5874-31\37 worden geplaatst; die lijst krijgt dan na afloop van het financieel comité één stempel (zie stuk 3.
  63. voor een voorbeeld). Mevrouw [B.] bevestigt dat de factuur toen ze op de boekhouding kwam, niet op de lijst voor een volgend comité werd geplaatst, precies omdat ze al de stempel van een vorig financieel comité van 19.12.06 droeg. Op dat financieel comité is die factuur echter niet goedgekeurd, daar ze niet voorkomt op de lijst van dat financieel comité (stuk 3.2.), hoewel dat de geëigende werkwijze was voor facturen zonder bestelbon. Het kan dan ook niet anders dan dat de datumstempel van het financieel comité werd aangebracht door de heer Devriendt en dat dit precies tot gevolg had dat de factuur niet meer op een lijst werd geagendeerd voor een volgend financieel comité, omdat men er door de stempel op de boekhouding vanuit ging dat de factuur al was goedgekeurd door het financieel comité. Op die manier kon de heer Devriendt – de werkwijze van het financieel comité zeer goed kennende – het openlijk voorleggen van de factuur op het financieel comité vermijden en ze tegelijk toch doen betalen door de boekhouding. Dat het voor de heer Devriendt niet moeilijk was om de stempel van het financieel comité te bemachtigen blijkt uit de verklaring van mevrouw [V. S.] (stuk 3.4.) Ook door op deze wijze te handelen heeft de heer Devriendt de beroepsplicht om zijn ambt op een loyale en integere wijze uit te oefenen, geschonden”. Verzoeker doet zelfs geen poging om een toch essentieel onderdeel van deze motivering tegen te spreken, namelijk dat hij zelf de datumstempel moet hebben aangebracht. Nog minder onderneemt hij in het inleidend verzoekschrift enige poging om met concrete stukken te ontkrachten wat het bestuur uit de verklaringen van B. meent te mogen afleiden en dat er wél reden is “om aan te nemen dat zij niet de waarheid zou spreken”, of omgekeerd om te bewijzen dat wel degelijk in een financieel comité zijn aankoop is besproken. Verzoeker ontkent niet dat uit artikel 27bis, § 4, van het huishoudelijk reglement volgt dat hij niet zelf tot die uitgave mocht overgaan, maar dat over een dergelijke uitgave beslist moet worden in het directiecomité. De loutere beweringen van het verzoekschrift zijn geenszins van aard dat ze het in detail opgebouwd betoog van het tuchtbesluit met betrekking tot dit tuchtfeit kunnen ondergraven. 30.
  64. Het staat buiten betwisting dat het tuchtfeit met betrekking tot de renovatiewerken aan het kantoor van de algemeen directeur betrekking heeft op het kantoor in de gebouwen van het ziekenhuis en niet aan een privé-kantoor thuis of elders, zodat de Raad van State niet goed ziet waar verzoeker wil uitkomen door aanstoot te nemen aan het gebruik van de omschrijving “zijn kantoor”. 30.
  65. Verwerende partij ontkent niet dat de voorzitter van de raad van bestuur ermee instemde dat verzoeker een ander bureau zou gebruiken tijdens deze werken. Volgens verwerende partij was echter sprake van andere vloerbekleding en van schilderwerken of, meer in het algemeen “opfrissing” van het kantoor van de XII-5874-32\37 algemeen directeur. Eerst wanneer in het najaar van 2008 de meubels in de gangen werden opgestapeld werd de omvang en de kostprijs van de renovatie ten volle duidelijk en is aan de penningmeester opdracht gegeven voor nader onderzoek. De Raad van State gaat vooralsnog met verwerende partij mee, dat kennis hebben van het uitvoeren van opfrissingswerken nog niet bewijst dat het bestuur ook kennis had van de volle omvang en kostprijs van deze werken. Dat verzoeker toegeeft net de bestelling van het vast meubilair niet voorgelegd te hebben aan het directiecomité kan deze conclusie slechts versterken. 30.
  66. Het tuchtbesluit verwijt verzoeker “het op eigen houtje beslissen tot de renovatie van het eigen kantoor voor een bedrag van 34.421 euro”, beslissing die verzoeker had moeten voorleggen aan het directiecomité. Verzoeker brengt in het inleidend verzoekschrift daar tegen in dat de beslissing “volledig voorbij [gaat] aan het feit dat alle bestellingen vooraf voorgebracht werden op een financiële commissie”. Ten eerste blijft het bij een bewering, zonder concretisering naar datum of zonder overtuigingsstukken. Daarenboven spreekt verzoeker aldus niet tegen dat de beslissing over de renovatie van zijn kantoor thuis hoorde in het directiecomité, en dat hij ze er niet aan heeft voorgelegd. Specifiek wat de bestelling van het meubilair betreft, is reeds op de eventuele verwarring tussen werkorder en bestelbon als volgt ingegaan : “Hij diende - gelet op artikel 30, §1 van het huishoudelijk reglement - minstens deze laatste uitgave voor goedkeuring voor te leggen aan het directiecomité. Hij geeft toe dit niet te hebben gedaan en verontschuldigt zich hiervoor. Hij is echter totaal ongeloofwaardig dat hij terzake door de heer [R.] werd misleid. Nog los van de vraag welk belang de heer [R.] erbij zou hebben om de heer Devriendt terzake te misleiden, mag van een algemeen directeur worden verwacht dat hij weet [dat] een uitgave van meer dan 18.000 euro moet worden goedgekeurd door het directiecomité. Nu hij deel uitmaakt van het directiecomité en het meubilair voor zijn kantoor bestemd was, kan hij niet ernstig staande houden te zijn misleid en niet geweten te hebben dat dit niet aan het directiecomité werd voorgelegd. Méér nog dan in andere dossiers diende hij erover te waken dat dit wel degelijk gebeurde. Er is dan ook onmiskenbaar sprake van een tuchtfeit wegens: - de miskenning van artikel 5, §1 van het administratief statuut zoals hierboven vastgesteld; - de miskenning van de artikelen 27bis, §4 en 30, §1 van het huishoudelijk reglement. [...] De heer Devriendt voert enerzijds aan dat de bestellingen werden goedgekeurd door de financiële commissie, anderzijds dat werken van een dergelijke omvang nooit werden besproken op een financiële commissie en dat werkorders wel werden ondertekend door hem maar niet meer door de financiële commissie XII-5874-33\37 werden nagezien. En nog, dat indien het een bestelbon in plaats van een werkorder (ter bestelling van het meubilair) zou geweest zijn, hij de bestelbon wel uitdrukkelijk ter bespreking aan de financiële commissie zou hebben voorgelegd. De raad van bestuur kan zich niet van de indruk ontdoen dat de heer Devriendt zich hier soms tegenspreekt, maar bovendien dat er blijkbaar nogal wat verschil bestaat tussen wat de financiële commissie zou moeten doen en wat ze in realiteit (slechts) doet en dat de werking van de financiële commissie niet feilloos is. Een uitspraak of de uitgaven nu al dan niet allemaal aan de financiële commissie werden voorgelegd, en zo ja op welke wijze, is daarom niet mogelijk. Dit belet echter niet dat de tuchtrechtelijke inbreuk zoals hierboven omschreven is vastgesteld”. Verwerende partij heeft met andere woorden vastgesteld dat verzoeker als algemeen directeur hoe dan ook moest weten dat de bestelling van het meubilair besproken moest worden op het directiecomité en dat hij als lid van dat comité moest weten dat zulks niet was gebeurd. Verzoeker ontkent dit niet. Of verzoeker dan de opdracht op een werkorder ondertekende lijkt op die vaststellingen zonder invloed. 31.
  67. Wat uiteindelijk het feit betreft van de materiële voordelen die verzoeker heeft ontvangen van de vzw MSSZ, ontkent verzoeker in het inleidend verzoekschrift niet “dat hij de vermelde materiële voordelen heeft aanvaard en dat hij in de loop van 2008 vroeg om met de tankkaart niet enkel diesel, maar ook benzine te kunnen tanken”, wat het ten laste gelegde feit is. 31.
  68. Wat verzoeker wél uiteenzet, zijn negen aanwijzingen die moeten aantonen dat de vzw MSSZ weliswaar de iure, maar niet de facto een van het ASZ Aalst te onderscheiden partij zou zijn. De zin evenwel van dit verweer, maakt verzoeker niet duidelijk. Het tuchtvergrijp dat hem wordt aangewreven is dat hij in strijd met artikel 7, § 2, van het administratief statuut heeft gehandeld. Dit artikel bepaalt: “Zelfs buiten hun dienst doch ter oorzake ervan, mogen de personeelsleden rechtstreeks of bij tussenpersoon, geen giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen”. Ook als een verstrengeling tussen de vzw MSSZ en het ziekenhuis aangetoond zou zijn, maakt verzoeker niet duidelijk waarom het tuchtbesluit niet mocht besluiten “dat in casu voordelen werden aanvaard door de heer Devriendt en dit omdat hij algemeen directeur was van het ASZ en niet om een reden vreemd aan zijn ambt”, zoals te lezen is in het tuchtbesluit.
  69. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het vijfde middel niet ernstig is. XII-5874-34\37 Ten overvloede merkt de Raad van State nog op dat verzoeker doorheen zijn toelichting bij dit vijfde middel zich hier en daar, en dan vaak nog onrechtstreeks, laat ontvallen dat sommige feiten al langer aan verwerende partij bekend waren. Verzoeker voert evenwel niet expliciet de schending aan van de verjaringstermijn, en nog minder zet hij uiteen wélke feiten om wélke redenen dan wel verjaard zijn. De Raad rekent het niet tot zijn taak om in een middel dat de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht te antwoorden op deze zijdelings aangebrachte grieven. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
  70. In het zesde -en laatste- middel noemt verzoeker het evenredigheidsbeginsel geschonden. Hij wijst er op in zijn loopbaan nog nooit enige tuchtsanctie gekregen te hebben en dat zijn evaluaties zonder uitzondering gunstig waren. De tuchtfeiten hebben op geen enkele wijze enige invloed gehad op de werking van het ASZ Aalst en de wijze van functioneren van verzoeker. In die omstandigheden is het opleggen van de op één na zwaarste sanctie duidelijk in onevenredigheid met de aangenomen tuchtfeiten. Beoordeling
  71. Gunstige evaluaties in het verleden of een blanco tuchtverleden belemmeren op zich niet het opleggen van een tuchtsanctie.
  72. Verwerende partij heeft de strafmaat in volgende bewoordingen verantwoord : “Uit deze beslissing blijkt dat de heer Devriendt een aantal bijzonder zware tuchtfeiten ten laste kunnen worden gelegd: - het ontvangen van materiële voordelen van de VZW MSSZ ter waarde van ongeveer 11.000 euro; - het eigenmachtig beslissen tot en laten uitvoeren van de renovatie van het eigen kantoor ter waarde van 34.421 euro, waaronder de bestelling van meubilair voor meer dan 18.000 euro; - het eigenmachtig beslissen tot de aankoop van een geïntegreerde telefoon voor zijn privéwagen op kosten van het ASZ, ter waarde van 1.090 euro; - het vervolgens eigenmachtig goedkeuren van deze aankoop en het laten uitschijnen dat de factuur werd goedgekeurd door het financieel comité door het aanbrengen van de datumstempel van het financieel comité; XII-5874-35\37 - het zich op een onwettige en verdoken wijze laten toekennen van een hogere weddenschaal waarop hij geen aanspraak kon maken en dit bovendien met terugwerkende kracht; - het bewust verstrekken van foute gegevens over het aantal kinderen ten laste ten einde een hogere nettowedde te bekomen; - het ten onrechte en op onwettige wijze opnieuw laten uitbetalen van een wachtvergoeding aan zichzelf en de directie, nadat de uitbetaling ervan door de penningmeester was geschorst wegens onwettigheid. Deze tuchtfeiten zijn zeer ernstig. Het betreft talrijke tuchtfeiten en ze hebben allemaal het zichzelf bevoordelen met elkaar gemeen, en dit in een niet onaanzienlijke mate: het aanvaarden van ongeoorloofde voordelen van derden voor 11.000 euro, het luxueus inrichten van het eigen kantoor, dure franjes zoals een geïntegreerde telefoon in zijn privéwagen, het zichzelf op onwettige wijze extra belonen met een wachtvergoeding, en last but not least, het zichzelf toekennen van een riante, doch volstrekt onwettige weddeverhoging van honderden euro’s per maand mét terugwerkende kracht. De feiten tonen aan dat het blijkbaar nooit genoeg was voor de heer Devriendt en dat hij voortdurend meer moest hebben. Ze tonen eveneens aan dat de heer Devriendt het de normaalste zaak van de wereld vond dat hij hierover allemaal eigenmachtig kon beslissen en dat het bestuur zoveel mogelijk in onwetendheid werd gehouden. Hij stoorde zich hierbij niet aan de bepalingen van het administratief en geldelijk statuut, noch aan de bevoegdheden van de raad van bestuur en het directiecomité. De tuchtfeiten geven het beeld van iemand die zich boven elke norm verheven waant en meent eigenmachtig alles te kunnen beslissen. Door het eerste tuchtfeit heeft de heer Devriendt zich bijzonder kwetsbaar opgesteld ten aanzien van één van de belangrijkste partners van het ASZ, een partner wiens belangen soms lijnrecht staan tegenover de belangen van het ASZ. Mocht dit feit niet aan het licht gekomen zijn, dan zou dit mogelijk zware gevolgen kunnen hebben gehad voor het beheer van het ASZ, gelet op de feitelijke machtspositie van de algemeen directeur en zijn invloed op het bestuur, gebaseerd op een gerechtvaardigd vertrouwen. De tuchtfeiten zijn des te ernstiger gelet op de functie van de heer Devriendt. Hij is algemeen directeur en bekleedt dus de hiërarchisch hoogste functie. In die functie geniet hij een groot vertrouwen van het bestuur en terecht: noch het bestuur, noch een algemeen directeur kunnen behoorlijk functioneren zonder vertrouwen in de algemeen directeur. Dit vertrouwen werd door de tuchtfeiten schromelijk beschaamd, zodat elke vertrouwen in de algemeen directeur thans zoek is. Deze vertrouwensbreuk is onherstelbaar gelet op de aard, de veelvuldigheid en de ernst van de feiten. De functie van de heer Devriendt is bovendien een voorbeeldfunctie. Hij is de hiërarchisch hoogste ambtenaar en moet bijgevolg het goede voorbeeld geven ten aanzien van de rest van het personeel. Het gedrag van de heer Devriendt zoals het blijkt uit de tuchtfeiten is echter het slechtste voorbeeld dat men kan stellen. Het hiërarchisch gezag van de heer Devriendt wordt door de feiten volstrekt ondermijnd. Hij is het hoofd van het personeel, maar kan die taak niet meer met gezag uitoefenen, nu is gebleken welke tuchtfeiten hij heeft gepleegd. De tuchtfeiten hebben gelet op hun aard, hun veelvuldigheid, hun ernst en de functie van de heer Devriendt tot gevolg dat het vertrouwen op een onherstelbare wijze zoek is. Het is ondenkbaar dat nog kan worden samengewerkt met iemand in een dergelijk belangrijke vertrouwensfunctie, wetende op welke wijze hij het bestuur in tal van zaken heeft verschalkt. Het feit dat hij in het verleden ook hard heeft gewerkt voor het bestuur en tal van positieve zaken heeft verwezenlijkt, doet hieraan geen afbreuk. Dit heeft enkel tot gevolg dat er geen noodzaak is om hem een tuchtstraf op te leggen die hem ook zijn opgebouwde pensioenrechten zou ontnemen”. XII-5874-36\37
  73. Verzoeker doet in het inleidend verzoekschrift weinig -geen- moeite om uit te weiden over zijn verwezenlijkingen, die overigens ook het bestuur in het tuchtbesluit erkend heeft. Hij gaat ook niet in tegen de geciteerde motivering. Anders dan verzoeker wel poneert, lijken de tuchtfeiten wel van aard om hem “over zijn wijze van functioneren als algemeen directeur” iets te verwijten. Voor de meeste feiten is het net omdat hij als algemeen directeur heeft gehandeld, dat hij een voorbeeldfunctie voor de andere medewerkers en een vertrouwensfunctie voor het bestuur vervult die het laakbaar karakter van de vergrijpen scherper in het licht stellen.
  74. Verzoekers betoog toont niet aan dat de tuchtoverheid bij het opleggen van die sanctie de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan. Het middel is niet ernstig.
  75. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 12 januari 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Frank Bontinck, griffier. De griffier, De voorzitter, Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-5874-37\37 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.457 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.219.876 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.