← België

Arrest 199476 - Milieuvergunningen - 14/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.476 Rolnummer: A. 194090/VII-37526 Zaak: Arrest 199476 - Milieuvergunningen - 14/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-20 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-07-02 08:14 Fiche Arrest nr 199.476 van 14 januari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 199.476 van 14 januari 2010 in de zaak A. 194.090/VII-37.

  1. In zake:
  2. Frank DHAENENS
  3. Martin DHONDT
  4. Filip PORREZ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Vandeschoor kantoor houdend te Gent Lange Kruisstraat 6 F bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te Avelgem Kasteelstraat 13 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Kurt VAN DER BEKEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Van Wynsberge kantoor houdend te Leuven Diestsevest 113 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  5. De vordering, ingesteld op 28 september 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 10 juli 2009 waarbij de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 18 december 2008, waarbij aan Kurt Van Der Beken vergunning wordt verleend voor het verder exploiteren en veranderen van een veeteeltbedrijf, gelegen aan de Snepstraat 35A te Nazareth, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing deels wordt gewijzigd en voor het overige wordt bevestigd. VII-37.526-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
  6. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 december
  7. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Isabelle Vandeschoor, die verschijnt voor de verzoekers, advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Koen Van Wynsberge, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. III. Tussenkomst
  9. Met een op 16 oktober 2009 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt Kurt Van Der Beken om in het geding te mogen tussenkomen. Deze verzoeker in tussenkomst is de beneficiaris van de bestreden beslissing zodat er grond is om dat verzoek in te willigen, wat betreft het administra- tief kort geding. IV. Feiten 4.
  10. De betwisting heeft verband met een veeteeltbedrijf dat door de tussenkomende partij wordt geëxploiteerd aan de Snepstraat in Nazareth. VII-37.526-2/9 De inrichting ligt volgens het gewestplan in agrarisch gebied, en is als "landbouwzetel" opgenomen in het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna : gemeentelijk RUP) "Zonevreemde woningen". 4.
  11. De drie verzoekers wonen nabij de inrichting, volgens hetzelfde gewestplan in agrarisch gebied, en binnen het gemeentelijk RUP "Woonkorrels De Lindekes, Turkeyenhoek en Beerhof", meer bepaald in de woonkorrel "Turkeyenhoek", en in een "zone voor wonen in agrarische omgeving type II". 4.
  12. Op 25 juli 2005 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nazareth een milieuvergunning voor de verdere exploitatie en het veranderen van de inrichting, voor een termijn van twintig jaar. Wat de dieren betreft, gaat het om een stal voor 133 melkveerunderen. 4.
  13. Op 22 augustus 2008 dient de exploitant een milieuvergunnings- aanvraag in, die in hoofdzaak de uitbreiding betreft met een stal voor 2.330 varkens, met de daarbijhorende mestopslag. Omwille van de belangrijke investering wordt de voortijdige hernieuwing gevraagd, voor een nieuwe termijn van twintig jaar. 4.
  14. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek worden 84 bezwaar- schriften ingediend. 4.
  15. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nazareth adviseert gunstig. 4.
  16. Op 18 december 2008 verleent de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de gevraagde vergunning. Er wordt een reeks bijzondere voorwaarden opgelegd. 4.
  17. Er worden daarop acht administratieve beroepen ingediend, waarvan één collectief beroep namens 23 buurtbewoners. De huidige verzoekers zijn bij de beroepsindieners. 4.
  18. Alle ingewonnen adviezen spreken zich gunstig uit voor het verlenen van de vergunning. VII-37.526-3/9 4.
  19. Op 10 juli 2009 worden de beroepen verworpen en wordt de door de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen verleende vergunning, mits een lichte wijziging, bevestigd. V. Onderzoek van de vordering
  20. Op grond van artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerleg- ging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunt van de partijen
  21. De verzoekers omschrijven hun moeilijk te herstellen ernstig nadeel als volgt : "Dit moeilijk te herstellen nadeel blijkt uit de volgende elementen: De onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit berokkent een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan verzoekende partij. Verzoekende partij zijn natuurlijke personen die tengevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting rechtstreekse hinder kan ondervinden. In het bundel van verzoekende partijen zijn kaarten aanwezig, waaruit de afstand tussen de woningen van verzoekers en de exploitatie is aangegeven. Dat verzoekende partijen belang hebben, nadeel ondergaan en hinder zal ondervinden blijkt ook uit het feit dat de beroepschriften van verzoekende partijen ontvankelijk werden verklaard door de Vlaamse Overheid, waarbij het belang van deze partijen ook door de exploitant nooit werd betwist, hetgeen impliceert dat verwerende partij aanvaardt dat de verzoekende partijen rechtstreeks hinder ondervindt van de exploitatie. De exploitant heeft dit nooit betwist. Evident zullen verzoekende partijen de volgende vormen van ernstig nadeel, ernstige hinder ondergaan (zie hoger):
  22. verkeershinder : gelet op de omzet van 5500 varkens per jaar op het bedrijf, de vergunning voor 20 landbouwvoertuigen, de aan- en afvoer van meel, voeder, mest, dieren, kadavers, ... zijn er zeer veel transportbewegingen te verwachten, waarvoor de plaatselijke wegenis niet is uitgerust (asfaltbaantje van 3 meter breed). Hiermee is aangetoond dat er sowieso een groot aantal transportbewegingen van zware vrachtwagens gaan bijkomen; dit zal onvermijdelijk een ernstige invloed hebben op de leefwereld van verzoeken- de partijen; VII-37.526-4/9
  23. geurhinder : in de vergunningsaanvraag én in de bestreden beslissing wordt een verhoogde geurhinder aangegeven en aanvaard; dit is overigens een welgekend en niet betwist fenomeen eigen aan intensieve veeteeltbedrijven van varkenshouders; de werkwijze met de hoge schouwen en ammoniakarme stallen verhindert niet dat de geuren verspreid worden hoger in de atmosfeer om zich dan op nog veel grotere schaal, zij het ietwat verdund, te versprei- den in de omgeving; de geurhinder is manifest en heeft een zeer ernstige invloed op de leefwereld van de verzoekende partijen (een BBQ op een zonnige dag in de tuin wordt afhankelijk van de windrichting doch veelal uitgesloten; de geurhinder in het dagrecreatiegebied van 2de verzoeker zal groot zijn en uiteindelijk de vissers die rust in de natuur opzoeken weghou- den : 'wie wil er nu in de stank zitten ?');
  24. geluidshinder: ofschoon geen geluidsstudies werden gemaakt, en binnen een MER dit nochtans wenselijk was, hoeft het weinig verbeelding dat er een ernstig verhoogde geluidshinder zal zijn door de ventilatoren, de machines (verwarming), geluid van dieren, verkeer;
  25. massale uitstoot en emissies van fijn stof/meelstof/zwavel/roet en vooral ziektekiemen, die eigen zijn aan varkensmestbedrijven;
  26. visuele hinder ten gevolge van de hoogte van de schoorsteen, de grootte van de varkensstal, ...;
  27. het gebied is reeds erg belast, zoals hierboven aangetoond inzake luchtver- ontreiniging en nitraten/nitrieten van het grondwater, waarbij de geplande inrichting beide problemen maar zal verzwaren;
  28. in hoofde van 2de verzoeker komt daar bovenop (...) de aantasting van het dagrecreatiegebied, met name van de visvijver Snepkenshoekvijver. Het grondwaterpeil zal onbetwistbaar zakken hetgeen problematisch is voor een visvijver en zal de natuurwaarde van dit gebied definitief en onherstelbaar aantasten".
  29. De verwerende partij antwoordt daarop dat, wat de aangevoerde verkeershinder betreft, het voor "een groot deel gaat om regularisatie van een bestaande toestand" en bijgevolg niet om een rechtstreeks gevolg van de bestreden beslissing. Er werd bovendien als bijzondere voorwaarde opgelegd dat de transporten moeten gebeuren tijdens de kantooruren. Enkel de derde verzoeker woont in de Snepstraat, maar de inrichting is gevestigd in een doodlopende zijstraat daarvan. De vrij drukke rijksweg N60 ligt op een paar honderd meter. Blijkens de bestreden beslissing gaat het in totaal om gemiddeld acht transporten per week. Met betrekking tot de aangevoerde geurhinder stelt de verwerende partij dat zulks niet evident is, omdat de bouw van een ammoniakemissiearme stal wordt opgelegd. De verzoekers besteden volgens de verwerende partij geen aandacht aan de opgelegde "stringente maatregelen". Bovendien ligt de inrichting in agrarisch gebied "waar de norm uit der aard al iets hoger ligt". Over de aangevoerde geluidshinder merkt de verwerende partij op dat de verzoekers "op honderden meters afstand wonen", en dat zij deze VII-37.526-5/9 geluidshinder niet concreet toelichten, terwijl landbouwbedrijven niet bekend staan als lawaaierig. Ook de uitstoot van fijn stof, meelstof, zwavel, roet en ziektekiemen wordt volgens de verwerende partij niet concreet toegelicht. Wat betreft visuele hinder stelt de verwerende partij dat deze soort hinder geen rechtstreeks gevolg is van de milieuvergunning, maar wel van de stedenbouwkundige vergunning. Zij is ook de mening toegedaan dat geen ernstige visuele hinder wordt aangetoond, gelet op de afstand, en dat het open landschap, in een overigens niet als landschappelijk waardevol aangeduid gebied, niet wordt aangetast. Bovendien is, steeds volgens de verwerende partij, de inrichting in overeenstemming met de agrarische bestemming van het gebied waarin de woonkorrels liggen waarin de verzoekers gekozen hebben te gaan wonen. De verwerende partij acht de bewering dat de omgeving reeds zwaar belast is door luchtverontreiniging en nitraten/nitrieten in het grondwater, niet concreet onderbouwd. Zij stelt hierbij ook dat het persoonlijk karakter van dat nadeel niet wordt toegelicht. De verwerende partij stelt ten slotte dat, wat de daling van het grondwaterpeil betreft, de verzoekers geen concrete elementen aanvoeren die de vaststelling van de bestreden beslissing, dat de capaciteit van de watervoerende laag waaruit water zal worden gewonnen voldoende is voor het gevraagde debiet, zouden kunnen weerleggen.
  30. De tussenkomende partij antwoordt met een gelijkaardige argumentatie en citeert hierbij uit de bestreden beslissing. Beoordeling
  31. De verzoekers zijn de mening toegedaan dat het gemeentelijk RUP betekent dat de woningen binnen de woonkorrel de hoofdbestemming wonen hebben, en dat de bestemming agrarisch gebied van het gewestplan er niet langer op van toepassing is. De bestemming van de woonkorrel moet volgens hen worden gelijkgesteld met woongebied, anders dan woongebied met landelijk karakter. VII-37.526-6/9 Daarvan uitgaande stellen zij dat de afstandsregels van de artikelen 5.9.4.4 en 5.9.4.5 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II) en van artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtingsbesluit) gelden. Zowel de verwerende partij als de tussenkomende partij betwisten dit.
  32. Uit het gemeentelijk RUP lijkt te moeten worden afgeleid dat wonen als hoofdbestemming wordt beschouwd in de woonkorrel, doch dat ook het oprichten van een leefbaar landbouwbedrijf wordt toegelaten als hoofdbestemming. De woonkorrel heeft in dezen twee hoofdbestemmingen. In een woongebied is daarentegen landbouw slechts een nevenbestemming, aangezien volgens artikel 5 van het inrichtingsbesluit agrarische bedrijven slechts mogen worden toegestaan "voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving". De bestemming van de woonkorrel stemt bijgevolg veeleer overeen met die van een woongebied met landelijk karakter, waar wonen en landbouw allebei als hoofdbestemming gelden. Zulks blijkt overigens ook uit het stedenbouwkundig advies en uit de bestreden beslissing. De door de verzoekers aangevoerde nadelen worden bijgevolg hierna onderzocht in het licht van die vaststellingen en van de vaststelling dat de vergunde inrichting zelf niet in die woonkorrel ligt, maar in het gebied van een gemeentelijk RUP "Zonevreemde woningen", zodat mogelijke hinder dient te worden beoordeeld zoals in het geval van bewoners van woongebied met landelijk karakter dat grenst aan agrarisch gebied.
  33. De verzoekers tonen niet genoegzaam en concreet aan waarom de te verwachten hinder in belangrijke mate groter zal zijn dan wat kan worden verwacht in woongebied met landelijk karakter, grenzend aan agrarisch gebied. Zij laten na te argumenteren waarom de beoordeling van verschillende hinderaspecten door de vergunningverlenende overheid onjuist is, en waarom de opgelegde maatregelen en bijzondere vergunningsvoorwaarden niet afdoende zouden zijn. VII-37.526-7/9 Zij betwisten niet de vaststelling van de bestreden beslissing dat de vergunde inrichting aanleiding zal geven tot in totaal een achttal transporten per week. Een ernstig nadeel op dat vlak wordt niet aangenomen. De verzoekers blijven in gebreke om, rekening houdend met de bestemmingsvoorschriften, aan te tonen waarom de geurhinder, ondanks de opgelegde ammoniakemissiearme uitvoering van de nieuwe varkensstal, beduidend groter zal zijn dan normaal moet worden geacht. Zulks geldt evenzeer voor de aangevoerde geluidshinder. Ook de beweerde uitstoot van fijn stof, meelstof, zwavel, roet en ziektekiemen blijkt een loutere bewering te zijn en wordt niet nader toegelicht en afdoende bewezen. De aangevoerde visuele hinder lijkt veeleer in verband te staan met de stedenbouwkundige vergunning. Met betrekking tot de door de verzoekers gevreesde problemen met het grondwater stelt de bestreden beslissing na de watertoets dat de vergunde inrichting, mits naleving van de opgelegde voorwaarden, verenigbaar is met het watersysteem en dat er geen schadelijke gevolgen op het watersysteem worden verwacht. De verzoekers weerleggen zulks niet, zodat ook dat nadeel, zo er nadeel zou zijn, als niet ernstig wordt verworpen. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekers niet aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te berokkenen.
  34. Aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is niet voldaan. Die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging af te wijzen. VII-37.526-8/9 BESLISSING
  35. Het verzoek van Kurt Van Der Beken tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
  36. De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien januari tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, met bijstand van Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.526-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.476 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.165 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.