id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.482 Rolnummer: A. 152109/VII-37469 Zaak: Arrest 199482 - Dierenwelzijn - 14/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-20 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-07-02 08:15 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(
- en)DE Fiche Arrest nr 199.482 van 14 januari 2010 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Verwerping overige Voortzetting Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 199.482 van 14 januari 2010 in de zaak A. 152.109/VII-37.469. In zake: de VZW VLAAMSE DIERENARTSENVERENIGING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rita Gielen kantoor houdend te Kasterlee Isschot 20 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-François De Bock kantoor houdend te Brussel Waterloosesteenweg 612 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 7 juni 2004, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 5 mei 2004 houdende het model en de modaliteiten voor de uitgave van het paspoort voor het intracommunautair verkeer van katten en fretten. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 132.059 van 4 juni 2004 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verworpen. Bij arrest nr. 136.163 van 18 oktober 2004 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen. De verzoekende partij partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. VII-37.469-1/13 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft laattijdig een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 december 2009. Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rita Gielen, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Jean-François De Bock, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Inge Vos heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Artikel 5.1, b), van de verordening 998/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende wijziging van richtlijn 92/65/EEG van de Raad (hierna: verordening 998/2003/EG) bepaalt dat gezelschapsdieren, met inbegrip van onder meer honden, katten en fretten, tijdens verplaatsingen in of naar de lidstaten van de Europese Unie moeten beschikken over een paspoort. Dit paspoort wordt afgegeven door een door de bevoegde autoriteit aangewezen dierenarts. Uit dit document moet blijken dat een vaccin tegen rabiës is toegediend aan het betrokken dier. 4. Bij beschikking 2003/803/EG van de Commissie van 26 november 2003 tot vaststelling van een modelpaspoort voor het intracommunautair verkeer van honden, katten en fretten (hierna: beschikking VII-37.469-2/13 2003/803/EG) wordt een modelpaspoort vastgesteld voor het intracommunautair verkeer van honden, katten en fretten. Dit modelpaspoort wordt beschreven in de eerste bijlage bij de beschikking. Daarnaast moet het ook voldoen aan de aanvullende eisen omschreven in de tweede bijlage bij de beschikking. 5. Het paspoort voor katten en fretten wordt in België geregeld in het koninklijk besluit van 5 mei 2004 houdende het model en de modaliteiten voor de uitgave van het paspoort voor het intracommunautair verkeer van katten en fretten. Dit is het bestreden besluit. Dit besluit verwijst naar voormelde Europeesrechtelijke bepalingen en vindt tevens rechtsgrond in artikel 17 van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987 dat, onder meer, stelt dat de Koning de regels voor de registratie, het merken en de identificatie van de dieren en de veebeslagen kan bepalen en dat Hij bepaalt aan welke voorwaarden de identificatiestukken moeten voldoen om te worden aangenomen door de minister, evenals de voorwaarden van hun verdeling, registratie en gebruik. 6. Het bestreden besluit stelt het model vast van het paspoort voor het intracommunautair verkeer van katten en fretten, dat door de verordening 998/2003/EG en de beschikking 2003/803/EG verplicht wordt gemaakt voor het niet-commercieel verkeer tussen de lidstaten. Voor de vaststelling van het model en de aanvullende eisen waaraan het paspoort moet voldoen, verwijst artikel 3, § 1, van het bestreden besluit naar de bijlagen I en II bij de beschikking 2003/803/EG. Artikel 3, § 2, van het bestreden besluit bepaalt dat het nummer van het paspoort bestaat uit de code "BE", gevolgd "door het erkenningsnummer van de verdeler bestaande uit twee cijfers, en een volgnummer bestaande uit negen cijfers". Artikel 4 van het bestreden besluit bepaalt dat blanco paspoorten enkel mogen worden verdeeld aan dierenartsen die de bijzondere erkenning bezitten bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde en artikel 5 van het bestreden besluit bepaalt dat deze paspoorten enkel verdeeld mogen worden door een daartoe erkende rechtspersoon. Hoofdstuk II (artikelen 6 tot 8) van het bestreden besluit bepaalt de voorwaarden waaronder rechtspersonen erkend kunnen worden voor het verdelen van paspoorten. Artikel 9 van het bestreden besluit verplicht de erkende verdelers van de paspoorten ertoe de traceerbaarheid van de paspoorten die zij hebben verdeeld, te garanderen door op ieder ogenblik aan de bevoegde diensten van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en van de politie te kunnen meedelen, hetzij aan welke dierenarts zij een VII-37.469-3/13 bepaald paspoortnummer afgeleverd hebben, hetzij welke paspoortnummers aan een bepaalde dierenarts zijn afgeleverd. Hoofdstuk IV van het bestreden besluit bevat een aantal "slotbepalingen": artikel 10 legt aan de erkende verdelers van paspoorten de verplichting op om jaarlijks te bewijzen dat zij nog steeds aan de erkenningsvoorwaarden voldoen, artikel 11 stelt het verbod in om paspoorten na te maken of te vervalsen en om er wijzigingen in aan te brengen die niet conform zijn aan de verordening 998/2003/EG en artikel 12 legt aan de erkende verdelers een meldingsplicht op betreffende aanwijzingen of vermoedens van misbruiken met paspoorten. Hoofdstuk V van het bestreden besluit, dat het opschrift "sancties" draagt, bepaalt dat de rechtspersoon die paspoorten in omloop heeft gebracht die niet voldoen aan de beschikking 2003/803/EG, "deze op eigen kosten uit omloop (dient) te nemen, te vergoeden of te vervangen" (artikel 13), dat de erkenning als verdeler ingetrokken kan worden (artikel 14) en dat, in geval van intrekking, de verdeler de dierenartsen aan wie hij paspoorten heeft verdeeld daarvan op de hoogte moet brengen en de informatie waarover hij beschikt aan de genoemde Federale Overheidsdienst moet overdragen (artikel 15). 7. Bij ministerieel besluit van 8 juni 2004 heeft de VZW Belgische Vereniging voor Identificatie en Registratie van Honden (hierna : BVIRH) de opdracht gekregen om voor een periode van drie maanden, onbepaald verlengd indien zij inmiddels haar statuten aanpast, het beheer van het centraal register waar te nemen. 8. De vermelding van de vaccinaties van de betrokken dieren tegen hondsdolheid wordt geregeld in artikel 14 van het koninklijk besluit van 10 februari 1967 houdende reglement van de diergeneeskundige politie op de hondsdolheid, zoals vervangen bij het wijzigend koninklijk besluit van 21 september 2004. De verzoekende partij heeft tegen dit besluit een beroep tot nietigverklaring ingesteld dat is gekend onder A. 156.343/VII-37.468. 9. De verzoekende partij heeft eveneens een beroep tot nietigverklaring ingediend tegen het koninklijk besluit van 28 mei 2004 betreffende de identificatie en registratie van honden. Die zaak is gekend onder A. 152.611/VII-37.544. VII-37.469-4/13 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 10. Het auditoraatsverslag werd door de griffie van de Raad van State aan de verzoekende partij ter kennis gebracht bij een op 7 december 2007 ter post aangetekende brief. Het ontvangstbewijs van deze zending werd op 10 december 2007 naar de Raad van State teruggestuurd. Ambtshalve wordt vastgesteld dat de laatste memorie die de verzoekende partij bij ter post aangetekende brief van 10 januari 2008 heeft neergelegd niet binnen de vereiste termijn van dertig dagen aan de Raad van State werd bezorgd. Dit procedurestuk is derhalve laattijdig en wordt uit de debatten geweerd. V. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 11.1. In een eerste exceptie werpt de verwerende partij de onontvankelijkheid van het verzoekschrift tot nietigverklaring op, aangezien niet zou blijken dat de verzoekende partij een beslissing heeft genomen om in rechte te treden. De verzoekende partij stelt, met verwijzing naar haar stukkenbundel, dat zij de nodige bevoegdheid en bekwaamheid had om in rechte op te treden en de voorliggende procedure aanhangig te maken. De verzoekende partij betwist bij haar weerlegging van deze exceptie voorts de bekwaamheid en bevoegdheid van de VZW BVIRH om de gezelschapsdierenpaspoorten te verdelen. 11.2. In een tweede exceptie betwist de verwerende partij het belang van de verzoekende partij. Vooreerst merkt zij, onder verwijzing naar de arresten nr. 132.059 van 4 juni 2004 en nr. 132.730 van 21 juni 2004, op dat de Raad van State reeds erkend heeft dat de verzoekende partij op het vlak van de opmaak en de verdeling van paspoorten voor gezelschapsdieren geen enkele wettelijke opdracht te vervullen heeft, maar dat zij die taken vrijwillig op zich genomen heeft in het kader van de dienstverlening aan haar leden en dus niet verantwoordelijk kan worden gesteld wanneer vanaf 3 juli 2004 aan de Europese binnengrenzen moeilijkheden zouden rijzen. De Raad van State oordeelde dat de verzoekende partij in die verantwoordelijkheid dan ook geen bron kan zien van enig persoonlijk nadeel. De VII-37.469-5/13 verwerende partij betoogt dat de verzoekende partij op dit punt geen nieuw argument aanvoert, en verwijst naar de motivering van de Raad van State in voormelde arresten. In de mate dat de verzoekende partij zich op een eigen moreel belang beroept, namelijk de beweerde aantasting van haar imago, reputatie en credibiliteit, stelt de verwerende partij dat niet kan worden ingezien waarom het bestreden besluit het imago van de verzoekende partij zou schaden. Bovendien zou de verzoekende partij zich kandidaat kunnen stellen om als erkende verdeler te worden aangeduid. Zelfs indien de reputatie van de verzoekende partij zou worden geschaad, is dit volgens de verwerende partij uitsluitend te wijten aan haar eigen toedoen. Tot slot kan de verzoekende partij zich volgens de verwerende partij evenmin op een collectief belang beroepen aangezien niet valt in te zien op welke manier zij met het voorliggende beroep de beroepsbelangen van haar leden verdedigt en de reputatie van haar leden zou vrijwaren. Beoordeling 12.1. Uit de stukken die de raadsman van de verzoekende partij heeft neergelegd blijkt dat haar raad van bestuur - die blijkens artikel 17 van haar statuten de bevoegdheid heeft om de vereniging in rechte te vertegenwoordigen - op 28 april 2004 het dagelijks bestuur de volmacht heeft gegeven om "het dossier van de petpaspoorten" verder op te volgen en alle maatregelen te nemen die het noodzakelijk acht. Bij beslissing van 2 juni 2004 heeft het dagelijks bestuur vervolgens dit voornemen bevestigd. De eerste exceptie wordt verworpen, zoals trouwens ook reeds is beslist in het arrest van de Raad van State nr. 136.163 van 18 oktober 2004. 12.2. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk, zoals de verzoekende partij, zich op een collectief belang beroept, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is, en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang, dat dit belang niet tot de individuele belangen van de leden wordt beperkt, dat het maatschappelijk doel door de bestreden beslissing kan worden geraakt en dat dit maatschappelijk doel werkelijk wordt nagestreefd, wat moet VII-37.469-6/13 blijken uit de concrete en duurzame werking van de vereniging, zowel in het verleden als in het heden. Uit de statuten van de verzoekende partij blijkt dat zij tot doel heeft de beroepsbelangen van de bij haar aangesloten dierenartsen te behartigen. Het lijdt geen twijfel dat de leden van de verzoekende partij ongunstig kunnen worden geraakt door bepalingen van een besluit waarin aan erkende dierenartsen verplichtingen worden opgelegd aangaande het attesteren van vaccinaties of het afleveren van paspoorten. De verzoekende partij kan zich dus beroepen op een collectief belang. De tweede exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 13. De verzoekende partij voert in het eerste middel, samengevat, overschrijding of afwending van macht aan "namelijk miskenning" van artikel 249 van het verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna : EG-verdrag). Zij betoogt dat die bepaling voorziet in de rechtstreekse werking van verordeningen en beschikkingen, terwijl het bestreden besluit, dat de verordening 998/2003/EG uitvoert, onnodig "bijkomende eisen gaat stellen aan de verdeling van Europese pet-paspoorten" met het gevolg dat er, in België, een monopoliepositie gecreëerd wordt voor één specifieke rechtspersoon, dat de door haar afgeleverde huisdierenpaspoorten ongeldig dreigen te worden en dat de situatie van honden en katten, hoewel de verordening een gelijke regeling voorschrijft, nu verschillend en discriminerend geregeld wordt. In de toelichting bij het middel betoogt de verzoekende partij dat de Europese regelgeving betreffende de huisdierenpaspoorten uitsluitend vervat is in verordeningen en beschikkingen, dat verordeningen zonder meer verbindend zijn, zonder dat er zelfs omzettingshandelingen zijn toegelaten, dat beschikkingen verbindend zijn voor degenen tot wie ze zijn gericht en, ten slotte, dat volgens de richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (hierna: richtlijn 98/34/EG) de verwerende partij bij de uitvaardiging van een koninklijk VII-37.469-7/13 besluit waarbij de verordening werd uitgevoerd in ieder geval dit besluit voor advies aan de Europese Commissie had moeten voorleggen, wat te dezen niet gebeurd is. 14. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij vooreerst dat de Koning wettelijk bevoegd is om maatregelen te treffen inzake de identificatie en de registratie van dieren en dat blijkens de verordening 998/2003/EG het paspoort voor honden, katten en fretten een identificatiedocument is om, bij het intracommunautair verkeer met deze dieren, de controle van de verplichte vaccinatie accuraat te kunnen verrichten. Paspoorten kunnen volgens de verwerende partij maar afgegeven worden als het dier geïdentificeerd is en derhalve vereist de toepassing van de verordening 998/2003/EG volgens haar dat er in België een correcte identificatieprocedure wordt opgezet met een uniek identificatienummer voor elk dier. Zij wijst er op dat de nationale overheden ongetwijfeld over een appreciatiemarge beschikken om een identificatiesysteem tot stand te brengen en dat de verordening 998/2003/EG subsidiaire beslissingen toelaat op het vlak van de afgifte van de paspoorten. Wat de richtlijn 98/34/EG betreft, meent zij, met verwijzing naar de motivering in het arrest van de Raad van State nr. 136.163 van 18 oktober 2004, dat het bestreden besluit buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn valt. Voorts betoogt zij dat de verzoekende partij geen belang heeft bij dit middel, aangezien de Europese ambtenaren die in het kader van de totstandkoming van het bestreden besluit werden gecontacteerd, geen opmerkingen hebben geformuleerd bij het ontwerpbesluit en aan de verwerende partij hoogstens een tekortkoming aan een mededelingsplicht kan worden verweten. De verwerende partij betwist voorts dat een monopoliepositie voor één specifieke rechtspersoon in de hand wordt gewerkt. Zij meent dat de beweerde discriminatie tussen katten en fretten enerzijds en honden anderzijds niet pertinent is en dat de verzoekende partij niet aantoont hoe het bestreden besluit het vrij verkeer van goederen en diensten zou belemmeren. 15. In haar memorie van wederantwoord richt de verzoekende partij een "dringend verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie". De verzoekende partij betoogt dat, in de mate dat de inhoudelijke toevoeging aan het modelpaspoort daadwerkelijk ingrijpend is, zich een bevoegdheidsprobleem stelt, zoals de auditeur reeds in zijn verslag betreffende de vordering tot schorsing opmerkte. VII-37.469-8/13 Tevens voert de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord aan dat het bestreden besluit "artt. 3g, j/ 81-82 EG-Verdrag" schendt met betrekking tot de vrije mededinging en dat het evenzeer "het vrij verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal ernstig belemmert" alsmede artikel 30 van het EG-verdrag schendt. Daarnaast stelt zij dat het bestreden besluit ook artikel 5. 1, b), van de verordening 998/2003/EG schendt, doordat "gezelschapsdierenpaspoorten door talrijke andere personen die niet de hoedanigheid van erkende dierenarts bezitten worden verstrekt aan de eigenaars van katten/fretten en honden en dit onaanvaardbaar is en door Europa niet beoogd werd". Beoordeling 16. In het arrest nr. 136.163 van 18 oktober 2004 waarbij de Raad van State de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging heeft verworpen, werd reeds geoordeeld dat de loutere omstandigheid dat een bepaalde aangelegenheid door rechtstreeks verbindende bepalingen op Europees niveau geregeld is, niet belet dat de nationale overheid terzake bijkomend, met het oog op de behartiging van het binnenlands algemeen belang, een eigen regeling opzet ten aanzien van aspecten die niet in de Europese regeling vervat zijn of wanneer die regeling geen bijkomende nationale regeling verhindert. De verwerende partij kon dus een internrechtelijke regeling opzetten, voor zover daarmee de integrale uitwerking van de Europese regelgeving niet wordt aangetast. In dit arrest werd ook geoordeeld dat, aangezien noch de verordening 998/2003/EG, noch de beschikking 2003/803/EG enig voorschrift bevat met betrekking tot de aanmaak en de verdeling van de paspoorten voor katten en fretten onder de dierenartsen, de regeling in het bestreden besluit binnen de door de beschikking 2003/803/EG geschapen ruimte blijft. De verzoekende partij blijft echter van oordeel dat de integrale uitwerking van de verordening 998/2003/EG en de beschikking 2003/803/EG wordt aangetast doordat het bestreden besluit voorschrijft dat elk paspoort moet voorzien zijn van een uniek nummer, bestaande uit dertien karakters, namelijk "BE", de ISO- code voor België, het erkenningsnummer van de verdeler bestaande uit twee cijfers en een volgnummer bestaande uit negen cijfers. In haar memorie van wederantwoord en ter terechtzitting dringt de verzoekende partij aan op het stellen van een prejudiciële vraag in dat verband VII-37.469-9/13 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna : Hof van Justitie) voor het geval de Raad van State nog onvoldoende overtuigd zou zijn van de onverenigbaarheid van het bestreden besluit met de Europese regelgeving. 17. Overeenkomstig artikel 234 van het EG-verdrag is het Hof van Justitie bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen :
- a)over de uitlegging van dit verdrag,
- b)over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van instellingen van de Gemeenschap en van de Europese Centrale Bank,
- c)over de uitlegging van de statuten van bij besluit van de Raad ingestelde organen, wanneer die statuten daarin voorzien. Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, zoals te dezen het geval is, is deze instantie gehouden zich tot het Hof van Justitie te wenden. Met haar vraag wenst de verzoekende partij in wezen te vernemen of de artikelen 3, b), 4.2, 5 en 17, tweede lid, van de verordening 998/2003/EG eraan in de weg staan dat een nationale regeling inzake het paspoort voor katten en fretten verwijst naar het model en de aanvullende eisen vastgesteld bij de beschikking 2003/803/EG, doch bijkomend voorschrijft dat elk paspoort moet voorzien zijn van een uniek nummer, bestaande uit dertien karakters, namelijk "BE", de ISO-code voor België, gevolgd door het erkenningsnummer van de verdeler bestaande uit twee cijfers, en een volgnummer bestaande uit negen cijfers. Om die reden stelt de Raad van State aan het Hof van Justitie de in het dictum van dit arrest omschreven eerste prejudiciële vraag. 18. In het arrest nr. 136.163 van 18 oktober 2004 oordeelde de Raad van State reeds als volgt met betrekking tot de beweerde miskenning van de richtlijn 98/34/EG: "5.4. Overwegende, wat de miskenning van de richtlijn nr. 98/34/EG van 22 juli 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften betreft (hierna : de Richtlijn) -een middel dat overigens geen verband vertoont met de schending van artikel 249 EG-verdrag-, dat de verzoekende partij niet toelicht waarom het voorschrift betreffende de samenstelling van het uniek nummer op de paspoorten -laat staan de voorwaarden op het vlak van de aanmaak en verdeling bij de VII-37.469-10/13 dierenartsen- als een 'technisch voorschrift' in de zin van die richtlijn moet worden beschouwd; dat die conclusie, in acht genomen de gegevens waarover de Raad van State thans beschikt, ook niet voor de hand ligt aangezien de Richtlijn betrekking heeft op voorschriften aangaande 'producten' en zij daaronder naar luid van haar artikel 1.1. verstaat: 'alle producten die industrieel worden vervaardigd en alle landbouwproducten, met inbegrip van visproducten', terwijl ook niet wordt ingezien op welke wijze de opgelegde verplichting om het nummer van een paspoort op een bepaalde wijze samen te stellen, aanleiding zou kunnen geven tot handelsbelemmeringen bij het interstatelijk verkeer van in de Richtlijn bedoelde producten; dat in de huidige stand van de rechtspleging dan ook vastgesteld wordt dat de bestreden bepalingen niet binnen het toepassingsveld van de Richtlijn vallen". Uit het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord van de verzoekende partij blijkt dat zij het voorschrift betreffende de samenstelling van het uniek nummer op de paspoorten beschouwt als een "technisch voorschrift" in de zin van de richtlijn 98/34/EG. 19. Zoals hoger reeds werd gesteld, is de Raad van State er overeenkomstig artikel 234 van het EG-verdrag toe gehouden om in geval van dergelijke vraag naar de uitlegging van de handelingen van instellingen van de Unie zich tot het Hof van Justitie te wenden. Gelet op het voorgaande, wordt aan het Hof van Justitie een tweede prejudiciële vraag gesteld, zoals omschreven in het dictum van dit arrest. 20. Een nieuw middel kan enkel voor het eerst ontvankelijk worden aangevoerd in de memorie van wederantwoord wanneer het niet kon worden aangevoerd in het verzoekschrift omdat de nodige gegevens daartoe niet bekend waren of wanneer het een middel betreft dat de openbare orde raakt. Te dezen lijdt het geen twijfel dat de verzoekende partij de twee bijkomende onderdelen van haar eerste middel reeds had kunnen aanvoeren in haar verzoekschrift. De verzoekende partij geeft ook nergens aan dat het gaat om middelen van openbare orde. B. Tweede, derde, vierde en vijfde middel 21. Ter terechtzitting deelt de raadsman van de verzoekende partij uitdrukkelijk mee dat zij niet wenst in te gaan op het tweede, vierde en vijfde middel uit het verzoekschrift, waarvan in het auditoraatsverslag de verwerping wordt voorgesteld. VII-37.469-11/13 In het verslag heeft de auditeur, ter uitvoering van de opdracht in artikel 24 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en artikel 12 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, een beredeneerd voorstel tot oplossing van de zaak gegeven. Uit zijn aard nodigt dit voorstel de partijen -in het bijzonder de partij die in het ongelijk wordt gesteld- uit om, in zoverre zij het met dat voorstel niet eens zijn, zulks in de laatste memorie nader te beargumenteren. Op die uitnodiging is de verzoekende partij evenwel niet ingegaan. Zij laat aldus in het ongewisse waarin en waarom precies de beoordeling van de verschillende standpunten door de auditeur, wat de grond van de zaak aangaat, foutief zou zijn. Aangezien de Raad van State dat evenmin spontaan inziet, wordt de zienswijze in het auditoraatsverslag bijgevallen. Hieruit moet worden afgeleid dat de verzoekende partij ook wat het derde middel betreft niet verder aandringt. BESLISSING 1. De Raad van State heropent de debatten. 2. De Raad van State stelt, in het kader van het eerste middel, de volgende prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie : "1. Staan de artikelen 3, b), 4.2, 5 en 17, tweede lid, van de verordening 998/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende wijziging van richtlijn 92/65/EEG van de Raad en de artikelen en bijlagen van de beschikking 2003/803/EG van de Commissie van 26 november 2003 tot vaststelling van een modelpaspoort voor het intracommunautair verkeer van honden, katten en fretten eraan in de weg dat een nationale regeling inzake het paspoort voor katten en fretten verwijst naar het model en de aanvullende eisen vastgesteld bij de voormelde beschikking van de Commissie van 26 november 2003, doch bijkomend voorschrijft dat elk paspoort moet voorzien zijn van een uniek nummer, bestaande uit dertien karakters, namelijk 'BE', de ISO-code voor België, gevolgd door het erkenningsnummer van de verdeler bestaande uit twee cijfers, en een volgnummer bestaande uit negen cijfers? 2. Is een nationale regeling die inzake het paspoort voor katten en fretten verwijst naar het model en de aanvullende eisen vastgesteld bij de voormelde beschikking van de Commissie van 26 november 2003, doch bijkomend voorschrijft dat elk paspoort moet voorzien zijn van een uniek nummer, bestaande uit dertien karakters, namelijk 'BE', de ISO-code voor België, gevolgd door het erkenningsnummer van de verdeler bestaande uit twee cijfers, en een volgnummer bestaande uit negen cijfers, een technisch VII-37.469-12/13 voorschrift in de zin van artikel 1 van de richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, die ingevolge artikel 8 van die richtlijn voor de vaststelling ervan bij de Europese Commissie moeten worden aangemeld?". 3. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat ermee, na de ontvangst van het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie, het onderzoek van het eerste middel voort te zetten. 4. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien januari tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Dieter Decock, griffier. De griffier De voorzitter Dieter Decock Luc Hellin VII-37.469-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.482 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.059 ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.163 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.730 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.