← België

Arrest 199486 - Ziekenfondsen en Landsbonden - 14/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.486 Rolnummer: A. 194193/VII-37542 Zaak: Arrest 199486 - Ziekenfondsen en Landsbonden - 14/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-20 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 08:15 Fiche Arrest nr 199.486 van 14 januari 2010 Sociale zaken en volksgezondheid - Ziekenfondsen en Landsbonden Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 199.486 van 14 januari 2010 in de zaak A. 194.193/VII-37.

  1. In zake: Abdellah BOURJA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Didier Bogaert kantoor houdend te Zottegem Meerlaan 134 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMS ZORGFONDS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  2. De vordering, ingesteld op 7 oktober 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, Vlaams Zorgfonds, van 14 augustus 2009 waarbij verzoekers bezwaarschrift ongegrond wordt verklaard en beslist wordt dat de administratieve geldboete verschuldigd blijft. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 januari
  4. Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. VII-37.542-1/4 Advocaat Frederik Emmerechts, die loco advocaat Didier Bogaert verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Pieter-Jan Staelens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Op 18 november 2005 verstuurt de verwerende partij een brief aan de verzoeker teneinde zich te regulariseren wat de verschuldigde bijdragen voor de Vlaamse zorgverzekering betreft. Het betreft een eenmalige regularisatiemogelijk- heid waardoor betrokkenen zich in orde kunnen stellen voor het verleden. Er moet betaald worden vóór 30 april
  7. Met een tweede brief van 19 februari 2007 wordt de verzoeker uitgenodigd de bijdrage voor het jaar 2007 te betalen en wordt erop gewezen dat de achterstallige bijdragen steeds verschuldigd blijven.
  8. Met een ter post aangetekende brief van 7 februari 2008 wordt aan de verzoeker gemeld dat hem een administratieve geldboete van 250 euro wordt opgelegd wegens niet, onvolledig of te laat betaalde verplichte bijdragen.
  9. De verzoeker dient op 19 februari 2008 bezwaar in. Hij stelt er nooit van ingelicht geweest te zijn dat hij de bijdragen diende te betalen. Wel is hij bereid de bijdragen te betalen, doch niet de administratieve geldboete die hij overdreven acht. Hij vraagt nog dat, indien hij de boete toch dient te betalen, een betaalplan van 25 euro per maand zou worden aanvaard.
  10. Op 14 augustus 2009 wordt dan de bestreden beslissing genomen. VII-37.542-2/4 IV. Onderzoek van de vordering
  11. Op grond van artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerleg- ging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunt van de verzoeker
  12. De verzoeker zet het volgende uiteen : "Wanneer de bestreden beslissing in afwachting van het verzoek tot nietigverklaring niet zou worden geschorst, bestaat een grote kans dat verzoeker, en zijn gezin, in de loop van de procedure zal terechtkomen in de armoede. Betaling van dergelijke geldboete zou het gezin van verzoeker verder hypothekeren en schade toebrengen aan hun leven en gezondheid. Verzoeker beschikt namelijk niet over de nodige financiële middelen". Beoordeling
  13. Artikel 8, eerste lid, 3/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, zoals vervangen door artikel 63 van het koninklijk besluit van 25 april 2007 tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bepaalt dat het enig verzoekschrift "een uiteenzetting van de feiten (dient te bevatten) die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen". Een verzoeker mag zich ter zake niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dient concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit enerzijds de ernst van het nadeel blijkt dat hij ondergaat of dreigt te ondergaan, hetgeen inhoudt dat hij concrete en precieze aanduidingen moet verschaffen omtrent de aard en de omvang van het nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging kan berokkenen, en waaruit anderzijds het moeilijk te herstellen karakter blijkt. VII-37.542-3/4 Een louter financieel nadeel is in principe niet moeilijk te herstellen tenzij bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat dit wel het geval is. Ten aanzien van het nadeel dat hij beweert te lijden of te zullen lijden, komt de verzoeker niet verder dan te stellen dat hij en zijn gezin in armoede zullen terechtkomen. Het gaat te dezen slechts om een eenmalig bedrag. De verzoeker kan dan ook moeilijk beweren dat het gezinsbudget voor de verdere toekomst aangetast zal blijven. Uit het bezwaarschrift dat de verzoeker indiende, blijkt dat hij een vervangingsinkomen geniet. Hij geeft echter niet aan hoe groot dat vervangingsink- omen precies is zodat de impact van de boete er niet kan aan afgewogen worden. De verwerende partij merkt overigens terecht op dat de verzoeker zelf aangaf een betaalplan te willen volgen indien de geldboete toch verschuldigd blijft, zodat besloten dient te worden dat hij de gevolgen van de beslissing wel degelijk kan dragen. Het nadeel is dan ook niet ernstig. Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  14. Dit volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen zonder dat het nodig is de opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties te onderzoeken. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien januari tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Dieter Decock, griffier. De griffier De voorzitter Dieter Decock Eric Brewaeys VII-37.542-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.486 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.605 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.