← België

Arrest 199582 - Tucht (openbaar ambt) - 18/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.582 Rolnummer: A. 150769/IX-4492 Zaak: Arrest 199582 - Tucht (openbaar ambt) - 18/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-26 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 08:17 Fiche Arrest nr 199.582 van 18 januari 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 199.582 van 18 januari 2010 in de zaak A. 150.769/IX-4492 In zake: Chris CORRE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te Brussel, Fritz Toussaintstraat 47 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 16 april 2004, strekt tot de nietigverkla- ring van de beslissing van de directeur-generaal van de federale politie van 16 februari 2004, waarbij aan Chris Corre de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 137.406 van 22 november 2004 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Stephan De Taeye heeft een verslag opgesteld. IX-4492-1/12 De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 januari
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor de verzoeker, en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Henri Colin heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker is sedert 26 september 1994 in dienst bij de politie. Op 1 april 2001 wordt hij benoemd in de graad van inspecteur van politie in een functie bij de federale politie. 3.
  6. Op 28 maart 2000 wordt de verzoeker aangehouden. Hij blijft in hechtenis tot 18 april
  7. 3.
  8. Bij beslissing van de Militaire Commissie voor Geschiktheid en Reform van 30 maart 2000 wordt de verzoeker ongeschikt verklaard voor de dienst, op grond van de volgende motieven: “aanpassingsproblemen - karakteriële problemen - oncontroleerbare agressie-aanvallen”. 3.
  9. Op 5 mei 2000 verzoekt de eenheidscommandant van de verzoeker de procureur-generaal bij het Hof van beroep te Antwerpen om hem, indien mogelijk, het gerechtelijk dossier betreffende de door de verzoeker begane IX-4492-2/12 misdrijven te laten geworden, teneinde het te gebruiken voor een intern administratief onderzoek. 3.
  10. Op 21 mei 2002 veroordeelt de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen de verzoeker tot een gevangenisstraf van één jaar, met uitstel gedurende vijf jaar voor de helft van deze straf. Op 13 maart 2003 bevestigt het Hof van beroep te Antwerpen deze straf van de verzoeker, voor de volgende feiten: “D. Te Stabroek, in de nacht van 5 op 6 november 1999, met behulp van geweld of bedreiging, vernieling of beschadiging van andermans roerende eigendommen, namelijk de inboedel van het clublokaal van Motorclub De Pitbulls, toebehorende aan [E.F.], te hebben gepleegd, het feit gepleegd zijnde in vereniging of in bende; E. Te Stabroek, in de nacht van 5 op 6 november 1999, met voorbedachten rade, opzettelijk verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan [M.B.], de slagen of verwondingen hebbende een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge gehad”. Op 23 april 2003 wordt aan de verwerende partij kennis gegeven van het voormeld arrest. Op 6 mei 2003 wordt aan de tuchtoverheid een afschrift van het arrest bezorgd. 3.
  11. Op 11 juli 2003 stelt de directeur-generaal van de federale politie, als hogere tuchtoverheid van de verzoeker, een inleidend verslag op. Dit verslag wordt op 25 juli 2003 aan de verzoeker betekend. De ten laste gelegde tuchtvergrijpen luiden als volgt: “Is te kort gekomen aan zijn beroepsplichten inzake de uitvoering van de gerechtelijke politie, inzake het verlenen van bijstand aan personen in nood, inzake het beschermen van het individueel recht op fysische integriteit en van de eigendom, en op die wijze zeer ernstig afbreuk gedaan aan de waardigheid van het ambt door: als politieambtenaar, met verlof zijnde om gezondheidsredenen, op 05 nov 99 omstreeks 2300Hr, in bende, en gewapend, met voorbedachtheid de inboedel van de taverne De Neus in Stabroek te hebben vernield, opzettelijke slagen en verwondingen te hebben toegebracht aan o.a. een aldaar aanwezige persoon met een ongeschiktheid tot arbeid als gevolg, nagelaten deze persoon de nodige bijstand te hebben verleend en nagelaten te hebben de feiten ter kennis te brengen aan de gerechtelijke overheid.” IX-4492-3/12 3.
  12. Nadat de verzoeker is gehoord, wordt hem op 4 september 2003 het voorstel van de hogere tuchtoverheid tot het opleggen van de zware tuchtstraf van de afzetting betekend. 3.
  13. Op 8 september 2003 dient de verzoeker tegen dat strafvoorstel een verzoek tot heroverweging in. Op 21 oktober 2003 adviseert de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie dat het opleggen van “de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege” als tuchtmaatregel meer passend en onderbouwd is. Op 20 november 2003 wordt de hoorzitting van de tuchtraad aangevat. Op vraag van de verzoeker, die verklaart voorrang te willen geven aan de opgestarte procedure voor oppensioenstelling, waarover hij over een maand uitsluitsel verwacht, wordt de hoorzitting uitgesteld tot 13 januari
  14. Op de hoorzitting van de tuchtraad van 13 januari 2004 legt de verzoeker het proces-verbaal van de Militaire Commissie voor Geschiktheid en Reform van 30 maart 2000 neer, waaruit zijn ongeschiktverklaring blijkt, en zet hij uiteen dat zijn definitieve ongeschiktheid gebaseerd is op een neurose en op een psychopathie en gemotiveerd is als “aanpassingsproblemen, karakterproblemen en oncontroleerbare agressie-aanvallen”. Hij brengt dit in verband met het arrest van het hof van beroep van 13 maart 2003 waarin is vermeld dat hij wordt veroordeeld voor ongepast agressief gedrag. Hij voert aan dat hij ontoerekeningsvatbaar is en dus niet tuchtrechtelijk kan worden vervolgd. Hij stelt dat de tuchtoverheid had kunnen nagaan of hij al dan niet toerekeningsvatbaar is en vraagt dat zij hem enkel op grond van een expertise toerekeningsvatbaar zou verklaren. Ook wijst hij erop nog steeds in behandeling te zijn bij een psychiater, die over zijn medische toestand kan komen getuigen, en vraagt hij dat dokter Van Laethem, directeur arbeidsgeneeskunde van de federale politie, zou worden opgeroepen als getuige om verslag uit te brengen over zijn medische toestand. Met een nota van 16 januari 2004 maakt de verzoeker een schriftelijke verklaring van dokter Van Laethem over aan de tuchtraad. De genoemde arts stelt: IX-4492-4/12 “INP Corre Chris werd definitief ongeschikt verklaard voor de dienst op 30 maart 2000 door de militaire commissie voor geschiktheid en reform, op basis van de criteria 512 (neurose) en 513 (psychopathie), met de bijkomende motivering: aanpassingsproblemen, karakterproblemen en oncontroleerbare agressie-aanvallen. Op grond van deze motivatie ben ik van oordeel dat er voldoende redenen zijn om te twijfelen aan de toerekeningsvatbaarheid van betrokkene betreffen- de de hem ten laste gelegde feiten (zie strafvoorstel DGS/DSG/879/1123/2B). Ik verzoek de tuchtraad in deze de graad van toerekeningsvatbaarheid van betrokkene te laten evalueren door een expert ter zake. Ik ben bereid in deze op te treden als getuige.” Op 20 januari 2004 adviseert de tuchtraad, bij meerderheid van stemmen, dat de zwaarste tuchtstraf, met name de afzetting, kan worden opgelegd. De tuchtraad stelt dat de verklaring van dokter Van Laethem niet in aanmerking kan worden genomen, omdat ze door de verzoeker na de sluiting van de debatten werd neergelegd. De tuchtraad voegt eraan toe dat hij over alle nuttige elementen beschikt om met kennis van zaken een advies uit te brengen en dat een bijkomend onderzoek, zoals het verhoor van dokter Van Laethem als getuige, niet nuttig is. Ter adstructie verwijst de tuchtraad naar de rubriek II.B van zijn advies betreffende “[de] toerekening van de feiten”. Deze rubriek luidt als volgt: “Gelet op de strafrechtelijke beslissing die in kracht van gewijsde is getreden, stelt de tuchtraad vast dat de feiten vermeld onder de tenlaste- leggingen sub a en sub b worden toegerekend aan INP Corre. Onterecht betoogt de verdediging dat de tuchtrechtelijke tenlasteleggingen in ieder geval niet toerekenbaar zijn aan INP Corre. Ter ondersteuning van dit middel wordt uitsluitend verwezen naar de beoordeling van de Militaire Commissie voor Geschiktheid en Reform die op de zitting van 30 maart 2000 besliste dat INP Corre definitief ongeschikt is voor de dienst. De redenering van de verdediging kan niet worden bijgetreden door de tuchtraad om reden dat de strafrechtelijke veroordeling, die in kracht van gewijsde is getreden, de toerekeningsvatbaarheid van INP Corre op het ogenblik van de feiten definitief heeft vastgesteld. Aan deze redengeving wordt geen afbreuk gedaan door de beslissing van de voormelde commissie die zich toekomstgericht heeft uitgesproken met betrekking tot de geschiktheid voor de dienstuitvoering en niet over de toerekeningsvatbaarheid van INP Corre op datum van 5 november 1999.” 3.
  15. Op 6 februari 2004 brengt de hogere tuchtoverheid haar voornemen om af te wijken van het advies van de tuchtraad en het ontslag van ambtswege als tuchtstraf op te leggen, ter kennis van de verzoeker. Op 13 februari 2004 dient de verzoeker een verweerschrift in. Hierin vestigt hij opnieuw de aandacht op “zijn gebeurlijke ontoerekeningsvatbaar- heid”. Hij wijst erop dat hij naar aanleiding van de hoorzitting van de tuchtraad van IX-4492-5/12 13 januari 2004 een schriftelijke verklaring van dokter Van Laethem heeft neergelegd en hij vraagt op grond van die verklaring opnieuw een medische expertise aan. De verzoeker stelt dat de omstandigheid dat zijn mogelijke ontoereke- ningsvatbaarheid niet werd opgeworpen voor de rechtbank, geenszins betekent -in tegenstelling tot wat de tuchtraad opmerkt- dat zijn toerekeningsvatbaarheid werd vastgesteld. De verzoeker voert aan dat zijn dossier voldoende elementen bevat die een dergelijk medisch onderzoek kunnen rechtvaardigen en dat niets de tuchtover- heid belet de vereiste medische onderzoeken te laten uitvoeren. Hij laat gelden dat “een zorgvuldige behandeling” een beginsel van behoorlijk bestuur is dat door de overheid moet worden nageleefd. 3.
  16. Op 16 februari 2004 beslist de hogere tuchtoverheid om aan de verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Deze beslissing, die het voorwerp uitmaakt van het voorliggende beroep, luidt als volgt: “1 Referenties 1.1 Wet van 07 december 1998 op de geïntegreerde politie gestructureerd op twee niveaus: artikelen 123 en
  17. 1.2 Inleidend verslag nota nr. DGS/DSG/879/1133/1B, DK 673, d.d. 01 Jul
  18. 1.3 Voorstel tot zware straf, nota nr. DGS/DSG/879/1133/2B, DK 673, d.d. 01 Sep
  19. 1.4 Kennisgeving van voorstel tot zware straf, nota nr. DGS/DSG/879/ 1133/3B(DGS/117), DK 673, d.d. 27 Jan
  20. 2 De feiten 2.1 Voor wat het relaas der feiten betreft verwijs ik naar het gelijknamig punt van het inleidend verslag. 2.2 Na kennis te hebben genomen van het advies van de tuchtraad, heb ik u in mijn nota ‘Kennisgeving van voorstel tot zware straf’ - zie punt 1.4 hierboven, mijn intentie kenbaar gemaakt om u voor de gepleegde tuchtvergrijpen te straffen met de zware straf, namelijk het ontslag van ambtswege. Hierin heb ik u tevens medegedeeld om welke redenen ik ben afgeweken van het advies van de Tuchtraad inzake de straftoe- meting. 2.3 U had na de betekening van voormelde nota het recht een schriftelijk verweer in te dienen binnen een termijn van tien dagen na de kennis- geving op straffe van verval. Dit verweerschrift werd per fax en per aangetekende brief op 13 Feb 04 op de dienst DPMD-Brugge ontvangen hetgeen binnen de voorziene termijn valt en derhalve ontvankelijk is. IX-4492-6/12 Ten aanzien van dit verweer dat in hoofdzaak de bewering bevat dat de tuchtstraf niet kan uitgesproken worden en de tuchtprocedure onont- vankelijk is, wens ik het volgende mede te delen. 2.3.1 Zoals ook de Tuchtraad in haar verleend advies het stelt, heeft de tuchtvordering een autonoom bestaan, totaal verschillend van de hangende reformprocedure. De tuchtraad beschikte over alle nuttige elementen om met kennis van zaken advies uit te brengen, hetgeen zij dan ook heeft gedaan en waarvan u kennis heeft kunnen nemen. 2.3.2 De tuchtoverheid is gebonden aan de rechterlijke uitspraak inzake het bestaan der feiten en hun toerekeningsvatbaarheid. Deze stelling werd nogmaals herhaald door de Tuchtraad in haar advies inzake de toerekenbaarheid aan INP Corre op het ogenblik van de feiten. Hierop wens ik dan ook niet meer terug te komen. 2.4 Overeenkomstig artikel 55 van de tuchtwet deel ik u derhalve mijn definitieve beslissing mede. 3 Bewezen tuchtvergrijpen. ‘Is te kort gekomen aan zijn beroepsplichten inzake het beschermen van het individueel recht op fysische integriteit en van de eigendom en op die wijze zeer ernstig afbreuk gedaan aan de waardigheid van het ambt door: als politieambtenaar, met verlof zijnde om gezondheidsredenen, op 05 Nov 99 omstreeks 2300 Hr, in bende en gewapend, met voorbedachtheid de inboedel van het clublokaal van de motorclub De Pitbulls in Stabroek te hebben vernield, opzettelijke slagen en verwon- dingen te hebben toegebracht aan o.a. een aldaar aanwezige persoon met een ongeschiktheid tot arbeid als gevolg.’ Wettelijke referenties van de tuchtvergrijpen: artikel 123 en 132 van de Wet op de geïntegreerde politie. 4 Beslissing. 4.1 Verwijzend naar het inleidend verslag, naar het verweerschrift, naar mijn kennisgeving van voorstel tot zware straf na de procedure voor de tuchtraad, en na kennisname van het laatste verweerschrift, en derhalve overeenkomstig artikel 55 van de tuchtwet, leg ik u het ontslag van ambtswege op. Deze straf heeft uitwerking de dag van de kennisgeving. 4.2 Deze straf zal onverwijld worden ingeschreven op uw blad der tucht- straffen door de diensten van Dir DAR. [...].” Deze beslissing wordt op 20 februari 2004 door de verzoeker voor kennisneming en ontvangst ondertekend. IX-4492-7/12 IV. Onderzoek van de middelen A. Vierde middel Standpunt van de partijen 4.
  21. De verzoeker voert in het middel de schending aan van de rechten van verdediging, de “onaanvaardbaarheid van de motivering met het oog op de feiten”, alsook de schending van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. Hij betoogt dat de hogere tuchtoverheid heeft verzuimd zijn mogelijke ontoerekeningsvatbaarheid te laten onderzoeken, niettegenstaande hij de aandacht van de tuchtoverheid uitdrukkelijk heeft gevestigd op zijn medische ongeschiktheid en de daaruit voortvloeiende ontoerekeningsvatbaarheid. In het bijzonder had de tuchtoverheid kennis van zijn ongeschiktverklaring van 30 maart 2000 door de Militaire Commissie voor Geschiktheid en Reform, waaruit blijkt dat hij definitief ongeschikt is voor de dienst op grond van een neurose en een psychopathie, die leiden tot aanpassingsproblemen, karakteriële problemen en oncontroleerbare agressie-aanvallen. De verzoeker wijst erop dat zijn medische ongeschiktheid reeds werd vastgesteld op 16 augustus 1998 en werd bevestigd door de geneesheer-expert op 7 februari
  22. Volgens de verzoeker had de tuchtoverheid de plicht, gelet op de medische aanwijzingen waarover zij beschikte, om zijn mogelijke ontoerekeningsvatbaarheid te laten onderzoeken, te meer nu in het arrest waarbij hij strafrechtelijk werd veroordeeld, zijn “ongepaste agressiviteit” werd benadrukt en de tuchtraad kennis had van de verklaring van dokter Van Laethem, hoofd van de arbeidsgeneeskundige dienst, die stelt dat er “voldoende redenen zijn om te twijfelen aan de toerekeningsvatbaarheid van betrokkene betreffende de hem ten laste gelegde feiten”. De verzoeker stelt vast dat zijn vraag om zijn mogelijke ontoerekeningsvatbaarheid te laten onderzoeken, niettemin steeds door de tuchtoverheid werd verworpen, waardoor zijn rechten van verdediging werden geschonden. De verzoeker argumenteert voorts dat de tuchtoverheid bij het bepalen van de strafmaat weliswaar over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, maar dat haar beslissing dienaangaande de toets van de redelijkheid moet kunnen doorstaan. Hij stelt dat in tuchtzaken het redelijkheidsbeginsel inhoudt dat de straf in een redelijke verhouding moet staan tot de fout en “alle daaraan IX-4492-8/12 verbonden omstandigheden”. Hij voegt eraan toe dat bij de beoordeling van de evenredigheid van de tuchtstraf rekening moet worden gehouden met verzachtende omstandigheden die betrekking hebben op de persoon, waarbij de gezondheidstoe- stand van de betrokkene op het ogenblik van de feiten een zeer belangrijke rol speelt. Ten slotte laat de verzoeker gelden dat de tuchtoverheid, door het gevraagde onderzoek naar zijn mogelijke ontoerekeningsvatbaarheid te weigeren, niet met de nodige zorgvuldigheid tot haar beslissing is gekomen. Volgens de verzoeker is zijn psychische toestand een gegeven dat van determinerende invloed zou moeten zijn op de uiteindelijke beslissing, zodat, bij gebrek aan bedoeld onderzoek, de vaststelling van de feiten onvolledig is en de motivering van de beslissing onaanvaardbaar. 4.
  23. De verwerende partij antwoordt dat zij bij het nemen van de bestreden beslissing rekening moest houden met het absoluut gezag van gewijsde van het arrest van het hof van beroep van 13 maart 2003 met betrekking tot het bestaan van de feiten en de schuldbekwaamheid. Zij stelt dan ook gebonden te zijn geweest door de uitspraak van de strafrechter met betrekking tot de toerekeningsvat- baarheid, in het bijzonder nu de feiten die ten grondslag liggen aan de strafvordering en de tuchtvordering volledig identiek zijn. Aldus meent zij terecht niet te zijn ingegaan op de vraag van de verzoeker om zijn toerekeningsvatbaarheid opnieuw te onderzoeken, vermits het opnieuw in vraag stellen van zijn toerekeningsvatbaar- heid een schending van het voormeld gezag van gewijsde zou inhouden. De verwerende partij wijst erop dat deze redenering ook wordt vermeld in de bestreden beslissing en in het advies van de tuchtraad. Volgens de verwerende partij is er te dezen dan ook geen sprake van een schending van de rechten van verdediging, noch van een schending van het redelijkheids-, het evenredigheids- of het motiveringsbeginsel. 4.
  24. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord en laatste memorie dat het gezag van gewijsde van een strafrechtelijke uitspraak beperkt is tot de punten waarover een betwisting bestond, en dat zelfs expliciete vermel-dingen in het strafvonnis waarover geen betwisting bestond, niet onder het gezag van gewijsde vallen. Hij stelt te dezen vast dat voor de strafrechter geen IX-4492-9/12 discussie is gevoerd over zijn toerekeningsvatbaarheid, gelet op de totale afwezig- heid van enige motivering dienaangaande in het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg en het arrest van het hof van beroep. Hij besluit hieruit dat geen met gezag van gewijsde beklede uitspraak over zijn toerekeningsvatbaarheid voorhanden is. Zelfs indien de hogere tuchtoverheid te dezen gebonden was door het gezag van gewijsde van de strafrechtelijke uitspraak, dan nog moest deze overheid volgens de verzoeker rekening houden met zijn psychisch ziektebeeld. Gelet op zijn psychische toestand was hij immers niet in staat geweest om voor de strafrechter zijn ziektebeeld te doen gelden, zodat het gezag van gewijsde van de strafrechtelijke uitspraak niet eraan in de weg stond dat hij in de daaropvolgende tuchtprocedure alsnog zijn toerekeningsvatbaarheid betwistte. De verzoeker laat voorts nog gelden dat zijn strafrechtelijke toerekeningsvatbaarheid niet impliceert dat met zijn psychische toestand geen rekening meer kan worden gehouden als een verzachtende omstandigheid. Hij stelt dat toerekeningsvatbaarheid immers betrekking heeft op de schuldbekwaamheid, terwijl verzachtende omstandigheden betrekking hebben op de straftoemeting. Hij besluit dat de tuchtoverheid, door geen enkele aandacht te besteden aan zijn psychische toestand, noch op het vlak van zijn toerekeningsvat- baarheid, noch als een verzachtende omstandigheid, zijn rechten van verdediging, alsook de in het middel aangevoerde beginselen heeft geschonden. Beoordeling 4.
  25. Uit het administratief dossier blijkt dat de verzoeker, hierbij steunend op zijn definitieve ongeschiktverklaring voor de dienst door de Militaire Commissie voor Geschiktheid en Reform op 30 maart 2000, zich voor de tuchtraad heeft beroepen op zijn psychische problemen die onder meer tot oncontroleerbare agressie-aanvallen leiden, en hij aan die raad heeft gevraagd om een medische expertise te laten uitvoeren teneinde na te gaan of de ten laste gelegde feiten hem kunnen worden toegerekend. Ook in zijn verweer voor de hogere tuchtoverheid heeft de verzoeker verwezen naar zijn gezondheidstoestand en heeft hij om een dergelijke medische expertise verzocht. Hij geeft in dat verweer ook aan dat nu hij zijn IX-4492-10/12 ziektebeeld niet heeft opgeworpen voor de strafrechter, deze zich evenmin hierover heeft uitgesproken. Zowel de tuchtraad als de hogere tuchtoverheid weigeren echter om de medische toestand van de verzoeker te betrekken bij hun beslissing over de tuchtvordering tegen de verzoeker en om de gevraagde medische expertise te laten uitvoeren, zich beiden steunend op het gezag van gewijsde van het arrest van het Hof van beroep te Antwerpen van 13 maart 2003 op het vlak van de toerekenbaar- heid van de feiten aan de verzoeker. 4.
  26. Het genoemde arrest van het Hof van beroep te Antwerpen heeft de schuldbekwaamheid van de verzoeker aangenomen. Het gezag van gewijsde van dit arrest staat eraan in de weg dat de tuchtoverheid die schuldbekwaamheid op grond van een eigen onderzoek van de toerekeningsvatbaarheid van de verzoeker alsnog in vraag zou stellen. De omstandigheid dat de verzoeker zijn ziektetoestand voor de strafrechter niet zou hebben aangevoerd, doet hieraan geen afbreuk. Er moet dan ook worden geoordeeld dat de tuchtoverheid, wat de toerekenbaarheid van de feiten aan de verzoeker betreft, zich terecht naar het genoemde arrest van het hof van beroep heeft gevoegd. Dit impliceert evenwel niet dat moet worden aangenomen dat de tuchtoverheid de ziektetoestand van de verzoeker in het geheel niet bij haar beslissing moest betrekken. Te dezen laat de verzoeker terecht gelden dat een evenredige bestraffing van de hem tuchtrechtelijk ten laste gelegde feiten vergt dat de tuchtoverheid alle relevante omstandigheden bij haar afweging van de strafmaat in overweging neemt. De ernstige ziektetoestand van de verzoeker, die onmisken- baar blijkt uit zijn definitief vastgestelde medische ongeschiktheid voor de dienst, is een dergelijke omstandigheid. Doordat de tuchtoverheid deze ziektetoestand niet in haar beoordeling van de strafmaat heeft betrokken, niettegenstaande zij er kennis van had, heeft zij het evenredigheidsbeginsel geschonden. Het middel is in zoverre gegrond. IX-4492-11/12 BESLISSING
  27. De Raad van State vernietigt de beslissing van de directeur-generaal van de federale politie van 16 februari 2004, waarbij aan Chris Corre de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd.
  28. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro.
  29. Het ten onrechte door de verzoeker op het verzoek tot voortzetting gekweten zegelrecht van 175 euro dient hem te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 18 januari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Paul Lemmens IX-4492-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.582 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.406 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.