← België

Arrest 199586 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 18/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.586 Rolnummer: A. 136105/IX-3782 Zaak: Arrest 199586 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 18/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-26 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-02 08:18 Fiche Arrest nr 199.586 van 18 januari 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 199.586 van 18 januari 2010 in de zaak A. 136.105/IX-3782 In zake: Tom COCQUYT die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt (VSOA) gevestigd te Brussel Lang Levenstraat 27-29 tegen: het VLAAMS PARLEMENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Walter Muls kantoor houdend te Brussel Antoine Dansaertstraat 92 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Luc Van der Borght bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kaat Leus kantoor houdend te Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 29 april 2003, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing waarbij de resultaten van de preselectieproef die op 21 november 2002 werd georganiseerd, werden vastgesteld ten aanzien van verzoeker alsook ten aanzien van de andere kandidaten”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-3782-1/11 De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 23 januari
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste Auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 januari
  4. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat John Avenel, die verschijnt voor verwerende partij, en advocaat Wendy De Pester, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste Auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De verzoeker is ambtenaar met de graad van assistent bij het Vlaams Parlement. 3.
  7. Op 7 oktober 2002 verleent het Vast Bureau van het Vlaams Parlement zijn goedkeuring aan het examenprogramma van de selectie voor het aanleggen van een tweejarige wervingsreserve van contractuele en statutaire attachés bij het Algemeen Secretariaat van het Vlaams Parlement, “met aanvullend selectiegedeelte voor attaché-jurist”. IX-3782-2/11 De selectieprocedure wordt in opdracht van Jobpunt Vlaanderen georganiseerd door TMP De Witte & Morel (hierna: het selectiebureau). 3.
  8. Het bericht tot aankondiging van de selectieproef wordt onder meer bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 oktober
  9. In verband met de preselectie van de kandidaten wordt in dat bericht het volgende medegedeeld: “Indien er meer dan 100 kandidaten zijn, wordt er een preselectie georgani- seerd. Deze preselectie toetst aan de hand van een reeks meerkeuzevragen de capacitaire vaardigheden (redeneerproeven) en de algemene ontwikkeling. Om te slagen moeten de kandidaten ten minste 18 punten op 30 behalen. De eerste 100 geslaagde kandidaten kunnen deelnemen aan de verdere selectie.” 3.
  10. Op 21 november 2002 neemt de verzoeker deel aan de preselectie- proef. 3.
  11. Op 26 november 2002 schrijft de verzoeker aan de personeels- dienst en de directieraad van het Vlaams Parlement dat de preselectieproef niet dezelfde kansen bood aan elke deelnemer, omdat “
  12. de selectieproef van 21 november plaatsvond in meerdere sessies op verschillende tijdstippen;
  13. bij de verschillende sessies dezelfde vragen gesteld werden;
  14. deelnemers van de verschillende sessies vragen en antwoorden uitgewis- seld hebben.” Hij vraagt om “de betreffende preselectie opnieuw en zoals het hoort te organiseren”. 3.
  15. Op 27 november 2002 richten een aantal kandidaten, onder wie de verzoeker, zich als volgt tot de griffier van het Vlaams Parlement: “De preselectie van 21 november 2002 voor de selectieproef voor het aanleggen van een tweejarige wervingsreserve van contractueel en statutair attaché en attaché-jurist (m/v) met uiterste inschrijvingsdatum 28 oktober 2002, bood niet dezelfde kansen aan elke deelnemer. Bovendien is er onduidelijkheid over de gehanteerde verbetermethode, c.q. de behandeling van foutieve en/of gegokte antwoorden. Het selectiebureau dat de praktische organisatie van deze proef op zich nam, maakte professionele fouten. Hierdoor zijn een aantal deelnemers sterk bevoordeeld en werd dus het gelijkheidsprincipe geschonden. IX-3782-3/11 Kunt u ons laten weten welke stappen het Vlaams Parlement zal zetten om deze situatie recht te zetten?” 3.
  16. Met een brief van 3 december 2002 deelt het selectiebureau aan de verzoeker mede dat hij voor de preselectieproef 58,95 punten op 100 behaalde en niet geslaagd is. 3.
  17. Op 5 december 2002 ontvangt de verzoeker vanwege de griffier van het Vlaams Parlement het volgend antwoord op zijn bezwaren: “Naar aanleiding van uw opmerkingen inzake het examen van attaché had ik een onderhoud met Mevrouw Deziron van Jobpunt Vlaanderen. Volgende zaken werden duidelijk gesteld:
  18. M.b.t. de gelijkheid van behandeling door het stellen van gelijke vragen aan de drie groepen: indien de bewering zou kloppen dat men door vragen door te geven kandidaten uit de laatste groep zou bevoordeligen, dan zou men dit statistisch moeten zien (m.a.w. dan zou de derde en laatste groep statistisch significanter moeten scoren in vergelijking met de eerste twee). Nu blijkt dat de eerste groep beter scoort dan de twee volgende (slaagpercentage ongeveer 15% op 950 deelnemers). Dit argument vervalt dus.
  19. Over de niet-mededeling van de manier waarop men corrigeert: op de kopie van het eerste blad van de multiple choice-oefening staat duidelijk dat gokken niet wordt aangeraden. Of dit met -1 of -2 wordt gesanctioneerd, is m.i. niet-relevant. Ook deze bewering vervalt dus.
  20. Er was een klacht van een derde die niet zou zijn uitgenodigd op het eerste examen. TMP De Witte & Morel voorzag mij in een kopie van de bewuste uitnodigingsbrief.” 3.
  21. In een nota van 12 december 2002 aan de directieraad herhaalt de verzoeker dat bij de preselectie onregelmatigheden werden begaan “waardoor fraude mogelijk was”. Hij maakt bezwaar tegen het feit dat verschillende deelnemers van de derde sessie op de hoogte waren van de vragen, dat de vragen onzorgvuldig en met taal- en spelfouten waren opgesteld, dat een foute mededeling over de tijdsduur verwarring bracht, en dat de informatie over de verbetermethode onduidelijk en onvolledig was. 3.
  22. Op 16 december 2002 beslist de directieraad om de bezwaren van de verzoeker voor onderzoek voor te leggen aan Jobpunt Vlaanderen. 3.
  23. Met een brief van 19 december 2002 aan de griffier beantwoordt Jobpunt Vlaanderen die bezwaren als volgt: IX-3782-4/11 “- De kans dat er informatie is doorgegeven van de ene groep kandidaten naar de andere lijkt me om een aantal redenen uiterst miniem: • Alle vragenlijsten werden onmiddellijk na afloop van het examen en voor het verlaten van het lokaal terug ingeleverd. Dit werd grondig geverifieerd; het is dus onmogelijk dat een lijst met vragen werd doorgegeven. • Het gaat over 100 vragen met telkens 4 antwoordmogelijkheden. Het is onmogelijk om deze vragen van buiten te leren wetende dat de proef onder tijdsdruk werd afgenomen. • Het is eveneens onmogelijk dat bepaalde personen vragen zouden hebben overgeschreven. Op elke tafel mocht enkel het toegestane materiaal liggen, bovendien waren er voldoende toezichters in de zaal die zich constant tussen de groep hebben bewogen. • De test algemene ontwikkeling werd afgenomen vóór de redeneerproef. Voor deze laatste werd ook een stress-situatie geschapen door de proeven onder tijdsdruk af te nemen. Op deze manier wordt de kans op het onthouden van vragen zeer aanzienlijk verkleind. • Gezien de complexiteit van de redeneerproef is het onmogelijk dat over deze proef vragen en/of antwoorden zouden zijn doorgegeven. Bijkomend kan ik u trouwens meedelen dat er geen significant verschil is tussen het aantal geslaagden voor de verschillende sessies. Indien we voor elke sessie een andere vragenlijst zouden hebben gebruikt zou men terecht de kritiek kunnen hebben dat de vragen in de verschillende sessies niet van dezelfde moeilijkheidsgraad waren. In dit geval zou er wel een probleem geweest zijn van gelijke behandeling. Om dit te vermijden hebben we ervoor gekozen om met één vragenlijst te werken voor de verschillende sessies. - Het is correct dat er een tikfout in de vragenlijst is geslopen. Dit had niet mogen gebeuren. Er is echter niet gezondigd tegen het gelijkheidsbeginsel, iedereen heeft immers dezelfde vragenlijst ontvangen. - Het feit dat de mededeling i.v.m. de totale tijdsduur als gevolg had dat kandidaten hun krachten hebben gedoseerd met het oog op een derde test kan moeilijk staande blijven wetende dat bij aanvang van elke sessie heel duidelijk is medegedeeld dat de preselectie uit 2 delen bestond, nl. een Test Algemene Ontwikkeling en een redeneerproef. We opteren ervoor om de kandidaten een ruim tijdsbudget te laten reserveren, eerder dan dat men nadien in tijdsnood zou geraken. - De informatie over het gokken was zeer duidelijk: de instructie bestond er namelijk uit dat er een gokcorrectie zou worden toegepast met als gevolg dat foutieve antwoorden zouden worden gesanctioneerd. De wetenschappelijke informatie hierover is niet relevant, indien deze zou gegeven zijn, zou dit eerder tot verwarring aanleiding gegeven hebben. Iedereen heeft ook hierover dezelfde informatie gekregen, zodat er zich op dat vlak ook geen problemen hebben kunnen voordoen. Tot slot wil ik nog meedelen dat alle interne kandidaten van het Vlaams Parlement gelijktijdig werden uitgenodigd. Het is dus onmogelijk dat interne kandidaten informatie zouden hebben doorgegeven aan andere interne kandidaten. Voor toekomstige procedures zullen we erop toezien dat situaties die aanleiding kunnen zijn tot verwarring zoveel als enigszins mogelijk zullen IX-3782-5/11 ondervangen worden door de nodige aanpassingen in de werkwijze door te voeren. Ik hoop dat deze informatie voldoende verduidelijking geeft, zodat u de klacht van dhr Cocquyt op een correcte wijze kan inschatten.” 3.
  24. Met een brief van 6 januari 2003 vraagt de verzoeker aan het selectiebureau om hem een kopie van zijn examenkopij te bezorgen. Op 16 januari 2003 wordt hem de gevraagde kopie toegezonden. 3.
  25. Luc Van der Borght, tussenkomende partij, slaagt voor de preselectie en de eigenlijke selectie. Hij wordt als eerste gerangschikt en door de directieraad van het Vlaams Parlement met ingang van 1 september 2003 tot attaché op proef benoemd. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
  26. De verzoeker omschrijft in zijn verzoekschrift het voorwerp van zijn beroep als volgt: “A. Verzoekers vragen de vernietiging van de beslissing waarbij de resultaten van de preselectieproef die op 21 november 2002 werd georganiseerd werd vastgesteld, ten aanzien van verzoeker alsook ten aanzien van de andere kandidaten. B. De preselectieproef maakt deel uit van een complexe verrichting waarbij elke deelproef mede-bepalend is voor het eindresulaat. Ongetwijfeld werden er ondertussen nieuwe beslissingen genomen in het kader van die complexe verrichting. [...] Vermits verzoeker nog geen kennis heeft van de genomen en nog te nemen beslissingen en uiteraard evenmin kan inschatten hoe de verwerende partij zal reageren op het huidige verzoekschrift, zal verzoeker -in functie van de evolutie van de zaak- beslissen of hij al dan niet de Raad van State zal verzoeken om het voorwerp van de vordering uit te breiden.”
  27. In zijn memorie van wederantwoord preciseert de verzoeker het “voorwerp A” van zijn beroep als volgt: “[...] de beslissing waarbij: 1/ de resultaten werden vastgesteld van de 100 kandidaten vermeld in punt 5 van het verslag van TMP De Witte & Morel inzake de preselectieproef van 21 november 2002 en die kandidaten geslaagd verklaard en batig gerang- schikt werden voor de preselectieproef van 21 november 2002; IX-3782-6/11 2/ de resultaten werden vastgesteld van de 6 kandidaten vermeld in punt 6 van het verslag van TMP De Witte & Morel inzake de preselectieproef van 21 november 2002 en die kandidaten als geslaagd verklaard, maar niet batig gerangschikt werden voor de preselectieproef van 21 november 2002; 3/ de resultaten werden vastgesteld van Tom Cocquyt zoals vermeld in punt 7 van het verslag van TMP De Witte & Morel inzake de preselectieproef van 21 november 2002 en die kandidaat als niet-geslaagd verklaard en als 124e gerangschikt werd voor de preselectieproef van 21 november 2002.” Met betrekking tot het “voorwerp B” van zijn beroep stelt de verzoeker dat hij “nog geen zicht [heeft] op de resultaten van de kandidaten voor de eigenlijke proeven die op de preselectieproef zijn gevolgd”. Hij vraagt dat “de Raad van State de verwerende partij zou verplichten -desgevallend met verbeurte van een dwangsom- de verslagen neer te leggen waaruit die resultaten blijken, zodat de verzoeker -in functie daarvan- aan het voorwerp B van zijn annulatieberoep alsnog een inhoudelijke ‘invulling’ kan geven”. V. Ontvankelijkheid van het beroep
  28. De tussenkomende partij werpt in haar memorie onder meer een exceptie van ontvankelijkheid van het beroep op die gesteund is op het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang in hoofde van de verzoeker. Zij betoogt dat de verzoeker met zijn beroep de beslissing bestrijdt betreffende de resultaten van de preselectie, voorafgaand aan de selectie voor het samenstellen van een wervingsreserve voor attaché en attaché-jurist bij het Vlaams Parlement. Zij wijst erop dat de verzoeker deze beslissing zelf beschouwt als een voorbeslissing in het kader van een complexe administratieve verrichting. Zij beaamt dat de bestreden beslissing onlosmakelijk is verbonden met “een aantal gevolgbeslissingen, met name de beslissing tot het vaststellen van de definitieve examenresultaten en de beslissing om, op grond van die resultaten, de meest batig gerangschikte kandidaat te benoemen”. Volgens de tussenkomende partij werd de eerstgenoemde beslissing haar medegedeeld bij brief van 3 maart 2003 en de laatstgenoemde beslissing bij brief van 27 mei
  29. De tussenkomende partij laat gelden dat de verzoeker om zijn belang bij zijn beroep te behouden, de beslissing tot het vaststellen van de definitieve selectieresultaten en de daarop gesteunde benoemingsbeslissing had moeten aanvechten, wat hij evenwel niet heeft gedaan. De verzoeker behoudt zich weliswaar het recht voor om het voorwerp van zijn beroep tot die beslissingen uit IX-3782-7/11 te breiden, maar hij heeft geen enkel initiatief genomen om zich over die beslissing- en te informeren. In die omstandigheden -zo stelt de tussenkomende partij- ontstaat een vermoeden dat de verzoeker al meer dan zestig dagen geleden kennis heeft genomen van die beslissingen, zodat de termijn om op een ontvankelijke wijze een beroep ertegen in te stellen is verstreken. De tussenkomende partij besluit dat de verzoeker door enkel een voorbeslissing aan te vechten, maar niet de beslissing houdende de vaststelling van de definitieve examenresultaten, noch haar voorlopige benoeming, zijn belang bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing heeft verloren. Beoordeling
  30. De verzoeker vordert de nietigverklaring van de beslissing waarbij de resultaten werden vastgesteld van de geslaagde kandidaten van de preselectie, die is voorafgegaan aan de eigenlijke selectie met het oog op het aanleggen van een tweejarige wervingsreserve van contractuele en statutaire attachés en attachés- juristen, en waarbij hijzelf niet geslaagd wordt verklaard voor de preselectie en als 124ste wordt gerangschikt. De bestreden beslissing betreft een voorbereidende beslissing die deel uitmaakt van een complexe administratieve verrichting die resulteert in het aanleggen van een wervingsreserve van attachés waarin de geslaagde kandidaten worden gerangschikt “volgens het totale aantal punten” en die twee jaar geldig blijft. Voor de verzoeker is de bestreden beslissing een grievende voorbeslissing, alleszins in zoverre hij erdoor niet geslaagd wordt verklaard voor de preselectie. Aldus wordt hij immers uitgesloten van deelname aan de eigenlijke selectie van attachés.
  31. De verzoeker kan echter slechts belang hebben bij de nietigverkla- ring van de bestreden voorbeslissing, indien hij tevens de nietigverklaring verkrijgt van de eindbeslissing van de complexe administratieve verrichting, dit is te dezen de beslissing waarbij de wervingsreserve van attachés wordt vastgesteld. Alleen de nietigverklaring van deze eindbeslissing kan ertoe leiden dat de verzoeker na een eventuele nietigverklaring van de resultaten van de preselectie alsnog kans zou maken om, mits het succesvol afleggen van de eigenlijke selectieproeven, in de desbetreffende wervingsreserve te worden opgenomen. IX-3782-8/11 Er moet worden vastgesteld dat de verzoeker de beslissing tot vaststelling van de wervingsreserve van attachés niet heeft bestreden. Hij stelt weliswaar dat hij geen kennis heeft van “de genomen en nog te nemen beslissingen” en van “de resultaten van de kandidaten voor de eigenlijke proeven die op de preselectieproef zijn gevolgd” en hij vraagt dat “de Raad van State de verwerende partij zou verplichten -desgevallend met verbeurte van een dwangsom- de verslagen neer te leggen waaruit die resultaten blijken” opdat hij het voorwerp van zijn beroep zou kunnen uitbreiden. Evenwel moet worden opgemerkt dat het voorwerp van het beroep niet zonder meer kan worden uitgebreid tot de nagekomen beslissingen die niet het logische en noodzakelijke gevolg zijn van de bestreden beslissing. De beslissing betreffende de vaststelling van de wervingsreserve van attachés is niét het logische en noodzakelijke gevolg van de bestreden beslissing betreffende de vaststelling van het resultaat van de preselectie. De rechtszekerheid vereist dan ook dat een dergelijke beslissing wordt aangevochten binnen de termijn die is voorgeschreven voor het indienen van een beroep tot nietigverklaring. Vermits niet blijkt dat de beslissing betreffende de vaststelling van de wervingsreserve van attachés diende te worden bekendgemaakt of aan de verzoeker diende te worden betekend, ving voor de verzoeker de termijn om daartegen een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State in te dienen aan met de feitelijke kennisneming van die beslissing, zoals is voorgeschreven door artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie (thans: de afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State. Te dezen blijkt uit verzoekers verzoekschrift en memorie van wederantwoord dat de verzoeker geen kennis heeft genomen van de desbetreffende beslissing. De verzoeker vraagt dat de Raad van State de verwerende partij zou verplichten de nagekomen beslissingen voor te leggen. Met de tussenkomende partij moet echter worden vastgesteld dat niet blijkt dat de verzoeker zelf enig initiatief heeft genomen om kennis te nemen van die beslissing. Niettegenstaande hij wist dat de eigenlijke selectieprocedure zou resulteren in de vaststelling van een wervings- reserve, heeft de verzoeker niet de waakzaamheid aan de dag gelegd om zich binnen een redelijke termijn daarover bij de verwerende partij te informeren. In de gegeven omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de verzoeker alsnog een tijdig beroep tegen de desbetreffende eindbeslissing zou kunnen instellen. IX-3782-9/11
  32. De nietigverklaring van de bestreden beslissing kan dienvolgens niet meer ertoe leiden dat de verzoeker nog in de wervingsreserve wordt opgeno- men. Dit geldt des te meer nu de desbetreffende wervingsreserve slechts twee jaar geldig was. Te dezen kan worden opgemerkt dat in het Belgisch Staatsblad van 8 november 2004 de organisatie van een nieuwe selectieproef voor het aanleggen van een tweejarige wervingsreserve van contractuele en statutaire attachés en attachés- juristen bij het Algemeen Secretariaat van het Vlaams Parlement werd bekendge- maakt, zodat mag worden aangenomen dat de wervingsreserve die het resultaat was van de selectieprocedure van 2002 inmiddels is verstreken. Deze wervingsreserve kan bijgevolg hoe dan ook niet meer leiden tot een benoeming van de verzoeker tot attaché.
  33. Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat de verzoeker geen actueel belang meer heeft bij zijn beroep en dat dit beroep dienvolgens niet ontvankelijk is. De exceptie is gegrond. BESLISSING
  34. De Raad van State verwerpt het beroep.
  35. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. IX-3782-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 18 januari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-3782-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.586 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.