id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.623 Rolnummer: A. 82857/X-8739 Zaak: Arrest 199623 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-25 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-07-02 08:18 Fiche Arrest nr 199.623 van 18 januari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 199.623 van 18 januari 2010 in de zaak A. 82.857/X-
- In zake:
- Joachim VAN EYCK
- Marie DE BROUWER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Jan Jacobsplein 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
- de gemeente HULDENBERG
- het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Declercq kantoor houdend te 3000 LEUVEN J.P. Minckelersstraat 33 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 10 maart 1999, strekt tot de nietigverklaring van: a. het besluit van 23 december 1998 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg waarbij aan de n.v. AQUAFIN de bouwvergunning wordt verleend voor het aanleggen van een verbindingsriolering op een terrein gelegen te Huldenberg, aan de Hoekstraat, Dijleweg en Veeweide, kadastraal bekend sectie A1, A2, C enig blad; b. het daaraan voorafgaand gunstig advies van 16 december 1998 van de gemachtigde ambtenaar; c. het daaraan voorafgaand gunstig advies van 5 juni 1998 van de dienst Monumenten en Landschappen van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen, afdeling ROHM Vlaams- Brabant. X-8739-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 79.534 van 29 maart 1999 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noordzakelijkheid van de bestreden beslissingen verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Pierre Barra heeft een verslag opgesteld. De tweede verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 oktober
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Philippe Winderickx, die loco advocaat Pieter Jongbloet verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Giovanni Havet, die loco advocaat Philippe Declercq verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-8739-2/15 III. Feiten 3.
- De verzoekende partijen zijn eigenaar van panden, gelegen aan de Leuvensebaan nrs. 376-378 te Huldenberg (Sint-Agatha-Rode). 3.
- Op 12 november 1997 (datum van het ontvangstbewijs) dient de n.v. AQUAFIN hij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg een nieuwe bouwaanvraag in voor het aanleggen van een verbindingsriolering te Huldenberg (Sint-Agatha-Rode) langsheen gronden gelegen aan de Hoekstraat, Dijleweg en Veeweide. 3.
- Het tracé van de ontworpen verbindingsriolering loopt over gronden die volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven bestemd zijn tot woongebied met landelijk karakter, agrarisch gebied, gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, natuurgebied, landschappelijk waardevol agrarisch gebied en waterwinningsgebied. Het tracé loopt tevens door de bij koninklijk besluit van 3 juli 1979 als dorpsgezicht beschermde dorpskern van Huldenberg (Sint-Agatha-Rode), waarbinnen ook de eigendommen van de verzoekende partijen gelegen zijn. Het loopt niet over het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg. 3.
- Een eerdere bouwaanvraag van de n.v. AQUAFIN met betrekking tot de verbindingsriolering werd geweigerd bij besluit van 19 december 1996 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg op grond van het ongunstig advies van 18 december 1996 van de gemachtigde ambtenaar. Tegen deze weigeringsbeslissing werd door de n.v. AQUAFIN beroep ingesteld. Bij besluit van 5 augustus 1997 heeft de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant dit beroep verworpen op basis van onder meer de volgende motivering: “Gelet op het besluit van het college van burgemeester en schepenen van HULDENBERG, d.d. 19 december 1996, genotificeerd aan de aanvrager op 13 januari 1997, en dat steunt op het advies van de gemachtigde ambtenaar van de Administratie voor Ruimtelijke Ordening, Buitendienst Vlaams-Brabant, d.d. 18 december 1996 (...), als volgt uitgebracht: ‘ONGUNSTIG De voorgestelde werken betreffen de aanleg van de verbindingsriolering Hoekstraat-Dijleweg-Veeweidestraat. Het voorgestelde tracé dwarst hierbij X-8739-3/15 zowel een woongebied, een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, een agrarisch gebied en een natuurgebied. In bijkomende orde wordt een vogelbeschermingsgebied op Europees niveau op een beschermde dorpskom en een belangrijke archeologische site doorsneden en wordt een geklasseerd monument geraakt. Uit het M.E.R.-dossier en de ingewonnen deeladviezen blijkt dat zowel aan het natuurgebied als aan de beschermde dorpskom en de archeologische site en het geklasseerde monument bij ongewijzigd tracé, onherstelbare schade zal worden toegebracht. Het ontwerp is dan ook in strijd zowel met de bepalingen van artikel 13 van het K.B. dd 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen als met de wettelijke bepalingen betreffende de monumenten en landschappen en het archeologisch erfgoed. Aldus besluit ik tot weigering van de bouwvergunning. (...) Overwegende dat volgens de bepalingen van dat artikel 13.4.3.2 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de natuurgebieden met wetenschappelijke waarde of natuurreservaten gebieden zijn die in hun staat moeten bewaard worden wegens hun wetenschappelijke of pedagogische waarde en waarin alleen handelingen en werken zijn toegestaan, welke nodig zijn voor de actieve of passieve bescherming van het gebied; dat het ingediend ontwerp in strijd is met deze bepalingen; (...) Overwegende dat de bezwaren van de betrokken omwonenden en van de gemachtigde ambtenaar derhalve terecht zijn en dienen te worden bijgetreden; Overwegende dat in deze omstandigheden de herziening van het tracé aangewezen is”. 3.
- Ten opzichte van deze eerdere bouwaanvraag wordt de uitvoeringsmethode in de nieuwe aanvraag (sub 3.2) gewijzigd; ter hoogte van de eigendom van de verzoekende partijen wordt thans een onderdoor persing voorzien in plaats van een afzinking met damplanken. 3.
- Om deze verbindingsriolering te kunnen realiseren dient te worden overgegaan tot de onteigening van een deel van de percelen waarvan de verzoekende partijen eigenaar zijn. Deze onteigening wordt toelaatbaar verklaard bij vonnis van 21 januari 1999 van de Vrederechter van het tweede kanton Leuven. 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek van 21 november 1997 tot en met 5 december 1997 worden 21 bezwaarschriften ingediend. Ook de verzoekende partijen dienen een bezwaarschrift in. 3.
- In zitting van 11 december 1997 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg volgend gunstig advies betreffende de aanvraag: X-8739-4/15 “Het College geeft gunstig advies op hogervermelde bouwaanvraag gezien dit de enige mogelijkheid is om het afvalwater van de deelgemeenten Sint- Agatha-Rode en Ottenburg te transporteren naar het rioolwaterzuiveringsstation te Neerijse. Aquafin moet wel de nodige voorzorgsmaatregelen nemen, zodat er géén schade ontstaat aan eigendommen van derden en de onroerende goederen langs het traject in de bestaande toestand behouden”. 3.
- Het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium, de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, de afdeling Natuur, de afdeling Water en de afdeling Land verlenen elk een voorwaardelijk gunstig advies. 3.
- Op 5 juni 1998 verklaart de dienst Monumenten en Landschappen van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen zich “principieel akkoord” met de realisatie van het project doorheen de dorpskom, mits “(a)ls aanvullende garantie op de beperking van de schade (...) de berekende differentiële zetting voor de aanpalende woningen (zal) beperkt worden tot 4mm i.p.v. 20mm”. Dit is het derde bestreden besluit. 3.
- De gemachtigde ambtenaar brengt op 16 december 1998 een gunstig advies uit “mits het naleven van de bindende voorwaarden zoals opgelegd door: 1) De Afdelingen Natuur, Land en Water(,) 2) De cel Monumenten en Landschappen Vlaams Brabant(,) 3) De Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening(,) 4) Het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium”. Dit advies steunt onder meer op de volgende motivering: “HISTORIEK Een eerste bouwaanvraag werd geweigerd gelet op de grotere dan normaal te dragen negatieve impact op de (bebouwde) omgeving. Dit ontwerp werd bijgestuurd in overleg met alle mede verantwoordelijke instanties BESCHRIJVING VAN DE BOUWPLAATS, DE OMGEVING EN HET PROJECT de bouwplaats is deels een waardevolle groene open ruimte en deels de kleinschalige en kunsthistorisch-archeologisch waardevolle dorpskern. De omgeving wordt bepaald door een waardevol golvend landschap met kleine dorpskernen Het project voorziet in de aanleg van een afvalwatercollector waarbij zoveel mogelijk wordt gebruik gemaakt van de bestaande wegzate BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING Mits het naleven van alle bij de bouwvergunning gevoegde voorwaarden zal dit ontwerp (plannen gedateerd 20/10/1997) de plaatselijke goede ruimtelijke ordening verbeteren door het saneren van de waterlopen en de verkeersleefbaardere heraanleg van het bovenliggend wegdek ALGEMENE CONCLUSIE X-8739-5/15 Er wordt een voorwaardelijk gunstig advies verstrekt: alle voorwaarden zoals opgelegd door de medeverantwoordelijke instanties dienen nageleefd”. Dit is het tweede bestreden besluit. 3.
- Bij besluit van 23 december 1998 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg de gevraagde vergunning op basis van de volgende motivering: “Het college van burgemeester en schepenen geeft gunstig advies gezien het aanleggen van een verbindingsriolering of collector is de enige manier om de afvalwaters van een deel van Sint-Agatha-Rode en Ottenburg, te vervoeren naar het rioolwaterzuiveringsstation te Neerijse. De aanvrager dient wel rekening te houden met de opgelegde voorwaarden van AROHM, Bestuur Ruimtelijke Ordening Vlaams-Brabant, Aminal afdelingen Natuur, Land en Water, de cel Monumenten en Landschappen Vlaams-Brabant, de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, Het instituut voor het Archeologisch Patrimonium”. Dit is het eerste bestreden besluit. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste en tweede middel Standpunt van de partijen Eerste middel
- De verzoekende partijen roepen in een eerste middel de schending in van de artikelen 13.4.3 en 13.4.3.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit) doordat het bestreden besluit de aanleg vergunt van een collector die onder meer door natuurgebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied loopt, terwijl dergelijke constructie niet kan vergund worden in natuurgebied, vermits de groengebieden overeenkomstig de artikelen 13.4.3 en 13.4.3.1 van het inrichtingsbesluit bestemd zijn voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu, en in deze zones enkel jagers- en vissershutten mogen worden gebouwd, voor zover deze niet kunnen worden gebruikt als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk. De verzoekende partijen laten gelden dat de gemachtigde ambtenaar naar aanleiding van een eerdere bouwaanvraag voor een volkomen identiek tracé reeds stelde dat dit tracé in strijd X-8739-6/15 was met artikel 13 van het inrichtingsbesluit en dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant deze eerste bouwaanvraag ook om die reden weigerde bij besluit van 5 augustus
- De eerste verwerende partij merkt op dat de verzoekende partijen de strijdigheid met de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied wel suggereren, maar niet begrijpbaar maken en dat ze evenmin een gebrekkige motivering van de planologische verenigbaarheid inroepen. De eerste verwerende partij beperkt haar verweer dan ook tot de beweerde strijdigheid met het natuurgebied. Vooreerst stelt de eerste verwerende partij het belang van de verzoekende partijen bij het middel in vraag, omdat de eigendom van de verzoekende partijen en het onteigende perceelsgedeelte niet in natuurgebied, maar in woongebied met landelijk karakter is gelegen. Ten gronde betwist de eerste verwerende partij de onverenigbaarheid van het project met de bestemming natuurgebied. Ze betoogt dat, “afgezien van de vraag of een verbindingsriool niet als bestemmingsneutrale lijninfrastructuur moet worden beschouwd”, de gemachtigde ambtenaar terecht gesteld heeft dat het bouwontwerp de bestaande waterlopen zou saneren en dat het bouwontwerp in die zin als een werk tot behoud, bescherming en herstel van het natuurlijk milieu kan worden gekwalificeerd, in overeenstemming met artikel 13.4.3 van het inrichtingsbesluit. Voorts argumenteert de eerste verwerende partij dat indien de verbindingsriolering wel als strijdig met het natuurgebied wordt beschouwd, nog een beroep kan gedaan worden op artikel 20 van het inrichtingsbesluit. Ze preciseert dat het geen betoog hoeft dat een verbindingsriool voor huishoudelijk afvalwater als een gemeenschapsvoorziening kan worden aangemerkt, dat door de ondergrondse aanleg het architectonisch karakter van het betrokken natuurgebied niet in het gedrang komt en dat de verenigbaarheid met de bestemming natuurgebied wordt gewaarborgd door de door de afdeling Natuur opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden, evenals door de sanerende invloed van de riool voor het hydrografisch net. Ze stelt dat de gemachtigde ambtenaar de stedenbouwkundige verenigbaarheid ook in die zin heeft verantwoord en verwijst daarbij naar een passage uit zijn advies waarin het volgende wordt gesteld: “Planologische aspecten: uit het milieu-effectrapport bleek dat het huidig voorgelegde tracé in de meeste baten voor mens en milieu zal resulteren. Het betreft een gemeenschapsvoorziening waarvan de noodzaak tot inplanting op deze plaats en op dit ogenblik ten volle is bewezen in het milieu-effectenrapport” en “Mits het X-8739-7/15 naleven van alle bij de bouwvergunning gevoegde voorwaarden zal dit ontwerp ... de plaatselijke goede ruimtelijke ordening verbeteren door het saneren van de waterlopen en de verkeersleefbare heraanleg van het bovenliggend wegdek”. De eerste verwerende partij betoogt dat hoewel de gemachtigde ambtenaar het ontwerp aldus uitdrukkelijk als gemeenschapsvoorziening heeft bestempeld, de verzoekende partijen niet toelichten waarom artikel 20 van het inrichtingsbesluit niet van toepassing zou zijn, zodat het middel in die mate onvoldoende concreet is.
- Ook de tweede verwerende partij antwoordt dat er geen strijdigheid is met de bestemming natuurgebied zoals voorgehouden door de verzoekende partijen. Ze verwijst daarvoor naar de motivering in het advies van de gemachtigde ambtenaar, meer bepaald naar de passages met betrekking tot de bespreking van de ingediende bezwaren, de beschrijving van de bouwplaats, de omgeving en het project en de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. Voorts stelt zij ook dat, mocht de Raad van State van oordeel zijn dat er wel een strijdigheid zou bestaan, er moet besloten worden dat de bouwaanvraag wel kon worden toegelaten op basis van artikel 20 van het inrichtingsbesluit, “gelet op het evidente karakter van gemeenschapsvoorziening en de aard van het bouwwerk, nl. riolering die zich onmogelijk kan beperken tot een afgezonderd gebied gelet op het karakter van lijninfrastructuur”.
- De verzoekende partijen betogen in hun memorie van wederantwoord dat hun belang bij het middel evident is, nu het tracé van de riool door hun tuin en rakelings langs hun woning loopt en de uitvoering van de werken een hoog risico op schade aan hun woning met zich meebrengt. Door de vernietiging van het bestreden besluit wordt dit tracé onmogelijk, wat hen een voordeel biedt, zodat alleen hieruit al hun belang blijkt. Tevens werpen de verzoekende partijen op dat ze in de onmiddellijke omgeving wonen van de betrokken groengebieden en dat ze belang hebben bij de goede ruimtelijke ordening van hun woonomgeving. Ten gronde laten de verzoekende partijen gelden dat het evident is dat de werken niet bestemmingsongevoelig zijn, waarbij ze verwijzen naar de invloed die de riolering op de betrokken gebieden zal hebben. Zo stellen ze dat de toestand van het natuurgebied door de uitvoering van de werken danig zal worden verstoord en dat ook het onderhoud van de riolering telkens weer een aanslag zal betekenen op de natuurlijke ontwikkeling van het natuurgebied. Voorts werpen de verzoekende partijen op dat indien de vergunning op basis van artikel 20 van het inrichtingsbesluit zou zijn afgeleverd, de X-8739-8/15 motivering van de vergunning minstens zou moeten aantonen dat de uitvoering van de werken noch de algemene bestemming, noch het architectonisch karakter van de gebieden waarin ze worden uitgevoerd, schade toebrengt, hetgeen in casu niet gebeurd is. Ze betogen dat de verwerende partijen de toepasselijkheid van het voormelde artikel 20 enkel afleiden uit een passage van het advies van de gemachtigde ambtenaar waarin wordt gesteld dat het gekozen tracé noodzakelijk is, zonder dat in deze passage verwezen wordt naar de voormelde voorwaarden van artikel 20 van het inrichtingsbesluit. Ze werpen op dat uit de tekst van het eerste bestreden besluit zelfs helemaal niet blijkt dat de vergunning met toepassing van voormeld artikel 20 werd afgeleverd, wat een schending inhoudt van het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voor zover geoordeeld zou worden dat er in casu toch met artikel 20 van het inrichtingsbesluit zou moeten rekening gehouden worden, laten de verzoekende partijen gelden dat het duidelijk is dat dit artikel de kwestieuze werken niet mogelijk kan maken, aangezien niet voldaan is aan de voorwaarden opgelegd in dit artikel. Zo stellen de verzoekende partijen dat zowel de aanleg van de collector, als het onderhoud ervan, een aanslag zullen betekenen op de authentieke waarde van het natuurgebied. Tevens verwijzen ze naar de ministeriële omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen die met betrekking tot artikel 20 van het inrichtingsbesluit stelt dat dit artikel enkel kan toegepast worden wanneer er dringende noodzaak toe bestaat en er niet kan worden gewacht op de procedure van inherzieningstelling van het gewestplan of het opstellen van een gemeentelijk plan. Volgens de verzoekende partijen is van dringende noodzaak in casu geen sprake, aangezien twee jaar eerder reeds een vergunning werd geweigerd voor het betrokken project.
- In haar laatste memorie werpt de tweede verwerende partij nog op dat de stelling van de verzoekende partijen dat niet voldaan zou zijn aan de voorwaarden van artikel 20 van het inrichtingsbesluit, niet in aanmerking kan worden genomen, nu de verzoekende partijen in de loop van de procedure geen nieuwe middelen mogen formuleren. Tweede middel
- In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van het redelijkheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het X-8739-9/15 continuïteitsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen doordat de gemachtigde ambtenaar thans in zijn advies stelt dat mits het naleven van de bij de bouwvergunning gevoegde voorwaarden het ontwerp de plaatselijke goede ruimtelijke ordening zal verbeteren, terwijl hij twee jaar eerder met betrekking tot de eerste bouwaanvraag voor de collector volgens een identiek tracé oordeelde dat dit tracé in strijd was met artikel 13 van het inrichtingsbesluit, met de wettelijke bepalingen betreffende de monumenten en landschappen en het archeologisch erfgoed. De verzoekende partijen laten gelden dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant de gevraagde vergunning destijds op deze gronden heeft geweigerd en daarbij geoordeeld heeft dat in die omstandigheden de wijziging van het tracé aangewezen was. De ongemotiveerde “koerswijziging” van de gemachtigde ambtenaar maakt volgens de verzoekende partijen een schending van de door hen aangehaalde beginselen en bepalingen uit.
- De eerste verwerende partij werpt op dat de huidige aanvraag niet identiek is aan de vorige aanvraag, daar ingevolge de tijdens de eerste procedure uitgebrachte adviezen, de plannen en de uitvoeringswijze van het werk werden gewijzigd. Voorts stelt ze dat de gemachtigde ambtenaar zijn beoordelingswijziging wel formeel heeft gemotiveerd door te verwijzen naar de gunstige voorwaardelijke adviezen, terwijl zijn vorig besluit op negatieve adviezen steunde en dat de stedenbouwkundige verenigbaarheid verantwoord wordt door te wijzen op de aard van gemeenschapsvoorziening. Ze verwijst naar de bespreking van de bezwaren en de uiteenzetting met betrekking tot de historiek van het bouwproject in het advies van de gemachtigde ambtenaar. Ten slotte laat de eerste verwerende partij gelden dat de overheid een voorheen ingenomen stedenbouwkundige opvatting kan verlaten voor zover dat gebeurt na een nieuw onderzoek, zoals in casu.
- De tweede verwerende partij laat in haar memorie van antwoord in wezen hetzelfde gelden als de eerste verwerende partij.
- De verzoekende partijen werpen in hun memorie van wederantwoord op dat de verwerende partijen het middel trachten te weerleggen door te stellen dat het huidige project anders is dan het eerder geweigerde project, maar dat ze geen van beiden betwisten dat het huidig geplande tracé, net zoals in het eerste project, voor een groot deel door een natuurgebied loopt en dat de X-8739-10/15 gemachtigde ambtenaar dit in zijn advies over het eerste project strijdig achtte met de bestemmingsvoorschriften voor het natuurgebied. Beoordeling van het eerste en tweede middel
- Het betoog van de eerste verwerende partij dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het eerste middel omdat hun eigendom niet in het betrokken natuurgebied is gelegen, kan niet worden aangenomen. De verzoekende partijen hebben belang bij het middel dat de aantasting van het betrokken natuurgebied bekritiseert.
- Luidens artikel 13.4.3 van het inrichtingsbesluit zijn groengebieden bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu. Artikel 13.4.3.1 van het inrichtingsbesluit bepaalt dat de natuurgebieden de bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden omvatten en dat in deze gebieden jagers- en vissershutten mogen worden gebouwd voor zover deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk. Aldus laten de bestemmingsvoorschriften niet toe dat een stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor de aanleg van een verbindingsriolering in natuurgebied, zoals reeds door de gemachtigde ambtenaar werd overwogen in zijn advies van 18 december
- De wijzigingen die intussen aan het project werden aangebracht, doen niets af aan deze vaststelling.
- De verwerende partijen maken niet aannemelijk dat toepassing werd gemaakt van artikel 20 van het inrichtingsbesluit. Wanneer de vergunningverlenende overheid beslist gebruik te maken van deze afwijkingsbepaling, om in strijd met de bindende gewestplanbestemming een vergunning te verlenen, kan dit enkel op voorwaarde dat de aangevraagde werken verenigbaar zijn met de “algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied”. Bij het beoordelen van de aanvraag moet nagegaan worden of aan deze voorwaarden is voldaan en de resultaten van dit onderzoek moeten, in het licht van de vereisten van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, bovendien terug te vinden zijn in de tekst van het uiteindelijke besluit over de aanvraag. X-8739-11/15 In casu dient vastgesteld te worden dat het bestreden besluit nergens uitdrukkelijk melding maakt van een eventuele toepassing van het voormelde artikel. De loutere vermelding door de gemachtigde ambtenaar dat het zou gaan om een gemeenschapsvoorziening en dit dan nog enkel bij de bespreking van de bezwaren, volstaat daartoe niet. Evenmin blijkt uit de bestreden beslissing dat de voorwaarde dat de werken verenigbaar dienen te zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied, onderzocht zou zijn geweest of dat aan deze voorwaarde voldaan zou zijn. Dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift nog geen gewag maken van het niet voldaan zijn aan de voorwaarden van artikel 20 van het inrichtingsbesluit, is evident, nu de bestreden beslissing helemaal geen blijk geeft van een onderzoek of toetsing dienaangaande. Daargelaten de vraag of het niet louter een dupliek betreft, kan de tweede verwerende partij niet gevolgd worden waar zij stelt dat in die zin op onontvankelijke wijze een nieuw middel wordt opgeworpen. Het niet toepassen van artikel 20 van het inrichtingsbesluit leidt tot de vaststelling dat de gemachtigde ambtenaar helemaal geen reden opgeeft om zijn eerder ongunstig advies te wijzigen.
- Het eerste en het tweede middel die zowel het eerste als het tweede bestreden besluit betreffen, zijn gegrond. B. Derde middel Standpunt van de partijen
- De verzoekende partijen voeren in een derde middel -gericht tegen het derde bestreden besluit- de schending aan van het redelijkheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het continuïteitsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Ze laten gelden dat de dienst Monumenten en Landschappen bij brief van 5 juni 1998 “lakoniek aan A.R.O.H.M Dienst Ruimtelijke Ordening laat weten dat de dienst zich principieel akkoord kan verklaren met de realisatie van het project doorheen de dorpskom, terwijl, diezelfde dienst bij brieven dd. 25 en 26 januari 1998 en bij nota dd. 10 april 1998 nog duidelijk liet weten dat de realisatie van het project doorheen X-8739-12/15 de dorpskom blijvend negatief geadviseerd werd” en dit “zonder deze koerswijziging uitdrukkelijk te motiveren”.
- De eerste verwerende partij laat gelden dat het gunstig advies van 5 juni 1998 wel degelijk een formele motivering bevat. Voorts werpt ze op dat een extern deskundige werd geraadpleegd, dat er meerdere vergaderingen hebben plaatsgevonden en dat het vorig standpunt slechts werd verlaten nadat de eigen deskundige zijn fiat gaf en mits het opleggen van een bijkomende garantie. Ten slotte stelt ze dat het verslag van de vergadering van 18 mei 1998 tussen de betrokken overheden en de bouwheer enerzijds en het advies van 5 juni 1998 van de dienst Monumenten en Landschappen anderzijds de afdoende motivering van het advies aantonen.
- De tweede verwerende partij merkt in wezen hetzelfde op als de eerste verwerende partij.
- De verzoekende partijen stellen in hun memorie van wederantwoord nog dat de bijkomende voorwaarde inzake de zetting geen deel uitmaakt van de motivering, “doch (...) een louter ‘obiter dictum’ (volgt) dat overigens volledig zinloos is omdat deze bijkomende garantie van de bouwheer werd verschaft zonder dat het procédé werd aangepast of verstrakt teneinde deze beperking te bereiken”. Beoordeling
- Het verslag van de vergadering van 18 mei 1998 van de betrokken overheden en de n.v. AQUAFIN vermeldt onder meer wat volgt: “Monumenten en Landschappen Hun (bindend) negatieve advies betreft 2 probleempunten: a) doortocht doorheen de Motte b) stabiliteit van de gebouwen in het beschermde dorpsgezicht, vnl. de kerk a) Dhr. Robijns gaat akkoord met de voorwaarden opgelegd door het I.A.P. b) Prof. Van Gemert heeft in opdracht van Monumenten en Landschappen onderzoek gedaan naar de stabiliteit van de kerk te Sint-Agatha-Rode. Hij heeft gesteld dat er voor meer dan 50 % kans is op schade aan deze kerk indien Aquafin de werken uitvoert zoals voorgesteld. Dhr. Robijns vraagt om een alternatief tracé aan de overzijde van de Dijle te bekijken. Er wordt overeengekomen dat Monumenten en Landschappen samen met Aquafin het project zal bespreken met prof. Van Gemert. Indien deze bij zijn X-8739-13/15 standpunt blijft, blijft ook het negatieve advies van Monumenten en Landschappen behouden en moet een alternatief tracé bekeken worden. Indien prof. Van Gemert wel overtuigd is van de technisch veilige uitvoerbaarheid van het project nabij het centrum zal Monumenten en Landschappen het advies wijzigen in een positief advies. Dhr. Robijns maakt een afspraak met prof. Van Gemert en brengt dhr. Verelst hiervan op de hoogte. (mogelijke data: 3/6, 5/6(NM) en 10/6)”. Op 5 juni 1998 heeft de dienst Monumenten en Landschappen volgend advies uitgebracht: “In aansluiting op de vergadering van heden 3/6/98 met professor Van Gemert kan onze dienst zich principieel akkoord verklaren met de realisatie van het project doorheen de dorpskom. Als aanvullende garantie op de beperking van de schade zal de berekende differentiële zetting voor de aanpalende woningen beperkt worden tot 4 mm i.p.v. 20 mm”. Uit de voormelde citaten blijkt duidelijk waarom de dienst Monumenten en Landschappen meende een gunstig advies te kunnen geven. Essentieel voor de dienst was de problematiek van de zetting en de gelegenheidsdeskundige gaf het fiat. De motivering in het advies zelf is voldoende duidelijk en begrijpbaar. De verzoekende partijen tonen niet aan dat het gunstig advies kennelijk onredelijk is, noch dat het getuigt van zelfs maar een gewijzigde opvatting.
- Het derde middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt : a. het besluit van 23 december 1998 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg waarbij aan de n.v. AQUAFIN de bouwvergunning wordt verleend voor het aanleggen van een verbindingsriolering op een terrein gelegen te Huldenberg, aan de Hoekstraat, Dijleweg en Veeweide, kadastraal bekend sectie A1, A2, C enig blad; b. het gunstig advies van 16 december 1998 van de gemachtigde ambtenaar. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. X-8739-14/15
- De verwerende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 694,12 euro, ieder voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien januari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-8739-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.623 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.79.534 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div