← België

Arrest 199649 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 19/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.649 Rolnummer: A. 194140/X-14479 Zaak: Arrest 199649 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 19/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-26 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-07-02 08:19 Fiche Arrest nr 199.649 van 19 januari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 199.649 van 19 januari 2010 in de zaak A. 194.140/X-14.

  1. In zake:
  2. Franciscus GORIS
  3. Alice BAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Coveliers kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Edelinckstraat 17 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 GENT Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  4. De vordering, ingesteld op 2 oktober 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 5 juni 2009 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering waarbij aan de dienstverlenende vereniging IGEAN machtiging tot onteigening wordt verleend van onroerende goederen gelegen te Brecht voor de realisatie van het ruimtelijk uitvoeringsplan “Leeuwerik” te Brecht voor wat betreft “de innemingen 18, 19, 20, 21 en 22 en voor wat betreft de innemingen 7 en 10 met toepassing van de spoedprocedure”. II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Erik Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. X-14.479-1/5 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 januari
  6. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hugo Coveliers, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Elsbeth De Vylder, die loco advocaat Tom De Sutter verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Erik Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III Feiten
  8. Op 5 juni 2009 neemt de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering het bestreden besluit waarbij aan de dienstverlenende vereniging IGEAN machtiging tot onteigening wordt verleend van onroerende goederen gelegen te Brecht voor de realisatie van het ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: RUP) “Leeuwerik” te Brecht voor wat betreft de innemingen 18, 19, 20, 21 en 22 en voor wat betreft de innemingen 7 en 10 na deze tot nut van het algemeen te hebben erkend en de inbezitneming ervan volstrekt noodzakelijk te hebben geacht.
  9. Volgens het bij het bestreden besluit gevoegde onteigeningsplan zijn de verzoekende partijen eigenaars van de innemingen 7, 19, 21 en
  10. De verzoekende partijen leggen ter zitting een afschrift van het vonnis van 25 november 2009 van de vrederechter van het kanton Brasschaat neer waarin op vordering van IGEAN de onteigening wordt uitgesproken van de inneming 7 en een provisionele vergoeding wordt bepaald na de overweging “dat in casu de aangevoerde dringende noodzakelijkheid overeenstemt met de werkelijkheid en dat deze nog altijd op heden bestaat”. X-14.479-2/5 IV. Ontvankelijkheid van de vordering
  11. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de gerechtelijke onteigeningsprocedure voor de inneming 7 werd aangevat, en de onteigening bij vonnis van 25 november 2009 door de vrederechter van het kanton Brasschaat werd uitgesproken. De Raad van State is derhalve niet langer bevoegd om zich uit te spreken over de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit in zoverre de vordering gericht is tegen de onteigeningsmachtiging voor wat betreft de inneming
  12. In zover de vordering gericht is tegen de onteigeningsmachtiging voor de overige innemingen bestaat er vooralsnog geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze excepties dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen te dezen, zoals hierna vermeld zal blijken, niet het geval is. V. Onderzoek van de vordering - moeilijk te herstellen ernstig nadeel
  13. Overeenkomstig artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  14. De verzoekende partijen voeren het volgende aan in het verzoekschrift: “Door het ondernomen besluit worden verzoekers onteigend volgens de spoedprocedure dewelke nadelig is voor de onteigende. Indien de schorsing niet wordt toegekend zal de spoedprocedure definitief haar beslag vinden zodat een eventuele latere vernietigingsbeslissing zonder uitwerking zal blijven. De schorsing van het besluit is dan ook nodig om een reëel moeilijk te herstellen ernstig nadeel te voorkomen”.
  15. Luidens artikel 17, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de X-14.479-3/5 feiten te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, eerste lid, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Uit deze bepaling volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met nadien bijgebrachte feiten en verklaringen en niet bij het verzoekschrift gevoegde stukken geen rekening kan worden gehouden. De verzoekende partij mag zich in haar uiteenzetting niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dient integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of dreigt te ondergaan.
  16. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dient zijn rechtstreekse oorzaak te vinden in de aangevochten akte. Het thans aangevochten besluit heeft enkel de verklaring van openbaar nut van de verwerving van de betrokken gronden en de machtiging tot de onteigening met, enkel voor inneming 10, de mogelijke toepassing van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte tot voorwerp. De door de verzoekende partijen aangevoerde nadelen, die overigens vaag en algemeen geformuleerd zijn en enkel nog betrekking kunnen hebben op de onteigening van de inneming 10 vermits voor de overige innemingen niet de voormelde wet van 26 juli 1962 mag worden toegepast, vinden derhalve hun rechtstreekse oorzaak, niet in het aangevochten besluit, maar in de onteigening van de betrokken inneming. De verzoekende partijen zullen evenwel pas uit hun eigendom (inneming 10) worden ontzet wanneer de vrederechter de onteigening zal hebben toegestaan. De vrederechter kan die onteigening pas uitspreken en de provisionele vergoeding slechts bepalen nadat hij het aangevochten besluit zowel op zijn interne als op zijn externe wettigheid heeft getoetst. De verzoekende partijen zullen de wettigheidsbezwaren die zij thans aanvoeren, nog kunnen doen gelden voor de vrederechter. Deze zal er uitspraak moeten over doen en, indien zij gegrond worden bevonden, zal het risico van het X-14.479-4/5 verlies van hun eigendom alsnog afgewend kunnen worden. Zonder te moeten nagaan of de dreiging van het verlies van de betrokken eigendom (inneming 10) een ernstig nadeel betekent voor de verzoekende partijen, dient alleszins te worden vastgesteld dat deze geen moeilijk te herstellen ernstig karakter heeft in de zin van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
  17. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat niet is voldaan aan één van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien januari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Pierre Lefranc X-14.479-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.649 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.287 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.