← België

Arrest 199650 - Plannen van aanleg - 19/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.650 Rolnummer: Zaak: Arrest 199650 - Plannen van aanleg - 19/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-27 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 08:19 Fiche Arrest nr 199.650 van 19 januari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Vernietiging Verwerping Samenvoeging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 199.650 van 19 januari 2010 in de zaken A. 165.623/X-12.

  1. (I) A. 168.336/X-12.
  2. (II) I. In zake: Philip VERTESSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verstraeten kantoor houdend te 2221 HEIST-OP-DEN-BERG Dorpsstraat 72/A bij wie woonplaats wordt gekozen en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gerald Kindermans kantoor houdend te 3870 HEERS Steenweg 161 tegen:
  3. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Willem Slosse kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Brusselstraat 59 bij wie woonplaats wordt gekozen
  4. de gemeente LAAKDAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Surmont kantoor houdend te 2300 TURNHOUT de Merodelei 112 bij wie woonplaats wordt gekozen II. In zake: Philip VERTESSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gerald Kindermans kantoor houdend te 3870 HEERS Steenweg 161 bij wie woonplaats wordt gekozen en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verstraeten kantoor houdend te 2221 HEIST-OP-DEN-BERG Dorpsstraat 72/A tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Claes X-12.453-1/11 kantoor houdend te 2550 KONTICH Mechelsesteenweg 160 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de gemeente LAAKDAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Surmont kantoor houdend te 2300 TURNHOUT de Merodelei 112 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het beroep, ingesteld op 29 augustus 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 16 juni 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “Containerpark” van de gemeente Laakdal, waarbij wordt gesteld dat het algemeen nut de onteigening vordert van de onroerende goederen en de percelen aangegeven op het onteigeningsplan, waarbij aan de gemeente Laakdal de machtiging tot onteigening wordt verleend, en waarbij wordt gesteld dat de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemenen nutte, bepaald bij de wet van 26 juli 1962, op deze onteigening kan worden toegepast, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 juni 2005 (I). Het beroep, ingesteld op 2 december 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 30 september 2005 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende verlening van de stedenbouwkundige vergunning aan de gemeente Laakdal voor de regularisatie van een weeghuis, een douche, een toegang en een poort, op een perceel gelegen Eindhoutseweg te Laakdal, kadastraal bekend sectie A, nr. 202/a (II). II. Verloop van de rechtspleging
  6. Bij arrest nr. 156.554 van 20 maart 2006 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen in de zaak sub I. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. X-12.453-2/11 De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend in de zaak sub I. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend in de zaak sub II. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend in de zaak sub II. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 10 maart
  7. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld in beide zaken. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend in de zaak sub I. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend in de zaak sub II. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 december
  8. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht in beide zaken. Advocaat Stephanie Vanthienen, die loco advocaten Gerald Kindermans en Johan Verstraeten verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Anneleen Claes, die loco advocaten Willem Slosse en Johan Claes verschijnt voor het Vlaamse Gewest, en advocaat Bieke Claes, die loco advocaat Jan Surmont verschijnt voor de gemeente Laakdal, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven in beide zaken. X-12.453-3/11 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten 3.
  10. De feiten werden uiteengezet in ’s Raads arrest nr. 156.554 van 20 maart
  11. IV. De rechtspleging 4.
  12. De verzoeker vraagt de samenvoeging van zaak I en II. 4.
  13. Beide zaken worden wegens samenhang gevoegd. V. Ontvankelijkheid van het beroep Zaak I 5.
  14. De verzoeker betoogt in het verzoekschrift dat zijn eigendom/woonplaats “paalt aan het containerpark” dat hinder veroorzaakt. Verder stelt hij dat “het aan het BPA gekoppelde onteigeningsplan voorziet in de onteigening van een deel van zijn eigendom”. 5.
  15. De eerste verwerende partij betwist het “persoonlijk en direct belang” van de verzoeker. Zij stelt dat het door de verzoeker bewoonde perceel 200G3 “geenszins aan(sluit) bij het perceel waarop het containerpark gevestigd is” maar gescheiden is “door de percelen 203a en 201 (weiland)” die “als het ware een bufferende werking” hebben en dat, het feit dat de percelen 203a en 201 eveneens eigendom zijn van de verzoeker “evenmin het persoonlijk en direct nadeel” van de verzoeker kan “hard maken”. 5.
  16. De tweede verwerende partij betwist eveneens het “persoonlijk, rechtstreeks en actueel belang” van de verzoeker. Zij betoogt dat zelfs bij vernietiging van het bestreden besluit “een quasi volledig vergund containerpark (blijft) bestaan”, de beweerde hinder uit de exploitatie van het containerpark geen uitstaans heeft met het bestreden besluit, de uitbreiding van het containerpark “eerder een verbetering dan een verslechtering” voor de verzoeker is, en het X-12.453-4/11 bestreden BPA aan de verzoeker “veel meer rechtszekerheid” biedt. Voorts stelt zij dat de onteigeningsmachtiging een voorbereidende handeling is die niet vatbaar is voor vernietiging, de vernietiging ervan “een quasi volledig vergund containerpark met groenscherm en gracht (laat) bestaan”, de onteigening de verbreding van het groenscherm en de gracht beoogt en dus tot voordeel strekt van de verzoeker, de onteigeningsmachtiging slaat op een zeer beperkte oppervlakte van “een braakliggend weiland” dat “quasi niet gebruikt” wordt door de verzoeker en aan de verzoeker een billijke vergoeding zal worden betaald voor deze onteigening. 5.
  17. Bij vonnis van 24 september 2007 dat uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard, heeft de vrederechter de vordering tot onteigening van de voormelde percelen 201 en 203a afgewezen en besloten dat “er geen aanleiding bestaat om de (onteigenings)procedure voort te zetten”. 5.
  18. Krachtens de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, heeft de vrederechter, wanneer de onteigenaar de vordering tot onteigening bij hem heeft ingeleid, als opdracht de voor de onteigening vereiste besluiten van de onteigenende overheid zowel op hun interne als op hun externe wettigheid te toetsen. Die bevoegdheid van de gewone rechter sluit de bevoegdheid van de Raad van State uit om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van die handelingen, indien dat beroep is ingesteld door de onteigende. Deze bevoegdheidsuitsluiting geldt vanaf de dagvaarding om voor de gewone rechter te verschijnen en ten aanzien van de personen die tot die procedure toegang hebben. Uit de voormelde gegevens van de zaak blijkt dat de tweede verwerende partij de vordering tot onteigening van het pand van de verzoeker bij de vrederechter heeft ingeleid. Ambtshalve wordt de onbevoegdheid van de Raad van State vastgesteld in zover het beroep is gericht tegen de door het bestreden besluit verleende onteigeningsmachtiging. Het beroep is in zover niet ontvankelijk. 5.
  19. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de eigendom van de verzoeker aan het gebied grenst dat door het bestreden BPA wordt beheerst en er ook deels in gelegen is. De verzoeker kan aanspraak maken op de eerbiediging van de bestemming die het gewestplan aan het gebied in de onmiddellijke omgeving van zijn percelen en van de delen van twee van zijn percelen heeft gegeven, met name landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en op de eerbiediging van de eisen van de goede aanleg ter plaatse. Op grond daarvan doet de verzoeker blijken van het vereiste belang om de nietigverklaring te vorderen van het BPA dat volgens hem ten X-12.453-5/11 onrechte afwijkt van het voormelde bestemmingsvoorschrift van het geldende gewestplan. De excepties van de verwerende partijen worden verworpen. Het beroep is in zover ontvankelijk. Zaak II 6.
  20. De verzoeker betoogt in het verzoekschrift dat zijn eigendom/woonplaats “paalt aan het containerpark” en dat “de verdere ontplooiing” van dit park hem nog “meer hinder” zal aandoen. 6.
  21. De verwerende partij betwist het “persoonlijk, rechtstreeks en actueel belang” van de verzoeker. Zij werpt op dat de verzoeker de beweerde hinder niet bewijst en dat die “in ieder geval niet (...) zou voortvloeien uit de bestreden beslissing”, “de zogezegde hinder (...) enkel het gevolg (zou) kunnen zijn van de exploitatie van het containerpark, doch niet van de aanwezigheid van de geregulariseerde constructies”. 6.
  22. De tussenkomende partij betwist eveneens het belang van de verzoeker. Zij betoogt dat zelfs bij vernietiging van het bestreden besluit “een quasi volledig definitief vergund containerpark (blijft) bestaan”, de verzoeker “de drie punten” die hij aanhaalt in verband met zijn belang niet aantoont en in elk geval niet aantoont “dat dit alles zou voortvloeien uit de bestreden beslissing”, en dat de beweerde hinder “enkel het gevolg (zou) kunnen zijn van de exploitatie van het containerpark, doch niet van de aanwezigheid van de geregulariseerde constructies”. 6.
  23. De verzoeker heeft te dezen het vereiste belang om een stedenbouwkundige vergunning aan te vechten die werd afgeleverd voor een perceel dat grenst aan percelen waarvan hij eigenaar is. Het feit dat bepaalde delen van het containerpark vergund zijn, evenmin als het feit dat de bestreden vergunning een regularisatie beoogt van bepaalde andere delen van het containerpark of de stelling dat de door de verzoeker aangehaalde hinder het loutere gevolg zou zijn van de exploitatie van het containerpark, doen iets af aan deze vaststelling. De excepties worden verworpen. Het beroep is ontvankelijk. X-12.453-6/11 VI. Onderzoek van de middelen Zaak I Zesde middel
  24. In een zesde middel voert de verzoeker aan: “niet of niet pertinent beantwoorden van de bezwaarschriften, schending van artikel 2 en 3 van de wet van 29/7/1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet), evenals het gebrek aan feitelijke, juiste, afdoende en wettige motieven”. De verzoeker betoogt dat “verscheidene van de in het kader van het openbaar onderzoek aangevoerde bezwaren niet of niet-pertinent beantwoord zijn”, zijn bezwaarschrift van 9 november 2005 in verband met de onregelmatigheid van de vroeger verleende vergunningen “zonder meer buiten beschouwing” werd gelaten door de GECORO, zijn bezwaren “inzake de waterproblematiek” en “betreffende de stedenbouwkundige voorschriften” respectievelijk niet afdoende en niet werden beantwoord door de GECORO.
  25. De eerste verwerende partij repliceert dat de GECORO “op alle bezwaarschriften (heeft) geantwoord op de zitting van 22 december 2004, hoewel het strikt gezien niet tot de opdracht van de GECORO behoort om deze antwoorden te formuleren” en dat ook de gemeenteraad “de bezwaarschriften (beantwoordde) op de zitting van 15 februari 2005”.
  26. De tweede verwerende partij repliceert dat de GECORO op alle bezwaren heeft geantwoord “hoewel het strikt gezien niet tot de opdracht van de GECORO behoort om deze antwoorden te formuleren”, en dat de verzoeker “erkent (...) dat de gemeenteraad in haar beslissing dd. 15 februari 2005 (...) wel voldoende heeft geantwoord op de bezwaren”.
  27. De verzoeker dupliceert dat “het duidelijk (is) dat de GECORO zijn taak oppervlakkig en niet afdoend heeft uitgevoerd” en dat hij “nergens erkent dat de gemeenteraad het bezwaarschrift afdoende zou hebben beantwoord”.
  28. Luidens artikel 1 van de motiveringswet moet voor de toepassing van deze wet onder bestuurshandeling worden verstaan de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt X-12.453-7/11 rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur. Het BPA is krachtens artikel 2, § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) een akte met verordenende kracht. De motiveringswet is niet van toepassing. Evenwel is een plan van aanleg, zoals elke bestuurshandeling, onderworpen aan de materiële motiveringsverplichting, hetgeen inhoudt dat het moet worden gedragen door rechtens verantwoorde motieven die kunnen blijken, hetzij uit het aannemingsbesluit zelf, hetzij uit de stukken van het dossier.
  29. Artikel 9, § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna afgekort: DRO) bepaalt dat er een adviesraad voor ruimtelijke ordening wordt opgericht op niveau van de gemeente, “hierna de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening te noemen”. Artikel 19, zesde lid, van het gecoördineerde decreet, bepaalt dat over een ontwerp van plan van aanleg advies wordt gegeven door de bevoegde commissie van advies. Het besluit van de Vlaamse regering van 11 februari 1987 houdende vaststelling van het reglement van orde van de streekcommissies van advies voor de ruimtelijke ordening in het Vlaamse Gewest werd bij besluit van de Vlaamse regering van 19 mei 2000 tot vaststelling van nadere regels voor de samenstelling, de organisatie en de werkwijze van de provinciale en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening, opgeheven. Het laatstgenoemde besluit geeft uitvoering aan het voormelde artikel 9 DRO. Artikel 19 van het gecoördineerde decreet bepaalt voorts dat het door de gemeenteraad voorlopig aangenomen aanlegplan aan een openbaar onderzoek wordt onderworpen, en dat het ontwerpplan samen met de bezwaren en opmerkingen aan de bevoegde commissie van advies - thans de Gemeentelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening (GECORO) - wordt voorgelegd, waarna de gemeenteraad kennis neemt van de uitslag van het onderzoek, het plan aanneemt dan wel beslist het te wijzigen. Uit de redactie van die bepaling blijkt dat het advies van de GECORO verplicht moet worden ingewonnen. Het raadplegen van de GECORO is derhalve een substantiële vormvereiste in de totstandkoming van een gemeentelijk plan van aanleg. Het feit dat de GECORO binnen de zestig dagen advies moet uitbrengen, bij ontstentenis waarvan het advies geacht moet worden gunstig te zijn, wettigt geen andersluidende conclusie en ontslaat niet van de besproken verplichting. X-12.453-8/11 De opdracht die de GECORO ten aanzien van het ontwerp moet vervullen, is fundamenteel. De GECORO heeft immers als opdracht de beslissende overheden ten gronde te informeren door o.a. de ingediende bezwaren te bespreken. Het recht om bezwaar in te dienen brengt de verplichting mee voor de betrokken overheid, te dezen in eerste instantie de GECORO, de bezwaren te onderzoeken en te beantwoorden. Uit de bepaling van artikel 19 van het gecoördineerde decreet volgt dat de naleving van deze verplichting ook uit het administratief dossier kan blijken.
  30. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de verzoeker door toedoen van zijn raadsman twee bezwaarschriften heeft ingediend, meer bepaald één “tegen (het) onteigeningsplan bij BPA Laakdal Containerpark” en één tegen het “BPA Containerpark”, respectievelijk genummerd als 3.1 en 3.2, en dat deze bezwaarschriften behoudens de eerste negen bladzijden niet identiek zijn. In het laatstgenoemde bezwaarschrift worden op omstandige wijze “de gebrekkige stedenbouwkundige voorschriften” aangekaart. In haar advies van 22 december 2004 stelt de GECORO niettemin dat het tweede bezwaarschrift identiek is aan het eerste bezwaarschrift, en beantwoordt zij nergens de bezwaren van de verzoekers met betrekking tot “de gebrekkige stedenbouwkundige voorschriften”. In het gemeenteraadsbesluit van 15 februari 2005 dat “het ontwerp-BPA Containerpark (...) definitief (heeft) goedgekeurd” wordt eveneens aangenomen dat het bezwaarschrift van de verzoeker tegen het BPA Containerpark (3.2) “vergelijkbaar” is “met moederbezwaarschrift 3.1”. Dit gemeenteraadsbesluit bespreekt nergens de bezwaren van de verzoeker in zijn tweede bezwaarschrift (3.2) i.v.m. “de gebrekkige stedenbouwkundige voorschriften”. Het bestreden goedkeuringsbesluit beperkt zich tot de overweging dat “de bezwaarschriften gemotiveerd weerlegd werden in de gemeenteraadsbeslissing van 15 februari 2005”. Nu uit het administratief dossier niet blijkt dat de GECORO de uitgebreide bezwaren van de verzoeker met betrekking tot “de gebrekkige stedenbouwkundige voorschriften” heeft onderzocht en beantwoord en bijgevolg de gemeenteraad niet naar behoren heeft geïnformeerd, is het middel in zover gegrond. Zaak II
  31. De verzoeker voert de onwettigheid aan van het bij het in de zaak I bestreden besluit tot goedkeuring van het BPA “Containerpark”. Hij voert daartoe onder meer het in de zaak I gegrond bevonden zesde middel aan. X-12.453-9/11
  32. De bestreden stedenbouwkundige vergunning is gegrond op het onwettig bevonden BPA “Containerpark” en dient om die reden ook te worden vernietigd. BESLISSING
  33. De zaken A. 165.623/X-12.453 en A. 168.336/X-12.600 worden gevoegd.
  34. De Raad van State vernietigt : a. het besluit van 16 juni 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “Containerpark” van de gemeente Laakdal, b. het besluit van 30 september 2005 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende verlening van de stedenbouwkundige vergunning aan de gemeente Laakdal voor de regularisatie van een weeghuis, een douche, een toegang en een poort, op een perceel gelegen Eindhoutseweg te Laakdal, kadastraal bekend sectie A, nr. 202/a.
  35. De Raad van State verwerpt het beroep in de zaak A. 165.623/X-12.453 voor het overige.
  36. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het eerste vernietigde besluit.
  37. De verwerende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 165.623/X-12.453, begroot op 350 euro, ieder voor de helft. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 168.336/X-12.600, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst in de zaak A. 168.336/X-12.600, begroot op 125 euro. X-12.453-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien januari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-12.453-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.650 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.