← België

Arrest 199654 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.654 Rolnummer: A. 164093/X-12397 Zaak: Arrest 199654 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-27 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-02 08:19 Fiche Arrest nr 199.654 van 19 januari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 199.654 van 19 januari 2010 in de zaak A. 164.093/X-12.397. In zake: René VAN ROMPAEY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat August Meeusen kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN Stoopstraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Willem Slosse kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Brusselstraat 59 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 8 juli 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 4 mei 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen tegen het besluit van 9 oktober 2003 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend tot het aanleggen van een verharding voor het te koop stellen van tweedehandswagens op een perceel gelegen te Antwerpen (Ekeren), Schriek 197, kadastraal bekend sectie F, nr. 17/s4. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld. X-12.397-1/11 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 december 2009. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Philippe Van Wesemael, die loco advocaat August Meeusen verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Astrid Gelijkens, die loco advocaat Willem Slosse verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoeker is uitbater van een garage voor herstel en verkoop van tweedehandswagens gelegen aan de Schriek 203-205 te Antwerpen (Ekeren). 3.2. Hij is tevens eigenaar van het perceel gelegen aan de Schriek 197 te Antwerpen (Ekeren), kadastraal bekend sectie F, nr. 17/s4. Dit onbebouwde perceel is gelegen tussen de woning van de verzoeker, aan de Schriek 195, enerzijds, en een woning met een wachtgevel, aan de Schriek 201, anderzijds. 3.3. Het voormelde perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen, gelegen in woongebied. Het is niet gelegen binnen het beheersingsgebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. X-12.397-2/11 3.4. Op 29 april 2002 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker een aanvraag in tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor “het te koop stellen van okkasie wagens” op het voormelde perceel. De aanvraag beoogt in feite de regularisatie van een reeds bestaande toestand, die overeenstemt met het bij de aanvraag horende bouwplan van 7 oktober 2003. Vooraan het perceel werd een draadafsluiting met beplanting aangebracht met daarachter een staanplaats voor “wagens voor verkoop”, uitgevoerd in “onverharde grond met grijze steenslag”. Achter deze staanplaats bevindt zich een parking voor “wagens wachtend op herstelling”. De twee plaatsen zijn van mekaar gescheiden door een poort. 3.5. Bij het besluit van 18 december 2002 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen de stedenbouwkundige vergunning voor “het aanleggen van verharding voor te koop stellen van tweedehandswagens”. Dit besluit overweegt onder meer het volgende: “-de aanvraag is niet in overeenstemming met de algemeen geldende en gangbare stedenbouwkundige regels; -de aanvraag is niet verenigbaar met de goede plaatselijke ordening; -gelet op het feit dat het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft gelegen is naast een woning die uitgevoerd is met een scheigevel; -gelet op het feit dat deze toestand zou bestendigd worden bij de aanleg van een verharding voor de verkoop van wagens; -gelet op het feit dat alzo de woonbestemming in het gedrang komt”. 3.6. Tegen de voormelde weigeringsbeslissing stelt de verzoeker beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. 3.7. Bij het besluit van 9 oktober 2003 willigt de bestendige deputatie het beroep van de verzoeker in en wordt de stedenbouwkundige vergunning verleend overeenkomstig het voormelde bouwplan van 7 oktober 2003. Dit besluit is onder meer als volgt gemotiveerd: “II. Verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening. De aanvraag dient te worden getoetst op haar verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de aard en de omvang van de inrichting en met de intrinsieke hinder of het storend karakter van de inrichting of met het bijzonder karakter van het woongebied. Het gaat om een heterogene omgeving qua aanleg, met een vermenging van allerlei residentiële, handelsgebouwen en ambachtelijke vestigingen. Het terrein, dat hoort bij de garage aan de overkant van de straat, werd ingericht voor het stallen en de opvang van tweedehandsvoertuigen in openlucht. X-12.397-3/11 Het terrein is op een verzorgde wijze ingericht en werkt niet storend in het straatbeeld. Een stockageplaats, zoals in casu, veroorzaakt geen noemenswaardige hinder door de activiteit die er plaats vindt en kan perfect functioneren in een woonbuurt. Het is niet correct te stellen dat door de aanvraag een toestand zou bestendigd worden met als gevolg dat de woonbestemming in het gedrang wordt gebracht. De inrichting van het terrein sluit het later aanbouwen van een kopwoning niet uit. De wachtgevel van het rechts aanpalende perceel werd bekleed met eternitleien. De gevraagde activiteit wordt bestaanbaar en verenigbaar bevonden met de omgeving, wat maakt dat het beroep voor inwilliging in aanmerking komt”. 3.8. Met een aangetekende brief van 3 december 2003 stelt het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen beroep in tegen het voormelde besluit van de bestendige deputatie. 3.9. Bij het bestreden besluit van 4 mei 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening wordt het beroep ingewilligd en de stedenbouwkundige vergunning vernietigd. Het bij dit besluit gevoegde gewijzigd bouwplan dateert van 3 maart 2004 en voorziet achter de draadafsluiting met beplanting tot op gelijke hoogte met de gevel van de aanpalende woning met wachtgevel een “onverharde grond” met twee bloembakken met “begroening”. IV. Onderzoek van de middelen A. Enig middel Uiteenzetting van het middel 4.1.1. De verzoeker leidt een enig middel af uit de schending van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hiena: DRO), van de artikelen 5, 1.0 en 19, laatste lid van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit), van de materiële motiveringsplicht en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. 4.1.2. De verzoeker voert aan dat “de overheid, bij de beoordeling van de goede plaatselijke ordening, een ruimer perspectief (dient) te hanteren dan de begrenzing van het betreffende bestemmingsgebied” en dat ook rekening dient X-12.397-4/11 gehouden te worden met “de ordening in de onmiddellijke omgeving, dan wel in een ruimere omgeving”. De verzoeker laat gelden dat dienstverlening, ambacht en klein bedrijf in een woongebied kunnen worden toegestaan onder de dubbele voorwaarde dat zij bestaanbaar zijn met de bestemming woongebied en dat zij verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving, en dat bij de beoordeling van de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied rekening dient gehouden te worden met de aard en de omvang van de inrichting. Vooreerst levert de verzoeker kritiek op de beschrijving van de onmiddellijke omgeving in het bestreden besluit. Volgens de verzoeker is het onjuist te oordelen dat “het een vrij homogene omgeving betreft qua aanleg, met vooral residentiële rijwoningen en halfopen bebouwingen”. De verzoeker laat gelden dat “De Schriek (...) de drukke Kapelsesteenweg met de Driehoekstraat (verbindt)”, dat ze in het midden doorkruist wordt door een spoorweglijn en dat “beide gedeelten van de Schriek worden verbonden door een brede brug boven de spoorweg”. Hij stelt dat “Komende vanuit de richting van de Driehoekstraat” zich een aantal “ambachtelijke uitbatingen of een kleinbedrijf-activiteiten” bevinden, dat “na de brug (...) een veelheid van commerciële handelsuitbatingen elkaar op (volgen)” en dat uit de door hem neergelegde foto’s blijkt dat “de totaliteit van de bebouwing (...) een zeer heterogeen karakter heeft waartoe ettelijke zeer diverse commerciële en ambachtelijke ondernemingen behoren”. Volgens de verzoeker kan de gevraagde vergunning “noch vanwege zijn omvang, volume of hoogte, noch vanwege (zijn) aard en gebruik of bestemming, geacht worden zo schril af te steken tegen de aard en het gebruik of de bestemming van de omringende gebouwen en/of open ruimten, dat zij in redelijkheid ‘onverenigbaar” zou zijn met de onmiddellijke omgeving”. Voorts betwist de verzoeker dat de stockageplaats voor wagens “ten overstaan van het geëigend woongebruik een functie en uitwerking van minderwaardige kwaliteit inhoudt”. Hij laat gelden dat de aanwezigheid van de stockageplaats geen hinder veroorzaakt en niet van aard is om een effect te hebben op het woongebruik. Wat de bebouwbaarheid van het perceel betreft, voert de verzoeker aan dat “het kwestieuze perceel inmiddels 45 jaar in onbebouwde toestand verkeert en de bestaande wachtgevel reeds minstens 20 jaar lang, voorafgaandelijk aan de bestreden beslissing, onafgewerkt is gebleven”. De verzoeker wijst er op dat hij niet verplicht is een constructie tegen de wachtgevel aan te bouwen en dat het een regularisatie van een reeds bestaande situatie betreft, zodat “Het feit dat de wachtgevel niet wordt afgewerkt (...) niet het gevolg (

  1. is)van de eerdere vergunning (deputatiebesluit van 9 oktober 2003)”. X-12.397-5/11 De verzoeker besluit dat de beschrijving van de onmiddellijke omgeving in het bestreden besluit slechts een “typeformulering” is, “welke hoegenaamd niet overeenstemt met de concrete feitelijke toestand” en dat de verwerende partij de afweging van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving en de goede plaatselijke ordening niet naar behoren heeft verantwoord. 4.1.3. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoeker nog dat het administratief dossier onvolledig is aangezien de verwerende partij vergeet melding te maken van “het gegeven dat zij verzoekende op 7 mei 1998 (...) wél een vergunning toestond voor het verkopen van tweedehandsvoertuigen” voor een perceel “gelegen aan de overkant van het huidig perceel in kwestie en eigendom van de NMBS”. Ze stelt dat “niettegenstaande de inplanting evenzeer gelegen is in woongebied met de typische plaatselijke constellatie (...) verwerende partij destijds geen bezwaar (had) om de verzoekende partij een vergunning toe te staan voor het stallen van tweedehandse wagens, overigens hetzelfde voorwerp als huidige vergunningsaanvraag”. Voorts verwijst de verzoeker naar het besluit van 7 oktober 2003 van de bestendige deputatie waarin wordt overwogen dat het terrein “niet storend (werkt) in het straatbeeld”, dat “Een stockageplaats, zoals in casu, (...) geen noemenswaardige hinder (veroorzaakt) door de activiteit die er plaats vindt en (...) perfect (kan) functioneren in een woonbuurt” en dat “de inrichting van het terrein (...) het later aanbouwen van een kopwoning niet uit (sluit)”. Beoordeling 4.2.1. Zoals reeds gesteld is het betrokken perceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen, gelegen in woongebied. Artikel 5, 1.0 van het inrichtingsbesluit bepaalt wat volgt: “De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving”. X-12.397-6/11 Inrichtingen voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf kunnen enkel in een woongebied toegestaan worden onder de dubbele voorwaarde dat zij niet wegens de taken van bedrijf die zij uitvoeren, om redenen van goede ruimtelijke ordening, in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, met andere woorden dat zij bestaanbaar zijn met de bestemming woongebied, en dat zij verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Bij het beoordelen van de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied, dient rekening te worden gehouden met de aard en de omvang van de inrichting, waardoor deze laatste inzonderheid om redenen van ruimtelijke ordening niet in het betrokken woongebied kan worden ingeplant, ofwel wegens het intrinsiek hinderlijk of storend karakter van de inrichting, ofwel wegens het bijzonder karakter van het woongebied (bv. louter residentiële villawijk of woonpark). Bij het beoordelen van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving dient uitgegaan te worden van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving, die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard en het gebruik of de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten, of van de bijzondere bestemming die het bijzonder plan van aanleg van het gebied aan die omgeving heeft gegeven. 4.2.2. Na te hebben overwogen dat de aanvraag wat de bestemming betreft “principieel in overeenstemming is met het voornoemde geldende gewestplan”, verantwoordt het bestreden besluit de weigering van de regularisatievergunning op grond van de volgende overwegingen: “Overwegende dat zowel de stad in haar besluit van 18 december 2002 als de gemachtigde ambtenaar in zijn advies dd. 17 december 2003, stelt dat door de aanvraag een toestand zou bestendigd worden met als gevolg dat de scheimuur niet bebouwbaar meer zou zijn en alzo de woonbestemming van dat perceel in het gedrang komt; Overwegende dat de eigenaar, de heer René Van Rompaey, het terrein momenteel gebruikt voor het stationeren van tweedehandswagens; dat huidige inrichting van het terrein het later aanbouwen van een kopwoning voor onbepaalde tijd uitstelt; dat dergelijk uitstallen van wagens en een steenslagverharding wel geen persistente belemmering vormt van de bedoelde bestemming van het terrein om te worden bebouwd met een koppelwoning, maar dat uit beleidsmatig oogpunt een gebeurlijke vergunning de huidige toestand voor zekere tijd zou wettigen en bestendigen; Overwegende dat dus ook deze huidige toestand dient getoetst te worden op haar verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening, rekening houdend met de aard en omvang van de inrichting of met het bijzonder karakter van het woongebied; Overwegende dat het een vrij homogene omgeving betreft qua aanleg, met vooral residentiële rijwoningen en halfopen bebouwingen; dat betreffend terrein op verzorgde wijze is ingericht; dat nochtans een bestaande wachtgevel stedenbouwkundig niet wordt afgewerkt, dat een hiaat in de straatwand blijft bestaan en dat een stockageplaats voor wagens, die hoe dan ook zekere X-12.397-7/11 publieksaantrekking beoogt, ten overstaan van het geëigend woongebruik een functie en uitwerking van minderwaardige kwaliteit inhoudt; Overwegende dat in die zin dat de aanvraag niet in overeenstemming is met de vereisten van een goede plaatselijke aanleg; dat het beroep van het college van burgemeester en schepenen moet ingewilligd worden”. 4.2.3. Het behoort tot de wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid van de vergunningverlenende overheid om, binnen de grenzen van de door het gewestplan opgelegde bestemmingsvoorschriften, te oordelen of de aanvraag voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning al dan niet verenigbaar is met de eisen van de goede plaatselijke ordening. De Raad van State vermag zijn beoordeling van de eisen van de goede plaatselijke ordening niet in de plaats te stellen van die van de bevoegde overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is hij enkel bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 4.2.4. Wat de kritiek van de verzoeker op de beschrijving van de onmiddellijke omgeving in het bestreden besluit betreft, dient vooreerst vastgesteld te worden dat de Schriek een zeer lange straat is, zodat bezwaarlijk kan worden aanvaard dat de gehele straat, alsook de Driehoekstraat, bij de beoordeling van de omgeving moeten worden betrokken. Bovendien loopt de Schriek aan de zijberm van de brug over de spoorweg nog “een 100-tal meter verder uit tot aan de spoorweg”, en bevindt het perceel van de verzoeker zich in dit kleiner gedeelte van de Schriek, dat aan de ene zijde begrensd wordt door het begin van de brug en aan de andere zijde door de spoorweg. Door enkel dit begrensd gedeelte van de Schriek in aanmerking te nemen als de onmiddellijke omgeving van het betrokken perceel, heeft de verwerende partij geenszins kennelijk onredelijk gehandeld. De verwerende partij kan dan ook niet verweten worden geen rekening te hebben gehouden met de “veelheid van commerciële handelsuitbatingen gelegen in de Schriek”, waarvan niet is aangetoond dat ze gelegen zijn in het voormelde gedeelte, of met de “ambachtelijke uitbatingen” en de “kleinbedrijf-activiteiten”, die alle gelegen zijn in de Driehoekstraat. Voorts maakt de verzoeker niet aannemelijk dat de beschrijving van het in aanmerking genomen gedeelte van de Schriek als “een vrij homogene omgeving (...) qua aanleg, met vooral residentiële rijwoningen en halfopen X-12.397-8/11 bebouwingen” onjuist is. In tegenstelling tot wat de verzoeker beweert, kan deze beschrijving van de straat en de onmiddellijke omgeving niet als een “typeformulering” worden aangemerkt. 4.2.5. De verzoeker toont niet aan dat de overweging dat “een stockageplaats voor wagens, die hoe dan ook zekere publieksaantrekking beoogt, ten overstaan van het geëigend woongebruik een functie en uitwerking van minderwaardige kwaliteit inhoudt”, onredelijk is. Het feit dat het terrein op verzorgde wijze is ingericht, hetgeen in het bestreden besluit wordt bevestigd, doet geen afbreuk aan de voormelde vaststelling. Evenmin kan het argument dat het terrein reeds 20 jaar als stockageplaats voor wagens wordt gebruikt, tot een andere vaststelling leiden, nu blijkt dat deze inrichting nooit vergund is geweest. 4.2.6. Ook voor wat betreft de overwegingen “dat huidige inrichting van het terrein het later aanbouwen van een kopwoning voor onbepaalde tijd uitstelt”, “dat uit beleidsmatig oogpunt een gebeurlijke vergunning de huidige toestand voor zekere tijd zou wettigen en bestendigen”, “dat nochtans een bestaande wachtgevel stedenbouwkundig niet wordt afgewerkt” en “dat een hiaat in de straatwand blijft bestaan”, maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat de verwerende partij de grenzen van de haar wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid te buiten is gegaan. Het feit dat de verzoeker “niet verplicht (
  2. is)een constructie tegen de wachtgevel aan te bouwen”, impliceert niet dat de vergunningverlenende overheid de gevraagde vergunning hoe dan ook dient te verlenen. Het betoog van de verzoeker dat het “een regularisatie van een reeds bestaande situatie” betreft zodat “Het feit dat de wachtgevel niet wordt afgewerkt (...) niet het gevolg (
  3. is)van de eerdere vergunning (deputatiebesluit van 9 oktober 2003)” kan niet worden aangenomen. Wanneer de vergunningverlenende overheid moet oordelen over een aanvraag tot regularisatie mag ze in haar oordeel over de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening niet zwichten voor het gewicht van het voldongen feit. De verwerende partij merkt terecht op dat bij de beoordeling van de goede plaatselijke ordening “ook het straatbeeld (dient) te worden bekeken, alsook esthetische gevolgen voor de onmiddellijke omgeving”, zodat de overweging dat een “hiaat in de straatwand” niet in overeenstemming is met de vereisten van de goede plaatselijke ordening, niet als kennelijk onredelijk overkomt. Het gegeven dat “het kwestieuze perceel inmiddels 45 jaar in onbebouwde toestand verkeert en de bestaande wachtgevel reeds minstens 20 jaar lang, voorafgaandelijk aan de bestreden beslissing, onafgewerkt is gebleven”, vermag aan dat oordeel geen afbreuk te doen. X-12.397-9/11 4.2.7. Aangaande de stedenbouwkundige vergunning die werd verkregen voor het perceel “gelegen aan de overkant van het huidig perceel in kwestie en eigendom van de NMBS”, waarvan de verwerende partij volgens de verzoeker “vergeet melding te maken”, maar die door de verzoeker evenmin wordt voorgelegd, overweegt het bestreden besluit het volgende: “Overwegende dat aan de overkant van het perceel waarvoor de vergunning wordt gevraagd, de aanvrager een driehoekig terrein van 96m² huurt van de NMBS, waarvoor op 16 januari 2002 een vergunning werd verleend door het college van burgemeester en schepenen voor het aanleggen van een verharding voor het te koop stellen van tweedehandswagens; dat momenteel een zestal auto’s op dit terrein zijn geparkeerd”. Uit de door de verzoeker bijgebrachte plannen en foto’s blijkt dat het voormelde terrein van de NMBS zich bevindt aan de voet van de brug, in het begin van het gedeelte van de Schriek waar het terrein waarvan de regularisatie wordt gevraagd, is gelegen. De verzoeker betwist niet dat dit terrein een kleine driehoek van 96m² betreft, die aan twee zijden wordt omgeven door bomen. Dit perceel vertoont derhalve wezenlijke verschillen met het betrokken perceel, dat ligt tussen een rijwoning met een in leien uitgevoerde wachtgevel en de gezinswoning van de verzoeker, zodat de verwerende partij bij de beoordeling van de goede plaatselijke ordening terecht de eigen specifieke kenmerken van elk perceel in aanmerking heeft genomen. 4.2.8. Ten slotte is de verwijzing in de memorie van wederantwoord naar de beoordeling van de aanvraag door de bestendige deputatie niet ter zake dienend. Door het administratief beroep tegen het besluit van de deputatie, is de bevoegdheid om over de aanvraag van de verzoeker te oordelen geheel overgegaan naar de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening. De devolutieve werking van het administratief beroep brengt met zich mee dat de beroepsinstantie zowel de legaliteit als de opportuniteit van de zaak opnieuw onderzoekt, zonder daarbij gebonden te zijn door de motivering die is vervat in het beroepen besluit of deze te moeten beantwoorden. 4.2.9. De verzoeker maakt niet aannemelijk dat de verwerende partij in onredelijkheid tot haar besluit is gekomen. Het enig middel is ongegrond. X-12.397-10/11 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien januari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-12.397-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.654 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.