← België

Arrest 199676 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:201

§1, lid 1, 4/ van het Decreet dd.

18/05/1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening inhoudt dat een zonevreemd bedrijf slechts een vergunning voor de uitbreiding van haar gebouwen kan krijgen onder bepaalde in dat artikel opgesomde voorwaarden; Dat bij lezing van het bedoelde gedeelte van art.

blijkt dat art.

§1

, lid 1, 4/ over een uitbreiding gaat enerzijds van een gebouw en anderzijds met een gebouw of een vaste inrichting; Dat in casu de bouwvergunning niet werd aangevraagd voor de uitbreiding van een bestaand gebouw; X-12.184-4/8 Dat daarenboven de bouwvergunning geenszins werd aangevraagd voor de oprichting van een gebouw of een vaste inrichting; Dat in casu de bouwvergunning werd aangevraagd voor het plaatsen van containerunits voor burelen; Dat deze containerunits geenszins als gebouw noch als vaste inrichting kunnen beschouwd worden, daar een essentieel kenmerk van deze units is dat zij verplaatsbaar zijn en geen vaste verankering hebben; Dat art.

§1

, lid 1, 4/ van bovenvermeld Decreet dan ook geen toepassing vindt; Dat de administratieve overheid in casu de Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen zich dan ook blijkt te steunen op een juridisch onaanvaardbaar motief, waardoor haar beslissing onwettig is. Aangezien art. 105 §4 van het bovenvermeld Decreet stelt dat de geldigheidsduur van een stedenbouwkundige vergunning kan beperkt worden onder meer bij handelingen en wijzigingen gedurende de periode die voorafgaat aan de oprichting van bouwwerken, aan de uitvoering van andere vergunningsplichtige werken of handelingen of aan de verwezenlijking van de definitieve bestemming; Dat verzoekster had opgeworpen voor de Bestendige Deputatie dat de containerunits slechts een voorlopige oplossing zijn voor haar, in afwachting tot zij een geschikt terrein vindt in een industrie- of KMO-zone; Dat het plaatsen van deze containerunits dan ook een handeling betreft die onder de bovenstaande omschrijving in art. 105 §4 voornoemd valt; Dat de Bestendige Deputatie dan ook andermaal zich blijkt te steunen op een juridisch onaanvaardbaar motief, waardoor haar beslissing onwettig is; Dat het eerste middel dan ook gegrond is”. Beoordeling

  1. Het bestreden besluit stelt dat het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft, gelegen is in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, terwijl de aanvraag dient beschouwd te worden als uitbreiding van een bestaand kleinbedrijf. Dit wordt door de verzoekende partij niet betwist. Evenmin betwist zij dat een vergunning vereist is voor het plaatsen van de containerunits waarmee de uitbreiding is gebeurd. Agrarische gebieden zijn overeenkomstig artikel 11.4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen “bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven”. Vermits het bedrijf van de verzoekende partij niet als (para-)agrarisch kan worden beschouwd, wat zij ook niet beweert, is een uitbreiding van dit bedrijf in agrarisch gebied in beginsel niet mogelijk. X-12.184-5/8
  2. De verzoekende partij voert geen argumenten aan waaruit zou blijken dat haar aanvraag kon worden ingewilligd op grond van de uitzonderingsbepaling van artikel 145bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), die een afwijking van de gewestplanbestemming mogelijk maakt, maar stelt in tegendeel zelf dat deze bepaling in casu “geen toepassing vindt”. Haar kritiek op de vermeende foutieve toepassing van dit artikel is bijgevolg niet ter zake dienend. Het geschonden geachte artikel 105, § 4 DRO luidt als volgt: “De geldigheidsduur van een stedenbouwkundige vergunning kan beperkt worden: (...) 3° wanneer het gaat om werken, handelingen en wijzigingen gedurende de periode die voorafgaat aan de oprichting van bouwwerken, aan de uitvoering van andere vergunningsplichtige werken of handelingen, of aan de verwezenlijking van de definitieve bestemming”. De hiervoor geciteerde bepaling laat niet toe af te wijken van de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan. Aangezien de conclusie in het bestreden besluit dat de aanvraag niet in overeenstemming is met de planologische bestemming, overeind blijft, diende de verwerende partij de regularisatieaanvraag te weigeren wegens de strijdigheid met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan.
  3. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het tweede middel In het verzoekschrift wordt het tweede middel als volgt uiteengezet: “Aangezien het besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen op diverse punten geenszins uitdrukkelijk gemotiveerd is: Aangezien de Bestendige Deputatie de adviezen opsomt van de diverse adviesverlenende instanties die hun advies uitbrachten aan het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Kapellen; Dat de Bestendige Deputatie zich in haar besluit beperkt tot de loutere opsomming en weergave van deze adviezen; Dat zij geenszins aangeeft welke waarde zij aan deze adviezen hecht en waarom zij het gunstig advies van de afdeling Land van het Ministerie van de X-12.184-6/8 Vlaamse Gemeenschap zonder meer naast zich neerlegt, zonder enige motivering; Aangezien zij vervolgens melding maakt van het gevoerde openbaar onderzoek; Dat zij dienaangaande vaststelt dat er geen bezwaren werden ingediend, doch ook aan deze gunstige factor zonder meer voorbij gaat zonder enige motivering; Dat de beslissing bij gebreke aan uitdrukkelijke motivering dan ook onwettig is; Dat dit tweede middel dan ook gegrond is”. Beoordeling
  4. De verplichting tot uitdrukkelijke motivering houdt in dat de stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de goede plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen vermeldt waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt en waaruit blijkt dat zij is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, dat zij die correct heeft beoordeeld en dat zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
  5. In het besluit wordt vooreerst verwezen naar de uitgebrachte adviezen. Vervolgens wordt gesteld dat het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft in landschappelijk waardevol agrarisch gebied ligt, waardoor omwille van de planologische bestemming een uitbreiding van een bestaand kleinbedrijf niet mogelijk is. Ten slotte wordt onderzocht of uitzonderingsbepalingen van toepassing zijn, wat niet het geval blijkt te zijn. Het blijkt niet, en de verzoekende partij toont ook niet aan, dat de verwerende partij van verkeerde gegevens is uitgegaan of die verkeerd heeft beoordeeld. Evenmin maakt zij aannemelijk dat de motieven niet voldoende draagkrachtig zouden zijn. Het loutere feit dat er een gunstig, overigens niet bindend, advies van de afdeling Land voorligt, doet aan het voorgaande geen afbreuk.
  6. Het tweede middel is niet gegrond. BESLISSING
  7. De Raad van State verwerpt het beroep. X-12.184-7/8
  8. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien januari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, met bijstand van Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-12.184-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.676 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.