id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.704 Rolnummer: A. 155420/X-12044 Zaak: Arrest 199704 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-27 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-07-02 08:21 Fiche Arrest nr 199.704 van 20 januari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 199.704 van 20 januari 2010 in de zaak A. 155.420/X-12.044. In zake: de n.v. GROUP AP PROJECT DEVELOPMENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carlos De Wolf en Karolien Beké kantoor houdend te 9680 MAARKEDAL Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 6 september 2004, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 1 juli 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende verwerping van het beroep ingesteld tegen de beslissing van 21 oktober 2003 van het college van burgemeester en schepenen van Koksijde houdende weigering van de vergunning voor het bouwen van een meergezinswoning en het slopen van de bestaande villa op een perceel gelegen te Koksijde, Koninklijke Prinslaan, kadastraal bekend sectie F, nrs. 271/d4 en 271/g7. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. X-12.044-1/13 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 september 2009. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Karolien Beké, die verschijnt voor de verzoekende partij, en adjunct-adviseur Pieter Dewulf, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De verzoekende partij is eigenaar van een bestaande villa “Castel Fiertel”, op een perceel gelegen te Koksijde, Koninklijke Prinslaan 2, kadastraal bekend sectie F, nrs. 271/d4 en 271/g7. Het voormelde perceel is volgens het gewestplan Veurne- Westkust, vastgesteld bij koninklijk besluit van 6 december 1976, gelegen in woongebied. Het is niet gelegen binnen een gebied waarvoor een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. Het perceel grenst aan de als monument beschermde archeologische site van de “Duinenabdij”, beschermd bij besluit van 23 december 1986 van de Vlaamse regering, dat aan alle percelen een bouwverbod oplegt, maar is zelf niet opgenomen binnen deze bescherming. 4. Op 20 februari 2003 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoekende partij een aanvraag in voor “het bouwen van een meergezinswoning en het slopen van een bestaande villa”. Uit de beschrijvende nota en uit de bouwplannen bij de aanvraag blijkt dat het project voorziet in het bouwen van een appartementsgebouw met vier verdiepingen en een nokhoogte van 12,6 m. De oppervlakte van de nieuwbouw X-12.044-2/13 bedraagt 1.030,31 m² en het volume 14.137,49 m³. In het gebouw worden 23 appartementen en 26 ondergrondse garages voorzien. 5. Na het openbaar onderzoek, dat één bezwaar oplevert, verleent het college van burgemeester en schepenen van Koksijde een ongunstig advies. 6. Op 10 juni 2003 verleent Monumenten en Landschappen West- Vlaanderen een ongunstig advies over de aanvraag. 7. Het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium Buitendienst West-Vlaanderen verleent op 22 mei 2003 een voorwaardelijk gunstig advies. 8. Op 9 mei 2003 verleent de afdeling Natuur Buitendienst West- Vlaanderen Cel Kustzone een voorwaardelijk gunstig advies. 9. De afdeling Wegen en Verkeer West-Vlaanderen district Diksmuide verleent op 28 februari 2003 een gunstig advies. 10. Op 16 oktober 2003 adviseert de gemachtigde ambtenaar van de afdeling ROHM West-Vlaanderen de aanvraag ongunstig. 11. Bij beslissing van 21 oktober 2003 wordt de stedenbouwkundige vergunning door het college van burgemeester en schepenen geweigerd. Tegen de voormelde beslissing dient de verzoekende partij een administratief beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen. 12. Op 1 juli 2004 besluit de bestendige deputatie van de provincie- raad van West-Vlaanderen het beroep van de verzoekende partij ongegrond te verklaren. Dit is de bestreden beslissing, die de volgende overwegingen in verband met de beoordeling van de goede plaatselijke ordening bevat: “Overwegende dat de plaats van de aanvraag zich bevindt aan de gewestweg op de hoek van de J. Van Buggenhoutlaan en de Koninklijke Prinslaan te Koksijde; dat het perceel paalt aan de archeologische site van de Duinenabdij, beschermd als monument; dat naast de bouwplaats aan de Koninklijke Prinslaan zich een villa bevindt (kadastraal nummer 271/m/4); dat verderop het Duinenabdij-museum gelegen is met aansluitend de archeologische site dat uitstrekt tot achter het bouwperceel; dat aan de overzijde van de J. Van X-12.044-3/13 Buggenhoutlaan een windmolen gesitueerd is in natuurgebied; dat aan de overzijde van de Koninklijke Prinslaan een villa en een drietal appartementsgebouwen bevinden; Overwegende dat het ontwerp voorziet in de afbraak van de bestaande villa ‘Castel Fiertel’ en het oprichten van een appartementsgebouw op een perceel van 3.907 m²; dat de te slopen villa met haar witte gevel en rood dak wordt gekenmerkt door haar grootte (oppervlakte van 341,8 m² en een bouwvolume van 3.202,97 m³) en door haar opvallende verschijningsvorm (grote zadeldak, geïntegreerde dakkapellen, een klein torentje); dat het op te richten gebouw een oppervlakte zal hebben van 1.030 m² en een bouwvolume van 14.137,49 m³; dat het ontwerp zal bestaan uit 4 bouwlagen; dat de kroonlijst een hoogte heeft van 6 m en een nokhoogte van 12,6 m; dat op die manier in het dakgedeelte 2 bouwlagen worden geïntegreerd; Overwegende dat het gebouw wordt voorzien van 23 appartementen en 26 garages; dat de garages bereikbaar zijn via een ondergrondse ingang aan de zijkant van het gebouw; dat de uitrit met een breedte van ca. 6m en een lengte van ca. 20 m uitgeeft op de Koninklijke Prinslaan; dat de toegang tot het gebouw gebeurt via een trappengeheel van ca. 18 m dat leidt naar de kelder- verdieping; dat het gebouw zowel aan de voor- en achtergevel als aan de zijgevels, voorzien zijn van terrassen; dat de terras aan de zuidoostelijke gevel grenst tot aan de perceelsgrens; dat tenslotte het gebouw zal worden uitgerust met rustieke tegelpannen, donkergrijs pvc buitenschrijnwerk, dubbele beglazing, aluminium balustrades, dorpels in blauwe hardsteen en lichtgrijze baksteen; Overwegende dat de aanvraag is gelegen in een woonzone en is principieel in overeenstemming van het gewestplan; dat niettemin een verantwoorde toekomstige aanleg dient te worden gevrijwaard door de nodige voorwaarden te stellen of tot de weigering te besluiten (art. 43 §2 lid 1 Gec. D); dat door het oprichten van een gebouw met een oppervlakte dat drie keer groter is dan de huidige villa, met een bouwvolume dat vier keer groter zal zijn dan de huidige villa, en met een hoogte van 12,60 m boven het gelijkvloerse peil, de ruimtelijke impact van het gebouw op de onmiddellijke omgeving veel te groot wordt; dat bijgevolg het ontwerp strijdig is met de goede ruimtelijke ordening; Overwegende dat het ontwerp paalt aan de archeologische site van de Duinenabdij, die tevens beschermd is als monument; dat uit recente studie blijkt dat het perceel gelegen is op een plaats waar vroeger gebouwen van de Duinenabdij stonden; dat in het licht van de herwaardering van de hele abdijsite waarbij ondermeer wordt voorzien in een overkoepeling van het gastenverblijf, het openbreken van de Jaak Van Buggenhoutlaan, de oprichting van een appartementsgebouw op die plaats, de toekomstige opties voor de verdere ontwikkeling van de hele archeologische site zou ondermijnen”. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel 13. De verzoekende partij roept in een eerste middel de schending in van “artikel 53, §3 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening, X-12.044-4/13 gecoördineerd op 22 oktober 1996” en van “de materiële motiveringsplicht”. Tevens voert zij machtsafwending aan: “4.1.1 Wettelijke bepalingen en begripsomschrijving Artikel 53, §3 van het DROG bepaalt: ‘De beslissingen van de bestendige deputatie en de Vlaamse regering worden met redenen omkleed. De vergunning kan worden geweigerd om dezelfde redenen, worden verleend onder de voorwaarden of kan de afwijkingen toestaan, bedoeld in de artikelen 43, 44 en 49.’ In de rechtsleer wordt het begrip machtsafwending als volgt gedefinieerd: ‘De machtsafwending is de onwettigheid waarbij een bestuursorgaan de bevoegdheid welke hem bij wet tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang is gegeven, gebruikt tot het nastreven van een ander doel. De door machtsafwending aangetaste administratieve rechtshandeling heeft de schijn van een regelmatige handeling; zij gaat uit van een daartoe bevoegde overheid die de daarbij voorgeschreven materieel- en formeelrechtelijke regelen in acht heeft genomen, maar zij is aangetast door een verborgen gebrek dat verband houdt met de door de overheid nagestreefde bedoeling en zodoende tot de interne wettigheid behoort. Het publiekrechtelijk orgaan kan nooit vrij het doel kiezen waartoe het zijn bevoegdheid gebruikt; in dat opzicht is zijn bevoegdheid altijd gebonden. Een publiekrechtelijke bevoegdheid wordt immers altijd met het oog op het algemeen belang toegekend.’ (...). Met betrekking tot de materiële motiveringsplicht wordt in de rechtsleer gesteld : ‘In deze paragraaf behandelen wij het probleem van de draagkracht van de motivering, d.z. de gronden waarop de beslissing rust. De administratieve overheden dienen verantwoording af te leggen voor hun bevoegdheidsuitoefening in een concrete situatie. De concrete situatie ligt deels in de feiten, deels in het recht. Feiten en recht vormen de stimuli om de bevoegdheid van de administratieve overheid in werking te stellen. Het motiveren slaat de brug tussen de gronden en de uiteindelijke beslissing die wordt genomen in het kader van de ontbrande bevoegdheid. De motiveringsplicht treedt derhalve naar buiten in een dubbele gedaante nl. in de gronden van de beslissing en het motiveren d.i. het veruitwendigen van de motieven. De eis dat een besluit moet worden gedragen door een motivering is ‘in wezen een eis’ die aan ieder rationeel te verantwoorden besluit mag worden gesteld. Het is de overheid niet toegestaan om irrationele besluiten te nemen. Wij zijn het volkomen eens met NICOLAI P., wanneer hij stelt dat ‘niet de subjectieve, toevallige inzichten van de bestuurder maar de plicht om de openbare zaak zo goed mogelijk te behartigen de overheidsbemoeienis met de samenleving tot leidraad moet dienen. De administratie dient het recht ‘objectief’ te verwerkelijken. Bevoegdheid, recht of vrijheid van die ‘rechter-in-eigen-zaak’ betekent geen vrijheid om zich door eigen voorkeur, ingeving of willekeur te laten leiden.’ (...). 4.1.2 Toelichting Het Bestreden Besluit wordt als volgt gemotiveerd : ‘Overwegende dat het ontwerp paalt aan de archeologische site van de Duinenabdij, die tevens beschermd is als monument; dat uit recente studie blijkt dat het perceel gelegen is op een plaats waar vroeger gebouwen van de Duinenabdij stonden; dat in het licht van de X-12.044-5/13 herwaardering van de hele abdijsite waarbij ondermeer wordt voorzien in een overkoepeling van het gastenverblijf, het openbreken van de Jaak Van Buggenhoutlaan, de oprichting van een appartementsgebouw op die plaats, de toekomstige opties voor de verdere ontwikkeling van de hele archeologische site zou ondermijnen;’ In het Bestreden Besluit wordt eveneens het advies van de gemachtigde ambtenaar integraal opgenomen : ‘Overwegend dat het nieuwe bouwvolume 4 x groter is en grondoppervlakte I maal groter is dan de huidige toestand. Overwegend dat het hier gaat om een groot volume van 14137 m³, een oppervlakte van 1030 m², een nokhoogte van 12,6 m, een lengte van de voorgevel van 43,60 m wat een grote impact heeft op het uitzicht van de nabijgelegen beschermde site en niet in overeenstemming is met het karakter en de morfologie van de omgeving. Overwegend dat de aanvraag paalt aan de beschermde site van de Duinenabdij en dat het perceel is gelegen op een plek waar vroegere gebouwen van de Duinenabdij stonden. Dit perceel bevat hoogstwaarschijnlijk archeologisch materiaal van de abdij. Overwegend dat momenteel het revalorisatieproject loopt genoemd ‘Ik verrijs vanonder het zand’. Een goed beheer van de archeologische resten is enkel mogelijk mits een valorisatie van de volledige site en zijn omgeving. De bouw van een meergezinswoning op deze plek kadert absoluut niet binnen deze visie. Als besluit wordt gesteld dat het voorgestelde nieuwbouwproject een enorm sterke negatieve impact zal hebben op het recent opgegraven gastenverblijf, maar tevens ook op het geheel van het museumcomplex en archeologische site. Overwegend dat het perceel hoogstwaarschijnlijk kostbare archeologische resten bevat.’ Uit voormelde motivering blijkt dat Verwerende Partij haar bevoegdheid om de goede plaatselijke ordening te beschermen, aanwendt om een ander doel na te streven, nl. de vrijwaring van het valorisatieproject ‘Ik verrijs vanonder het zand’. Verwerende Partij kan er echter niet omheen dat het perceel van Verzoekende Partij geen deel uitmaakt van de als monument beschermde archeologische site ‘Duinenabdij’ en er bijgevolg geen bouwverbod op rust. Integendeel, het perceel ligt in een gebied dat een woongebied vormt volgens de vigerende stedenbouwkundige bepalingen. Volgens Verwerende Partij bevat het perceel van Verzoekende Partij ‘hoogstwaarschijnlijk’ archeologisch materiaal van de abdij die gesitueerd was op het aanpalend perceel. Om die reden kadert volgens Verwerende Partij de bouw van een meergezinswoning absoluut niet binnen de visie van het valorisatieproject. Door te stellen dat ‘een meergezinswoning’ - zonder enig onderscheid - niet toelaatbaar is, vestigt Verwerende Partij een principieel bouwverbod op het perceel van Verzoekende Partij, dat klemt met de stedenbouwkundige bestemming van het perceel. Hiermee sluit Verwerende Partij zich blindelings aan bij de weigeringsbeslissing van het College van Burgemeester en schepenen van de gemeente Koksijde d.d. 21 oktober 2003, waarin werd gesteld: ‘Gelet dat de aanvraag paalt aan de beschermde site van de Duinenabdij en dat het perceel is gelegen op een plek waar vroegere gebouwen van de Duinenabdij stonden. Dit perceel bevat hoogstwaarschijnlijk archeologisch materiaal van de abdij. Gelet dat momenteel het revalorisatieproject loopt genoemd ‘Ik verrijs van onder het zand’. Een goed beheer van de archeologische resten is enkel mogelijk mits een valorisatie van de volledige site en zijn X-12.044-6/13 omgeving. De bouw van een meergezinswoning op deze plek kadert absoluut niet binnen deze visie.’ Verwerende Partij poogt aldus - net als het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Koksijde - met het Bestreden Besluit de bepalingen van het Decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium (hierna ‘Decreet Archeologisch Patrimonium’) te omzeilen. Krachtens artikel 13, §1 van het Decreet Archeologisch Patrimonium is enkel de Vlaamse regering bevoegd om een ontwerp van lijst op te stellen van de voor bescherming vatbare archeologische monumenten en zones. De artikelen 13 en 14, §1 van het Decreet Archeologisch Patrimonium luiden immers als volgt : ‘Art. 13. § 1. De regering maakt ontwerpen van lijst op van de voor bescherming vatbare archeologische monumenten en zones. Zij besluit daartoe op eigen initiatief of op voorstel van de administratie, de Raad, een provincie, een gemeente, een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke instelling of vereniging of een particulier. §2. De ontwerpen van lijst bevatten: 1/ de omschrijving van de te beschermen goederen; 2/ de kadastrale nummers van de percelen waar die goederen zich bevinden; 3/ een plan waarop die goederen nauwkeurig worden afgelijnd; 4/ de redenen die tot de bescherming aanleiding geven; 5/ de algemene en bijzondere beschermingsvoorschriften.’ ‘Art. 14. § 1. De ontwerpen van lijst worden: 1/ bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de eigenaars zoals bekend bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen op de datum van opmaken van de ontwerpen van lijst; 2/ [ter kennis gebracht van de bestuurlijke entiteiten, bevoegd voor ruimtelijke ordening, landinrichting, milieu, natuurbehoud en natuurlijke rijkdommen, en van de provincie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.