← België

Arrest 199705 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.705 Rolnummer: A. 155646/X-12051 Zaak: Arrest 199705 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-27 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-07-02 08:21 Fiche Arrest nr 199.705 van 20 januari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 199.705 van 20 januari 2010 in de zaak A. 155.646/X-12.

  1. In zake:
  2. Jozef FEYAERTS
  3. Elizaveta FEYAERTS die woonplaats kiezen te 3020 HERENT Keulenstraat 109 tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Declercq kantoor houdend te 3000 LEUVEN J.P. Minckelersstraat 33 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 15 september 2004, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de Vlaamse minister van Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie (...) van 15 juli 2004, houdende: de verwerping van het door verzoekende partij (...) ingestelde hoger beroep tegen de door de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Vlaams-Brabant in beroep afgeleverde stilzwijgende weigering, na weigering in eerste aanleg door het CBS-Herent, van stedenbouwkundige vergunning voor de aanbouw van een veranda (30m²) op het terrein Keulenstraat 109 te 3020 Herent (kadastrale omschrijving: afdeling 2, sectie D, nr. 33n)”. II. Verloop van de rechtspleging
  5. Bij arrest nr. 144.274 van 10 mei 2005 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. X-12.051-1/12 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur An Van Den Broeck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 oktober
  6. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Jozef Feyaerts en Elizaveta Feyaerts, en advocaat Steven De Wolf, die loco advocaat Philippe Declercq verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur An Van Den Broeck, daartoe gemachtigd bij beslissing van 31 oktober 2008 van de adjunct-auditeur-generaal, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten
  8. Op 19 september 2003 (datum van het ontvangstbewijs) dienen de verzoekende partijen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Herent een aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor het aanbouwen van een veranda aan een woning gelegen te Herent, Keulenstraat 109, op een perceel kadastraal bekend sectie D, nr. 33/n.
  9. Bij besluit van 5 januari 2004 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. X-12.051-2/12
  10. Op 21 januari 2004 stellen de verzoekende partijen tegen het voormelde weigeringsbesluit beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant.
  11. Bij gebrek aan een kennisgeving van een beslissing van de bestendige deputatie over dit beroep binnen de termijn bepaald in artikel 53, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, stellen de verzoekende partijen op 8 april 2004 beroep in bij de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening.
  12. Bij het thans bestreden besluit van 15 juli 2004 verwerpt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie het beroep van de verzoekende partijen. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat de aanvraag de oprichting van een veranda tussen de bestaande woning en de garage betreft; dat de geplande constructie zal geplaatst worden boven een bestaand terras dat de verbinding vormt tussen de woning en de garage en afmetingen zal hebben van 5,00 m bij 6,00 m met een hoogte van 2,50 m, voorzien zal worden van een plat dak met daarop nog een lichtstraat van 1,00 m breed en 1,00 m hoog; dat de voorziene zijgevels in glas zullen uitgevoerd worden; dat door de realisatie van de gevraagde veranda een aaneengesloten bebouwing met een totale bouwdiepte van 30,11 m zal ontstaan; Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar op 23 april 2004 het volgende heeft gesteld: ‘...Het standpunt ingenomen door het college van burgemeester en schepenen wordt door mij bijgetreden. De oorspronkelijke woning heeft een bouwdiepte van 18,50 m. Door de uitbreiding van de woning met een veranda wordt niet alleen de bouwdiepte uitgebreid maar ook een achterliggende garage gekoppeld aan de woning. Hierdoor wordt een totale bouwdiepte van 30,11 m gerealiseerd. Een dergelijke bouwdiepte beantwoordt niet aan de normale stedenbouwkundige normen en is niet aanvaardbaar binnen de ruimtelijke omgeving van het project’; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Leuven, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, gelegen is in een woongebied; dat overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de woongebieden bestemd zijn voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven; dat deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen echter maar mogen worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; X-12.051-3/12 Overwegende dat het terrein in kwestie niet gesitueerd is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan; Overwegende dat appellant tijdens de hoorzitting stelt dat de uitbreiding in functie van een speelruimte voor de kinderen is voorzien; dat de geplande veranda zal uitgevoerd worden in geluidsisolerende beglazing; dat zodoende er zeker geen geluidsoverlast zal ontstaan; dat de tuin bereikbaar zal blijven via de garage; dat de voorziene terrasdeuren in de zijgevel enkel ter verluchting van de geplande veranda voorzien zijn; dat er gestreefd wordt naar de optimalisatie van de bestaande toestand; dat het niet de bedoeling is om de rest van het perceel van bebouwing te voorzien; dat de bestaande balustrade zal verwijderd worden en er een voldoende hoog en dicht, groenblijvend scherm zal aangeplant worden; Overwegende dat uit het stedenbouwkundig-technisch onderzoek blijkt dat de onmiddellijke omgeving bestaat uit overwegend vrijstaande woningen gesitueerd aan de straatzijde; dat deze gebouwen grotendeels over een brede voorgevel en kortere zijgevels beschikken zodat steeds over een ruime tuinzone kan beschikt worden; dat betrokken perceel een lange en smalle configuratie heeft; dat de woning een lang, smal volume betreft, dat reeds dieper dan de omliggende woningen is opgericht; dat door de geplande werken een nòg grotere bouwdiepte zal gerealiseerd worden dan nu reeds is voorzien én er bijkomend een verblijfsruimte ter hoogte van de tuinzone van de buurwoningen zal gerealiseerd worden; dat een dergelijke bouwdiepte in deze omgeving niet voorkomt, stedenbouwkundig onverantwoord is en de plaatselijke aanleg niet ten goede zal komen”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  13. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
  14. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “Het doel van de in voormelde hoofding vermelde wetgeving is de bestuurde, ten aanzien van wie een beslissing is genomen, een zodanig inzicht te geven in de motieven van de beslissing dat hij in staat is terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing op het stuk van haar motieven te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt; Voormelde doelstelling impliceert dat: X-12.051-4/12 - dergelijke bestuurshandelingen moeten gesteund zijn op correcte juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen; - verzoeker het recht heeft volledig geïnformeerd te zijn vooraleer zich tot Uw Raad te wenden, zodat hij geen vrede moet nemen met de mogelijke mededeling van de motieven van een beslissing nadat ertegen beroep is ingesteld; Wat betreft de drie hoger vermelde peilers waarop het dictum van het bestreden besluit is gesteund, dient gesteld wat volgt:
  15. Zowel het CBS-Herent, als de gemachtigde ambtenaar motiveren respectievelijk hun weigeringsbesluit en advies waarop verwerende partij het bestreden verwerpingsbesluit in hoofdzaak steunt, uiterst summier. Zoals reeds expliciet vermeld in de beschrijvende nota (...), maakt het kadastraal perceel waarop de werken gepland zijn, geen deel uit van een APA, BPA of goedgekeurde verkaveling, zodat in de huidige wettelijke context, de aanvraag qua stedenbouwkundige normering slechts dient getoetst aan het vigerend gewestplan. In dat vigerend gewestplan komt echter nergens een wettelijke bepaling voor die een maximale bouwdiepte oplegt (laat staan een bouwdiepte van 30,11 m verbiedt). De motivatie dat volgens het gewestplan in woongebied een bouwdiepte van 30,11 m enerzijds overdreven en anderzijds onaanvaardbaar is, mist dan ook elke juridische grondslag; Bovendien dient de aanvullende motivatie van respectievelijk het CBS-Herent: het project ‘is stedenbouwkundig niet verantwoord’, en de gemachtigde ambtenaar: het project ‘is stedenbouwkundig niet aanvaardbaar binnen de ruimtelijke omgeving van het project’, volgens zowel rechtsleer, als rechtspraak van Uw Raad beschouwd als een loutere stijlformule zodat het hierop gesteunde bestreden verwerpingsbesluit van verwerende partij louter en alleen hierdoor reeds vatbaar is voor schorsing en vernietiging;
  16. De stelling van verwerende partij dat door de te realiseren verblijfsruimte onder de vorm van een veranda een nog grotere bouwdiepte zal gerealiseerd worden ter hoogte van de tuinzone van de buurwoningen (...) is geenszins een correcte feitelijke overweging, waardoor de onder hoofding IV.a. vermelde wetgeving een tweede maal ernstig wordt geschonden; Reeds op 28 september 1977 levert het CBS-Herent immers zonder het minste probleem een stedenbouwkundige vergunning af voor de bouw van een, via een terras aan elkaar gekoppelde woning en dubbele garage, met een totale bouwdiepte van 30m
  17. Het voorwerp van de door verzoekende partij d.d. 19 september 2003 ingediende stedenbouwkundige vergunningsaanvraag omvat dus niet, zoals verwerende partij in haar bestreden verwerpingsbesluit ten onrechte motiveert, een uitbreiding van de reeds bestaande vergunde bouwdiepte. Het in voormelde vergunningsaanvraag ingediende ontwerp streeft enkel, omwille van de onder rubriek III.b. vermelde redenen, naar een meer optimale benutting van de reeds sinds 1977 ingenomen en vergunde bouwdiepte teneinde de resterende open ruimte zoveel mogelijk te vrijwaren;
  18. Tot slot vormt ook de motivering in het door verwerende partij afgeleverde bestreden verwerpingsbesluit, dat een bouwdiepte van 30m11 in deze omgeving niet voorkomt, stedenbouwkundig onverantwoord is en de plaatselijke aanleg niet ten goede zal komen omwille van de creatie van een verblijfsruimte ter hoogte van de buurwoningen (...), opnieuw een grove schending van de onder hoofding IV.a. vermelde wetgeving; In twee principe-arresten van Uw Raad wordt beklemtoond dat de motivering die aan een bestuurshandeling ten grondslag ligt steeds ‘afdoende’ moet zijn. X-12.051-5/12 Wanneer de bevoegde stedenbouwkundige overheid op 28 september 1977 zonder ook maar het minste probleem een stedenbouwkundige vergunning aflevert voor de bouw van een woonproject (bestaande uit een aaneengesloten woning, terras en dubbele garage) met een totale bouwdiepte van 30m11, waarbij zij zich ten volle bewust is dat meer dan helft van de verblijfsruimten uit dit woonproject gelegen zijn langsheen de (achtertuin)zones van de op dat ogenblik nog op te richten aanpalende buurwoningen, en waarbij voorgaande situatie door deze overheid geenszins als stedenbouwkundig onverantwoord en in strijd met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening wordt beschouwd; wanneer diezelfde stedenbouwkundige overheid, alsmede verwerende partij, heden echter plots stellen dat de plaatsing van een veranda (die quasi volledig uit transparante bouwelementen zal bestaan) boven een sinds 1977 bestaande en vergunde leefruimte langsheen achtertuinzone van de aanpalende buurwoningen wèl als stedenbouwkundig onverantwoord en in strijd met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening wordt beschouwd; dient deze motivatie uit het door verzoekende partij bestreden besluit, overeenkomstig hoger vermelde principe-arresten van Uw Raad, dan ook beschouwd als zijnde ‘niet afdoende’; Bovendien is de bewering van verwerende partij dat een bouwdiepte van 30m11 niet voorkomt in de omgeving van de woning van verzoekende partij gesteund op een niet correcte feitenvinding. Het door verzoekende partij d.d. 08 april 2004 ingediende beroepsschrift (...) bevat immers een bloemlezing van stedenbouwkundige projecten in de omgeving van de woning van verzoekende partij die de bouwdiepte en/of het bouwvolume van de woning van verzoekende partij ruimschoots overtreffen, en door de stedenbouwkundige overheid geenszins als stedenbouwkundig onverantwoord en in strijd met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening worden beschouwd. Het bestreden besluit bevat geen enkele aanwijzing dat verzoekende partij zich de moeite getrooste om zich van de plaatselijke toestand te vergewissen teneinde tot een correcte feitenvinding te komen”. Beoordeling
  19. Ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep, is het besluit van 15 juli 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie in de plaats gekomen van het besluit van 5 januari 2004 van het college van burgemeester en schepenen. Dit laatste besluit moet derhalve geacht worden niet langer te bestaan. In zoverre het middel de motivering ervan betwist, is het dan ook niet dienstig.
  20. Voor het gebied waarbinnen het betrokken bouwperceel is gelegen, bestaat geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan. Het maakt evenmin deel uit van een vergunde niet vervallen verkaveling. In die omstandigheden is het de taak van de vergunningverlenende overheid om geval per geval te onderzoeken of de bouwaanvraag beantwoordt aan de eisen van een goede plaatselijke ordening, overeenkomstig een beginsel dat kan X-12.051-6/12 worden afgeleid uit artikel 43, § 2, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) en dat eveneens uitdrukkelijk is opgenomen in artikel 19, derde lid van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen.
  21. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (is) op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit een en ander volgt dat wat de motiveringsverplichting betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet is van suppletoire aard. Artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet legt aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli
  22. Het bestreden besluit valt derhalve niet onder de toepassing van de laatstgenoemde wet. In zoverre de schending wordt ingeroepen van de bepalingen van de wet van 29 juli 1991, is het middel niet gegrond.
  23. Het behoort tot de wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid van de vergunningverlenende overheid om, binnen de grenzen van de door het gewestplan opgelegde bestemmingsvoorschriften, te oordelen of de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning al dan niet verenigbaar is met de eisen van de goede plaatselijke aanleg. De Raad van State vermag zijn beoordeling van de eisen van de goede plaatselijke aanleg niet in de plaats te stellen van die van de bevoegde overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is hij enkel bevoegd om na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij X-12.051-7/12 deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
  24. Zonder te moeten ingaan op de vraag of door de betwiste vergunningsaanvraag de bouwdiepte al dan niet wordt uitgebreid, dient te worden vastgesteld dat het bestreden besluit steunt op de dubbele motivering dat “door de geplande werken een nòg grotere bouwdiepte zal gerealiseerd worden dan nu reeds is voorzien én er bijkomend een verblijfsruimte ter hoogte van de tuinzone van de buurwoningen zal gerealiseerd worden” en het besluit dat “een dergelijke bouwdiepte in deze omgeving niet voorkomt, stedenbouwkundig onverantwoord is en de plaatselijke aanleg niet ten goede zal komen”. Dit laatste besluit is gesteund op een concrete beschrijving van de onmiddellijke omgeving van het bouwperceel, waarvan de juistheid door de verzoekende partijen niet wordt betwist. De minister heeft bij de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening terecht in de eerste plaats rekening gehouden met de kenmerken van de onmiddellijke omgeving, beoordeling die in overeenstemming is met de stukken uit het administratief dossier. De verzoekende partijen brengen ook geen argumenten bij waaruit blijkt dat deze beoordeling kennelijk onredelijk is.
  25. Voorts dient te worden vastgesteld dat de minister, wanneer hij op grond van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet over een beroep uitspraak doet, optreedt, niet als administratief rechtscollege, maar als orgaan van het actief bestuur, zodat hij, om te voldoen aan de hem opgelegde motiveringsverplichting, kan volstaan met het vermelden van de redenen waarop zijn beslissing steunt en hij er niet toe gehouden is alle door de betrokken partijen aangevoerde argumenten, te dezen de argumentatie van de verzoekende partijen met betrekking tot de aangevoerde “stedenbouwkundige projecten” in de omgeving van hun woning, te beantwoorden. Daarenboven blijkt uit de gegevens van de zaak -daargelaten of deze projecten het voorwerp van een vergunning uitmaken- dat deze “voorbeelden” zich op grotere afstand van het bouwperceel bevinden en aldus aan de juistheid van de feitenvinding geen afbreuk doen.
  26. Het middel wordt verworpen. X-12.051-8/12 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  27. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het “benuttigingsgelijkheidsbeginsel van de openbare dienst”. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “Het in de grondwet geponeerde gelijkheidsbeginsel en het benuttigingsgelijkheidsbeginsel van de openbare dienst impliceren onder meer dat alle burgers door de stedenbouwkundige overheid op gelijke wijze moeten behandeld worden; Zoals reeds hoger vermeld, toont verzoekende partij in het door haar d.d. 08 april 2004 ingediende beroepsschrift (...) overvloedig aan dat de bevoegde stedenbouwkundige overheid in de omgeving van de woning van verzoeker, niet het minste stedenbouwkundig bezwaar maakt tegen de aanwezigheid van stedenbouwkundige projecten die qua bouwvolume en/of bouwdiepte, de woning van verzoeker in vaak zeer ruime mate overtreffen; Wanneer verwerende partij in het bestreden besluit stelt dat de bouw van een veranda boven een bestaand en vergund terras stedenbouwkundig onverantwoord is, en in strijd met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, kan men dan ook niet anders dan besluiten dat deze overheid twee maten en gewichten hanteert bij de beoordeling van stedenbouwkundige vergunningsaanvragen en hierdoor de onder hoofding IV.b. vermelde beginselen manifest schendt”. Beoordeling
  28. Het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden indien in rechte en in feite gelijke situaties zonder objectieve en redelijke verantwoording ongelijk worden behandeld. De verzoeker die de schending opwerpt, moet dit met concrete en precieze gegevens in zijn verzoekschrift aantonen.
  29. Te dezen dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen in de uiteenzetting van het middel in gebreke blijven een schending van het gelijkheidsbeginsel in de zin zoals hiervoor uiteengezet, aan te tonen.
  30. Het middel is niet gegrond. X-12.051-9/12 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  31. In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “De stedenbouwkundige overheid beschikt bij de beoordeling van zowel de door verzoeker ingediende stedenbouwkundige vergunningsaanvraag, als het d.d. 08 april 2004 ingestelde beroep, over een discretionaire bevoegdheid, waardoor zij verplicht is om het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel met bijzondere zorg in acht te nemen; Het behoort echter tot de prerogatieven van de Raad van State om via een marginale toetsing van het bestuursoptreden na te gaan of het bestuur de grenzen van de redelijkheid heeft overtreden, en ingeval van kennelijke wanverhouding tot de feiten waarop de beslissing is gebaseerd, sanctionerend op te treden; Verzoekende partij richt vooreerst de aandacht op rubrieken 2.a., c. en inzonderheid d. van de beschrijvende nota (...), waarin expliciet wordt vermeld: ‘...
  32. Ruimtelijke context van de geplande werken: a. feitelijk uitzicht en toestand van de plaats waar de werken zijn gepland: De veranda zal geplaatst worden boven een bestaand terras dat de verbinding vormt tussen een vergunde woning en garage. Het terras is reeds volledig ingebed in een streekeigen groenscherm. b. ... c. overeenstemming aanvraag met de wettelijke en ruimtelijke context: ... Door de materiaalkeuze (i.c. transparante glazen zijwanden en lichtstraat) en constructievorm (i.c. horizontaal dak) is de impact van het geplande bouwwerk op de directe omgeving verwaarloosbaar zodat het voorwerp van de aanvraag verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening en de ruimtelijke draagkracht van de directe omgeving geenszins wordt overschreden. d. integratie van de geplande werken in de omgeving: Zoals reeds vermeld onder rubriek 2.a. is het bestaande terras waarop de veranda zal geplaatst worden reeds volledig ingebed in een streekeigen groenscherm. Bovendien zullen de bestaande terrasballustrades worden verwijderd en plaats maken voor transparante glazen zijpanelen, zodat de visuele impact voor de directe omgeving na uitvoering van de werken aanzienlijk zal verminderen. Door de kroonlijsthoogte van de geplande veranda onmiddellijk te laten aansluiten ter hoogte van de dakhellingen van de reeds vergunde garage, vormt de zichtbare kroonlijst een esthetische verbindingslijn tussen de reeds bestaande woning en garage. ...’ In voormelde nota levert verzoekende partij reeds het voldoende bewijs dat de goede ruimtelijke ordening door het geplande bouwwerk geenszins wordt geschaad, meer zelfs, in deze nota wordt expliciet aangetoond dat door de uitvoering van de werken de plaatselijke ruimtelijke ordening nog wordt verbeterd; X-12.051-10/12 Hierbij aansluitend benadrukt verzoekende partij dat met een totale bouwoppervlakte van 199,24 m² en bouwvolume van 518,02 m³ (na uitvoering van de werken respectievelijk slechts 229,24 m² en 603,82 m³), de woning van verzoekende partij zelfs na de geplande werken nog steeds als een van de kleinste bouwwerken in de Keulenstraat en verdere omgeving blijft. Aanvullend vermeldt verzoekende partij nogmaals dat de Vlaamse regering de impact van het geplande bouwwerk op de onmiddellijke omgeving dermate miniem acht, dat zij dergelijke werken zelfs heeft vrijgesteld van het eensluidend (bindend) advies van de gemachtigde ambtenaar. Vervolgens verwijzen aanvragers naar het feit dat door de materiaalkeuze (i.c. transparant geluids- en warmte-isolerend glas) de huidige ruimtelijke toestand visueel quasi ongewijzigd blijft; En last ‘but not least’ dient nogmaals opgemerkt dat door de werken, de bestaande vergunde bouwdiepte geenszins wordt uitgebreid. Het ontwerp streeft enkel naar een meer optimale benutting van de reeds ingenomen vergunde bouwdiepte, teneinde de resterende open ruimte zoveel mogelijk te vrijwaren; Gelet op voormelde argumenten, en de in het eerste middel aangehaalde bloemlezing van grootschalige bouwprojecten in de omgeving van de woning van verzoekende partij, dient door verwerende partij afgeleverde bestreden besluit als kennelijk onredelijk te worden beschouwd, waardoor Uw Raad gerechtigd is om sanctionerend op te treden”. Beoordeling
  33. Wat betreft de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel, kan worden volstaan met een verwijzing naar de beoordeling van het eerste middel.
  34. Voorts is het middel beperkt tot opportuniteitskritiek. De Raad van State is niet bevoegd om hiervan kennis te nemen.
  35. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  36. De Raad van State verwerpt het beroep.
  37. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, elk voor de helft. X-12.051-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig januari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, met bijstand van Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-12.051-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.705 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.274 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.