← België

Arrest 199714 - Milieuheffingen - 21/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.714 Rolnummer: A. 147150/XII-4039 Zaak: Arrest 199714 - Milieuheffingen - 21/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-01 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 08:21 Fiche Arrest nr 199.714 van 21 januari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuheffingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 199.714 van 21 januari 2010 in de zaak A. 147.150/XII-

  1. In zake : de GEMEENTE HOUTHALEN-HELCHTEREN, die woonplaats kiest bij advocaat Wim Mertens, kantoor houdende te Beringen, Scheigoorstraat 5 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat Wilfried Remy, kantoor houdende te Hasselt, Kolonel Dusaertplein
  2. tussenkomende partij : de CVBA REGIONALE MILIEUZORG, thans Afvalmaatschappij Limburg, die woonplaats kiest bij advocaat Koen Geelen, kantoor houdende te Hasselt, Gouverneur Roppesingel
  3. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente Houthalen-Helchteren op 30 januari 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het Vlaams ministerieel besluit van 1 december 2003 houdende vernietiging van het gemeenteraadsbesluit van Houthalen-Helchteren van 24 april 2003 houdende heffing van een belasting op het aanvoeren en laten aanvoeren van afvalstoffen bestemd om te verbranden; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 19 augustus 2004; Gelet op de beschikking van 9 september 2004 die de tussenkomst van de cvba Regionale Milieuzorg toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; XII-4039-1\14 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. De Somere; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 oktober 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Gebruers, die loco advocaat W. Mertens verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat W. Remy, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat E. Can, die loco advocaat K. Geelen verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  4. Bij besluit van de gemeenteraad van de gemeente Houthalen- Helchteren van 22 november 2001 wordt een “gemeentebelasting op het aanvoeren of laten aanvoeren en stockeren van te verwerken afvalstoffen in vergunde afvalverwerkingseenheden” goedgekeurd. Er wordt met ingang van 1 januari 2002 en eindigend op 31 december 2006 een jaarlijkse gemeentebelasting gevestigd op het aanvoeren van afvalstoffen bestemd om te verbranden (artikel 1). De belasting wordt berekend op de hoeveelheid afval die aangevoerd wordt tijdens het dienstjaar (artikel 2). De belasting wordt ten laste gelegd van degene die deze afvalstoffen aanvoert (artikel 3), en het bedrag van de belasting wordt vastgesteld op 15 euro/ton (artikel 4). XII-4039-2\14 De tussenkomende partij dient tegen deze belasting bezwaar in bij de gouverneur van de provincie Limburg, doch deze deelt mede dat de klacht zonder voorwerp is geworden aangezien de gemeenteraad van de gemeente Houthalen- Helchteren het besluit op 24 januari 2002 heeft ingetrokken. 1.
  5. Eveneens in de zitting van 22 november 2001 keurt de gemeenteraad van de gemeente Houthalen-Helchteren het besluit goed houdende heffing van 20 opcentiemen op de gewestelijke milieuheffing voor de dienstjaren 2002 tot en met
  6. Luidens de overwegingen van het thans bestreden vernietigingsbesluit wordt hiermee enkel “het afval dat bestemd is voor storting” belast. 1.
  7. Bij besluit van de gemeenteraad van de gemeente Houthalen- Helchteren van 27 juni 2002 wordt een “gemeentebelasting op het aanvoeren of laten aanvoeren en afleveren in Houthalen-Helchteren van afvalstoffen bestemd om te verbranden”, met ingang van 1 oktober 2002 en eindigend op 31 december 2006, goedgekeurd. Dit gemeenteraadsbesluit wordt in het kader van het algemeen administratief toezicht bij ministerieel besluit van 5 december 2002 vernietigd. 1.
  8. Bij besluit van de gemeenteraad van de gemeente Houthalen- Helchteren van 24 april 2003 wordt opnieuw een “gemeentebelasting op het aanvoeren of laten aanvoeren en afleveren in Houthalen-Helchteren van afvalstoffen bestemd om te verbranden” goedgekeurd. Er wordt met ingang van 1 september 2003 en eindigend op 31 december 2006 een jaarlijkse gemeentebelasting gevestigd op het aanvoeren of laten aanvoeren en in Houthalen-Helchteren afleveren van afvalstoffen, zoals omschreven in de milieuvergunning van 19 januari 1994 van de deputatie van de provincieraad van Limburg, bestemd om te verbranden. Met afvalstoffen wordt bedoeld: huishoudelijke en met huishoudelijk afval gelijkgestelde afvalstoffen, en ziekenhuisafval (artikel 1). De belasting wordt berekend op de hoeveelheid afvalstoffen die voor verbranding in aanmerking komt en die aangevoerd wordt tijdens het dienstjaar (artikel 2). De belasting wordt ten laste gelegd van degene die XII-4039-3\14 de te verbranden afvalstoffen aanvoert (artikel 3). Het bedrag van de belasting wordt vastgesteld op 11,60 euro/ton (artikel 4). 1.
  9. Bij besluit van 1 juli 2003 van de gouverneur van de provincie Limburg wordt, in het kader van het algemeen administratief toezicht, dit gemeenteraadsbesluit van de gemeente Houthalen-Helchteren van 24 april 2003 in zijn uitvoering geschorst. Nadat de gemeenteraad van de gemeente Houthalen-Helchteren in zijn zitting van 25 september 2003 beslist om het te handhaven, wordt voormeld gemeenteraadsbesluit van 24 april 2003 bij het thans bestreden besluit van 1 december 2003 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden vernietigd. De bestreden beslissing wordt aan de gemeente Houthalen- Helchteren ter kennis gebracht bij schrijven van 1 december 2003 ; de overwegingen ervan luiden : “Overwegende dat door het gemeenteraadsbesluit van Houthalen-Helchteren van 24 april 2003 opnieuw een belasting geheven wordt op het aanvoeren of laten aanvoeren en afleveren van afvalstoffen bestemd om te verbranden. De inhoudelijke bepalingen van de belastingvestiging, met inbegrip van de aanslagvoet, zijn identiek aan deze van de hogervermelde verordening van 27 juni 2002, die werd vernietigd bij besluit van 5 december
  10. Bedoeld worden huishoudelijke en met huishoudelijk afval gelijkgestelde afvalstoffen en ziekenhuisafval. Alleen afval bestemd voor verbranding wordt in deze verordening geviseerd : het afval dat gestort wordt is reeds belast via de heffing van gemeentelijke opcentiemen op de gewestelijke belasting. De belasting is verschuldigd door de aanvoerder. Het tarief bedraagt 11,6 euro per ton. Overwegende dat de uitvoering van de bovenvermelde belastingverordening werd geschorst wegens strijdigheid met het afvalbeleid van de gewestelijke overheid; Overwegende dat het gewestelijk afvalbeleid gebaseerd is op een afvalstoffenverwerkingshiërarchie met, in orde van voorkeur, volgende afvalbehandelingsopties : - afvalvermindering door preventie - hergebruik en recuperatie - verbranden onder milieuhygiënische voorwaarden - en tenslotte storten van de restfractie. Dit beleid is er meer en meer op gericht om de behandelingshiërarchie te ondersteunen via belastingen en retributies; Overwegende dat door de bovenvermelde belastingverordening van de gemeente Houthalen-Helchteren het in de gemeente aangevoerde afval bestemd om te verbranden, belast wordt tegen een tarief van 11,6 euro per ton. Hierdoor is dit afval niet lager belast dan het afval dat gestort wordt op stortplaatsen XII-4039-4\14 binnen het grondgebied van de gemeente. De gemeente heft hierop 20 opcentiemen op de gewestelijke milieuheffing; Overwegende dat het verbranden en storten van afval door het gewestelijk beleid niet op gelijke voet wordt behandeld zoals uitdrukkelijk is bevestigd in het schrijven van 6 augustus 2002 van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse gewest. Storten staat immers op de laagste sport van de afvalverwerkingshiërarchie en zal door het gewestelijk beleid in de mate van het mogelijke worden afgebouwd, ten voordele van verbranden met energieterugwinning. Dit beleid wordt er meer en meer op gericht om de behandelingshiërarchie te ondersteunen via belastingen en retributies. Zo is de gewestelijke heffing, bedoeld in artikel 47§2 van het afvaldecreet nu reeds aanzienlijk hoger voor storten dan voor verbranden van afval. Het heffen van een hoge gemeentebelasting op de aanvoer van afval bestemd voor verbranden doorkruist dit beleid. Dit zal des te meer het geval zijn indien een dergelijke gemeentebelasting wordt uitgebreid naar alle gemeenten waar verbrandingsovens gevestigd zijn. Op die manier wordt verbranden nog duurder en minder concurrentieel dan storten en wordt een beleid dat erop gericht is om meer te verbranden en dus om minder te storten, bemoeilijkt. Bij schrijven van 2 juni 2003 bevestigde de Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij opnieuw dat de gemeenteraadsbeslissing van Houthalen-Helchteren strijdig is met het gewestelijk afvalstoffenbeleid zoals dat inmiddels bepaald is in het Uitvoeringsplan huishoudelijke afvalstoffen; Overwegende dat de bovenvermelde belastingverordening van de gemeente Houthalen-Helchteren van 24 april 2003 derhalve in strijd is met het beleid van de hogere overheid en dus strijdig is met het algemeen belang; Overwegende dat in het rechtvaardigingsbesluit van de gemeente Houthalen- Helchteren van 25 september 2003, evenmin als dat het geval was in het rechtvaardigingsbesluit van 26 september 2002 betreffende de raadsbeslissing van 27 juni 2002, geen nieuwe argumenten aangebracht worden. Er is alleen de loutere bewering dat geen afbreuk gedaan wordt aan het gewestelijk afvalbeleid en er wordt verwezen naar drie belastingverordeningen van andere gemeenten die eveneens in strijd zouden zijn met het gewestelijk beleid maar waartegen toch geen toezichtmaatregelen werden genomen : door wel op te treden tegen de raadsbeslissing van Houthalen-Helchteren zou het gelijkheidsbeginsel volgens dus geschonden zijn; Overwegende dat de verwijzing naar andere gemeentelijke belastingverordeningen waartegen niet zou opgetreden zijn hoewel zij strijdig zouden zijn met het algemeen belang, niet relevant is. De situaties zijn niet vergelijkbaar : - het betreft een belastingverordening op de aanvoer van afval in de gemeente Bilzen : er is echter geen verbrandingsoven in de gemeente Bilzen. - de gemeenteraadsbeslissingen van Wommelgem en Overpelt, waarvan eveneens sprake in het rechtvaardigingsbesluit, betreffen een heel andere gemeentebelasting met name deze op de van onroerende voorheffing vrijgestelde gebouwen en uitrusting. Overigens werd de bedoelde raadsbeslissing van Overpelt wel vernietigd wegens strijdigheid met het algemeen belang bij besluit van 18 maart 2003 terwijl aan de gemeente Wommelgem, evenals aan al de andere gemeenten waar een gelijkaardige gemeentebelasting werd geheven, bij brief van 23 december 2002 werd meegedeeld onder welke omstandigheden deze gemeentebelasting wel nog aanvaardbaar is. De verwijzing naar andere gemeentebelastingen in het rechtvaardigingsbesluit is derhalve terzake niet relevant en bovendien onjuist; Besluit Enig Artikel. Het besluit van de gemeenteraad van Houthalen-Helchteren van 24 april 2003 houdende heffing van een belasting op het aanvoeren en laten XII-4039-5\14 aanvoeren van afvalstoffen bestemd voor verbranding, vanaf 1 september 2003 tot en met 31 december 2006, wordt vernietigd”. 1.
  11. Bij besluit van de gemeenteraad van de gemeente Houthalen- Helchteren van 26 april 2007 wordt een “aanvullende gemeentebelasting op de milieuheffing van de Vlaamse Gemeenschap: dienstjaar 2007 tot en met 2013” goedgekeurd. Er wordt een aanvullende belasting geheven op de heffing van de Vlaamse Gemeenschap in toepassing van artikel 47 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen (artikel 1). De belasting wordt berekend a rato van 20 opcentiemen op alle categorieën van afvalstoffen zoals omschreven in het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen en zoals dit werd gewijzigd of nog zal gewijzigd worden bij latere besluiten (artikel 2). De gegrondheid van het beroep
  12. De gemeente doet in het inleidend verzoekschrift drie middelen gelden. Uiteenzetting van het eerste middel
  13. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 170, §4, van de Grondwet, artikel 117 van de nieuwe gemeentewet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 inzake de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en uit het motiveringsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het beginsel van de gewekte verwachtingen en het fair-playbeginsel. De enige mogelijkheid om in te gaan tegen de gemeentelijke fiscale autonomie bestaat volgens verzoekster erin te stellen dat het belastingreglement strijdig zou zijn met het algemeen belang, hetgeen nergens in de bestreden beslissing staat geschreven. De Vlaamse minister stelt enkel dat het belastingreglement strijdig is met het afvalbeleid van de gewestelijke overheid, dat een “behandelingshiërarchie” met betrekking tot afval bevat. Het is evenwel niet omdat een bepaalde belasting strijdig zou zijn met het beleid van een hogere overheid, dat het strijdig is met het algemeen belang. De Vlaamse minister stelt dat het gewestelijk afvalbeleid wordt doorkruist indien een dergelijke gemeentebelasting wordt uitgebreid naar alle gemeenten waar verbrandingsovens gevestigd zijn, doch deze stelling verwijst naar XII-4039-6\14 een hypothetische situatie die nu nog niet het geval is en kan geen wettig motief zijn om de beslissing te schragen. Krachtens artikel 170, § 4, van de Grondwet komt het alleen aan de wet- of decreetgever toe om gemeenten te verbieden bepaalde belastingen in te voeren, en eventuele beleidsplannen kunnen dit dus zeker niet. Artikel 47, § 2, van het afvalstoffendecreet houdt zeker geen verbodsbepaling in voor gemeenten. Uit de bestreden beslissing kan niet worden afgeleid waarom de betreffende gemeentebelasting niet ingevoerd zou mogen worden, minstens is de beslissing niet behoorlijk gemotiveerd, aangezien ze niet op afdoende wijze aantoont dat het algemeen belang zou zijn geschonden. Verzoekster merkt voorts op dat volgens de bestreden beslissing het heffen van een hoge gemeentebelasting op de aanvoer bestemd voor verbranding, het afvalstoffenbeleid doorkruist. Er is evenwel geen hoge belasting, want het tarief komt van de verwerende partij. In een schrijven van 6 mei 2002 van de verwerende partij wordt duidelijk principieel akkoord gegaan met het ontwerp belastingreglement en wordt geadviseerd te verwijzen naar het feit dat afval dat bestemd is om gestort te worden, reeds belast is via de heffing van opcentiemen op de gewestelijke belasting en het niet opportuun is om dat afval tweemaal te belasten. Ingevolge dit schrijven heeft verzoekster het tarief verlaagd van 15 euro/ton naar 11,60 euro/ton. Het is dan ook in strijd met alle redelijkheid en met het principe van de gewekte verwachtingen om nu op dit advies terug te komen. Het motief is foutief en bovendien strijdig met de fair-play. In de memorie van wederantwoord merkt verzoekster op dat afval verbranden op het Vlaamse niveau ook belast wordt en dat de gemeenten opcentiemen kunnen heffen op die belasting, doch de intercommunales (in casu tussenkomende partij) zijn van die heffing vrijgesteld krachtens artikel 26 van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales. Voorts betwist verzoekster nog dat door de gemeentelijke heffing het verbranden duurder wordt dan het storten. Zij wijst nogmaals op de brief van 6 mei 2002 van de verwerende partij op grond waarvan zij het tarief van de belasting XII-4039-7\14 heeft verlaagd van 15 euro/ton naar 11,60 euro/ton, waardoor de aanvankelijke tegenstrijdigheid weggenomen is. Beoordeling 4.
  14. De bestreden vernietiging van het belastingreglement van 24 april 2003 is gebaseerd op het motief dat deze belastingverordening “in strijd is met het beleid van de hogere overheid en dus strijdig is met het algemeen belang”. In tegenstelling tot wat verzoekster betoogt, is dit letterlijk zo in de bestreden beslissing te lezen en wordt ook op afdoende wijze aangetoond dat en waarom het algemeen belang is geschonden. Er wordt met name overwogen dat het heffen van een hoge gemeentebelasting op de aanvoer van afval bestemd voor verbranden het gewestelijke afvalbeleid doorkruist, beleid dat erop gericht is om meer te verbranden en dus minder te storten, ondersteund via belastingen en retributies en dat dit “des te meer” het geval zal zijn indien een dergelijke gemeentebelasting wordt uitgebreid naar alle gemeenten waar verbrandingsovens gevestigd zijn. Verzoekster betwist het bestaan van dit gewestelijk afvalbeleid niet. Wel betoogt zij dat strijdigheid met het beleid van de hogere overheid niet mag worden gelijkgesteld met strijdigheid met het algemeen belang. Om die zienswijze te ontkrachten volstaat het reeds er aan te herinneren dat, luidens het toentertijd toepasselijk artikel 30, § 5, van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling voor het Vlaamse Gewest van het administratief toezicht op de gemeenten : “gelden als strijdig met het algemeen belang, de besluiten die strijdig zijn met de beginselen van een behoorlijk en goed bestuur of die strijdig zijn met het algemeen beleid of met de belangen van de hogere overheid”. 4.
  15. Voorts betoogt verzoekster dat het krachtens artikel 170, § 4, van de Grondwet, enkel aan de wet- of decreetgever toekomt om de gemeenten te verbieden bepaalde belastingen in te voeren en dat eventuele beleidsplannen dit zeker niet kunnen. Ingevolge de artikelen 41, 162 en 170, § 4, van de Grondwet beschikken de gemeenten over een grondwettelijk gewaarborgde fiscale autonomie, die hen toelaat om gelijk welke materie aan een belasting te onderwerpen, evenwel XII-4039-8\14 binnen de grenzen van de door de wetgever opgelegde uitzonderingen, waarvan de noodzakelijkheid blijkt, en voor zover deze belasting niet strijdig is met de wet of het algemeen belang, onder controle van de toezichthoudende overheid of de bevoegde rechter. Te dezen heeft de minister door zijn tussenkomst geenszins bij algemene maatregel de gemeenten een verbod opgelegd om een bepaalde belasting te heffen -te weten, een belasting op het aanvoeren van afval bestemd om te worden verbrand- maar is hij gebleven binnen zijn bevoegdheid, erkend in artikel 162, tweede lid, 6/, van de Grondwet, om geval per geval en op grond van een beoordeling in concreto op te treden wanneer een welbepaald belastingreglement van een welbepaalde gemeente de toets van het administratief toezicht niet kan doorstaan omdat de wet wordt geschonden of het algemeen belang wordt geschaad. Daarbij wordt bedacht dat niet het invoeren van de belasting, maar wel de hoogte ervan het struikelblok is gebleken. In de bestreden beslissing wordt pertinent gewezen op de hoogte van het tarief van de vernietigde belasting, waardoor het gewestelijk afvalbeleid wordt doorkruist. Het vernietigde belastingreglement belast aan eenzelfde tarief, met name 11,60 euro/ton, het afval bestemd om te worden verbrand, als het tarief gehanteerd in het gemeentelijk reglement van 22 november 2001 houdende heffing van 20 opcentiemen op de gewestelijke milieuheffing op afval bestemd om te worden gestort. De gewestelijke milieuheffingen, via een gedetailleerd tariefsysteem afhankelijk van het soort afvalstof en de verwerkingsmethode, waarbij verbranden veel lager wordt belast dan storten, zijn er evenwel precies op gericht het storten af te bouwen ten voordele van verbranden met energieterugwinning. Het argument dat afval bestemd om te verbranden op het grondgebied van de gemeente Houthalen-Helchteren (in de verbrandingsoven van de tussenkomende partij) de facto niet zou zijn onderworpen aan de gewestelijke milieuheffing als gevolg van de wettelijke vrijstelling van de intercommunales, zoals verzoekster lijkt te betogen in haar memorie van wederantwoord, faalt in rechte. Ook de intercommunales of thans de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden zijn sinds 30 juli 1993, datum van inwerkingtreding van artikel 2 van de wet van 23 januari 1989 betreffende de in artikel 110 (versta: 170), §§ 1 en 2 van de Grondwet bedoelde belastingbevoegdheid, onderworpen aan de gewestbelastingen op water en afval. XII-4039-9\14 Dat een dergelijke gemeentebelasting zou kunnen worden uitgebreid naar alle gemeenten waar verbrandingsovens gevestigd zijn, is een redenering die blijkens stuk 4 van het administratief dossier van verzoekster zelf uitging. Dat deze belasting dan “des te meer” het gewestelijk beleid dat gericht is op meer verbranden en minder storten doorkruist, kan voorts geen loze veronderstelling worden genoemd. Het is alleszins geen doorslaggevend motief van het bestreden besluit, maar slechts een antwoord op een argument van verzoekster. 4.
  16. Anders dan verzoekster betoogt, wordt in het faxbericht van 6 mei 2002, uitgaande van de afdeling Binnenlandse Aangelegenheden Limburg van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, geen tarief van 11,60 euro/ton voorop- gesteld. In het advies wordt integendeel gesteld dat de 20 opcentiemen op de gewestelijke milieubelasting 11,60 euro/ton bedragen en “dat het tarief per ton aangevoerd afval [bestemd voor verbranding] toch wel lager zou moeten zijn dan dat van de gemeentelijke opcentiemen: - anders is er strijdigheid met het gewestelijk afvalbeleid”. Bovendien betreft dit advies het ontwerpreglement dat heeft geleid tot het belastingreglement van 27 juni 2002, dat bij ministerieel besluit van 5 december 2002 werd vernietigd, onder meer reeds wegens een tarief van 11,60 euro/ton, waardoor “het afval bestemd om te verbranden niet lager wordt belast dan het afval dat gestort wordt op stortplaatsen binnen het grondgebied van de gemeente”. Verzoekster kan zich derhalve niet dienstig op dit advies beroepen om te stellen dat de in het middel aangehaalde beginselen van behoorlijk bestuur zouden zijn geschonden. 4.
  17. Het eerste middel is in al zijn onderdelen ongegrond. Uiteenzetting van het tweede middel
  18. Het tweede middel wordt afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het gelijkheidsbeginsel en het fair- playbeginsel. In het bestreden besluit wordt gesteld dat de verwijzing naar andere gemeentelijke belastingverordeningen niet relevant is omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn. Verzoekster heeft die voorbeelden aangehaald om aan te tonen XII-4039-10\14 dat ook in die gemeenten belastingen worden geheven die in strijd zijn met het gewestelijk beleid, maar die toch niet vernietigd worden. Verzoekster beaamt dat het niet gaat om juist dezelfde situaties, maar wel duiden ze volgens haar aan dat de overheid niet fair handelt. In de stad Bilzen bevindt zich geen verbrandingsoven, doch wel een composteringsinstallatie; de verwerende partij heeft de gemeentelijke heffing op deze vorm van afvalverwerking wel toegestaan, hoewel die vorm op de afvalstoffenverwerkingshiërarchie nog meer de voorkeur heeft dan verbranden. In de gemeenten Bornem en Wommelgem heeft verwerende partij een gemeentelijke belasting op de van onroerende voorheffing vrijgestelde gebouwen en uitrusting toegestaan, hoewel deze vrijgesteld zijn van onroerende voorheffing op gewestelijk niveau. Dit is een voorbeeld dat verwerende partij met twee maten en gewichten werkt. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat aan de gemeente Wommelgem en andere gemeenten werd meegedeeld onder welke omstandigheden hun gemeentebelasting wel nog aanvaardbaar is, terwijl dit ook voor verzoekster had gekund. Verzoekster is overigens de aanwijzingen van de administratie van de Vlaamse minister in de brief van 6 mei 2002 nagekomen. Beoordeling
  19. De gelijkheidsregel verzet er zich tegen dat gelijke gevallen verschillend worden behandeld, tenzij daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat, te beoordelen naar het doel en de gevolgen van de betrokken bepaling. De voorbeelden van gemeentelijke belastingreglementen in andere gemeenten, aangehaald door de gemeente Houthalen-Helchteren in haar rechtvaardigingsbesluit, betreffen geen belasting op het aanvoeren en laten aanvoeren van afval bestemd om te verbranden, zodat in de bestreden beslissing met recht wordt gesteld dat de situaties niet vergelijkbaar zijn. Verzoekster beaamt dit, doch stelt dat de schending van de gelijkheid hierin bestaat dat de aangehaalde gemeentelijke belastingreglementen eveneens strijdig zijn met het Vlaams beleid terzake, en toch niet werden vernietigd. Voorts dat aan de gemeente Wommelgem en andere gemeenten werd meegedeeld onder welke omstandigheden hun gemeentebelasting wel nog aanvaardbaar is, terwijl die kans aan verzoekster niet werd geboden. XII-4039-11\14 De uitoefening van het vernietigingstoezicht is facultatief en discretionair van aard. Elk aan het toezicht onderworpen besluit wordt aan een afzonderlijke beoordeling onderworpen, rekening houdend met de eigen, specifieke omstandigheden ervan. Hiervoor is reeds opgemerkt dat het in die andere gemeenten zelfs niet om vergelijkbare, laat staan identieke belastingreglementen gaat. Om die redenen kan verzoekster zich niet beroepen op het feit dat verwerende partij in het verleden niet zou zijn opgetreden tegen andere gemeentelijke belastingreglementen die volgens haar bewering eveneens in strijd zouden zijn met het beleid van de hogere overheid. Ten overvloede stelt de Raad van State nog vast dat verzoekster met betrekking tot de stad Bilzen verwijst naar een welbepaald belastingreglement, zonder evenwel enige becijfering te maken van de gehanteerde tarieven in verhouding tot de mogelijke gemeentelijke belastingen aldaar op andere vormen van afvalbeheer en de resultante ervan voor het gewestelijk afvalbeleid. Ook voor de andere gemeentelijke belastingreglementen ontbreekt elke becijfering die de stelling van verzoekster moet ondersteunen. Het weze nog herhaald dat in het faxbericht van 6 mei 2002 betreffende het ontwerpreglement dat heeft geleid tot het belastingreglement van de gemeente Houthalen-Helchteren van 27 juni 2002, wel degelijk wordt gesteld dat het tarief per ton aangevoerd afval (bestemd voor verbranding) “toch wel lager” zou moeten zijn dan dat van de gemeentelijke opcentiemen en dat het belastingreglement van 27 juni 2002 reeds bij ministerieel besluit van 5 december 2002 werd vernietigd, onder meer wegens het tarief van 11,60 euro/ton, waardoor “het afval bestemd om te verbranden niet lager wordt belast dan het afval dat gestort wordt op stortplaatsen binnen het grondgebied van de gemeente”. In tegenstelling tot wat verzoekster beweert, is zij de aanwijzingen in bedoeld advies derhalve niet nagekomen. Het tweede middel is niet gegrond. Uiteenzetting van het derde middel
  20. Het derde middel is geput uit de schending van artikel 30, § 3, van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling voor het Vlaamse Gewest van het administratief toezicht op de gemeenten. Verzoekster herhaalt dat in het bestreden besluit niet wordt aangetoond welke wet is geschonden of dat het algemeen belang is geschonden. XII-4039-12\14 Op basis van de stukken van verzoekster blijkt dat het rechtvaardigingsbesluit van 25 september 2003 met een brief van 8 oktober 2003 aan de bevoegde instanties werd toegezonden, zodat volgens haar verwacht mag worden dat het op 9 oktober 2003 bij verwerende partij is ingekomen. Derhalve is het bestreden besluit dat dateert van 1 december 2003 niet genomen binnen de voorziene termijn van 50 dagen en ook niet binnen die termijn verstuurd. Beoordeling 8.
  21. Wat het eerste onderdeel van dit middel betreft, mag ermee worden volstaan te verwijzen naar de bespreking van het eerste en tweede middel. 8.
  22. Voorts blijkt uit de nota van de directeur-generaal van de afdeling Gemeenten, OCMW’s en Provincies bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, opgesteld op 6 november 2003 (stuk 11 van het administratief dossier), dat het rechtvaardigingsbesluit van de gemeente Houthalen-Helchteren is ingekomen op 14 oktober 2003 en de wettelijke termijn derhalve verstrijkt op 3 december
  23. De Raad van State ziet geen reden om aan deze vooropgestelde datum van inkomen van het rechtvaardigingsbesluit te twijfelen. De bestreden beslissing is derhalve tijdig genomen en verstuurd op 1 december 2003 en bij verzoekster ingekomen op 2 december
  24. Het derde middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  25. Het beroep wordt verworpen. XII-4039-13\14 Artikel
  26. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig januari 2010, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4039-14\14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.714 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.