← België

Arrest 199716 - Voogdij op provincies, gemeenten en intercommunales - 21/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.716 Rolnummer: A. 151098/XII-4135 Zaak: Arrest 199716 - Voogdij op provincies, gemeenten en intercommunales - 21/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-01 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-07-02 08:21 Fiche Arrest nr 199.716 van 21 januari 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Voogdij op provincies, gemeenten en intercommunales Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 199.716 van 21 januari 2010 in de zaak A. 151.098/XII-4135 In zake : Arthur DE DECKER wonend te 9000 Gent Leebeekstraat 9 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michaël Verstraeten kantoor houdend te Gent Beelbroekstraat 60 tegen : de STAD GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te Gent Kouter 71-72 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 26 april 2004, strekt tot de nietigverklaring van: - het besluit van 13 november 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent, waarbij wordt beslist niet in te gaan op het verzoek van het samenwerkingsverband “Distriktsbesturen ja” om een gemeentelijke volksraadpleging te houden over het oprichten van districtsraden in de stad Gent; - het besluit van 27 januari 2004 van de gemeenteraad van de stad Gent, waarbij het voorstel van gemeenteraadsbesluit wordt verworpen dat door gemeenteraadslid Isabelle De Clercq werd ingediend, betreffende de organisatie van een gemeentelijke volksraadpleging op initiatief van de gemeenteraad, dan wel de volledige hertelling van de handtekeningen die op 12 september 2003 met het oog op het houden van een volksraadpleging bij het college van burgemeester en schepenen waren ingediend. XII-4135-1/11 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. Verwerende partij heeft een administratief dossier neergelegd. Eerste auditeur Bert Thys heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 december
  3. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die verschijnt en dvocaat Michaël Verstraeten, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Hendrik Vermeire, die loco advocaat Patrick Devers verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Bart Weekers heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker dient met een aangetekend schrijven van 12 september 2003, namens het samenwerkingsverband “Distriktsbesturen ja”, bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent een verzoek in tot het houden van een gemeentelijke volksraadpleging over de vraag “Moet de Gemeenteraad het initiatief nemen om het districtbestuur op te richten? Ja of neen”. Naar zeggen van verzoeker was een gemotiveerde nota bijgevoegd, evenals 27.424 handtekeningen verspreid over 2.745 doorlopend genummerde lijsten. XII-4135-2/11 3.
  6. Op 23 oktober 2003 besluit het college van burgemeester en schepenen om niet op dat verzoek in te gaan, omdat het niet is gesteund op een voldoende aantal geldige handtekeningen. Tevens besluit het college om het verzoek overeenkomstig artikel 324 van de nieuwe gemeentewet in te schrijven op de agenda van de eerstvolgende gemeenteraadsvergadering. 3.
  7. Op 13 november 2003 trekt het college van burgemeester en schepenen zijn besluit van 23 oktober 2003 in. Het college beslist nu de procedure tot inrichting van een gemeentelijke volksraadpleging definitief te beëindigen. Het herneemt zijn beslissing om niet in te gaan op het verzoek van het samenwerkings- verband “Distriktsbesturen ja” om een gemeentelijke volksraadpleging te houden over het oprichten van districtsraden in de stad Gent. Als reden daarvoor wordt andermaal vermeld dat “na onderzoek conform art. 321 van de Nieuwe Gemeentewet [is] gebleken [...] dat het verzoek niet gesteund is door een voldoende aantal geldige handtekeningen”. Uit een bijgevoegd cijfermatig overzicht blijkt onder meer dat 27.343 handtekeningen werden ingediend, waarvan 21.487 werden aanvaard en 5.856 werden verworpen. Vermits de stad Gent op 12 september 2003 228.670 inwoners telde, dient het initiatief, krachtens artikel 318 van de nieuwe gemeente- wet, te worden gesteund door ten minste 22.867 inwoners (10 % van de inwoners). Derhalve wordt een tekort vastgesteld van 1.380 handtekeningen. Dit is het eerste bestreden besluit. 3.
  8. Op 25 november 2003 neemt de gemeenteraad van Gent akte van dit besluit. 3.
  9. Met een brief van 15 december 2003 antwoordt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken op een klacht van verzoeker met betrekking tot het collegebesluit van 23 oktober 2003: “Ik heb uw klacht in verband met de beslissing van het collegebesluit van de Stad Gent van 23 oktober 2003 laten onderzoeken door de diensten van de Gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen, zoals u reeds werd mede- gedeeld in een vroeger schrijven dd. 31 oktober
  10. Ik ontving thans de resultaten van het onderzoek van de gouverneur. XII-4135-3/11 Hieruit is vooreerst gebleken dat het onderzoek door de diensten van de gouverneur zeer grondig is gevoerd. Vier ambtenaren van deze dienst hebben ter plaatse de controle van de handtekeningen geverifieerd. Uit het onderzoek is gebleken dat de stad Gent op 12 september 2003, datum waarop het verzoek werd ingediend, 228.670 inwoners telde, dat bijgevolg het verzoek tot het houden van een volksraadpleging diende ondersteund door 22.867 handtekeningen, dat het college van de door U voorgelegde handtekeningen er 21.487 heeft aanvaard en dat er volgens de stad Gent derhalve 1380 handtekeningen te weinig waren om het verzoek voor het houden van een gemeentelijke volksraadpleging ontvankelijk te verklaren. Uit het nazicht van de lijsten met handtekeningen is gebleken dat, wat de categorie van handtekeningen betreft van deze personen die geen handtekening plaatsten, deze allemaal terecht verworpen werden. Hetzelfde gold ook voor de categorie van personen jonger dan 16 jaar en zij die niet in Gent woonden. Evenwel heeft de controle van de handmatige schrappingen een verschil van 554 handtekeningen opgeleverd, die met enige goodwill wel zouden kunnen aanvaard geweest zijn. Ook 27 handtekeningen die door het cevi-programma, werden verworpen werden alsnog als geldig aanvaard. Samengeteld betekent dit dat 581 handtekeningen onterecht werden geschrapt. Dit betekent echter dat er nog steeds 799 handtekeningen te weinig waren om de stad Gent toe te laten de beslissing te treffen om een volksraadpleging te organiseren. Uit het onderzoek is tenslotte ook gebleken dat het college van de stad Gent U terecht niet toegestaan [heeft] om zelf de controle te mogen verrichten aan de hand van het bevolkingsregister. De gouverneur besloot dan ook dat uw klacht niet gegrond was. Ik ga akkoord met deze stelling en beschouw dit dossier als afgehandeld”. 3.
  11. Op 27 januari 2004 verwerpt de gemeenteraad van Gent een voorstel van gemeenteraadsbesluit, ingediend door gemeenteraadslid I. De Clercq, betreffende het houden van een volksraadpleging op initiatief van de gemeenteraad, dan wel de hertelling van de reeds ingediende handtekeningen binnen de vier maanden en de terbeschikkingstelling van alle voor controle nuttige gegevens binnen de maand aan de gemeenteraadsleden die erom verzoeken. Dit is het tweede bestreden besluit. 3.
  12. Met een brief van 25 februari 2004 antwoordt de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen op een klacht van verzoeker tegen het voormelde besluit van 13 november 2003 van het college van burgemeester en schepenen. Hij deelt zijn standpunt mede dat geen grond voorhanden is om tot een schorsing van dat besluit over te gaan. Hij stelt onder meer: “Tegen het collegebesluit van 13 november 2003 voert u aan dat artikel 321, tweede lid nieuwe gemeentewet werd geschonden doordat het college niet was overgegaan tot de schrapping van de ongeldige handtekeningen op de verzoeklijsten, zodanig dat onmogelijk kan worden nagegaan over welke verzoekers het gaat. XII-4135-4/11 Mijn standpunt dienaangaande is het volgende. Uit het dossier blijkt dat de stad Gent, na een handmatige controle van de voorgelegde handtekeningen, met schrapping van deze handtekeningen die onleesbaar bleken, die niet vergezeld waren van de door artikel 320, 2/ ngw voorgeschreven vermeldingen, of die kennelijk waren geplaatst door personen die niet aan de wettelijke vereisten voldeden, alle niet-geschrapte personen met behulp van een computerprogramma heeft getoetst aan de gegevens van het bevolkings- en het vreemdelingenregister, wat resulteerde in een lijst van aanvaarde handtekeningen en een lijst van verworpen handtekeningen. Het is correct dat de stad Gent nadien niet is overgegaan tot de schrapping op de handtekeningenlijsten van de computermatig verworpen handtekeningen. De stad Gent heeft dan ook geen letterlijke toepassing gemaakt van het bepaalde in artikel 321, tweede lid ngw. Zulks impliceert evenwel niet dat er grond voorhanden is om tot de schorsing over te gaan van het collegebesluit van 13 november
  13. Het is mijns inziens immers duidelijk dat de door u ingediende lijsten van handtekeningen, waarop een aantal handtekeningen handmatig werden geschrapt, en de computerlijsten met aanvaarde en verworpen handtekeningen, als één geheel moeten beschouwd worden. Dat op die wijze geen volledige controle door de indieners van het verzoek en zelfs door gemeenteraadsleden mogelijk is, betwist ik niet. Zulks vloeit echter in wezen eerder voort uit het feit dat schrappingen van handtekeningen zijn gebeurd op basis van de gegevens van de bevolkings- en vreemdelingen- registers (gegevens die niet openbaar kunnen gemaakt worden) dan uit het feit dat de computermatig verrichte schrappingen niet werden overgebracht op de handtekeningenlijsten zelf. Met andere woorden, ook indien de stad Gent dit laatste wel had gedaan, dan nog was het voor u niet mogelijk geweest de rechtmatigheid van de op die wijze verrichte schrappingen te controleren, aangezien daaruit niet het motief van de schrappingen zou blijken. En mocht het schrappingsmotief wél vermeld worden, dan zouden de aldus bewerkte lijsten u niet ter inzage mogen worden gegeven op basis van dezelfde wettelijke gronden die u de rechtstreekse toegang tot de bevolkings- en vreemdelingenregisters zelf in de weg staan. De hamvraag in deze aangelegenheid lijkt mij niet te zijn of de stad Gent hier de letter van de wet gevolgd heeft, maar wel of de beslissing, houdende onontvankelijkverklaring van het verzoek tot het houden van een gemeentelijke volksraadpleging op grond van het niet-vervuld zijn van het voorschrift van artikel 318, tweede lid in fine ngw (mede-ondertekening van het verzoek door in dit geval 10% van de gemeente-inwoners) voldoende steun vindt in het dossier. Daaromtrent werd een onderzoek uitgevoerd in het kader van de behandeling van uw klacht van 25 oktober 2003 tegen het collegebesluit van 13 oktober. Van de resultaten daarvan werd u in kennis gesteld door de minister die de binnenlandse aangelegenheden in zijn bevoegdheid heeft”. 3.
  14. Met een brief van 16 augustus 2004 antwoordt de provinciegouverneur ten slotte uitvoerig op een klacht van verzoeker met betrekking tot het voormelde besluit van 27 januari 2004 van de gemeenteraad. XII-4135-5/11 Hij gaat in op de verschillende aspecten van de klacht en concludeert : “Wat betreft de controle van de ingediende lijsten ben ik van oordeel dat geenszins kan aangetoond worden dat het CEVI programma gefaald heeft. De fouten die werden vastgesteld zijn menselijke fouten waarbij rekening dient te worden gehouden met de bijkomende hoge werklast en werkdruk die de controle van de ingediende lijsten teweeggebracht heeft voor het stadspersoneel. Deze fouten kunnen worden ingedeeld in twee categorieën. De meest gemaakte fouten zijn te herleiden tot tikfouten in o.a. het pagina- nummer. De vermelding van het paginanummer diende enkel voor intern gebruik en controle. Wordt een verkeerd paginanummer ingetikt, dan wordt natuurlijk de controle bemoeilijkt. Niettemin moet de conclusie zijn dat deze fouten het eindresultaat niet hebben beïnvloed. De tweede categorie van ‘fouten’ betreft wel degelijk personen die aan de door de wet bepaalde voorwaarden voldeden om een geldige handtekening te kunnen plaatsen. Wel konden ze eerst geïdentificeerd worden na intensief speurwerk wegens o.a. moeilijk leesbare namen of gedeeltelijk ontbrekende gegevens. Ik kan de bemerkingen van het stadsbestuur in die mate bijtreden dat uw extrapolaties van de steekproeven overdreven zijn, onder meer door het ten onrechte samentellen van meerdere fouten die betrekking hebben op één en dezelfde verzoeker. De extrapolaties die ik hanteerde naar aanleiding van het eerste onderzoek en die uiterst maximalistisch kunnen worden genomen, blijven onverminderd van kracht, ondanks het bijkomend aantal ontdekte fouten. Ik blijf dan ook van oordeel dat zelfs op maximale wijze rekening houdende met de fouten die de stad Gent gemaakt heeft of kan gemaakt hebben bij de schrapping van handtekeningen, de beslissing van het college van burgemeester en schepenen om niet in te gaan op het verzoek om een volksraadpleging te houden wegens onvoldoende handtekeningen ter ondersteuning van dat verzoek, wel degelijk steun vond in het dossier”. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  15. Verwerende partij heeft geen memorie van antwoord ingediend. Evenmin heeft zij binnen de voorgeschreven termijn een administratief dossier aan de Raad van State toegestuurd. Verzoeker heeft op 29 september 2004 een toelichtende memorie ingediend. In die toelichtende memorie oppert hij “dat de in het verzoekschrift aangehaalde feiten als bewezen moeten geacht worden”. In zijn laatste memorie argumenteert hij, nog concreter met verwijzing naar artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat de bewijslast nu bij verwerende partij ligt en dat zijn cijfergegevens, en de er op gesteunde berekeningen vermoed moeten worden bewezen te zijn, tenzij ze “kennelijk onjuist” zouden zijn. XII-4135-6/11
  16. Verwerende partij heeft op 18 oktober 2004 dan toch haar administratief dossier neergelegd. Zulks doet geen afbreuk aan de toepassing van artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De door verzoeker aangehaalde feiten worden bijgevolg, met toepassing van voornoemd artikel 21, derde lid, als bewezen geacht tenzij deze feiten kennelijk onjuist zijn. Ter appreciatie van dit laatste mag de Raad van State wel bij wijze van inlichting acht slaan op de stukken van het laattijdig meegedeeld dossier. Daarbij weze dan nog wel opgemerkt dat dit administratief dossier niet enkel te laat is voorgelegd, maar dat het bovendien allesbehalve volledig is en dat verwerende partij, onder meer, zelfs heeft nagelaten om de handtekeningenlijsten die dan toch in het voorliggende geschil centraal staan, aan de Raad van State te overleggen. V. Collegebesluit van 13 november 2003 Uiteenzetting van het tweede middel
  17. Verzoeker put een tweede middel uit de schending van “artikel 321 Nieuwe Gemeentewet - algemeen principe”. Verzoeker betoogt dat het onderzoek van het verzoek tot het houden van een volksraadpleging door het college van burgemeester en schepenen niet grondig is gebeurd en dat ernstige fouten zijn gemaakt. Volgens hem blijkt dit al uit de brief van 15 december 2003 die hij vanwege de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken heeft ontvangen. De minister liet in die brief verstaan dat, op basis van een steekproef, 554 handmatige schrappingen en 27 door het computerprogramma verworpen handtekeningen als geldig konden worden aanvaard. Verzoeker doet gelden dat artikel 321 van de nieuwe gemeentewet op twee vlakken werd geschonden. Vooreerst maakt de bedoelde wetsbepaling gewag van de schrapping van handtekeningen. Vermits een schrapping met de hand gebeurt, moet ook de controle “handmatig” gebeuren. In casu is echter gebruik gemaakt van een computerprogramma. XII-4135-7/11 Voorts is de controle slordig gebeurd. Verzoeker meent dat nu de toezichthoudende overheid op basis van een steekproef tot de bevinding is gekomen dat handtekeningen ten onrechte werden geweigerd, deze vaststelling tot gevolg moet hebben dat de gehele telling nietig is. Verzoeker stelt dat hij op basis van een eigen telling tot de conclusie is gekomen dat nog meer handtekeningen ten onrechte werden geschrapt. Hij verwijst daarvoor naar het dossier dat bij zijn verzoekschrift tot nietigverklaring is gevoegd. Hierin stelt verzoeker dat zowel de manuele als de via het CEVI- programma uitgevoerde controle door het college van burgemeester en schepenen fouten bevat die decisief kunnen zijn om te oordelen of er al dan niet voldoende handtekeningen zijn voor een volksraadpleging, dat de controle uitgevoerd door de toezichthoudende overheid geen definitief antwoord geeft gezien er slechts steekproefsgewijs werd gecontroleerd en er daarbij nog redeneringsfouten en materiële vergissingen werden begaan. Onder meer voert verzoeker aan : “Uit het onderzoeksrapport blijkt dat er 575 van de 1.661 of dus 34,6% manueel geweigerde [verzoekers] werden gecontroleerd aan de hand van de bevolkingsregisters. Bij het uitgaan van het vastgestelde maximum foutenpercentage van 33,33% bij één onderzoeksstaal oordeelden de diensten van de gouverneur dat er niet minder dan 554 handtekeningen wel perfect te identificeren zijn als geldige verzoekers! Dit bewijst zwart op wit dat de stadsdiensten geen ‘verwoede pogingen’ hebben ondernomen om deze verzoekers terug te vinden in de bevolkingsregisters. Desalniettemin betwisten we deze gevolgtrekking daar volgens ons enkel een volledige controle echt uitsluitsel kan geven. Het is onverantwoord te concluderen dat er onvoldoende handtekeningen zijn als deze conclusie is gebaseerd op een steekproef”. Ook met betrekking tot de controles die werden uitgevoerd met het zogenaamde CEVI-programma somt verzoeker een reeks vaststellingen op die volgens hem minstens doen twijfelen aan de correctheid van het programma. Verzoeker voert in de laatste memorie aan dat de door de provinciale overheid gehanteerde statistische methode door middel van het gebruik van een steekproef, onvolkomen en absoluut niet bij machte is exact te berekenen hoeveel handtekeningen er dienden te worden weerhouden, dat er derhalve geen elementen zijn die de feiten, zoals aangehaald door verzoeker, dat er 27.424 geldige handtekeningen waren, of in elk geval meer dan de vereiste 10 % van het inwonersaantal, tegenspreken, dat gelet op artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, deze feiten voor bewezen dienen te worden gehouden en dat ten minste de stad Gent gehouden was haar misslag recht XII-4135-8/11 te zetten, wat binnen een behoorlijk bestuur noodzakelijk was geweest, door het houden van een hertelling. Beoordeling
  18. Artikel 321 van de nieuwe gemeentewet luidt: “Onmiddellijk na ontvangst van het verzoek onderzoekt het college van burgemeester en schepenen of het verzoek gesteund is door een voldoende aantal geldige handtekeningen. Naar aanleiding van dat onderzoek schrapt het college van burgemeester en schepenen: 1/ de dubbele handtekeningen; 2/ de handtekeningen van de personen die niet voldoen aan de in artikel 322, § 1, opgesomde voorwaarden; 3/ de handtekeningen van de personen ten aanzien van wie de verschafte gegevens ontoereikend zijn om toetsing van hun identiteit mogelijk te maken. De controle wordt beëindigd wanneer het aantal geldige handtekeningen is bereikt. In dat geval organiseert de gemeenteraad een volksraadpleging”.
  19. Noch uit het aangehaalde artikel 321, noch uit de parlementaire voorbereiding daarvan kan worden afgeleid dat het gebruik van een computer- programma als hulpmiddel bij het onderzoek van het ingediende verzoek tot het houden van een volksraadpleging, inzonderheid voor de identificatie van de ondertekenaars, waarop het is gesteund, niet toegelaten zou zijn. De enkele omstandigheid dat in artikel 321 van de nieuwe gemeentewet sprake is van de “schrapping” van ongeldige handtekeningen, noopt niet tot een ander standpunt. Ook handtekeningen waarvan de ongeldigheid via de toepassing van een computer- programma is achterhaald, kunnen immers worden “geschrapt”. Verzoeker bevestigt in de laatste memorie dat de wetgever inderdaad niet heeft uitgesloten dat bij de telling gebruik zou worden gemaakt van hulpmiddelen, doch stelt dat met de schrapping van handtekeningen wél werd beoogd dat de gemeentebesturen een correct en juist onderzoek zouden doen.
  20. De essentiële kwestie betreft alsdan de vraag of het college bij het onderzoek van de geldigheid en de telling van de ingediende handtekeningen fouten heeft gemaakt, van aard om ernstige twijfels te doen rijzen bij het besluit dat er onvoldoende geldige handtekeningen werden ingediend. XII-4135-9/11
  21. Om die vraag te beantwoorden kan de Raad van State niet omheen de vaststelling dat verwerende partij géén memorie van antwoord heeft ingediend, noch een laatste memorie. Zoals hiervoor is opgemerkt, heeft zij daarenboven het administratief dossier laattijdig en zelfs dan nog onvolledig meegedeeld zodat de Raad van State de door verzoeker geschetste feiten als waar moet aannemen tenzij deze kennelijk onjuist zijn. Door de originele lijsten niet te overleggen, noch haar motivering om tot schrapping van handtekeningen over te gaan, onthoudt verwerende partij aan de Raad van State zelfs de mogelijkheid om de feitelijke grondslag van haar beslissing na te gaan, laat staan om de feitelijke opmerkingen van verzoeker als “kennelijk onjuist” te kwalificeren. Als de wél meegedeelde stukken van het administratief dossier daarentegen al iets aantonen, dan is het wel dat verzoeker verwerende partij terecht verwijt dat zij onzorgvuldig te werk is gegaan bij het onderzoek van de ingediende handtekeningenlijsten, nu zij blijkens de steekproeven van de toezichthoudende overheid soms toch niet geringe fouten heeft gemaakt van 33% van de gecontroleerde schrappingen en nu bij ieder onderzoek door de toezichthoudende overheid van klachten van verzoeker wel weer nieuwe onzorgvuldigheden aan het licht kwamen. Verzoeker werpt, met verwijzing naar de vaststellingen van de toezichthoudende overheid ernstige en op het eerste gezicht onderbouwde vragen op over de representativiteit van steekproeven als controlemethode en over de correctheid van de uitgevoerde extrapolaties. Geconfronteerd met die grieven onthoudt verwerende partij zich niettemin voor de Raad van State van élk verweer. Alzo staat niet vast dat de bestreden beslissing op deugdelijke gronden berust en kan de Raad van State niet bijvallen dat het onderzoek van de handtekeningen zorgvuldig en correct is uitgevoerd. Het middel is in die mate gegrond. VI. Raadsbesluit van 27 januari 2004
  22. Uit de laatste memorie van verzoeker kan worden begrepen dat verzoeker het voorwerp van zijn beroep tegen de tweede bestreden beslissing beperkt tot het aspect van de geweigerde hertelling. Nu het gegrond bevinden van het tweede middel evenwel reeds moet leiden tot de nietigverklaring van het XII-4135-10/11 collegebesluit van 13 november 2003, ziet de Raad van State niet welk voordeel verzoeker nog kan verkrijgen uit de meergevorderde nietigverklaring van het raadsbesluit van 27 januari
  23. Bovendien verklaart verzoeker in de laatste memorie wat de twee middelen betreft die tegen het raadsbesluit zijn aangevoerd en die beide volgens het auditoraatsverslag wegens niet-ontvankelijkheid verworpen moeten worden, dat hij zich gedraagt naar de wijsheid van de Raad van State. Aldus stelt de Raad van State vast dat verzoeker in zoverre zonder belang moet worden verklaard bij het beroep. BESLISSING
  24. De Raad van State vernietigt het besluit van 13 november 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent, waarbij wordt beslist niet in te gaan op het verzoek van het samenwerkingsverband “Distriktsbesturen ja” om een gemeentelijke volksraadpleging te houden over het oprichten van districtsraden in de stad Gent.
  25. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
  26. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 21 januari 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier, De voorzitter, Silja Doms Dierk Verbiest XII-4135-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.716 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.