id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.717 Rolnummer: A. 175036/XII-4828 Zaak: Arrest 199717 - Voogdij op provincies, gemeenten en intercommunales - 21/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-01 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 08:22 Fiche Arrest nr 199.717 van 21 januari 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Voogdij op provincies, gemeenten en intercommunales Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 199.717 van 21 januari 2010 in de zaak A. 175.036/XII-
- In zake : Martine FREMAUT, die woonplaats kiest bij advocaat P. Van Rillaer, kantoor houdende te Bonheiden, Putsesteenweg 8 tegen : de STAD NIEUWPOORT, die woonplaats kiest bij advocaat G. Soete, kantoor houdende te Oostende Kerkstraat 8 - bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Martine Fremaut op 18 juli 2006 heeft ingediend om een administratief cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing van 8 juni 2006 van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij zij als ontvanger aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag aan verjaarde vorderingen van 4.779,31 euro; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur R. Vander Elstraeten; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 oktober 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. Van Haegendoren; XII-4828-1/16 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Van Rillaer, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat G. Soete, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur R. Vander Elstraeten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- Verzoekster is met ingang van 2 januari 1980 benoemd tot gemeenteontvanger van de gemeente Nieuwpoort. 1.
- De gemeenteraad van Nieuwpoort beslist op 14 oktober 2004 dat bij “toepassing van art. 82 van het koninklijk besluit dd. 2 augustus 1990 houdende het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit en art. 131-3 van de nieuwe gemeentewet”, “tekorten” ten bedrage van 5.760,95 euro uit hoofde van niet geïnde en verjaarde belastingen van de algemene milieubelasting dienstjaar 1997 ten laste worden gelegd van verzoekster. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de aanslagbiljetten voor de algemene milieubelasting gezinnen dienstjaar 1997 werden verstuurd op 3 december 1997; dat kohierbelastingen verjaren op een termijn van vijf jaar en twee maanden te rekenen van de datum van versturen van het aanslagbiljet; dat de algemene milieubelasting gezinnen dienstjaar 1997 bijgevolg verjaarde op 3 februari 2003 indien de verjaring niet werd gestuit; Overwegende dat uit een faxschrijven van de heer [P.] dd. 23 juni 2004 blijkt dat een aantal artikels van de algemene milieubelasting gezinnen dienstjaar 1997 destijds aan hem werden overgemaakt door mevr. M. Fremaut, ontvanger; dat echter niet alle openstaande artikels aan de deurwaarder werden overgemaakt; Overwegende dat volgende artikels van de algemene milieubelasting dienstjaar 1997 nog niet gerealiseerd zijn; dat voor deze artikels de verjaring niet werd gestuit bij deurwaardersexploot; dat deze artikels bijgevolg verjaard zijn; dat mevr. Fremaut M., stadsontvanger, zal moeten instaan voor de aanzuivering van deze verjaarde belastingen; XII-4828-2/16 [...] Overwegende dat voor volgende artikels de deurwaarder de exploten aan mevr. M. Fremaut, stadsontvanger, terugbezorgde met de melding dat de belastingplichtige insolvabel was; dat mevr. Fremaut echter nagelaten heeft deze bedragen in onwaarde te boeken; dat deze bedragen op heden verjaard zijn en niet meer in onwaarde geboekt kunnen worden; dat mevr. Fremaut bijgevolg zal moeten instaan voor de aanzuivering van deze verjaarde belastingen”. Met een brief van 5 november 2004 vraagt het college van burgemeester en schepenen van Nieuwpoort aan verzoekster het verschuldigde bedrag van 5.760,95 euro over te maken. 1.
- Met een verzoekschrift van 29 november 2004 tekent verzoekster hoger beroep aan bij de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen tegen de beslissing van 4 oktober 2004 van de gemeenteraad en tegen de vraag van 5 november 2004 van het college van burgemeester en schepenen. Op 8 juni 2006 verklaart de deputatie het beroep van verzoekster ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Verzoekster wordt niet aansprakelijk gesteld voor een bedrag van 981,64 euro, maar wordt wel aansprakelijk gesteld voor een bedrag aan niet geïnde verjaarde vorderingen van 4.779, 31 euro. Dit is de bestreden beslissing. Deze beslissing rust, wat de grond van de zaak betreft, op de volgende redengeving : “I. Eerste Middel Overwegende dat verzoekster van mening is dat het gemeenteraadsbesluit van 14 oktober 2004, waarbij de ontvanger verplicht wordt een bedrag van 5.760,95 euro, uit hoofde van niet geïnde en verjaarde belastingen van de algemene milieubelasting dienstjaar 1997 in de stadskas te storten, kennelijk onwettelijk is, vermits het niet gesteund is op een PV van een voorafgaande verificatie van de kas ingevolge artikel 131 §1 van de nieuwe gemeentewet, en zonder dat rekening werd gehouden met eventuele opmerkingen van de ontvanger; Overwegende dat voormeld besluit dd. 14 oktober gesteund is op artikel 131 §3 eerste lid van de nieuwe gemeentewet en artikel 82 van het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit; Overwegende dat artikel 131 §3 van de nieuwe gemeentewet als volgt luidt : ‘Wijst verificatie uit dat er een kastekort is, onder meer als gevolg van het afwijzen van bepaalde uitgaven op definitief afgesloten rekeningen, dan verzoekt het college van burgemeester en schepenen de ontvanger, bij een ter post aangetekende brief, een gelijkwaardig bedrag in de gemeentekas te storten’; dat het gebruik van de woorden ‘onder meer’ er op wijst dat kastekorten ook op een andere manier kunnen ontstaan dan door afgewezen uitgaven; dat kastekorten ook kunnen ontstaan doordat de ontvanger wordt XII-4828-3/16 aansprakelijk gesteld voor het verjaren van rechten waardoor de gemeente ontvangsten is misgelopen; Overwegende dat dit hier het geval is en de ontvanger verzocht wordt de misgelopen ontvangsten aan te zuiveren; dat tot zolang het tekort niet is aangezuiverd door de ontvanger, er een vordering is van de gemeente op de ontvanger; Overwegende dat artikel 82 van het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit het volgende zegt : ‘Teneinde de juistheid van de rekeningen te behouden in geval van tekort, diefstal of verlies, zal een vordering ten belope van hetzelfde bedrag worden geboekt in de algemene boekhouding. Zodra de definitieve beslissing hieromtrent genotificeerd is, zal de gemeenteontvanger in voorkomend geval het bedrag waarvoor hij ontlasting bekwam, in uitgave brengen’. Overwegende dat artikel 131 §1 van de nieuwe gemeentewet voorziet in een procedure betreffende verificatie van de kas, waarbij de kastoestand wordt onderzocht en de overeenstemming wordt nagegaan tussen de vermogenstoestand die blijkt uit de uittreksels van de bankrekeningen en de kas van de ontvanger, en de boekhouding; dat de kasverificatie volgens voornoemd artikel 131 §1 geen informatie geeft over de status van de invorderingen en over de acties die de ontvanger heeft ondernomen tegenover de schuldenaars; dat de rapportering daarover wel wordt opgelegd door artikel 53 van het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit dat bepaalt dat de ontvanger geregeld aan het college van burgemeester en schepenen schriftelijk dient kennis te geven van de tegen de schuldenaars ingestelde vervolgingen; dat via deze rapportering het college toezicht uitoefent op de werkzaamheden van de ontvanger. Overwegende dat de ontvanger niet alleen instaat voor de invordering van de inkomsten van de gemeente, maar zij dient er ook over te waken dat de rechten van de gemeente gevrijwaard blijven; zij moet er in dit opzicht voor zorgen de verjaring van de schuldvorderingen van de gemeente te verhinderen en daartoe alle passende maatregelen nemen; dat het tot de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid van de ontvanger behoort hier de nodige initiatieven te nemen en dat de ontvanger daartoe door niemand moet worden aangemaand of verzocht (artikel 83 ARGC); Overwegende dat het niet tijdig stuiten van de verjaring van de gemeente kan aanzien worden als een zware fout die de persoonlijke verantwoordelijkheid van de ontvanger met zich meebrengt; dat deze verantwoordelijkheid uitdrukkelijk is ingeschreven in artikel 136 van de nieuwe gemeentewet : ‘De ontvanger heeft tot taak om, alleen en onder zijn verantwoordelijkheid, de ontvangsten van de gemeente te innen...’; Overwegende dat de ontvanger zich slechts kan ontlasten van deze verantwoordelijkheid als kan worden bewezen dat er geen enkele fout werd begaan bij de uitoefening van haar taak, d.w.z. wanneer kan worden aangetoond dat het nadeel geleden door de kas te wijten is aan een vreemde oorzaak of aan een geval van overmacht; dat de bewijslast hiervan bij de ontvanger ligt; dat uit het onderzoek is gebleken dat er geen afdoende bewijzen worden naar voor gebracht dat het in casu zou gaan over een geval van overmacht; Overwegende dat verzoekster heeft nagelaten aan de door artikel 53 van het algemeen reglement opgelegde verplichtingen tot regelmatige kennisgeving van de stand van de tegen schuldenaars ingestelde vervolgingen, te voldoen, zodat het gemeentebestuur van Nieuwpoort zich verplicht zag zich rechtstreeks tot de gerechtsdeurwaarder te wenden om de nodige informatie te bekomen (overtuigingsstuk 15 van verweerster); Overwegende dat uit deze informatie is gebleken dat aanslagen opgenomen in het kohier milieubelasting gezinnen van dienstjaar 1997 voor een totaal bedrag XII-4828-4/16 van 4.779,31 euro niet werden gestuit bij gerechtsdeurwaarderexploot, bijgevolg zijn verjaard en ten laste worden gelegd van de ontvanger; Overwegende dat verzoekster verwijst naar de werkdruk en de overplaatsing van enkele personeelsleden in de financiële dienst waardoor het voor haar onmogelijk zou zijn haar taken naar behoren uit te voeren; dat volgens de inhoud van de brief van 19 februari 2001 (overtuigingsstuk 1 bij de memorie van verzoekster) van verzoekster niet blijkt dat in Nieuwpoort minder personeel is tewerkgesteld dan in andere gelijkaardige kustgemeenten; dat bovendien feitelijke situaties in de gemeenten onderling niet met elkaar kunnen worden vergeleken; dat waar door verzoekster wordt beweerd dat de overplaatsing van bepaalde personeelsleden een negatieve weerslag heeft op de in de ontvangerij uit te voeren taken, dit nergens concreet wordt aangetoond, vermits andere personeelsleden worden in de plaats gesteld; dat het voor nieuwe personeelsleden niet onoverkomelijk is om zich op korte termijn in te werken; dat van de ontvanger mag verwacht worden dat zij een optimaal gebruik maakt van het ter beschikking gestelde personeel en de middelen, waaronder het aanwenden van informaticamateriaal, om zich van de taken te kwijten en daartoe de nodige organisatorische maatregelen neemt; dat de loutere verwijzing naar werkdruk en overplaatsing van enkele personeelsleden op zichzelf geen afdoende argumenten zijn om zich van haar verantwoordelijkheid te ontlasten; Overwegende dat, rekening houdend met wat voorafgaat, het eerste middel van verzoekster dient te worden afgewezen; II. Tweede Middel Overwegende dat verzoekster van mening is dat het niet stuiten van de verjaring te wijten is aan enerzijds een tekortkoming van de gemeenteraad -nl. het niet tijdig aanstellen van een waarnemend ontvanger- en anderzijds aan een situatie van overmacht wat haarzelf betreft; dat krachtens artikel 53 § 4 van de nieuwe gemeentewet, de gemeenteraad verplicht is een waarnemend plaatselijk ontvanger aan te stellen wanneer de afwezigheid van de ontvanger drie maanden overschrijdt, wat de gemeenteraad zou hebben nagelaten te doen; dat de datum tegen dewelke de verjaring diende te worden gestuit, nl. 3 februari 2003, zich situeerde binnen de periode dat verzoekster gewettigd afwezig was wegens ziekte, t.t.z. van 3 september 2002 t.e.m. 24 april 2003; Overwegende dat verzoekster tijdens de periode 3 september 2002 tot 20 februari 2003, datum waarop een waarnemend ontvanger werd aangesteld, weliswaar afwezig bleef uit de ontvangerij maar toch verder ‘officieel’ functioneerde als ontvanger -met alle verantwoordelijkheden die de uitoefening van dit ambt inhoudt, waaronder ook het innen van de ontvangsten en het eventueel stuiten van de verjaring- en ervoor zorgde dat alle door haar te ondertekenen documenten via een pendeldienst bij haar thuis werden gebracht én terug opgehaald; dat vorenstaande o.a. blijkt uit de overtuigingsstukken 7, 8 en 18 t.e.m. 53 voorgelegd door verweerster; Overwegende dat verzoekster echter niet had behoeven te wachten tot 3 februari 2003 om de verjaring te stuiten, maar integendeel het tot haar verantwoordelijkheid behoorde de verjaringstermijn tijdig te stuiten zoals opgelegd door het hierboven vermeld artikel 83 2de lid van het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit; Overwegende dat het tweede middel van verzoekster faalt naar recht; III. Derde Middel Overwegende dat verzoekster meent dat aanslagen voor een bedrag van 981,64 euro, die door de gerechtsdeurwaarder werden terugbezorgd om reden dat de belastingplichtigen insolvabel waren, en die intussen verjaard waren, nog steeds in onwaarden kunnen worden gebracht; Overwegende dat artikel 55 § 2 van het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit het volgende bepaalt : ‘De gemeenteontvanger XII-4828-5/16 boekt als oninvorderbare ontvangsten : 1/ de bedragen te betalen door schuldenaren wier insolventie bewezen is door onverschillig welke bewijsstukken; 2/ de vastgestelde rechten die wegens materiële vergissingen vervallen. De belastingen, geheven ten laste van insolvente belastingplichtigen, mogen eerst als oninvorderbare ontvangsten worden geboekt op de datum waarop het kohier verjaart’; Overwegende dat de betreffende rechten niet verjaard zijn door de fout van de ontvanger; dat uit het dossier blijkt dat ze wel actie heeft ondernomen door de betrokken dossiers over te maken aan de gerechtsdeurwaarder; dat deze laatste de dossiers heeft terugbezorgd met de melding dat de betrokken belastingplichtigen insolvabel waren met het gevolg dat de desbetreffende belastingen als onwaarden dienden te worden beschouwd; dat de niet tijdige boeking van de onwaarden wegens insolventie van de betrokken belastingplichtigen weliswaar een nalatigheid is van de ontvanger op boekhoudtechnisch vlak doch dit is niet van aard haar aansprakelijk te stellen voor de ontvangsten die de gemeente heeft misgelopen; Overwegende dat het derde middel van verzoekster gegrond voorkomt”. Procedure
- Verwerende partij heeft na wisseling van de memories nog een zogenaamde “memorie van wederantwoord” ingediend. In een repliek van de verwerende partij op de memorie van wederantwoord is in het procedurereglement niet voorzien. De bedoelde “memorie van wederantwoord” van de verwerende partij dient dan ook uit de debatten te worden geweerd. De ontvankelijkheid van het beroep
- Verzoekster heeft slechts belang bij een gedeeltelijke vernietiging van de aangevochten beslissing, namelijk in de mate waarin zij voor het tekort aansprakelijk wordt gesteld, dat wil zeggen voor 4.779,31 euro. Zij heeft geen belang bij een vernietiging van het gedeelte waarbij zij niet aansprakelijk wordt verklaard voor een bedrag van 981,64 euro. De grond van de zaak Standpunt van de partijen
- Verzoekster put een eerste middel uit de schending van artikel 131, §§ 1 en 3, van de nieuwe gemeentewet, doordat de deputatie in de bestreden beslissing het besluit van de gemeenteraad van Nieuwpoort van 14 oktober 2004 bevestigt zonder dat dit besluit werd voorafgegaan door een XII-4828-6/16 kasverificatie, terwijl een ontvanger ingevolge artikel 131, § 3, van de nieuwe gemeentewet enkel uitgenodigd kan worden om een bedrag gelijk aan het kastekort in de gemeentekas te storten op voorwaarde dat er een verificatie van de kas werd gedaan overeenkomstig artikel 131, § 1, van de nieuwe gemeentewet. Toegelicht wordt dat de ontvanger krachtens artikel 131, § 3, van de nieuwe gemeentewet verzocht kan worden een bedrag gelijk aan het kastekort in de gemeentekas te storten wanneer verificatie van de kas uitwijst dat er een kastekort is, dat zonder voorafgaande verificatie van de kas het college of de gemeenteraad immers niet kan weten dat er een kastekort is, dat zij echter werd verzocht om een bedrag gelijk aan verjaarde algemene milieubelastingen in de gemeentekas te storten op grond van artikel 131, § 3, van de nieuwe gemeentewet zonder dat er een voorafgaande verificatie van de kas werd gedaan en dat de bestreden beslissing allerlei beschouwingen wijdt aan artikel 131 van de nieuwe gemeentewet zonder echter te antwoorden op het middel betreffende de afwezigheid van een kasverificatie.
- Verwerende partij werpt in de memorie van antwoord tegen dat de in artikel 131, § 1, van de nieuwe gemeentewet beschreven procedure van de kasverificatie enkel toepasselijk is voor het vaststellen van kasproblemen en niet toepasselijk is voor de verjaring van belastingen van vroegere dienstjaren. Zij licht toe dat het onzinnig zou zijn om een verjaring van belasting van vroegere dienstjaren bij verificatie vast te stellen omdat een verificatie van de kas nooit zal aantonen dat een belasting verjaard is, dat de tekst van artikel 131, § 1, van de nieuwe gemeentewet duidelijk is, dat er letterlijk staat dat het gaat om “de verificatie van de kas van de plaatselijke ontvanger” zodat er geen sprake is van het onderzoeken van vorderingen, laat staan nagaan of die verjaard zijn, dat het bijhouden van de kas en het controleren van de status van de vorderingen twee duidelijk te onderscheiden zaken en taken zijn, dat het niet evident is om beide taken toe te bedelen aan dezelfde persoon, dat de wetgever dat wel voor de stadsontvanger deed, maar dit niet impliceerde dat de regels omtrent het bijhouden van de kas ook toepasselijk zijn omtrent het opvolgen van de status van de vorderingen. Verwerende partij doet daarenboven nog gelden dat het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 de verantwoordelijkheid voor de kasvoorraad XII-4828-7/16 toewijst in artikel 35 en dat het bijhouden van de individuele rekeningen van de schuldenaren wordt toegekend in artikel 51, dat artikel 131, § 1, van de nieuwe gemeentewet louter en alleen gaat over een verificatie van de middelen die in de kas aanwezig zijn of moeten zijn, dat zelfs al waren de belastingen gestuit, ze niet in de kas aanwezig geweest zouden zijn, dat indien de verificatieprocedure van artikel 131 was toegepast, de foutieve procedure gevolgd zou zijn, dat artikel 131, § 1, gelezen dient te worden samen met artikel 131, § 2, waarin wordt bepaald dat een kastekort dat toe te schrijven is aan diefstal of verlies door de plaatselijke ontvanger zonder verwijl dient te worden meegedeeld aan het college, dat de verwijzing naar diefstal of verlies aangeeft dat het wel degelijk enkel nazicht van de kasmiddelen zelf betreft, dit zijn middelen die in de kas aanwezig zijn of zouden moeten zijn doch die juist afwezig zijn omwille van diefstal of verlies, dat dit opnieuw geen uitstaans heeft met de status van al dan niet verjaarde vorderingen, dat ook artikel 81 van het Algemeen Reglement Gemeentelijke Comptabiliteit (ARGC) bepaalt dat het niet gaat om het nazicht van de status van de verschillende belastingsvorderingen, dat het woord “kasmiddelen” veel duidelijker is dan artikel 131 dat het louter heeft over de “kas”, dat het commentaar bij artikel 81 ARGC uitdrukkelijk voorschrijft dat dit niet het nagaan van de status van de invorderingen betreft, en uitdrukkelijk stelt dat het kasonderzoek zeker niet het nagaan van de status van de invorderingen betreft, dat de wetgever ervoor koos dat het de taak van de stadsontvanger zelf is om het college schriftelijk kennis te geven van de achterstand van de invorderingen, dat het commentaar uitdrukkelijk vermeldt dat het kasonderzoek niet meer vanuit de budgettaire boekhouding kan gebeuren,wat impliceert dat verjaarde belastingen op deze wijze nooit gedetecteerd kunnen worden en dat de verificatieprocedure voor de kasvoorraad uitgesloten was voor verjaarde belastingen, en dat uit het nagaan van de kasvoorraad waarbij meer bepaald wordt nagegaan of de bedragen vermeld op de verschillende rekeninguittreksels wel overeenstemmen met die in de boekhouding, onmogelijk kan worden nagegaan of er vorderingen zijn die verjaard zijn. Ten slotte betoogt verwerende partij dat in het kader van het onderzoek naar de verschillende onregelmatigheden in het beleid van verzoekster, het initiatief werd genomen om het statuut van de verschillende openstaande vorderingen na te gaan en meer bepaald te onderzoeken of die vorderingen gestuit werden, dat het de taak van verzoekster was te informeren over de verjaarde vorderingen gezien ze artikel 53 ARGC moest naleven zodat zij schriftelijk verslagen moest opstellen en overmaken, dat hoe artikel 131 van de nieuwe XII-4828-8/16 gemeentewet ook wordt geïnterpreteerd, het artikel niet belet dat als er geverifieerd zou moeten worden dit ook perfect kan op een andere wijze dan voorgeschreven in artikel 131 van de nieuwe gemeentewet, dat als er al een eventueel vormgebrek zou zijn, dit tot niets kan leiden omdat zij het niet toepassen van de verificatieprocedure kon dekken door het vaststellen van de verjaring en van het niet behoorlijk boeken conform de diverse bepalingen, dat niet wordt ingezien waar verzoekster enig belang zou kunnen hebben, dat verzoekster nergens enig argument geeft waarom artikel 131van de nieuwe gemeentewet toepasselijk zou zijn voor het vaststellen van verjaarde vorderingen.
- In de laatste memorie betwist verwerende partij dat artikel 131 inhoudt dat er altijd, in eender welke omstandigheid, verificatie van de kas moet gebeuren voordat de ontvanger aansprakelijk kan worden gesteld, zodat bij het ontbreken van dergelijke verificatie de ontvanger nooit aansprakelijk zou kunnen worden gesteld. Voorts argumenteert verwerende partij dat de regeling van artikel 131 verbonden is aan “elk tekort” dat toe te schrijven is aan verlies of diefstal, zodat er dan verificatie van de kas moet gebeuren overeenkomstig paragraaf 1 teneinde het bedrag van het tekort vast te stellen, dat de betreffende procedure van kasverificatie, dan ook maar enkel dient te worden gevolgd wanneer er een tekort is dat toe te schrijven is aan diefstal of verlies, dat daar terzake geen sprake van was, dat de deputatie erop wees dat kasverificatie geen informatie geeft over de status van de invorderingen en over de acties die de ontvanger ondernam tegenover de schuldenaars, dat er terzake geen probleem is van kas of tekorten, maar wel van aansprakelijkheid voor verjaarde vorderingen die het gevolg waren van een gecreëerde wantoestand, dat niettegenstaande onder de gelding van het besluit van de Regent van 10 februari 1945 het kasonderzoek ruim werd omschreven zodat het ook betrekking had op het constateren van de achterstand in de aan de ontvanger opgedragen invorderingen, uit de tekst van artikel 131 duidelijk volgt dat de verificatie daarop geen betrekking heeft, dat dit ook blijkt uit het commentaar op artikel 81 ARGC dat uitdrukkelijk stelt dat het kasonderzoek niet het nagaan van de status van de invorderingen betreft, dat de wetgever er uitdrukkelijk voor opteerde om dit nazicht van de invorderingen er niet langer onder te rekenen, dat verzoekster geen enkel belang heeft om reden dat er geen enkele onregelmatigheid gebeurde gezien verwerende partij de procedure volgde die het meest voordelig was voor haar. XII-4828-9/16 XII-4828-10/16 Beoordeling
- Het ten tijde van de bestreden beslissing geldende artikel 131 van de nieuwe gemeentewet luidt : “§
- Ten minste eenmaal in de loop van elk van de vier kwartalen van het kalenderjaar doet het college van burgemeester en schepenen of een van zijn leden die het daartoe aanwijst, verificatie van de kas van de plaatselijke ontvanger en maakt van de verificatie een proces-verbaal op waarin zijn opmerkingen alsmede die van de ontvanger worden vermeld. Het proces-verbaal wordt getekend door de ontvanger en de leden van het college die verificatie gedaan hebben. Het college van burgemeester en schepenen legt het proces-verbaal aan de gemeenteraad voor. Wanneer de plaatselijke ontvanger aansprakelijk is voor meerdere openbare kassen, wordt daarvan tegelijkertijd verificatie gedaan op de dag en het uur bepaald door de provinciegouverneur. §
- De plaatselijke ontvanger brengt het college van burgemeester en schepenen zonder verwijl op de hoogte van elk tekort dat toe te schrijven is aan diefstal of verlies. Er wordt zonder verwijl overgegaan tot verificatie van de kas, overeenkomstig § 1, teneinde het bedrag van het tekort vast te stellen. Aan het proces-verbaal van verificatie wordt toegevoegd een toelichting op de omstandigheden en de bewarende maatregelen die de ontvanger heeft genomen. §
- Wijst verificatie uit dat er een kastekort is, onder meer als gevolg van het afwijzen van bepaalde uitgaven op definitief afgesloten rekeningen, dan verzoekt het college van burgemeester en schepenen de ontvanger, bij een ter post aangetekende brief, een gelijkwaardig bedrag in de gemeentekas te storten. In het in § 2 bedoelde geval moet aan dat verzoek een beslissing van de gemeenteraad voorafgaan waarin wordt vastgesteld of en in hoeverre de ontvanger voor de diefstal of het verlies aansprakelijk gesteld moet worden en waarin het bedrag van het daaruit volgende tekort wordt bepaald dat hij moet vereffenen; bij het verzoek om te betalen wordt een afschrift van de beslissing gevoegd. §
- Binnen zestig dagen na die kennisgeving kan de ontvanger beroep instellen bij de bestendige deputatie. Het beroep schorst de tenuitvoerlegging. De bestendige deputatie doet als administratief rechtscollege uitspraak over de aansprakelijkheid van de ontvanger en bepaalt het bedrag van het tekort dat dientengevolge te zijnen laste wordt gelegd; de Koning regelt de procedure met inachtneming van de beginselen neergelegd in artikel 104bis van de provinciewet. De ontvanger wordt van elke aansprakelijkheid ontheven wanneer het tekort ontstaan is door het afwijzen van uitgaven op definitief afgesloten rekeningen, indien hij die vereffend heeft overeenkomstig artikel 136, eerste lid. Indien het tekort toe te schrijven is aan het definitief afwijzen van bepaalde uitgaven, kan de ontvanger de leden van het college van burgemeester en schepenen die op onregelmatige wijze deze uitgaven gedaan of bevolen hebben, ter verantwoording roepen teneinde de beslissing voor hen bindend en tegenstelbaar te laten verklaren; in dat geval doet de bestendige deputatie ook uitspraak over de aansprakelijkheid van de ter verantwoording geroepen personen. De beslissing van de bestendige deputatie wordt hoe dan ook eerst ten uitvoer gelegd na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; indien de ontvanger op dat ogenblik niet tot vrijwillige uitvoering is overgegaan, wordt de beslissing XII-4828-11/16 ten uitvoer gelegd op de zekerheid en, voor het eventueel resterend gedeelte, op de persoonlijke goederen van de ontvanger, op voorwaarde evenwel dat tegen de beslissing geen beroep is ingesteld, zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Wanneer de ontvanger geen beroep instelt bij de bestendige deputatie en bij het verstrijken van de daartoe vastgestelde termijn niet heeft voldaan aan het verzoek om te betalen, wordt op dezelfde wijze overgegaan tot de tenuitvoerlegging bij dwangbevel”. Artikel 82 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 houdende het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit luidt : “Ten einde de juistheid van de rekeningen te behouden in geval van tekort, diefstal of verlies, zal een vordering ten belope van hetzelfde bedrag worden geboekt in de algemene boekhouding. Zodra de definitieve beslissing hieromtrent genotificeerd is, zal de gemeenteontvanger in voorkomend geval het bedrag waarvoor hij ontlasting bekwam, in uitgave brengen”.
- Zoals blijkt uit de sub 1.
- geciteerde gemeenteraadsbeslissing van 14 oktober 2004, waarbij het totaalbedrag van de “tekorten” wordt vastgesteld die door verzoekster in de stadkas dienen te worden gestort, worden haar deze tekorten ten laste gelegd met toepassing van artikel 131, § 3, van de nieuwe gemeentewet. Dit wordt bevestigd in de bestreden beslissing, alwaar die stelt dat “voormeld besluit dd. 14 oktober gesteund is op artikel 131, § 3, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet en artikel 82 van het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit”. Uit de lezing van voormelde derde paragraaf, eerste lid, blijkt dat een gemeenteontvanger slechts met toepassing van deze wetsbepaling voor een kastekort aansprakelijk kan worden gesteld indien een “verificatie uit[wijst] dat er een kastekort is”. Het woord “verificatie” in paragraaf 3 verwijst onmiskenbaar naar de “verificatie van de kas”, bedoeld in de paragrafen 1 en 2 van hetzelfde artikel.
- Noch de deputatie noch verwerende partij betwisten dat in het voorliggende geval de vastgestelde “tekorten” ingevolge de verjaring van verschillende vorderingen inzake de algemene milieubelasting dienstjaar 1997 niet tot uiting kwamen bij een “verificatie van de kas” of, met andere woorden, bij een kasonderzoek, met toepassing van de paragrafen 1 of 2 van voormeld artikel
- Meer zelfs, verwerende partij voert uitvoerig aan dat deze twee paragrafen niet van toepassing (kunnen) zijn op de in huidige zaak vastgestelde tekorten. Eén zaak is het echter, of het al dan niet mogelijk is een verjaring op te sporen door middel van een kasnazicht, een andere dan weer door verificatie van de kas na te gaan of een XII-4828-12/16 verjaarde vordering inderdaad aanleiding heeft gegeven tot een kastekort. Bijgevolg merkt verzoekster terecht op dat verwerende partij niet pertinent antwoordt op haar grieven. Er dient te worden vastgesteld dat de gemeenteraad en het college de ontvanger, met toepassing van artikel 131 van de nieuwe gemeentewet, wat de haar verweten tekortkomingen ook zijn, slechts aansprakelijk kan stellen voor een kastekort wanneer dit tekort blijkt uit of bevestigd wordt door een verificatie van haar kas.
- In tegenstelling tot wat verwerende partij meent, betekent dit niet dat in een geval waarbij de tekorten desgevallend niet kunnen blijken uit een verificatie van de kas, de ontvanger nooit aansprakelijk zou kunnen worden gesteld, doch wel dat deze in dat geval hiervoor niet met toepassing van de van het gemeen recht afwijkende aansprakelijkheidsregeling van artikel 131 van de nieuwe gemeentewet aansprakelijk kan worden gesteld. Aan de opname van deze bepaling in de nieuwe gemeentewet ligt een regeringsamendement ten grondslag waarin werd gewezen op de noodzaak om “in de wet de bepalingen [in te voegen] die het voorwerp uitmaken van de artikelen 168, 169, 171 en 173 tot 175 van het besluit van de Regent van 10 februari 1945 houdende algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit” (Parl. St. Senaat, 1989-1990, nr. 307-2 (BZ 1988) p. 27). In een advies van 12 maart 1990 over een ontwerp van koninklijk besluit houdende organisatie van de gemeenteboekhouding (B.S. 3 oktober 1990, p. 18.761 e.v.) had de afdeling Wetgeving van de Raad van State onder meer uiteengezet dat artikel 136 van de nieuwe gemeentewet - dat bepaalt dat de ontvanger tot taak heeft om alleen en onder zijn verantwoordelijkheid onder meer de ontvangsten van de gemeente te innen - niets te maken heeft met de aard en de omvang van de aansprakelijkheid die op de ontvanger rust, wanneer uit het kasonderzoek een tekort blijkt, dat alleen de wetgever inzake de aquiliaanse aansprakelijkheid kan afwijken van het gemeen recht en dat zelfs indien men zou aannemen dat de rechten waarvan sprake van politieke en niet van burgerlijke aard zijn, dan nog alleen de wetgever een administratief rechtscollege ermee kan belasten kennis te nemen van de betwistingen in verband met die rechten. Wou men de regeling terzake vervat in het regentsbesluit van 10 februari 1945 behouden, was het nodig ze wetskracht te verlenen. Door de betreffende bepalingen van dit regentsbesluit in de nieuwe gemeentewet te integreren, werd tegemoetgekomen aan de kritiek van de afdeling Wetgeving dat deze materie in de wet zelf moet worden geregeld. XII-4828-13/16
- In de laatste memorie benadrukt verwerende partij dat de betreffende procedure van kasverificatie van artikel 131, § 1, enkel dient te worden gevolgd wanneer er een tekort is dat toe te schrijven is aan diefstal of verlies, en dat daar terzake geen sprake van was. Niettegenstaande zij aldus meent dat de paragrafen 1 en 2 te dezen niet van toepassing zijn, past zij wél de procedure van artikel 131, § 3, tweede lid, toe, die slechts toepasselijk is in het geval van een tekort dat te wijten is aan diefstal of verlies, zoals bedoeld in paragraaf 2 van hetzelfde artikel. In dit geval schrijft artikel 131, § 3, tweede lid, immers voor dat het verzoek van het college van burgemeester en schepenen om een aan het tekort gelijkwaardig bedrag in de gemeentekas te storten dient te worden voorafgegaan door een beslissing van de gemeenteraad, waarin “wordt vastgesteld of en in hoeverre de ontvanger voor het diefstal of het verlies aansprakelijk gesteld moet worden en waarin het bedrag van het daaruit volgende tekort wordt bepaald dat hij moet vereffenen”. In deze zaak werd de vereiste van een voorafgaande gemeenteraadsbeslissing, zoals voorgeschreven in artikel 131, § 3, tweede lid, door verwerende partij toegepast op het geval van tekorten die te wijten zijn aan het laten verjaren van gemeentelijke milieubelastingen, dat volgens haar nochtans niet valt onder het geval van “diefstal of verlies” zoals bedoeld in artikel 131, §
- De tekst van artikel 131 laat echter niet toe te besluiten dat paragraaf 3 op zichzelf kan worden toegepast, zoals verwerende partij schijnt te suggereren, en ook zou kunnen worden toegepast indien het tekort niet blijkt uit een kasverificatie in toepassing van artikel 131, § 1 (artikel 131, § 3, eerste lid: “wijst verificatie uit dat er een kastekort is”), noch kan worden begrepen onder “het in § 2 bedoelde geval” van diefstal of verlies (artikel 131, § 3, tweede lid), in welk geval er zonder verwijl tevens dient te worden overgegaan tot een verificatie van de kas overeenkomstig paragraaf
- Door aldus verzoekster aansprakelijk te stellen terwijl het verzoek van het college van burgemeester en schepenen om een bedrag in de gemeentekas te storten niet was voorafgegaan door een verificatie van de kas van de ontvanger, heeft de deputatie derhalve artikel 131 van de nieuwe gemeentewet geschonden. De voorafgaande verificatie van de kas van de gemeenteontvanger is in de procedure van artikel 131 van de nieuwe gemeentewet dermate essentieel dat het een onontbeerlijke voorwaarde is om een gemeenteontvanger met toepassing van deze bepaling aansprakelijk te kunnen stellen voor een kastekort. Verwerende partij kan dan ook niet worden gevolgd waar zij stelt dat artikel 131 niet belet dat op een andere wijze wordt geverifieerd dan in deze bepaling voorgeschreven. XII-4828-14/16 Met toepassing van artikel 131 van de nieuwe gemeentewet mag de ontvanger, wat de haar verweten tekortkomingen ook zijn, slechts aansprakelijk worden gesteld voor een kastekort zoals dit blijkt na verificatie van haar kas. De omstandigheid dat de onregelmatigheden van de ontvanger op een andere wijze dan middels een kasonderzoek worden ontdekt ontslaat het college van burgemeester en schepenen er niet van, wil het betrokkene hiervoor op grond van artikel 131 van de nieuwe gemeentewet aansprakelijk stellen, alsnog tot een verificatie van haar kas over te gaan.
- Verwerende partij werpt ten slotte tevergeefs op dat verzoekster geen belang zou hebben bij het middel. Betrokkene heeft er alleszins belang bij dat de van het gemeen recht afwijkende aansprakelijkheidsregeling in haar geval overeenkomstig de wettelijk voorgeschreven procedure wordt toegepast. Het eerste middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 8 juni 2006 van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij Martine Fremaut als ontvanger aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag aan verjaarde vorderingen van 4.779,31 euro. Artikel
- Het cassatieberoep wordt verworpen voor het overige. Artikel
- Dit arrest zal in de registers van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen worden overgeschreven en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde beslissing. XII-4828-15/16 Artikel
- De zaak wordt verwezen naar de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. Artikel
- De kosten van het cassatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig januari 2010, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4828-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.717 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div