← België

Arrest 199722 - Monumenten en Landschappen - 21/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.722 Rolnummer: A. 170410/VII-37420 Zaak: Arrest 199722 - Monumenten en Landschappen - 21/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-01 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 08:22 Fiche Arrest nr 199.722 van 21 januari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 199.722 van 21 januari 2010 in de zaak A. 170.410/VII-37.

  1. In zake: Richard BYTEBIER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Van Beneden kantoor houdend te Gentbrugge P.J. Triesthof 14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 21 februari 2006, strekt tot de nietigver- klaring van het besluit van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening van 7 november 2005 waarbij de "Leiemeersen" te Sint-Martens-Latem definitief als landschap worden beschermd. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. VII-37.420-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 december
  4. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan Van Beneden, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Elsbeth De Vylder, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De verzoeker is eigenaar van vier percelen, kadastraal gekend als sectie A, nrs. 389, 390, 523 en 808, die deel uitmaken van het landschap dat wordt beschermd door het bestreden besluit. 3.
  7. In een nota van 5 december 2003 stelt de afdeling Monumenten en Landschappen voor om de Leiemeersen te beschermen als landschap omwille van de natuurwetenschappelijke, historisch-geografische, floristische-vegetatiekundige en historische waarde. 3.
  8. Op 15 april 2004 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken om de afbakening, zoals aangegeven door de afdeling Monumenten en Landschappen, voorlopig als landschap te beschermen. Een afschrift van dit voorlopig beschermingsbesluit wordt op 28 mei 2004 naar de verzoeker verstuurd. Het besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 augustus
  9. 3.
  10. Op 28 juni 2004 dient de verzoeker een bezwaarschrift in. VII-37.420-2/8 3.
  11. Bij ministerieel besluit van 21 maart 2005 wordt de geldigheidsduur van de voorlopige bescherming met zes maanden verlengd. Dit besluit wordt aangetekend naar de verzoeker verzonden op 3 mei
  12. 3.
  13. Alle adviezen en bezwaren worden door de afdeling Monumenten en Landschappen uiteengezet en onderzocht in haar verslag. 3.
  14. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen verleent op 1 september 2005 een gunstig advies. 3.
  15. Op 7 november 2005 neemt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het thans bestreden besluit tot definitieve bescherming van de Leiemeersen als landschap. Het besluit wordt aangetekend naar de verzoeker verzonden op 19 januari
  16. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  17. De verzoeker roept in een eerste middel de schending in van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) en van artikel 13, § 1, van het destijds geldende decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse regering. Hij betoogt dat er in het bestreden besluit geen individuele motivering wordt aangehaald per eigenaar of per perceel en dat het bestreden besluit niet voldoende concreet of duidelijk gemotiveerd is.
  18. De verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit historische en natuurwetenschappelijke redenen aangeeft voor de bescherming van het geheel als landschap, dat de redenen van algemeen belang niet betwist worden door de verzoeker en dat een individuele motiveringsplicht niet van toepassing is. Voorts stelt zij dat de verzoeker niet aantoont op welke manier artikel 13, § 1, van het destijds geldende decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse regering geschonden wordt. VII-37.420-3/8
  19. De verzoeker repliceert dat niet alle in het bestreden besluit aangehaalde redenen samen geldig zijn voor elk perceel afzonderlijk en dat het redelijk zou zijn dat de overheid elk perceel of elke klager individueel benadert terwijl een collectieve benadering volgens hem onevenwichtig en onredelijk is. Volgens de verzoeker maakt het niet-individueel motiveren machtsmisbruik uit en is het een aanfluiting van de wil van de decreetgever die het destijds geldende decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse regering heeft opgesteld.
  20. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat hij het recht heeft volledig geïnformeerd te zijn vooraleer zich tot de Raad van State te wenden en dat hij te dezen in het ongewisse wordt gelaten over de juiste draagwijdte van het bestreden besluit doordat dit gesteld is in algemene bewoordingen en in een moeilijk verstaanbare taal. Beoordeling
  21. Het is op zich niet vereist dat voor elk perceel afzonderlijk specifieke redenen van historische, esthetische of wetenschappelijke aard uit het administratief dossier blijken. Het volstaat dat er voor het geheel redenen van historische, esthetische of wetenschappelijke aard zijn en dat bepaalde percelen deel uitmaken van het geheel dat gerangschikt wordt of dat het voor de rangschikking van het geheel nodig is bepaalde percelen in het bedoelde landschap op te nemen. Het bestreden besluit verantwoordt het algemeen belang vanuit de historische en natuurwetenschappelijke waarde. Deze waarden worden door de verzoeker niet betwist. Uit het administratief dossier blijkt bovendien dat duidelijk gemotiveerd wordt waarom de percelen van de verzoeker binnen de bescherming als landschap worden opgenomen. Het bestreden besluit is bijgevolg niet onvoldoende gemotiveerd of kennelijk onredelijk. Het eerste middel is ongegrond. VII-37.420-4/8 B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  22. De verzoeker roept in een tweede middel de schending in van het gelijkheids- en het niet-discriminatiebeginsel, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de percelen van sommige eigenaars wel onder de bescherming als landschap vallen en die van andere eigenaars niet, zonder dat hiervoor een objectieve reden wordt aangetoond.
  23. De verwerende partij antwoordt dat de verzoeker niet met concrete gegevens aantoont om welke redenen het gelijkheidsbeginsel geschonden is of welke burgers ten onrechte verschillend behandeld zijn. Zij stelt dat de motieven tot definitieve bescherming en de grenzen ervan uit het bestreden besluit blijken en niet betwist worden door de verzoeker.
  24. De verzoeker repliceert dat hij zonder objectieve reden anders behandeld wordt dan eigenaars van andere, bebouwde dan wel braakliggende, percelen uit de omgeving die zich in dezelfde omstandigheden bevinden en dat hij geen mogelijkheid meer bezit tot verhuring of verkoping van zijn vier percelen in tegenstelling tot andere voornoemde eigenaars.
  25. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat het niet aan hem is om een aantal concrete gevallen aan te halen om het tweede middel te staven aangezien hij geen toegang heeft tot de individuele dossiers van burgers, maar dat het Vlaamse Gewest moet aantonen dat de algemene bewering van verschillende behandeling onjuist is. Volgens de verzoeker volstaat een luchtfoto en een blitsbezoek aan de beschermde regio om zijn gelijk aan te tonen. Beoordeling
  26. Het gelijkheidsbeginsel wordt slechts geschonden als de verzoeker met feitelijke en concrete gegevens aantoont dat in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk behandeld worden, zonder dat er een objectieve verantwoording bestaat voor deze ongelijke behandeling. VII-37.420-5/8 De verzoeker levert dat bewijs niet en toont niet aan dat de afbakening willekeurig is. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen
  27. De verzoeker roept in een derde middel de schending in van artikel 23 van de Grondwet doordat het bestreden besluit hem in zijn economische vrijheid beknot omdat de percelen als akkerland gecatalogeerd worden en niet meer als bouwgrond kunnen worden verkocht.
  28. De verwerende partij antwoordt dat de verzoeker niet betwist dat de beschermingsregeling is ingegeven vanuit het algemeen belang en beperkingen met zich kan meebrengen, dat de definitieve bescherming als landschap gegrond is op een afdoende motivering en dat de motivering van het algemeen belang een verantwoording biedt voor de beknotting van de rechten van de verzoeker. Zij stelt voorts dat de percelen van de verzoeker gelegen zijn in natuurgebied en dat de bescherming als landschap, overeenkomstig artikel 12 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, niet noodzakelijk inhoudt dat er niet meer kan worden gebouwd.
  29. De verzoeker repliceert dat elke aanvraag tot verkaveling of bouwvergunning zal worden geweigerd op grond van het bestreden besluit en dat zijn recht op arbeid beknot wordt aangezien hij zijn percelen verder onderhouden heeft terwijl andere eigenaars buiten de bescherming, opgelegd door het bestreden besluit, vallen omdat zij vóór de inwerkingtreding van het voorlopig beschermingsbesluit en het bestreden besluit een aanvraag tot verkaveling of bouwvergunning hebben ingediend. Ten slotte verwijst de verzoeker naar zijn recht op vrije tijd.
  30. In zijn laatste memorie wijst de verzoeker er nogmaals op dat het feit dat zijn percelen in natuurgebied gelegen zijn, geen reden mag zijn om "zijn economische vrijheid tot tegeldemaking van deze gronden te beknotten". VII-37.420-6/8 Beoordeling
  31. Het bestreden besluit schendt artikel 23 van de Grondwet niet aangezien de economische vrijheid van de verzoeker niet beknot wordt. De bewering van de verzoeker dat het hem verboden is zijn percelen te bewerken voor groenteteelt, is onterecht. Op het plan gevoegd bij het bestreden besluit worden de percelen van de verzoeker immers onder "relevant actueel grondgebruik" aangeduid als "A" akkerland. Het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 1997 houdende algemene beschermingsvoorschriften, advies- en toestemmingsprocedure, instelling van een register en vaststelling van een herkenningsteken voor beschermde landschappen, waarnaar het bestreden besluit in artikel 3 verwijst, definieert "akkerland" als gronden die een actueel gebruik hebben als akkerbouwteelten inclusief groenbemesters en tijdelijk raaigrasland, tuinbouwteelten, boomteelten en laagstamfruitteelten. De verwijzing naar de aanduiding akkerland op het bijgevoegde plan is dan ook niet van aard enige schending van artikel 23 van de Grondwet aan te tonen. Waar de verzoeker vervolgens nog stelt dat artikel 23 van de Grondwet geschonden is omdat het bestreden besluit het hem onmogelijk maakt zijn percelen als bouwgrond te verkopen, stelt de Raad van State vast dat de partijen niet betwisten dat de percelen van de verzoeker volgens het gewestplan gelegen zijn in natuurgebied. Het derde middel is niet gegrond. D. Vierde middel
  32. De verzoeker deelt in zijn laatste memorie mee dat hij niet langer aandringt op dit middel. De Raad van State stelt bijgevolg vast dat de verzoeker afstand doet van dit middel. VII-37.420-7/8 BESLISSING
  33. De Raad van State verwerpt het beroep.
  34. De Raad van State beveelt de kantmelding van dit arrest op de kant van de overschrijving van het rangschikkingsbesluit in de registers van het tweede hypotheekkantoor te Gent.
  35. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De verzoeker wordt eveneens verwezen in de kosten van de hiervoor vermelde kantmelding. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig januari tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.420-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.722 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.