← België

Arrest 199723 - Monumenten en Landschappen - 21/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.723 Rolnummer: A. 171050/VII-37564 Zaak: Arrest 199723 - Monumenten en Landschappen - 21/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-01 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-07-02 08:22 Fiche Arrest nr 199.723 van 21 januari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 199.723 van 21 januari 2010 in de zaak A. 171.050/VII-37.

  1. In zake:
  2. de NV DE HEUVELS
  3. de NV BAETENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 15 maart 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening van 7 november 2005 waarbij de "Leiemeersen" te Sint-Martens-Latem definitief als landschap worden beschermd, minstens in zoverre het perceel nr. 591C wordt opgenomen in het afbakeningsplan. II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. VII-37.564-1/12 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 december
  6. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthias Valkeniers, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Elsbeth De Vylder, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. De eerste verzoekende partij is eigenaar van de percelen kadastraal gekend als 1e afdeling, sectie A, nrs. 597P, 597N en 591C. Zij verhuurt deze percelen aan de tweede verzoekende partij die een vlasveredelingsfabriek exploiteert aan de Meerstraat 56 te Latem. Het perceel nr. 591C maakt deel uit van het landschap dat wordt beschermd door het bestreden besluit. 3.
  9. In een nota van 5 december 2003 stelt de afdeling Monumenten en Landschappen voor om de Leiemeersen te beschermen als landschap omwille van de natuurwetenschappelijke, historisch-geografische, floristische-vegetatiekundige en historische waarde. 3.
  10. Op 15 april 2004 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken om de afbakening, zoals aangegeven door de afdeling Monumenten en Landschappen, voorlopig als landschap te beschermen. Een afschrift van dit voorlopig beschermingsbesluit wordt op 28 mei 2004 naar de eerste verzoekende partij verstuurd. Het besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 augustus
  11. VII-37.564-2/12 3.
  12. Op 25 juni 2004 dienen de verzoekende partijen een bezwaar- schrift in. De afdeling Europa Economie geeft op 20 juli 2004 een gunstig advies, met uitzondering voor wat betreft het perceel nr. 591C van de eerste verzoekende partij. 3.
  13. Bij ministerieel besluit van 21 maart 2005 wordt de geldigheidsduur van de voorlopige bescherming met zes maanden verlengd. Dit besluit wordt aangetekend naar de eerste verzoekende partij verzonden op 3 mei
  14. 3.
  15. Alle adviezen en bezwaren worden door de afdeling Monumenten en Landschappen uiteengezet en onderzocht in haar verslag. 3.
  16. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (hierna : KCML) verleent op 1 september 2005 een gunstig advies. 3.
  17. Op 7 november 2005 neemt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het thans bestreden besluit tot definitieve bescherming van de Leiemeersen als landschap. Het besluit wordt aangetekend naar de eerste verzoekende partij verzonden op 19 januari
  18. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  19. De verzoekende partijen roepen in een eerste middel de schending in van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), van de artikelen 9 en 11 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg (hierna : landschapsdecreet), van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel en van het gelijkheidsbeginsel zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. VII-37.564-3/12 Zij stellen dat het bestreden besluit geen afdoende motivering geeft waarom perceel nr. 591C als landschap moet worden beschermd, dat het enkel de motivering van het voorlopig beschermingsbesluit overneemt en geen eigen motivering bevat en dat het verwijst naar het advies van de KCML dat niet ter kennis werd gebracht van de verzoekende partijen. Voorts stellen zij dat het bestreden besluit niet motiveert waarom de percelen nrs. 597P en 597N - waarop de vlasveredelingsfabriek gevestigd is - wel uit de rangschikking als beschermd landschap zijn gesloten, terwijl het perceel nr. 591C - waarop de waterzuiveringsinstallatie is gelegen - als beschermd landschap wordt opgenomen, hoewel de lamlegging van de waterzuiveringsinstallatie het bestaan van de vlasveredelingsfabriek zou verhinderen. Volgens de verzoekende partijen motiveert het bestreden besluit niet waarom de nabijgelegen percelen nrs. 592G en 590B wel uit de rangschikking worden gesloten terwijl deze percelen en het perceel nr. 591C volgens het gewestplan in natuurgebied gelegen zijn. Zij concluderen dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen door geen rekening te houden met de feitelijke toestand van de percelen. Vervolgens argumenteren de verzoekende partijen dat het bestreden besluit niet aantoont dat het advies van de KCML als motivering eigen wordt gemaakt, dat er enkel mag worden verwezen naar stukken die aan de betrokkene ter kennis worden gebracht, dat bij motivering door verwijzing de adviezen en verslagen waarnaar de beslissing verwijst, aan de betrokkene ter kennis moeten worden gebracht. Deze verplichting tot kennisgeving is volgens de verzoekende partijen te dezen nog belangrijker aangezien het bestreden besluit een belangrijke aantasting inhoudt van het eigendomsrecht.
  20. De verwerende partij antwoordt dat het bezwaar van de verzoekende partijen van 25 juni 2004 door de afdeling Monumenten en Landschappen onderzocht en weerlegd werd tijdens de beschermingsprocedure en dat een bezwaar niet vermeld moet worden in het bestreden besluit. Zij stelt dat het bestreden besluit moet opgeven om welke redenen het bestuur van oordeel is dat het beschermde onroerend goed van algemeen belang is, dat het bestreden besluit te dezen vermeldt om welke redenen van algemeen belang het landschap wordt beschermd en dat uit het administratief dossier blijkt dat de bezwaren en opmerkingen weerlegd werden. Voorts stelt zij dat de motivering van de opname van perceel nr. 591C niet expliciet in het bestreden besluit moest worden opgenomen VII-37.564-4/12 aangezien de opname van dit perceel al in de voorafgaande beschermingsprocedure werd gemotiveerd als antwoord op het ingediende bezwaar. De verwerende partij argumenteert voorts dat het mogelijk en te dezen zelfs logisch is dat de tekst van het voorlopig beschermingsbesluit identiek dezelfde is als van het definitief beschermingsbesluit aangezien alle bezwaren onderzocht en weerlegd werden en er zich geen nieuwe feiten voordeden in de periode tussen het voorlopig en het definitief beschermingsbesluit. Zij wijst er op dat de verzoekende partijen de redenen van algemeen belang niet betwisten en dat de opgegeven verantwoording voor het geheel geldt en er geen motivering per perceel moet worden voorzien. De verwerende partij wijst er op dat de uiteenzetting van de verzoekende partijen omtrent de verwijzing naar het advies van de KCML overbodig is aangezien het bestreden besluit afdoende gemotiveerd is en niet verwijst naar voornoemd advies inzake de motivering. Ten slotte stelt de verwerende partij dat de individuele betekening op regelmatige wijze gebeurd is.
  21. De verzoekende partijen repliceren dat het bestreden besluit in de aanhef enkel naar enkele wetsbepalingen verwijst op grond waarvan tot bescherming besloten is en naar het advies van de KCML, wat geen afdoende motivering uitmaakt, alsook dat dit advies niet aan hen werd meegedeeld zodat het advies geen deel kan uitmaken van het bestreden besluit. Volgens de verzoekende partijen mag enkel verwezen worden naar stukken die hen ter kennis zijn gebracht en toont een verwijzing naar adviezen, zonder verduidelijking over de strekking van de adviezen, enkel aan dat voldaan is aan de procedurehandelingen, verricht tijdens de opmaak van het bestreden besluit. Zij stellen dat, aangezien het advies van de KCML hen niet mee werd betekend, zij niet konden weten of en in welke mate hun bezwaren mee werden betrokken in de motivering van het bestreden besluit dan wel in het advies van de KCML. Voorts stellen zij dat het bestreden besluit de werkelijke bodemtoestand van het perceel nr. 591C negeert en bijgevolg niet gebaseerd is op een juiste beoordeling van de concrete feitelijke gegevens aangezien volgens het bijgevoegde plan de bodem van dit perceel aangewend wordt als tuin en park terwijl er in werkelijkheid een waterzuiveringsinstallatie op staat. De verzoekende partijen betwisten dat hun argumenten onder het eerste middel een overname zijn van de bezwaren geuit tijdens de beschermingsprocedure en dat het verslag van de KCML hun bezwaren afdoende heeft weerlegd omdat het enkel naar de weerlegging van het advies van de afdeling Europa Economie verwijst. VII-37.564-5/12
  22. In hun laatste memorie herhalen de verzoekende partijen dat het bestreden besluit niet afdoende motiveert waarom de vlasveredelingsfabriek wel uit de bescherming wordt gesloten en de daaraan verbonden waterzuiveringsinstallatie niet. Zij stellen dat het bestreden besluit intern tegenstrijdig is doordat de uitsluiting van de fabriek geen probleem zou stellen op het vlak van de integriteit van het te beschermen landschap, terwijl van de waterzuiveringsinstallatie wordt aangenomen dat de uitsluiting ervan uit de bescherming problematisch zou zijn. Beoordeling
  23. Wanneer de overheid een landschap van algemeen belang beschermt, moet zij, om te voldoen aan artikel 9 van het landschapsdecreet, in het besluit zelf de juridische en feitelijke overwegingen vermelden waarop het gesteund is. Deze formele motiveringseis verplicht de administratieve overheid er niet toe in de akte expliciet de opmerkingen en bezwaren te beantwoorden die tijdens de voorafgaande procedure tegen de bescherming zijn ingebracht. Het is voldoende dat het besluit opgeeft om welke natuurwetenschappelijke, historische, esthetische of sociaal-culturele waarde het bestuur van oordeel is dat het beschermde landschap van algemeen belang is. Aan de opgelegde motiveringsplicht is voldaan wanneer het besluit tot bescherming als landschap duidelijk de redenen opgeeft die tot bescherming aanleiding geven, zodat de beroeper met kennis van zaken tegen de beslissing kan opkomen en de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen. De Raad van State stelt vast dat het bestreden besluit op uitvoerige wijze de historische en natuurwetenschappelijke waarden uiteenzet die de bescherming van het gebied als landschap verantwoorden, dat het perceel nr. 591C opgenomen wordt in deze bescherming en dat de verzoekende partijen op geen enkel ogenblik deze waarden betwisten. Bijgevolg vermeldt het bestreden besluit wel degelijk de feitelijke en juridische overwegingen waarop het is gesteund en kennen de verzoekende partijen de waarden die de overheid aan het landschap en dus aan hun perceel hecht om het te beschermen. VII-37.564-6/12 De verzoekende partijen gaan er verkeerdelijk van uit dat, opdat een motivering afdoende zou zijn, in het bestreden besluit een individuele motivering per perceel moet worden gegeven. Het is immers niet vereist dat voor elk perceel afzonderlijk specifieke redenen van artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele aard blijken uit het administratief dossier, maar het volstaat dat er voor het geheel redenen van voornoemde aard zijn en dat bepaalde percelen deel uitmaken van het geheel dat gerangschikt wordt of dat het voor de rangschikking van het geheel nodig is bepaalde percelen in het bedoelde landschap op te nemen. Waar de verzoekende partijen er vervolgens op wijzen dat niet gemotiveerd wordt waarom de percelen nrs. 592G en 590B uit de afbakening worden gesloten, terwijl hun perceel ook in natuurgebied ligt, wijst de Raad van State er op dat een beschermingsbesluit de waarden moet uiteenzetten om tot een bescherming over te gaan, wat te dezen ook gebeurd is, zonder dat uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd waarom bepaalde percelen niet opgenomen worden. Het feit dat deze percelen ook in natuurgebied gelegen zijn, verandert niets aan deze vaststelling. Aangezien het bestreden besluit zelf formeel gemotiveerd is, moet het advies van de KCML niet mee worden betekend aan de betrokkenen. Ook het feit dat het bestreden besluit de motivering van het voorlopig beschermingsbesluit overneemt, is niet van aard om van een "gebrekkige" motivering te kunnen spreken. Uit het administratief dossier blijkt ten slotte ook dat het perceel van de verzoekende partijen wel degelijk concreet ter sprake is gekomen, zodat een gebrek aan zorgvuldigheid niet kan worden aangenomen. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  24. De verzoekende partijen roepen in een tweede middel de schending in van het rechtszekerheids-, het zorgvuldigheids-, het gelijkheids-, het redelijkheids- en het motiveringsbeginsel alsook de schending van de verworven rechten voortvloeiend uit een definitief verleende milieuvergunning voor de uitbating van een vlasveredelingsfabriek. VII-37.564-7/12 Zij stellen dat de hen toegekende lozings- en milieuvergunning voor de exploitatie van de vlasveredelingsfabriek uitdrukkelijk een specifiek proces van waterzuivering opleggen, waardoor de waterzuiveringsinstallatie een onontbeerlijk geheel uitmaakt van het productieproces van de fabriek, maar dat door de opname van het perceel nr. 591C in het bestreden besluit verdere waterzuiveringsactiviteiten alsook eventuele onderhouds- en aanpassingswerken aan de installatie mogelijk niet meer toegelaten zullen worden zodat een rechtsonzekere toestand ontstaan is. Voorts stellen zij dat de opname van het perceel nr. 591C in het bestreden besluit een aantasting uitmaakt van het verworven recht van de tweede verzoekende partij om de exploitatie van de vlasveredelingsfabriek conform de lozings- en milieuvoorschriften verder te zetten. Volgens hen is het bestreden besluit ook onzorgvuldig voorbereid en niet afdoende gemotiveerd aangezien naast de uitsluiting van de percelen waarop de vlasveredelingsfabriek is gelegen, tevens moest zijn overgegaan tot de uitsluiting van het perceel waarop de waterzuiveringsinstallatie zich bevindt. De verzoekende partijen stellen dat de aantasting van het eigendomsrecht op het perceel dat noodzakelijk is voor de vlasveredelingsfabriek de rangschikkende overheid tot een grondig onderzoek had moeten aanzetten naar de noodzaak tot opname van dit perceel in het afbakeningsplan en dat het niet-uitsluiten van voornoemd perceel uit de afbakening getuigt van een incoherent beleid dat van aard is een regelmatig vergunde hinderlijke inrichting te hypothekeren. Zij stellen dat een mogelijke afwijking voor de waterzuiveringsactiviteiten op grond van artikel 14 van het landschapsdecreet quasi uitgesloten zal zijn en dat het bestreden besluit bovendien geenszins de verschillende behandeling motiveert tussen het perceel nr. 591C en de nabijgelegen percelen nrs. 592G en 590B.
  25. De verwerende partij antwoordt dat de vrees van de verzoekende partijen als zou de bescherming als landschap de stopzetting van de waterzuiveringsactiviteiten mogelijk tot gevolg hebben, "misplaatst" is. Zij stelt dat op grond van de artikelen 12 en 14 van het landschapsdecreet en artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 1997 houdende algemene beschermingsvoorschriften, advies- en toestemmingsprocedure, instelling van een register en vaststelling van een herkenningsteken voor beschermde landschappen (hierna : beschermingsbesluit) de opname van perceel nr. 591C in het bestreden besluit niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partijen de exploitatie van de waterzuiveringsinstallatie moeten staken. Volgens de verwerende partij moeten de verzoekende partijen voor een vergunningsplichtige dan wel een niet- vergunningsplichtige handeling aan de Vlaamse regering of diens gemachtigde VII-37.564-8/12 respectievelijk het advies dan wel de toestemming vragen. Zij voert daarnaast aan dat uit de artikelen 13 en 14 van het beschermingsbesluit volgt dat de afdeling Monumenten en Landschappen in ieder individueel geval zal moeten oordelen of de gevraagde werken kunnen worden toegestaan of niet en dat deze afdeling in de voorbereidende procedure gesteld heeft dat zij ervan overtuigd is dat de werking van de waterzuiveringsinstallatie het behoud van de algemene milieukwaliteit in het gebied ten goede komt en dat de bescherming van het perceel nr. 591C als landschap niet leidt tot een hypothekering van de exploitatie van de waterzuiveringsinstallatie. De verwerende partij concludeert dat de milieu- en lozingsvergunning van de verzoekende partijen uitvoerbaar blijven, dat de verdere exploitatie van de waterzuiveringsinstallatie en van de vlasveredelingsfabriek gegarandeerd zijn en dat er geen rechtsonzekerheid is. Wat de aangevoerde schending van het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel betreft, verwijst de verwerende partij opnieuw naar voornoemd antwoord van de afdeling Monumenten en Landschappen. Zij verwijst eveneens naar het antwoord van de afdeling Monumenten en Landschappen op het bezwaar ingediend door de afdeling Europa Economie op 20 juli 2004 waaruit volgens de verwerende partij kan worden afgeleid dat de rangschikkende overheid wel voldoende onderzoek heeft gedaan tijdens de voorbereidende procedure inzake de opname van het perceel nr. 591C in het te beschermen landschap. Met betrekking tot het redelijkheidsbeginsel stelt de verwerende partij dat de rangschikkende overheid rekening heeft gehouden met het gegeven dat de waterzuiveringsinstallatie ingebed is in en aan het oog wordt onttrokken door beplanting, geen negatieve invloed heeft op de esthetische waarde van het beschermd landschap en het niet aangewezen is de fysisch-geografische integriteit van het gebied nog verder aan te tasten door percelen uit te sluiten. Volgens de verwerende partij blijkt uit dit antwoord van de afdeling Monumenten en Landschappen ook om welke objectieve en redelijke redenen de bescherming van perceel nr. 591C als landschap verantwoord is zodat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden is.
  26. De verzoekende partijen repliceren dat het bestaan van een ondergrondse waterzuiveringsinstallatie de noodzaak tot onderhouds- en aanpassingswerken inhoudt die een determinerende invloed kunnen hebben op de aanwezige beplanting of bodemgesteldheid en dat deze werken in strijd zijn met de doelstellingen van het bestreden besluit, namelijk het vrijwaren en waar mogelijk VII-37.564-9/12 optimaliseren van de natuurwetenschappelijke kwaliteiten waardoor omzetting in bodemgebruik en reliëfwijzigingen verboden zijn. Zij stellen dat de opname van de waterzuiveringsinstallatie als beschermd landschap een schending kan inhouden van de bijzondere beschermingsvoorschriften betreffende tuinen en parken zoals bepaald in artikel 12 van het beschermingsbesluit dat een verbod oplegt op de uitvoering van tal van grondwerken die een invloed kunnen hebben op de aanwezige beplanting of bodemgesteldheid. De verzoekende partijen repliceren voorts dat de suggestie van de afdeling Monumenten en Landschappen tot behoud van de waterzuiveringsinstallatie geen waarborg inhoudt dat zij gebeurlijke vergunningen of toestemmingen zullen krijgen voor onderhouds- of aanpassingswerken, aangezien de overheid steeds over een appreciatierecht beschikt om de aanvraag of toestemming te weigeren. Volgens de verzoekende partijen is de bewering van de verwerende partij dat de fysisch- geografische integriteit van het gebied nog verder zou worden aangetast indien het perceel nr. 591C zou worden uitgesloten van de bescherming als landschap, geen geldige reden aangezien de nabijgelegen percelen nrs. 592G en 590B alsook de percelen nrs. 597P en 597N wel uit de bescherming zijn uitgesloten, en staat deze verschillende behandeling niet in redelijk verband met het beoogde doel.
  27. In hun laatste memorie herhalen de verzoekende partijen dat een later beschermingsbesluit een eerder verleende milieuvergunning niet ongedaan kan maken, terwijl te dezen het risico bestaat dat ten gevolge van het bestreden besluit geen toelating zal worden gegeven voor noodzakelijke onderhouds- en aanpassingswerken aan de waterzuiveringsinstallatie waarvoor een definitieve milieuvergunning is afgeleverd. Beoordeling
  28. Wat de door de verzoekende partijen aangevoerde vrees omtrent de dreiging tot stopzetting van de waterzuiveringsactiviteiten betreft, stelt de verwerende partij terecht dat op grond van de artikelen 12 en 14 van het landschapsdecreet en artikel 3 van het beschermingsbesluit de opname van perceel nr. 591C in het bestreden besluit niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partijen de exploitatie van de waterzuiveringsinstallatie moeten staken. Bovendien stelt de Raad van State vast dat het perceel volgens het gewestplan gelegen is in natuurgebied wat ook al verscheidene beperkingen inhoudt. VII-37.564-10/12 Uit het administratief dossier blijkt bovendien dat de verwerende partij, rekening houdend met het ongunstige advies van de afdeling Europa Economie voor wat betreft de opname van het perceel nr. 591C binnen het beschermd landschap, wel degelijk onderzocht heeft of dit perceel opgenomen kon blijven binnen de afbakening. Ook de vrees aangaande de verdere exploitatie van de waterzuiveringsinstallatie wordt daarin onderzocht en weerlegd. Zo weerlegt de afdeling Monumenten en Landschappen dit advies als volgt : "Op het perceel in kwestie bevindt zich inderdaad een waterzuiveringsinstallatie, ingebed in en aan het oog onttrokken door beplanting, reden waarom het actueel grondgebruik van het perceel werd gekarteerd als 'park en tuin'. Als zodanig oefent deze installatie geen negatieve invloed uit op de esthetische waarde van het beschermd landschap. Om die reden, en omdat het niet aangewezen is de fysisch-geografische integriteit van het gebied nog verder aan te tasten door percelen uit te sluiten, werd besloten het perceel in kwestie in de bescherming op te nemen. De geldende beschermingsvoorstellen zijn nooit absoluut. Er kan steeds van afgeweken worden op grond van een aanvraag. Indien er een aanvraag wordt ingediend voor herstellings- of onderhoudswerken aan de water- zuiveringsinstallatie zal die zoals steeds getoetst worden aan de waarden van het beschermd landschap, in casu o.a. de waarde van de aanwezige beplanting, maar zal er terdege rekening gehouden worden met de functionaliteit van de waterzuiveringsinstallatie, temeer daar deze bijdraagt tot de algemene milieukwaliteit in het gebied. Het perceel na stopzetting van de bedrijfsaktiviteiten alsnog beschermen is geen optie, omdat een bescherming als landschap steeds betrekking heeft op een ensemble met een zekere oppervlakte, niet op individuele percelen die slechts deel uitmaken van een veel groter geheel. Besluit AML ziet gezien het voorgaande geen redenen om het perceel uit de bescherming te sluiten". Het bezwaarschrift van de verzoekende partijen wordt door de afdeling Monumenten en Landschappen als volgt beantwoord : "De opname van het perceel in kwestie hypothekeert op geen enkele wijze de werking van de waterzuiveringsinstallatie. Deze is trouwens nodig voor het behoud van de algemene milieukwaliteit in het gebied". Het tweede middel is bijgevolg ongegrond. VII-37.564-11/12 BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt het beroep.
  30. De Raad van State beveelt de kantmelding van dit arrest op de kant van de overschrijving van het rangschikkingsbesluit in de registers van het tweede hypotheekkantoor te Gent.
  31. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. De verzoekende partijen worden eveneens verwezen in de kosten van de hiervoor vermelde kantmelding, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig januari tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.564-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.723 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.