← België

Arrest 199727 - Voedselveiligheid (FAVV) - 21/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.727 Rolnummer: A. 171118/VII-37473 Zaak: Arrest 199727 - Voedselveiligheid (FAVV) - 21/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-28 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 08:22 Fiche Arrest nr 199.727 van 21 januari 2010 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 199.727 van 21 januari 2010 in de zaak A. 171.118/VII-37.

  1. In zake: Herman DEN HAERYNCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Willem Slosse kantoor houdend te Antwerpen Brusselstraat 59 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jaak Fransen en Raf Drieskens kantoor houdend te Overpelt Burgemeester Van Lindtstraat 61 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 17 maart 2006, strekt tot de nietigverklaring van enerzijds het besluit van de gedelegeerd bestuurder van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna : FAVV) van 17 januari 2006 waarbij het bezwaar, ingediend tegen de beslissing van de evaluatiecommissie van de Provinciale Controle-Eenheid (hierna : PCE) Antwerpen van 14 oktober 2005 waarbij wordt besloten dat Herman Den Haerynck niet in aanmerking komt om taken uit te oefenen voor het FAVV, wordt verworpen en de beroepen beslissing wordt bevestigd, en anderzijds de beroepen beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Antwerpen van 14 oktober
  3. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. VII-37.473-1/15 De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 december
  5. Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stijn Brusselmans, die loco advocaat Willem Slosse verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Jaak Fransen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Melissa Celis, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten
  7. De verzoeker werd bij koninklijk besluit van 14 maart 1984 benoemd als derde adjunct-vleeskeurder om de vleeskeuring en het toezicht te verzekeren in het exportslachthuis te Rijkevorsel. Hij voert als dierenarts sinds geruime tijd keurings- en controleopdrachten uit in het kader van het koninklijk besluit van 20 december 2004 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het FAVV taken door zelfstandige dierenartsen kan laten verrichten (hierna: koninklijk besluit van 20 december 2004).
  8. Nadat aan het hoofd van de PCE Antwerpen was gerapporteerd dat met de verzoeker niet meer te werken valt, wordt deze op 16 augustus 2005 gehoord door de evaluatiecommissie van de PCE Antwerpen. Uit het evaluatieformulier blijkt, onder meer, dat de verzoeker op een aantal punten negatief of matig en op één onderdeel positief scoort.
  9. Op 14 oktober 2005 deelt het hoofd van de PCE Antwerpen vervolgens aan de verzoeker mee dat de evaluatiecommissie van de PCE Antwerpen heeft besloten dat hij "niet in aanmerking komt om taken uit te oefenen voor het VII-37.473-2/15 Voedselagentschap" om redenen van een "onvoldoende kennis van de bevoegdheden en de reglementering met betrekking tot het FAVV", een "gebrek aan teamgeest" en het "niet opvolgen van instructies". Er wordt hem ook meegedeeld dat hij zijn huidige opdrachten voort kan zetten totdat de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij hem bij gemotiveerde beslissing het einde van zijn opdracht betekent. Dit is de tweede bestreden beslissing.
  10. Op 1 november 2005 maakt de verzoeker zijn bezwaar tegen de beslissing van de evaluatiecommissie kenbaar aan de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij. Dit bezwaarschrift luidt als volgt: "Gezien de inhoud en de toekomstige gevolgen op het aangetekend schrijven van Mr. Naassens, daterend van 14 oktober 2005, ben ik zo vrij u een persoonlijk onderhoud aan te vragen m.b.t. mijn kandidatuur voor het uitoefenen van taken binnen het FAVV, dit om aangehaalde redenen van incompetentie te weerleggen. Hopend gebruik te mogen maken van een weinig tijd aangaande uw beroepsactiviteit, teken ik met de meeste hoogachting,".
  11. Bij aangetekend schrijven van 13 december 2005 wordt de verzoeker uitgenodigd om te worden gehoord op 22 december
  12. In deze brief wordt er tevens op gewezen dat het is toegestaan inzage te nemen van de stukken die betrekking hebben op het dossier, vanaf een half uur voor de hoorzitting.
  13. Bij schrijven van 16 december 2005 stelt de verzoeker dat hij zich zo grondig mogelijk wil voorbereiden op de verdediging van zijn standpunt en vraagt hij de stukken van zijn dossier te willen overmaken, zodat hij volledig en grondig voorbereid zijn houding kan motiveren.
  14. Bij aangetekend schrijven van 12 januari 2006 wordt aan de verzoeker de beslissing van het hoofd van de PCE Antwerpen ter kennis gebracht om hem vanaf maandag 16 januari 2006 geen keurings- of controleopdrachten meer toe te kennen. De beslissing is in essentie gemotiveerd met verwijzing naar een aantal feitelijke aantijgingen met betrekking tot het gedrag van de verzoeker. VII-37.473-3/15
  15. Met een brief van 17 januari 2006 wordt aan de verzoeker het besluit van de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij ter kennis gebracht. De motivering ervan luidt als volgt: "In uw schrijven van 1 november 2005 hebt u, bij toepassing van artikel 6, laatste lid, van het koninklijk besluit van 20 december 2004 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen taken door zelfstandige dierenartsen kan laten verrichten (Belgisch Staatsblad van 11.01.2005), een persoonlijk onderhoud aangevraagd bij de Gedelegeerd Bestuurder van het Agentschap om de door de evaluatiecommissie van de PCE Antwerpen genomen beslissing dat u niet in aanmerking komt om taken uit te oefenen voor het Agentschap met als aangehaalde redenen van incompetentie, te weerleggen. Op 13 december 2005 werd u per aangetekend schrijven uitgenodigd om gehoord te worden door de beroepscommissie op 22 december 2005 om 09.30 u. U hebt zich op 22 december 2005 niet aangeboden om gehoord te worden en dit zonder voorafgaande mondelinge of schriftelijke verwittiging. In uw schrijven van 1 november 2005 brengt u geen enkel element aan dat aanleiding zou kunnen geven tot een herziening van de beslissing van de beroepscommissie. Na beraadslaging heeft de beroepscommissie dan ook het volgende advies gegeven: er zijn geen redenen om de beslissing van de evaluatiecommissie te herzien om u niet in aanmerking te nemen als zelfstandige dierenarts voor het uitvoeren van taken voor het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Daarom heb ik beslist om uw bezwaar niet te aanvaarden en blijft de beslissing van de evaluatiecommissie ongewijzigd. (...) Conform artikel 11 van het bovenvermeld koninklijk besluit wordt er een einde gesteld aan uw opdrachten voor het Voedselagentschap en dit vanaf 1 februari 2006". Dit is het eerste bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  16. Ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep, komt het in beroep genomen besluit in de plaats van de in eerste aanleg genomen beslissing. De gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij heeft weliswaar de beslissing van de evaluatiecommissie gehandhaafd en aldus impliciet de motieven van deze beslissing overgenomen. De beslissing van de evaluatiecommissie werd echter niet zonder meer hernomen door de gedelegeerd bestuurder. Het handhaven van de beslissing van de evaluatiecommissie is immers het logische gevolg van het niet aanvaarden van verzoekers bezwaar en uit het VII-37.473-4/15 bestreden besluit blijkt waarom dit het geval is. Overigens heeft de verzoeker in zijn bezwaarschrift nagelaten zijn inhoudelijke bezwaren met betrekking tot de beslissing van de evaluatiecommissie kenbaar te maken. Evenmin is hij zijn inhoudelijke bezwaren komen toelichten tijdens de hoorzitting van de beroepscommissie, waarop hij nochtans door de verwerende partij was uitgenodigd. Ambtshalve wordt dan ook vastgesteld dat het voorliggend beroep tot nietigverklaring niet ontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen de beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Antwerpen die op 14 oktober 2005 aan de verzoeker ter kennis werd gebracht - dit is de tweede bestreden beslissing - en die door het eerste bestreden besluit (hierna : het bestreden besluit) werd bevestigd. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  17. De verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van artikel 11 van het koninklijk besluit van 20 december 2004 en van het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst. De verzoeker betoogt dat het bestreden besluit als rechtsgrond artikel 11 van het koninklijk besluit van 20 december 2004 heeft, terwijl deze bepaling volgens hem te dezen niet van toepassing is. De verzoeker zegt immers niet te behoren tot die categorieën van dierenartsen waarvoor de bepaling geldt. Voorts stelt de verzoeker dat een door de Koning benoemde dierenarts ingevolge het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst niet door een beslissing van de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij uit zijn taken kan worden ontheven.
  18. De verwerende partij stelt daar kort en bondig tegenover dat artikel 11 van het koninklijk besluit van 20 december 2004 ook ten opzichte van de verzoeker van toepassing is.
  19. In de laatste memorie voegt de verzoeker nog toe dat het niet is omdat het koninklijk besluit waarmee hij met zijn opdracht werd belast, dateert van VII-37.473-5/15 vóór 1 juli 1986, dat het koninklijk besluit van 4 juli 1986 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dierenartsen, die op de wervingsreserve van het Instituut voor Veterinaire Keuring zijn ingeschreven, met bijzondere opdrachten kunnen belast worden of het koninklijk besluit van 4 juli 1986 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dierenartsen bij het Instituut voor Veterinaire Keuring met opdrachten kunnen belast worden op hem van toepassing zou zijn. Beoordeling
  20. De verzoeker maakt niet duidelijk onder welk "statuut" hij volgens hem zou vallen. Hij beperkt er zich toe te betwisten dat de reglementaire bepalingen, waarop het bestreden besluit is gegrond, op hem van toepassing zijn. Hij werd destijds benoemd als adjunct-vleeskeurder in het slachthuis van Rijkevorsel en uit artikel 2 van het benoemingsbesluit blijkt dat zijn vergoeding bestond uit de opbrengst van de door de belanghebbenden te betalen keurrechten. Artikel 11, § 1, van het koninklijk besluit van 20 december 2004 stelt dat de dierenartsen, die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit prestaties verrichten in toepassing van de besluiten bedoeld in artikel 9 en in toepassing van de §§ 1 en 2 van artikel 3 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 houdende organiek reglement van de Veterinaire Diensten, met deze opdrachten belast blijven tot op het ogenblik dat hen een nieuwe opdracht wordt toegekend onder de voorwaarden bedoeld in dit besluit, of tot op het ogenblik dat de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij, hen bij gemotiveerde beslissing het einde van hun opdracht heeft betekend. Bij de oprichting van het Instituut voor Veterinaire Keuring (hierna : IVK) voorzagen de artikelen 33 tot en met 36 van de wet van 13 juli 1981 in een aantal overgangsmaatregelen. Wat de keurders in de slachthuizen, de pluimveeslachthuizen en de vismijnen betreft, bepaalde artikel 36 dat die keurders op hun verzoek worden benoemd in een op het kader van het IVK vacante betrekking van keurder, of dat zij worden opgenomen in een wervingsreserve, volgens de modaliteiten vastgesteld door de Koning (§1), dat de Koning een kandidaat benoemt die op de wervingsreserve is ingeschreven, zodra een betrekking van keurder vacant is (§2) en dat de minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, onder de voorwaarden door de Koning bepaald, kandidaten die op de wervings-reserve zijn ingeschreven, met een bijzondere opdracht kan gelasten (§3). VII-37.473-6/15 De verzoeker maakt niet aannemelijk dat hij destijds niet als zelfstandig dierenarts werd aangesteld om het toezicht te verzekeren in het slachthuis van Rijkevorsel. Noch uit de stukken van het administratief dossier, noch uit de stukken gevoegd bij het verzoekschrift blijkt dat hij naar aanleiding van de oprichting van het IVK op zijn verzoek zou zijn benoemd in een op het kader van het IVK vacante betrekking als keurder. Er moet dus worden vastgesteld dat de verzoeker zijn opdrachten die hij verrichtte op grond van zijn benoeming bij koninklijk besluit van 14 maart 1984 en die hij vervolgens uitvoerde voor het IVK, is blijven verrichten bij het IVK als zelfstandig dierenarts die belast is met een opdracht. In zoverre de verzoeker op de wervingsreserve van het IVK was ingeschreven, is het koninklijk besluit van 4 juli 1986 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dierenartsen, die op de wervingsreserve van het IVK zijn ingeschreven, met bijzondere opdrachten kunnen belast worden, op hem van toepassing. Indien hij niet op de wervingsreserve was ingeschreven, is het koninklijk besluit van 4 juli 1986 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dierenartsen bij het IVK met opdrachten kunnen belast worden, op hem van toepassing. Artikel 11, §1, van het koninklijk besluit van 20 december 2004 is bijgevolg op hem van toepassing.
  21. Aangezien de verzoeker zijn opdrachten heeft verricht als zelfstandig dierenarts, kan niet worden ingezien in welke zin de beëindiging van zijn opdrachten de continuïteit van de openbare dienst zou hebben geschaad. De verzoeker verduidelijkt dit trouwens niet. Bovendien heeft de verzoeker zich zelf in het kader van het koninklijk besluit van 20 december 2004 op 18 mei 2005 kandidaat gesteld. In die zin heeft hij aldus zelf erkend reeds voor het IVK als zelfstandig dierenarts opdrachten te hebben verricht. De bewering in de gedinginleidende akte dat de verzoeker er bij zijn kandidaatstelling een andere mening op nahield, blijkt niet uit het kandidaatstellingsformulier. Het eerste middel is niet gegrond. VII-37.473-7/15 B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  22. De verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 december 2004, "doordat door de evaluatiecommissie een ander arsenaal van criteria werd aangewend, terwijl artikel 6 duidelijk de criteria limitatief aanduidt waarop moet geëvalueerd worden". Hij argumenteert dat ook de rechtsgeldigheid van het bestreden besluit zelf is aangetast, doordat het zich "volledig op dezelfde evaluatie, en de onreglementaire beoordeling van de evaluatie door de evaluatiecommissie" baseert.
  23. In haar memorie van antwoord behandelt de verwerende partij het tweede, het vierde en het zevende middel tezamen. Zij wijst er op dat haar gedelegeerd bestuurder de bevoegdheid heeft om een gemotiveerde beslissing te nemen omtrent het al dan niet in aanmerking nemen van een kandidaat om een raamovereenkomst af te sluiten en dat deze gedelegeerd bestuurder, door de beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Antwerpen te bevestigen, zeer duidelijk zijn beslissing motiveert. De aangehaalde elementen, met name de onvoldoende kennis van de bevoegdheden en de reglementering, het gebrek aan teamgeest en het niet opvolgen van instructies, laten volgens de verwerende partij toe te besluiten tot het niet afsluiten van een raamovereenkomst met de verzoeker.
  24. In zijn laatste memorie bespreekt de verzoeker het tweede, het derde, het vierde en het vijfde middel samen en brengt hij het tweede middel in verband met de schending van de hoorplicht. Het tweede middel is volgens hem wel degelijk ontvankelijk, vermits het gericht is "tegen alle beschikkingen van de evaluatiecommissie". Beoordeling
  25. Dit middel is gericht tegen de in eerste aanleg genomen evaluatiebeslissing, die door het bestreden besluit werd bevestigd. Ingevolge de devolutieve kracht van het administratief beroep is dit besluit in de plaats gekomen van de eerste beslissing. Met het besluit van de gedelegeerd bestuurder worden weliswaar de motieven van de beslissing van de evaluatiecommissie impliciet overgenomen, doordat deze beslissing van de evaluatiecommissie wordt VII-37.473-8/15 gehandhaafd en dit ten gevolge van het niet aanvaarden van verzoekers bezwaar. De verzoeker voert geen middelen aan tegen deze motivering van het bestreden besluit. Het tweede middel is niet ontvankelijk. C. Derde middel Standpunt van de partijen
  26. In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 december 2004, wat de samenstelling van de evaluatiecommissie betreft. Hij wijst er op dat de verantwoordelijke van de PCE, Pierre Naassens, blijkens het aanwezigheidsregister niet aanwezig was, terwijl deze verantwoordelijke volgens artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 december 2004 in de evaluatiecommissie dient te zetelen.
  27. In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat nergens een sanctie is verbonden aan het niet regelmatig samengesteld zijn van de evaluatiecommissie en dat te dezen de afwezigheid van de verantwoordelijke van de PCE nergens uit blijkt.
  28. In de memorie van wederantwoord stelt de verzoeker dat het de aanwezigheid van een bepaald lid van de evaluatiecommissie is die uit het dossier moet blijken, en dat de afwezigheid volgt uit het ontbreken van stukken waarin de aanwezigheid wordt vastgesteld. Hij voegt er aan toe dat het voorschrift inzake de samenstelling van een evaluatiecommissie een substantieel vormvoorschrift is. Beoordeling
  29. Dit middel heeft betrekking op de samenstelling van de evaluatiecommissie en maakt aldus enkel een kritiek uit wat de procedure in eerste aanleg betreft, dit is de procedure voor de evaluatiecommissie. Het is niet gericht tegen het bestreden besluit en kan dus niet tot de nietigverklaring van dat laatste leiden. Het derde middel is niet ontvankelijk. VII-37.473-9/15 D. Vierde middel Standpunt van de partijen
  30. In een vierde middel voert de verzoeker de schending aan van de materiële motiveringsplicht, van artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet) en van artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 december
  31. Tevens voert hij het ontbreken aan van de rechtens vereiste feitelijke grondslag waarop elke administratieve beslissing moet zijn gebaseerd. Uit het evaluatieformulier blijkt volgens de verzoeker niet op voldoende gemotiveerde wijze waarom hij niet in aanmerking kan komen om taken uit te oefenen voor de verwerende partij. Er is enkel sprake van vier hoofdcriteria, maar volgens hem blijkt nergens hoe men precies tot deze evaluatie is gekomen. Verder wijst hij er op dat het administratief dossier er blijk moet van geven dat hij wist op welke concrete gegevens de beoordelaars zich hebben gebaseerd om een eindoordeel over hem te vellen. De brief van 14 oktober 2005 waarbij hem de beslissing van de evaluatiecommissie werd meegedeeld, is volgens de verzoeker eveneens onvoldoende gemotiveerd, aangezien de hierin vermelde redenen om hem niet in aanmerking te nemen om taken uit te oefenen voor de verwerende partij, naar zijn mening geenszins te maken hebben met de criteria waarmee de evaluatiecommissie, overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 december 2004, rekening dient te houden. De verzoeker meent dan ook dat hij niet op objectieve gronden, voorzien door de wetgever, is beoordeeld. Hij wijst er op dat de onzorgvuldigheid en niet-gemotiveerdheid van de evaluatie door de evaluatiecommissie tevens de rechtsgeldigheid aantast van het besluit van de gedelegeerd bestuurder, daar laatstgenoemde zich volledig op deze evaluatie heeft gebaseerd bij het nemen van zijn beslissing. Beoordeling
  32. Dit middel is in de eerste plaats opnieuw gericht tegen de in eerste aanleg genomen beslissing. Wel acht de verzoeker de rechtsgeldigheid van het besluit van de gedelegeerd bestuurder aangetast, daar deze zich volledig heeft gebaseerd op de evaluatie door de evaluatiecommissie. VII-37.473-10/15 De beslissing van de evaluatiecommissie wordt echter niet zonder meer hernomen door de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij. Het handhaven van de beslissing van de evaluatiecommissie is immers het logische gevolg van het niet aanvaarden van verzoekers bezwaar dat hij heeft ingediend bij deze gedelegeerd bestuurder. Uit de lezing van het middel blijkt niet dat de verzoeker de verwerping van zijn bezwaar en de overwegingen die hiertoe hebben geleid en die zijn uiteengezet in het besluit van de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij van 17 januari 2006, betwist. Nochtans had de verzoeker zijn bezwaren in verband met de motivering van de beslissing in het kader van zijn bezwaar kunnen inroepen. Hij heeft dit echter niet gedaan. Het vierde middel is niet ontvankelijk. E. Vijfde middel Standpunt van de partijen
  33. De verzoeker voert in een vijfde middel de schending aan van het recht op een tegensprekelijk debat, het recht om gehoord te worden en het recht op voorafgaande inzage in en kopiename van het dossier alvorens een belangrijke beslissing betreffende zijn persoon wordt genomen. In essentie bekritiseert de verzoeker het feit dat zijn brief van 16 december 2005 niet werd beantwoord, terwijl hij hierin verzocht om voorafgaandelijk aan de hoorzitting van 22 december 2005 het dossier te mogen inkijken "middels kopie". De verzoeker betoogt ook dat een aangestelde van de overheid die naar aanleiding van zijn heraanstelling wordt geëvalueerd, de mogelijkheid moet hebben om zijn dossier zeer degelijk voor te bereiden.
  34. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat de verzoeker geen recht heeft op tegenspraak en dat een schending van de hoorplicht dan ook niet aan de orde is. Zij wijst er voorts op dat de verzoeker niet is komen opdagen op de voorziene hoorzitting. VII-37.473-11/15
  35. In zijn memorie van wederantwoord verwijst de verzoeker naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die de principes van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ook van toepassing acht op ambtenaren voor zover zij niet belast zijn met de uitoefening van het staatsgezag. Beoordeling
  36. De verzoeker kon reeds in zijn bezwaarschrift zijn standpunt doen kennen. Uit de motieven van de beslissing van de evaluatiecommissie kon de verzoeker afleiden welke maatregel het bestuur zou nemen en op grond van welke redenen dat gebeurde. In zijn bezwaarschrift heeft de verzoeker er zich toe beperkt een persoonlijk onderhoud aan te vragen om de aangehaalde redenen van incompetentie te weerleggen. Ingevolge dit bezwaar werd de verzoeker op 13 december 2005 ook effectief uitgenodigd om mondeling gehoord te worden ten einde zijn standpunt over de beslissing van de evaluatiecommissie toe te lichten. Ook werd hem de mogelijkheid geboden inzage te nemen van de stukken van het dossier en dit vanaf een half uur voor de hoorzitting. De verzoeker is aldus correct uitgenodigd om zijn standpunt te doen kennen op een mondelinge hoorzitting. De verzoeker heeft zich echter niet aangeboden op de geplande hoorzitting van 22 december 2005 en heeft het dossier niet ingezien. Vermits hij aldus heeft verzaakt aan zijn recht om zijn standpunt naar voren te brengen, heeft hij het slechts aan zichzelf te wijten dat hij niet is gehoord en kan dit geenszins aan de verwerende partij worden verweten. Het vijfde middel is niet gegrond. F. Zesde middel Standpunt van de partijen
  37. In een zesde middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 december
  38. Hij voert daarbij aan dat een advies en beslissing werd voorbereid door een beroepscommissie waarvan de samenstelling volstrekt onbekend is en die niet reglementair is voorzien.
  39. In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat haar gedelegeerd bestuurder volledig autonoom beslist, ondanks het advies van de VII-37.473-12/15 beroepscommissie en dat voormeld advies de bevoegdheid van de gedelegeerd bestuurder niet aantast.
  40. In zijn memorie van wederantwoord betoogt de verzoeker nog dat het bij de "samenstelling en het bestaan" van adviesorganen om een substantieel vormvoorschrift gaat, waarvan de overtreding volgens hem leidt tot de nietigheid van de eruit voortvloeiende beslissing.
  41. In zijn laatste memorie voegt de verzoeker toe dat het middel eveneens gegrond is "gelet op het feit dat de beroepscommissie waarvoor (hij) diende te verschijnen, niet wettelijk is voorzien". Beoordeling
  42. Het bestreden besluit werd wel degelijk genomen door de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij. De verzoeker wijst geen wetskrachtige bepaling aan die verbiedt dat deze gedelegeerd bestuurder zich laat adviseren door een "beroepscommissie", die de kandidaten kan horen. Door het geven van dit advies is geen afbreuk gedaan aan de autonome beslissingsbevoegdheid van de gedelegeerd bestuurder omtrent het bezwaar van de verzoeker, zoals voorzien in artikel 6, laatste lid, van het koninklijk besluit van 20 december
  43. Hoewel de gedelegeerd bestuurder te dezen het advies van de beroepscommissie heeft gevolgd, is hij er niet door gebonden. Het zesde middel is niet gegrond.
  44. Het argument in de memorie van wederantwoord dat de verzoeker zich niet heeft kunnen verweren tegen het advies van de beroepscommissie, is een nieuwe invulling van het middel, waarvan niet blijkt dat dit niet reeds in het inleidend verzoekschrift had kunnen worden opgenomen en dat evenmin de openbare orde raakt. Dit nieuwe middelonderdeel is niet ontvankelijk. VII-37.473-13/15 G. Zevende middel Standpunt van de partijen
  45. De verzoeker voert in een zevende middel de schending aan van artikel 11 van het koninklijk besluit van 20 december 2004, doordat het bestreden besluit volgens hem niet werd gemotiveerd, terwijl volgens de geschonden geachte bepaling "bij een gemotiveerde beslissing het einde van de opdracht moet worden betekend".
  46. In zijn laatste memorie voegt de verzoeker nog toe dat het een raadsel is op grond waarvan de beëindiging van de opdracht het logische gevolg zou zijn van het handhaven van de beslissing van de evaluatiecommissie en dat, zelfs indien een dergelijke logica zou kunnen worden gevonden, dit niet als een substituut kan worden aangezien voor de wettelijke vereiste verantwoording. Beoordeling
  47. Uit de hiervoor weergegeven motivering van het bestreden besluit blijkt waarom het bezwaar van de verzoeker niet kan worden aanvaard en dat ten gevolge hiervan de beslissing van de evaluatiecommissie wordt gehandhaafd. Het beëindigen van de opdrachten van de verzoeker is te dezen het logische gevolg van het handhaven van de beslissing van de evaluatiecommissie, waarin besloten wordt de verzoeker niet in aanmerking te nemen om taken uit te oefenen voor de verwerende partij in het kader van het koninklijk besluit van 20 december
  48. Die beëindiging steunt dan ook op het niet aanvaarden van het bezwaar tegen de beslissing van de evaluatiecommissie, en dit op grond van de in het bestreden besluit aangehaalde overwegingen. Het zevende middel is niet gegrond. VII-37.473-14/15 BESLISSING
  49. De Raad van State verwerpt het beroep.
  50. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig januari tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Dieter Decock, griffier. De griffier De voorzitter Dieter Decock Luc Hellin VII-37.473-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.727 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.