id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.770 Rolnummer: A. 192943/XII-5851 Zaak: Arrest 199770 - Diploma's - 21/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-28 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 08:24 Fiche Arrest nr 199.770 van 21 januari 2010 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Verwerping Verwerping dwangsom Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 199.770 van 21 januari 2010 in de zaak A. 192.943/XII-
- In zake: Kris VAN DER HIJDEN die woonplaats kiest te Mol Vennestraat 52 tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sabien Lust kantoor houdend te Brugge Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ontvangen op 3 juni 2009, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing d.d. 28 april 2009 van de Git commissie van de faculteit Economie en Bedrijfskunde UGent [waarbij] de aanvraag van een diploma in de Economische Wetenschappen op grond van art 51 Flexibiliseringsdecreet [wordt] afgewezen”. In fine van het inleidend verzoekschrift vraagt verzoeker ook dat de Raad van State een dwangsom zou opleggen van 2.500 euro per dag “tot een beslissing genomen is die de rechterlijke toets kan doorstaan”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een verslag opgesteld op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. XII-5851-1\10 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 december
- Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die verschijnt, en advocaat Sabien Lust, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker was vanaf het academiejaar 2000-2001 tot het academiejaar 2007-2008 als werkstudent ingeschreven aan de faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Universiteit Gent. In 2004 behaalt hij het diploma van kandidaat in de economische wetenschappen. In de loop van 2007 wordt verzoeker geslaagd verklaard voor het deliberatiepakket van de eerste licentie economische wetenschapen, niet geslaagd voor het deliberatiepakket van de tweede licentie en bijgevolg ook niet geslaagd voor de opleiding tot licentiaat in de economische wetenschappen. Het beroep dat verzoeker tegen zijn niet geslaagd verklaren instelt wordt door de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen ongegrond verklaard bij beslissing nr. 2007/089 van 24 december
- Verzoeker stelt hiertegen geen cassatieberoep in. De hervorming van het studieprogramma die gepaard gaat met de overgang van de licentiaatsopleiding naar de masteropleiding verplicht verzoeker voor zijn opleiding in het academiejaar 2007-2008 om een zogenaamd transitprogramma te volgen. Van de meeste vakken uit dit transitprogramma XII-5851-2\10 verkrijgt verzoeker een overdracht of een vrijstelling. Hij dient enkel nog over de opleidingsonderdelen “Monetair beleid”, “Hedendaagse economische en sociale geschiedenis” en “Inleiding tot het EU-recht” examen af te leggen. Verzoeker vraagt een vrijstelling aan voor het opleidingsonderdeel “Monetair beleid” op grond van een creditbewijs, behaald aan de Universiteit Antwerpen voor het opleidingsonderdeel “Monetaire economie en beleid”. Die vrijstelling wordt hem geweigerd door de zogenaamde GIT-commissie (voluit : de commissie ter beoordeling van aanvragen voor geïndividualiseerde studietrajecten en vrijstellingen) van de faculteit op 29 februari 2008 en nogmaals op 2 juni
- Verzoeker vecht deze weigeringen aan, wat resulteert in de beslissingen nr. 2008/006 en nr. 2008/010 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, die verzoeker dan weer bestrijdt door middel van twee cassatieberoepen die thans bij de Raad van State nog hangende zijn. De GIT-commissie verleent verzoeker op 6 augustus 2008 wel een vrijstelling voor “Inleiding tot het EU-recht” op basis van een creditbewijs dat verzoeker behaalde aan de Universiteit Antwerpen voor het vak “Recht van de Europese Unie”. Verzoeker slaagt op 29 augustus 2008 voor het vak “Hedendaagse economische en sociale geschiedenis”. Op het examen “Monetair beleid” blijft verzoeker afwezig. De daarop volgende beslissing om verzoeker niet geslaagd te verklaren, geproclameerd op 11 september 2008, wordt door verzoeker niet bestreden. 3.
- Verzoeker heeft zich tijdens het academiejaar 2008-2009 niet opnieuw ingeschreven voor de opleiding tot licentiaat in de economische wetenschappen of enige andere opleiding aan de Universiteit Gent. 3.
- Op 22 januari 2009 dient verzoeker met een e-mail een aanvraag in tot het verkrijgen van het diploma van bachelor in de economische wetenschappen “op grond van het bestaande kandidaatsdiploma EW en andere credits sindsdien”, met toepassing van artikel 51 van het decreet van 30 april 2004 XII-5851-3\10 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen, kortweg het flexibiliseringsdecreet. Met een e-mail van 9 februari 2009 laat verzoeker weten deze aanvraag te willen uitbreiden tot het diploma van master in de algemene economie. Beide verzoeken worden doorgestuurd naar de rectorale diensten. Op 25 februari 2009 bericht verwerende partij aan verzoeker dat “de beslissing eerstdaags door de rector wordt genomen” en dat het advies van de faculteit “al binnen” is. Op 27 februari 2009 krijgt verzoeker dan het bericht dat “het bestuurscollege zich moet uitspreken over [zijn] aanvraag omdat er voor dit punt geen bevoegdheidsdelegatie werd gegeven”, zodat hij nog enkele weken geduld moet hebben. In antwoord hierop laat verzoeker op 27 februari 2009 per e-mail onder meer weten, uit eerdere beslissingen van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen te begrijpen dat zijn aanvraag als een vraag tot vrijstellingen moet worden beschouwd en dat die vraag tot de bevoegdheid van de GIT-commissie behoort. Over de aanvraag, opgevat als een verzoek tot diplomering op grond van artikel 51 van het flexibiliseringsdecreet, neemt de rector op advies van de faculteitsraad op 11 mei 2009 een negatieve beslissing, die verzoeker bestrijdt met het beroep dat bij de Raad van State is ingeschreven onder rolnummer A.192.851/XII-
- Tegelijk echter wordt de aanvraag ook voorgelegd aan de GIT-commissie, gezien de e-mail van verzoeker wordt opgevat als ware ze een aanvraag tot vrijstellingen voor alle opleidingsonderdelen van de betrokken opleiding - met ander woorden, een aanvraag in de zin van artikel 46 van het flexibiliseringsdecreet. Op 13 maart 2009 beraadslaagt de GIT-commissie. De commissie verleent verzoeker vrijstelling voor 17 opleidingsonderdelen in de opleiding tot bachelor in de economische wetenschappen. Voor de overige opleidingsonderdelen meent de commissie nog niet over voldoende informatie te beschikken die kan XII-5851-4\10 aantonen dat verzoeker de vereiste competenties bezit en oordeelt zij dat voor de opleiding tot master in de algemene economie een vrijstellingenonderzoek voorbarig is. Die beslissing wordt op 2 april 2009 door de beroepscommissie bevestigd, waarna het beroep van verzoeker daartegen wordt verworpen door de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen bij besluit nr. 2009/033 van 20 mei
- Tegen dit besluit voorziet verzoeker zich niet in cassatie. 3.
- Op 31 maart 2009 vraagt verzoeker om een licentiaatsdiploma economische wetenschappen op grond van artikel 51 van het flexibiliseringsdecreet. Verzoekers aanvraag krijgt opnieuw een dubbele behandeling. 3.
- Als vraag om het diploma rechtstreeks uitgereikt te krijgen op basis van bereikte opleidingscompetenties, wordt de aanvraag door de rector geweigerd op 22 juni
- Tegen die beslissing heeft verzoeker bij de Raad van State het beroep ingesteld dat is ingeschreven onder rolnummer A.193.343/XII-
- 3.
- Ze wordt daarnaast ook voorgelegd aan de GIT-commissie, die er van uitgaat dat verzoeker “deze aanvraag beschouwt als een vraag om (volledige) vrijstelling van alle opleidingsonderdelen in de opleiding tot licentiaat in de economische wetenschappen”, zoals die opleiding tijdens het bedoelde academiejaar 2008-2009 nog (voor de laatste maal) kon worden gevolgd. Na eerst te recapituleren voor welke opleidingsonderdelen de aanvraag zonder voorwerp is omdat verzoeker hetzij reeds een credit heeft verworven, hetzij een vrijstelling heeft behaald, beslist de GIT-commissie op 24 april 2009 om aan verzoeker geen vrijstelling of deelvrijstelling te verlenen voor het opleidingsonderdeel “Monetair beleid”. Die beslissing wordt op 28 april 2009 aan verzoeker meegedeeld. Dit is de thans bestreden beslissing. 3.
- Met een op 30 april 2009 ter post aangetekend schrijven, stelt verzoeker tegen deze beslissing beroep in bij de rector. XII-5851-5\10 Op 18 mei 2009 verklaart de beroepscommissie het beroep ongegrond. De beslissing van de beroepscommissie vermeldt dat een beroepsmogelijkheid open staat bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. Op 19 mei 2009 stelt verzoeker bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen een beroep in tegen de beslissing van de GIT- commissie van 28 april 2009, waarbij hij er op wijst dat hem geen beroepsbeslissing tijdig ter kennis is gebracht, zodat de termijn om dit beroep in te stellen vervalt op 20 mei
- Op 20 mei 2009 beklaagt verzoeker zich in een e-mail aan verwerende partij er over dat de “decretale termijn om dit beroep te beantwoorden [...] reeds lang vervallen [is]” en dringt hij aan op een antwoord. Op 2 juni 2009 wordt de beslissing van de beroepscommissie van 18 mei 2009 per e-mail aan verzoeker meegedeeld. Ze wordt op 8 juni 2009 ook nog eens per aangetekende brief aan verzoeker bezorgd. 3.
- Op 3 juni 2009 ontvangt de Raad van State voorliggend annulatieberoep. 3.
- Op 23 juni 2009 besluit de Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen om (de behandeling van) het beroep van verzoeker “te schorsen tot na afloop van het [door verzoeker ingestelde] strafgeding om het nadien voort te zetten” (besluit nr. 2009/35). IV. Relevante wetgeving
- Over het verlenen van vrijstellingen bepalen de artikel 46 en 47 van het flexibiliseringsdecreet wat volgt : “Art.
- - §
- Het instellingsbestuur verleent op grond van EVK’s en/of een bewijs van bekwaamheid een vrijstelling. §
- Het instellingsbestuur voert het onderzoek uit met het oog op het verlenen van vrijstellingen op stukken. §
- Het instellingsbestuur kan in uitzonderlijke gevallen het onderzoek met het oog op het verlenen van vrijstellingen op grond van EVK’s laten verlopen via een bekwaamheidsonderzoek zoals bepaald in onderafdeling
- In dat geval verwijst het instellingsbestuur de aanvrager door naar de validerende instantie XII-5851-6\10 op het niveau van de associatie waaronder het instellingsbestuur ressorteert. De instelling motiveert de noodzakelijkheid van dat bekwaamheidsonderzoek. Art.
- - §
- In het licht van de noodzakelijke vergelijkbaarheid van de reglementen inzake vrijstelling leggen de associaties in een reglement algemene voorschriften vast voor het verlenen van vrijstellingen. Die voorschriften zijn een nadere uitwerking van de volgende algemene beginselen : 1/ de toekenningsvoorwaarden op grond van de inhoudelijke aansluiting tussen het betrokken opleidingsonderdeel, of het deel ervan, en de geattesteerde EVK’s en/of EVC’s; 2/ de inspraakregeling voor de student; 3/ de draagwijdte van de motiveringsverplichting in hoofde van het instellingsbestuur; 4/ de basisbeginselen inzake de interne beroepsprocedure, bedoeld in artikel II.13, eerste lid, van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen. De beroepsprocedure is gericht op mediatie. §
- Het instellingsbestuur werkt de nadere regelen inzake het verlenen van vrijstellingen uit in het onderwijs- en examenreglement rekening houdend met de voorschriften die opgenomen zijn in het vrijstellingsreglement van de associatie. Bij wijze van overgangsmaatregel blijven de bestaande reglementen van de instellingen inzake vrijstelling van toepassing tot de goedkeuring van het reglement van de associatie zoals bepaald in §
- Die laatste bepalingen gelden niet voor het bestuur van een instelling die niet tot een associatie behoort. Artikel 51 van het flexibiliseringsdecreet bepaalt : “§
- Indien een instellingsbestuur op grond van een bewijs van bekwaamheid en/of EVK’s vaststelt dat een persoon de competenties eigen aan een welomschreven opleiding bezit, kan het instellingsbestuur aan deze persoon het diploma van de betrokken opleiding uitreiken, zonder dat een inschrijving voor de betrokken opleiding vereist is. Indien het instellingsbestuur niet overgaat tot het uitreiken van het betrokken diploma doch het volgen van bijkomende opleidingsonderdelen, of delen daarvan, voorschrijft, geldt een bijzondere motiveringsverplichting. Het instellingsbestuur dient in dat geval een substantieel verschil aan te tonen tussen de door het bewijs van bekwaamheid gevalideerde competenties en de in de schoot van de instelling gehanteerde eindcompetenties voor de opleiding. §
- Het instellingsbestuur kan een bedrag van ten hoogste 50 euro vragen als bijdragen in de kosten voor het uitreiken van het diploma”. V. Korte-debattenprocedure
- Verzoeker wenst het diploma van licentiaat in de economische wetenschappen te verkrijgen van verwerende partij en heeft daartoe een aanvraag ingediend. XII-5851-7\10 Door de wijze waarop hij die aanvraag heeft geformuleerd en toegelicht, heeft verwerende partij gemeend er goed aan te doen om ze te onderzoeken onder twee invalshoeken: hetzij als aanvraag, bedoeld in artikel 51 van het flexibiliseringsdecreet tot rechtstreekse diplomering op grond van eerder verworven kwalificaties, hetzij als aanvraag, bedoeld in artikel 46 en 47 van hetzelfde decreet, tot het verlenen van vrijstellingen - dat is, luidens artikel 2, 27/, van hetzelfde decreet, “de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen”. Aangezien verschillende organen van verwerende partij bevoegd zijn voor de ene en voor de andere soort beslissingen, is het dossier van verzoeker dan ook aan die beide organen -de rector respectievelijk de GIT-commissie- voorgelegd. Uit alle stukken van verzoeker, bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen en voor de Raad van State, blijkt dat verzoeker insisteert om met toepassing van artikel 51 van het flexibiliseringsdecreet een diploma te krijgen en dat hij argumenteert dat zijn vraag niét een verzoek tot het verkrijgen van vrijstellingen beoogde. Dit zo zijnde, ziet de Raad van State niet in welk belang verzoeker er dan bij heeft om een beslissing van verwerende partij aan te vechten welke hij toch niet heeft gevraagd, nu er immers op de vraag zoals hij ze wél bedoeld heeft te stellen óók een antwoord is gekomen, dat hij vervolgens ook in rechte heeft kunnen aanvechten. Wat er van het belang van verzoeker ook weze, moet de Raad van State vaststellen, zoals hij reeds heeft overwogen in het arrest nr. 182.124 van 17 april 2008 inzake XXX, dat de weigering van een vrijstelling zoals de toekenning van een vrijsteling te beschouwen valt als een “studievoortgangsbeslissing”, waartegen in eerste aanleg beroep open staat bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. Terecht dan ook werpt verwerende partij op dat de Raad van State onbevoegd is in die gevallen waarin de wetgever een ander rechtscollege bevoegd heeft gemaakt.
- Verzoeker overtuigt de Raad van State niet om het anders te zien door te argumenteren dat luidens artikel II.
- van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, de Raad voor betwistingen inzake XII-5851-8\10 studievoortgangsbeslissingen enkel kennis neemt van “beroepen die door studenten worden ingesteld” en dat hij geen “student” is bij verwerende partij in de zin van dat decreet (“de persoon ingeschreven in een instelling”, aldus artikel II.1., 15/, van voormeld decreet). Vooreerst is een vrijstelling bij bepaling gericht op de opheffing van de verplichting om een examen af te leggen, hetgeen finaal van wie de vrijstelling aanvraagt een inschrijving impliceert als student bij de instelling die de vrijstelling verleent. Een interpretatie van de toepasselijke decretale bepalingen in die zin dat er voor de aanvrager van een vrijstelling een verschil in rechtsgang is tegen een weigering tot het verlenen van die vrijstelling, uitsluitend naar gelang die aanvrager (reeds) student is of niet op het ogenblik van de beslissing, zou voorts een onderscheid in rechtsbescherming tegen deze studievoortgangsbeslissing in het leven roepen dat in het licht van het door de decreetgever nagestreefde doel van die rechtsbescherming geen redelijke verantwoording heeft; een dergelijke interpretatie moet in het licht van het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel dan ook worden afgewezen. Dat de aanvrager zich op het ogenblik van zijn aanvraag en van de beslissing (nog) niet als student heeft ingeschreven, doet er geen afbreuk aan dat het een hem rakende studievoortgangsbeslissing betreft die naar de bedoeling van de decreetgever tot de rechtsmacht behoort van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, onverminderd de mogelijkheid van cassatieberoep bij de Raad van State. De Raad van State stelt ten overvloede vast dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen zich in zijn hiervoor vermeld besluit nr. 2009/033 dan ook terecht niet ambtshalve onbevoegd heeft verklaard en verzoeker als aanvrager van een vrijstelling derhalve in zijn verhouding tot de onderwijsinstelling met een “student” heeft gelijkgesteld.
- In het auditoraatsverslag wordt met reden opgeworpen dat de Raad van State niet bevoegd is om van voorliggend beroep kennis te nemen en dat voor die conclusie korte debatten kunnen volstaan. Het beroep is niet ontvankelijk. XII-5851-9\10 IX. De vordering tot schorsing en het verzoek tot het opleggen van een dwangsom De vordering tot schorsing, als accessorium van het annulatieberoep, dient hetzelfde lot te ondergaan. Ditzelfde geldt voor de vordering tot het opleggen van een dwangsom. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing onder verbeurte van een dwangsom.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 21 januari 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier, De voorzitter, Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-5851-10\10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.770 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.