id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.774 Rolnummer: A. 194371/XII-5995 Zaak: Arrest 199774 - O.C.M.W. - 21/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-25 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-02 08:24 Fiche Arrest nr 199.774 van 21 januari 2010 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 199.774 van 21 januari 2010 in de zaak A. 194.371/XII-5995 SCHORSING VAN JORIS CLAESSENS ALS LID VAN DE RAAD VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN DE GEMEENTE SINT-JANS-MOLENBEEK. In zake : Joris CLAESSENS, woonplaats kiezend te Sint-Jans-Molenbeek Mirtenlaan 17, bus 7 belanghebbende partij : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN SINT-JANS-MOLENBEEK, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thierry Stiévenard kantoor houdend te 1070 Brussel Krokussenlaan 48 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. De vordering, ingesteld op 21 oktober 2009, strekt tot de nietigverklaring en schorsing “in toepassing van art 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de OCMW’s” van de beslissing van 28 september 2009 van het rechtscollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om Joris Claessens gedurende drie maanden te schorsen als lid van de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Sint-Jans-Molenbeek. II. Verloop van de rechtspleging 2. De vormvereisten voorgeschreven bij de artikelen 3, 4 en 5 van het koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, werden nageleefd. Het administratief dossier werd neergelegd. XII-5995-1/14 De belanghebbende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Auditeur Bart Weekers heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 januari 2010. Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die verschijnt, en advocaat Thierry Stiévenard, die verschijnt voor de belanghebbende partij, zijn gehoord. Auditeur Bart Weekers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Verzoeker is lid van de raad voor maatschappelijk welzijn van Sint-Jans-Molenbeek. Op 28 april 2008 beslist het rechtscollege bedoeld in artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen (hierna: het rechtscollege) hem voor de duur van één maand te schorsen als lid van de raad voor maatschappelijk welzijn. Reden hiervan is zijn niet-naleving van het verbod van de voorzitter van het OCMW om audio- opnames te maken van de besprekingen. Verzoekers beroep tegen de beslissing wordt bij arrest van de Raad van State, nr. 188.025 van 18 november 2008, verworpen wegens laattijdigheid. Luidens een door de voorzitter en secretaris van het OCMW ondertekende brief van 28 oktober 2008 wordt aan verzoeker onder meer meegedeeld wat volgt: XII-5995-2/14 “Op de zittingen van de Raad voor maatschappelijk welzijn van 25 juni 2008, 30 juli 2008, 11 augustus 2008 en 17 september 2008 hebben de O.C.M.W.-raadsleden moeten vaststellen dat u opnieuw op een ostentatieve wijze tot audio-opnames tijdens de zittingen overging zonder hiervoor toelating te vragen aan de Voorzitter van de Raad. Alhoewel de Voorzitter van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn u herhaaldelijk gevraagd heeft om deze opname van de zitting stop te zetten, volhardde u in uw weigering. Tijdens voornoemde zittingen van de Raad hebt u telkens uw retorische standpunt herhaald, d.w.z. dat u tijdens de vergaderingen alleen ‘persoonlijke nota’s’ opneemt. Dit argument had u al voor het Rechtscollege ingeroepen maar voor evidente redenen werd dit argument niet door de administratieve rechter weergehouden omdat deze bewering noch met de werkelijkheid overeenstemt (zoals het uit het dossier bleek) noch enige relevantie heeft ten opzichte van wat u werkelijk verweten wordt. Vanuit zuiver technisch oogpunt is het immers onmogelijk dat digitale opnames -die omwille van technische redenen geen selectie van de opgenomen stemmen kunnen waarborgen- tijdens vergaderingen waarbij collegiale debatten gehouden worden en waarbij bijgevolg de verschillende standpunten van de deelnemers luidop uitgedrukt worden, als ‘persoonlijke nota’s’ van de opnemer kunnen worden beschouwd. Daarom wordt het digitale opnemen van de stemmen van wie dan ook (uzelf inbegrepen) en door wie dan ook tijdens de geheime beraadslagingen van de Raad, door de O.C.M.W.-wetgeving en door ons huishoudelijk reglement niet toegelaten. Dat deze digitale opnames de integrale zittingen of bepaalde delen ervan betreffen verandert niets aan dit principiële verbod. Ook het feit dat deze opnames achteraf eventueel als geheugensteun -wat u noemt ‘persoonlijke nota’s’- gebruikt kunnen worden, rechtvaardigt geenszins dat men een uitzondering op dit principiële verbod zou dulden. Bijgevolg was -en blijft- de Voorzitter gerechtigd om uw geluidsopnames (door u ‘persoonlijke nota’s’ genoemd) tijdens de zittingen van de Raad te verbieden en, bij gebrek aan respect van dit verbod, om u de nodige instructies te geven om de orde van de zittingen te handhaven, inbegrepen het bevel tot het verlaten van de zaal. Zoals vermeld in de beslissing van het Rechtscollege maakt het niet naleven van de gerechtvaardigde instructies van de Voorzitter ook een zware nalatigheid en een algemeen wangedrag uit”. De brief besluit ermee verzoeker formeel in gebreke te stellen “om [zich] in de toekomst (
- i)van enige vorm van geluidsopnamen tijdens de zittingen van de Raad ook onder de vorm van digitale persoonlijke nota’s’ te onthouden en (
- ii)de instructies van de voorzitter stipt na te volgen”, bij gebreke waaraan een nieuw voorstel van “ernstiger maatregelen” aan de dagorde van de raad zal worden geplaatst. Op 21 januari 2009 beslist de raad voor maatschappelijk welzijn een voorstel tot afzetting van verzoeker bij het rechtscollege in te dienen omdat betrokkene tijdens de zittingen van de raad voor maatschappelijk welzijn van 25 juni 2008, 30 juli 2008, 11 augustus 2008, 17 september 2008, 29 oktober 2008 en 19 november 2008 tot geluidsopnames ervan is overgegaan en geweigerd heeft gevolg te geven aan de herhaalde uitnodigingen van de voorzitter om de opnames XII-5995-3/14 stop te zetten of de zitting te verlaten. De stukken tonen, volgens het voorstel van de raad, aan dat verzoeker de beslissing van het rechtscollege niet geëerbiedigd heeft en ook niet van plan is te eerbiedigen. Verzoeker wordt op 4 mei 2009 door het rechtscollege gehoord. Hij ontkent “ten stelligste” audio-opnames te hebben gemaakt tijdens de kwestieuze zittingen. De raad voor maatschappelijk welzijn adviseert op 14 mei 2009 verzoeker af te zetten als OCMW-raadslid. Het rechtscollege schorst verzoeker bij beslissing van 28 september 2009 voor een periode van drie maanden. Gemotiveerd wordt : “- met betrekking tot de audio-opnames en de kwalificatie ervan : Overwegende dat uit de feitelijke elementen van het dossier, in het bijzonder uit de procesverbalen van de vergaderingen van de raad van het ocmw duidelijk blijkt dat er tijdens de zittingen van de raad op 25.06.08, 30.07.08, 11.08.08, 17.09.08, 29.10.08 en 19.11.08 door de heer Joris Claessens opnames werden gemaakt; Overwegende dat de notulen van bovenvernoemde vergaderingen melding maken van opnames door de heer Claessens die door hem, in de notulen, niet worden ontkend, doch wel worden gekwalificeerd als ‘persoonlijke nota’s’; Overwegende dat enkel de notulen dd. 17 september 2008 van hogergenoemde vergaderingen door de heer Joris Claessens werden afgekeurd, dat hij zich bij de overige notulen van de vergaderingen van 25 juni, 30 juli en 11 augustus 2008 onthield en het P.V van de vergadering van 29 oktober 2008, waarin het maken van opnames door de heer Claessens andermaal vermeld staat, ter zitting van 19 november 2008 zelfs goedkeurde; Overwegende de rechtskracht van goedgekeurde PV’s van de raad voor maatschappelijk welzijn; Overwegende dat bijgevolg de in het verhoor geuitte ontkenningen van de heer Joris Claessens, volgens welke hij zich, sinds het besluit van het Rechtscollege van 28 april 2008, van elke vorm van digitale opname onthouden zou hebben, niet strookt met de feitelijke stukken uit het dossier; Overwegende dat het maken van digitale opnames door de heer Claessens ook na de uitspraak van het Rechtscollege van 28 april 2008 vaststaat; Overwegende dat die digitale opnames in verband moeten gebracht worden met het besloten karakter van de vergaderingen van de ocmw-raad; Overwegende dat dit besloten karakter van de vergaderingen verbonden is zowel met de plicht van de raadsleden tot beroepsgeheim, als met de plicht tot beveiliging en bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers XII-5995-4/14 van het ocmw en de beperking van de modaliteiten van uitoefening van het inzage- en informatierecht in hoofde van ocmw-mandatarissen; Overwegende dat het precies in het kader van voormelde plichten is dat het recht van integrale weergave van stukken binnen de uitoefening van het recht tot inzage en informatie van de ocmw-raadsleden wordt geregeld en beperkt; dat integrale vermenigvuldiging van stukken of de mogelijkheid hiertoe beperkend moet worden geïnterpreteerd en slechts kan in de mate indien zulks uitdrukkelijk onder meer bij huishoudelijk reglement is toegelaten; Overwegende bijgevolg dat, bij stilzwijgen van het huishoudelijk reglement, niet kan afgeleid worden dat audio-opnames van integrale zittingen, al dan niet met bijkomend commentaar, zomaar toegelaten zijn; - met betrekking tot het niet opvolgen van de instructies van de voorzitter van het ocmw : Overwegende dat uit de feitelijke elementen van het dossier -namelijk de attesten van de elf raadsleden- blijkt dat de instructies van de voorzitter tot het stopzetten van de opnames, gerechtvaardigd zijn; Overwegende dat het niet opvolgen van de instructies van de voorzitter van het ocmw duidelijk uit het dossier blijkt; dat zulks de continuiteit van de dienstverlening van het ocmw in het gedrang brengt en een zware nalatigheid en een algemeen bekend wangedrag in hoofde van het ocmw-raadslid inhoudt; Overwegende dat het verbod van digitale opnames door de voorzitter gerechtvaardigd kan zijn, met het oog op het besloten karakter van de vergaderingen van de ocmw-raad en op het geheim karakter van de beraadslagingen ervan; Overwegende dat de voorzitter de nodige instructies mag geven om de orde te handhaven en dat het herhaaldelijk niet naleven van zijn instructies een zware nalatigheid en een algemeen bekend wangedrag betekent; Overwegende dat het over een tweede dossier van overtreding gaat, wat een verzwarende omstandigheid uitmaakt en een schorsing voor de duur van drie maanden rechtvaardigt”. De beslissing wordt op 8 oktober 2009 op verzoekers adres aangeboden. IV. Ontvankelijkheid 4. De bestreden beslissing is er één waarbij verzoeker met toepassing van artikel 22 van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn als lid van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt geschorst wegens zware nalatigheid of algemeen bekend wangedrag. Het beroep dat artikel 22, derde lid, van de wet van 8 juli 1976 en artikel 16, 4/, van de XII-5995-5/14 gecoördineerde wetten op de Raad van State ertegen openstellen en dat verzoeker heeft aangespannen, is een beroep in volle rechtsmacht. Waar de bestreden beslissing aldus geen akte is vatbaar voor annulatie krachtens artikel 14, §§ 1 en 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, is de Raad van State niet bevoegd om ze met toepassing van het artikel 17 te schorsen. Belanghebbende partij betwist terecht om die reden de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing. 5. Overigens heeft verzoeker er geen baat bij om de bestreden beslissing door de Raad van State geschorst te zien worden in afwachting van een uitspraak ten gronde. Immers heeft het beroep dat hij “in toepassing van art 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de OCMW’s” aanspande, bij gebrek aan anders luidende bepaling -die er te dezen, in tegenstelling tot voor de Vlaamse Gemeenschap, niet is- reeds uit zichzelf schorsende uitwerking. 6. De vordering wordt verworpen in zoverre ze tot de schorsing van de bestreden beslissing strekt. V. Grond van de zaak 7. Door verzoeker worden drie middelen aangevoerd ter hervorming van de bestreden beslissing. Ze worden hierna onderzocht in het licht van de specifieke bevoegdheid waarover de Raad van State beschikt wanneer hij overeenkomstig artikel 16 van zijn gecoördineerde wetten optreedt als rechter in hoger beroep. Alsdan beoordeelt hij het gehele geschil en stelt hij wat dat betreft zijn beslissing in de plaats van de eerste beslissing. 8. Een eerste middel is afgeleid uit de schending van de rechten van verdediging, doordat het rechtscollege voor zijn eerste beslissing van 28 april 2008, waarop de thans bestreden uitspraak steunt, als premisse hanteert “dat het een vaststaand feit zou zijn dat integrale zittingen werden opgenomen terwijl dit gegeven juist telkens opnieuw in verscheidene argumentaties door huidig verzoeker werd tegengesproken en ontkracht” en doordat het rechtscollege “zich beperkt tot een loutere stijlclausule ‘dat uit de feitelijke elementen van het dossier duidelijk blijkt dat integrale zittingen door de heer Joris Claessens werden opgenomen;’ terwijl integendeel in het dossier hiervan geen enkel duidelijk bewijs aanwezig is”. XII-5995-6/14 9. De Raad van State kan niet vinden waar in de bestreden beslissing zou staan “dat uit de feitelijke elementen van het dossier duidelijk blijkt dat integrale zittingen door de heer Joris Claessens werden opgenomen”. Die zinsnede komt daarentegen wel voor in de beslissing van 28 april 2008 van het rechtscollege waarbij verzoeker is geschorst gedurende één maand. Deze schorsing is, ten gevolge van de verwerping van verzoekers beroep ertegen bij arrest nr. 188.025 van 18 november 2008, definitief. Hoe dan ook belet een en ander niet dat, zoals gezien, de Raad van State de zaak in zijn geheel aan een nieuw onderzoek moet onderwerpen en zich een eigen oordeel moet vormen over de realiteit en de ernst van wat verzoeker ten laste wordt gelegd en over de tuchtstraf waarmee terzake eventueel moet worden gereageerd. Dit gebeurt hierna. 10. Het middel wordt verworpen 11. In een tweede middel wordt wezenlijk het gebrek aan formele en materiële motieven en aan zorgvuldigheid aangevoerd, “[d]oordat, de bestreden beslissing een tuchtsanctie oplegt zonder dat werd overgegaan tot een toetsing van de feitelijke grondslag - nu niet werd nagegaan wat werkelijk werd opgenomen; - nu niet werd nagegaan of het effectief enkel louter persoonlijke commentaren betrof dan wel integrale opnamen; - nu niet werd nagegaan of het opnametoestel zelfs maar de mogelijkheid heeft op te nemen in een vergaderzaal; - nu niet werd nagegaan of de kwaliteit van de opnamen zelfs maar zou toelaten individuele raadsleden te herkennen zo hun uitspraken al zouden zijn opgenomen”. Naar de mening van verzoeker is het rechtscollege uitgegaan van onbewezen premissen en blijkt niet “op welke wijze het Rechtscollege tot de basispremissen komt waarop zijn verdere argumentatie gebaseerd is”. Bovendien had het rechtscollege volgens verzoeker “desnoods” een beroep moeten doen op technisch bevoegde deskundigen om uit te maken of “met het gebruikte toestel” opnames in een vergaderzaal kunnen worden gemaakt. 12. Eenvoudige lectuur van de bestreden beslissing wijst uit dat deze niet van enige premisse -in de zin van een voorafgaande stelling- uitgaat, laat staan nog van de premisse dat verzoeker integrale zittingen opnam. XII-5995-7/14 Wat de bestreden beslissing wel doet is aannemen dat, in weerwil van verzoekers ontkenningen tijdens het verhoor, “het maken van digitale opnames door de heer Claessens ook na de uitspraak van het Rechtscollege van 28 april 2008 vaststaat”. De beslissing baseert zich daarvoor zeer uitdrukkelijk op de eigen verklaringen van verzoeker zoals gerelateerd in de goedgekeurde processen-verbaal van de vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn. Aldus laat de beslissing wel degelijk begrijpen hoe ze tot haar conclusie komt. 13. Ook naar het oordeel van de Raad van State mag op grond van die verklaringen van verzoeker - “dat het alleen maar om nota’s te nemen [is] dat hij opneemt” of “dat hij maar persoonlijke nota’s opneemt” of “dat hij niet opneemt, maar persoonlijke nota’s opneemt”- voor waar worden aangenomen dat hij effectief nog digitale opnames heeft gemaakt tijdens de vergaderingen van 25 juni 2008, 30 juli 2008, 11 augustus 2008, 17 september 2008, 29 oktober 2008 en 19 november 2008 van de raad voor maatschappelijk welzijn. De verklaringen zijn opgenomen in goedgekeurde notulen die verzoeker opvallend niet van valsheid beticht. Bij die eigen verklaringen van verzoeker voegen zich bovendien de verklaringen van 17 september 2008 van elf leden van de raad voor maatschappelijk welzijn. In die laatste verklaringen wordt meegedeeld dat verzoeker niet alleen persoonlijke nota’s opneemt, maar “minstens bepaalde delen van de zittingen”. Tevergeefs heeft verzoeker ter terechtzitting van de Raad van State geprobeerd die verklaringen van 17 september 2008 te ontkrachten. Meer bepaald trachtte hij de Raad van State ervan te overtuigen dat het voor de betrokken leden onmogelijk was om vast te stellen of zijn toestel al dan niet aan het opnemen was. Toen verzoekers demonstratie op de zitting uitwees dat zulks maar al te goed merkbaar was, heette het dat de andere raadsleden niets gemerkt konden hebben omdat hij het toestel altijd in een pennenzak aan hun ogen onttrok. Dit, dan weer, wordt flagrant tegengesproken door zijn eigen stuk 2. In dit stuk betoogt hij juist “op een open en eerlijke wijze” tewerk te gaan: “Het memoapparaatje dat [...] gebruikt wordt moet wel open en bloot liggen omdat anders opname onmogelijk is. Het maakt trouwens geluid bij het in en uitschakelen en stellen dat ik ongemerkt opnames zou maken is dus gewoon absurd”. XII-5995-8/14 Daarbij komt nog dat, zo verzoeker ondertussen is gaan beweren dat hij zich sedert de beslissing van 28 april 2008 “van elke opname tijdens de vergadering onthouden [heeft]” “aangezien [hij] er zich al te bewust van was dat deze [eigen aantekeningen] tegen hem gebruikt zouden worden op basis van het eerste vonnis”, hij niettemin toegeeft -blijkens zijn verhoor vóór het rechtscollege- tijdens de vergaderingen een opnameapparaat bij te hebben. Wat daar het nut van mag zijn, als hij het beweerdelijk toch niet gebruikt, licht hij niet toe. 14. Niet alleen wordt uit wat voorafgaat met genoegzame zekerheid afgeleid dat verzoeker tijdens de vergaderingen van 25 juni 2008, 30 juli 2008, 11 augustus 2008, 17 september 2008, 29 oktober 2008 en 19 november 2008 van de raad voor maatschappelijk welzijn audio-opnames heeft gemaakt. Bovendien is er reden om aan te nemen dat deze opnames betrekking hadden, zo niet op de gehele zittingen, dan toch op integrale gedeelten ervan. Indien het anders zou zijn geweest en verzoeker, zoals hij in het besproken middel laat uitschijnen, “enkel persoonlijke commentaren” zou hebben opgenomen, mocht verwacht worden dat hij zulks aan de hand van de opnames zelf zou hebben aangetoond. Evenwel wordt vastgesteld dat verzoeker noch het rechtscollege, noch de Raad van State heeft aangeboden en in de gelegenheid gesteld te verifiëren of de opnames alleen ingesproken “aantekeningen” of “nota’s” bevatten, dan wel “meer”. Integendeel betwistte hij zelfs “ten stelligste” wat dan ook tijdens de zittingen van 25 juni 2008, 30 juli 2008, 11 augustus 2008, 17 september 2008, 29 oktober 2008 en 19 november 2008 te hebben opgenomen. Dit strookt, zoals in de bestreden beslissing terecht wordt gesteld, niet met de feitelijke stukken uit het dossier. In de gegeven omstandigheden was en is er geen reden om het opnametoestel aan een technisch onderzoek te onderwerpen en na te gaan “wat werkelijk werd opgenomen”, “of het effectief louter persoonlijke commentaren betrof dan wel integrale opnamen” en of “met het gebruikte toestel” opnames in een vergaderzaal gemaakt kunnen worden. 15. Ook het tweede middel wordt verworpen. XII-5995-9/14 16. In een derde middel voert verzoeker aan dat het rechtsbeginsel “geen straf zonder duidelijke tekst” geschonden is, evenals het evenredigheidsbeginsel, dat een kennelijke beoordelingsfout is begaan en dat het gelijkheidsbeginsel miskend is. Toegelicht wordt: - dat bij een strafrechtelijke of tuchtrechtelijke sanctionering een geschonden wettelijke of reglementaire bepaling moet kunnen worden aangewezen, - dat het besloten karakter van de vergadering niet uitsluit dat persoonlijke aantekeningen worden genomen door personen die op de vergadering aanwezig mogen zijn, mits de aantekeningen niet worden doorgegeven of kenbaar gemaakt aan derden, - dat verzoeker geen integrale opnames van de zitting heeft gemaakt en dan ook niet het verbod daartoe van de voorzitter kan hebben miskend, - dat de voorzitter geen bevelen mag geven die een normale werking van een raadslid onmogelijk maken en dan ook niet kan verbieden persoonlijke aantekeningen te maken, des te minder “waar andere raadslieden die met andere technieken aantekeningen maken geen verbod krijgen op het nemen van nota’s”, en - dat de uitgesproken sanctie buiten verhouding staat tot een vergrijp, dat zich hoe dan ook beperkt tot het nemen van persoonlijke aantekeningen. 17. Krachtens artikel 22, eerste lid, van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn kunnen de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn geschorst of afgezet worden in geval van zware nalatigheid of algemeen bekend wangedrag. Het artikel voorziet hiermee in de mogelijkheid tot tuchtrechtelijke bestraffing. De term “zware nalatigheid” moet in verband met de uitoefening van het ambt zelf worden gebracht. Het “algemeen bekend wangedrag” refereert hoofdzakelijk, zo niet uitsluitend, aan feiten uit de sfeer van het privé- leven. Anders evenwel dan in het strafrecht vindt de regel dat vervolgingen slechts mogelijk zijn wanneer het gepleegde feit vooraf met voldoende precisie door een wet als misdrijf is omschreven, in het tuchtrecht geen toepassing. Het middel is in zoverre ongegrond. 18. Eveneens ongegrond is het middel voor zoveel het ervan uitgaat dat hetgeen verzoeker heeft opgenomen louter “persoonlijke aantekeningen” waren XII-5995-10/14 en geen “integrale opnames” van (een gedeelte van) een vergadering. Die hypothese is, zoals bij de bespreking van het tweede middel aan bod kwam, foutief. 19. Zoals in de bestreden beslissing oordeelkundig is overwogen, kan het verbod door de voorzitter van digitale opnames van (gedeelten van) de vergaderingen van de OCMW-raad gerechtvaardigd zijn met het oog op het besloten karakter van de vergaderingen van de OCMW-raad en op het geheim karakter van de beraadslagingen ervan. Niet alleen kan het gerechtvaardigd zijn, het is dat ook in onderhavig geval. Immers creëren verzoekers audio-opnames van de vergaderingen kennelijk de voorwaarden voor een schending van de geheimhouding en houden ze een reëel risico op zo een schending in, wijl er voor de concrete noodzaak van dergelijke opnames te dezen geen afdoende redenen blijken of zelfs maar worden aangevoerd. In die omstandigheden en gelet op het stilzwijgen terzake van het huishoudelijk reglement, hoefde de voorzitter niet eerst een effectieve, feitelijke schending van de geheimhouding af te wachten, vooraleer verzoeker rechtmatig te kunnen opdragen de opnames te staken. De voorzitter heeft verzoeker bij herhaling uitdrukkelijk opgedragen zich van opnames van de zittingen te onthouden. Verzoeker heeft er geen gevolg aan gegeven. Ook niet tijdens de zitting van 19 november 2008, nadat de voorzitter de instructie zelfs per brief van 28 oktober 2008 had geformuleerd en toegelicht. Terecht heeft het rechtscollege de obstinate weigering om zich naar deze instructies van de voorzitter te gedragen als een zware nalatigheid in de zin van voormeld artikel 22, eerste lid, aangezien. Ook wat dat betreft is het derde middel ongegrond. 20. Blijft nog verzoekers grief dat de sanctie die de bestreden beslissing uitspreekt buiten verhouding staat tot het vergrijp. Het lijdt voor de Raad van State geen twijfel dat de laakbare handelwijze van verzoeker een strenge bestraffing verdient, mede gelet op het geloofwaardige betoog van de raad van maatschappelijk welzijn -in zijn beslissing XII-5995-11/14 van 21 januari 2009- dat verzoekers volgehouden weigering om de instructies van de voorzitter na te leven directe, kwalijke gevolgen voor de werking van het OCMW heeft. Namelijk worden de zittingen wel voortgezet om de continuïteit van de diensten te waarborgen, maar worden, teneinde de anonimiteit van de dossiers en de sereniteit van de debatten zoveel mogelijk te beschermen, de beraadslagingen tot een strikt minimum beperkt. Dit schaadt de kwaliteit van de debatten aangezien de vroegere gedachtewisselingen nu door korte en anonieme voorstellingen van de voorgelegde dossiers vervangen worden. Als niettemin een schorsing van zes weken méér gepast en verantwoord voorkomt dan een schorsing voor de maximaal toegelaten duur van drie maanden, dan is het omdat de tegen verzoeker in aanmerking genomen tekortkomingen te situeren blijken in de periode tússen het instellen van zijn beroep tegen de schorsing van 28 april 2008 van het rechtscollege én de betekening van het arrest waarmee dat beroep verworpen werd. Legde weliswaar het rechtscollege verzoeker reeds op 28 april 2008 een schorsing van één maand op voor een vergelijkbare praktijk als te dezen aan de orde is, het is niet minder waar dat verzoeker meende en bleef menen geen tuchtfout te hebben begaan en daarom op 9 juni 2008 bij de Raad van State tegen de schorsing het beroep bedoeld in artikel 22 van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn aantekende, welk beroep schorsende werking heeft. Aan deze schorsende werking is maar een einde gekomen door het arrest van de Raad van State van 18 november 2008, op 25 november 2008 aan verzoeker betekend. Pas van dan af kreeg de beslissing van 28 april 2008 van het rechtscollege weer uitwerking en was er uitsluitsel over of verzoekers audio- opnames van de besprekingen en zijn weigering om die opnames te staken al dan niet als disciplinaire tekortkomingen te kwalificeren zijn. Met andere woorden is vast te stellen dat de hiervoor jegens verzoeker aangenomen tekortkomingen tijdens de vergaderingen van 25 juni 2008, 30 juli 2008, 11 augustus 2008, 17 september 2008, 29 oktober 2008 en 19 november 2008 van de raad voor maatschappelijk welzijn dateren uit de tijd dat de uitwerking van de eerste beslissing van het rechtscollege geschorst was en het voormelde uitsluitsel nog niet voorhanden was. In dit licht kan het aan verzoeker dan ook bezwaarlijk als “een verzwarende omstandigheid” worden aangerekend - zoals de belanghebbende partij in haar beslissing van 21 januari 2009 evenals in XII-5995-12/14 haar memorie van antwoord voorstaat en zoals de bestreden beslissing doet- dat hij al eerder voor zulke tekortkomingen gestraft werd en daar blijkbaar geen lering uit trok of wilde trekken. Het tegendeel lijkt het geval. Het wordt alleszins niet beweerd dat verzoeker zijn halsstarrigheid voortzette ook nadat hij kennis kreeg van het arrest van 18 november 2008 van de Raad van State en -daardoor- van het feit dat zijn tuchtrechtelijke veroordeling wegens de niet-naleving van het verbod van de voorzitter van het OCMW tot het maken van audio-opnames van de vergaderingen uitwerking had en definitief was. 21. Samenvattend meent de Raad van State dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan het herhaaldelijk weigeren om het verbod van de voorzitter tot digitale audio-opname van vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn na te leven en dat deze zware nalatigheid in de concrete omstandigheden van de zaak met een schorsing voor een periode van zes weken moet worden bestraft. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. 2. De Raad van State vernietigt de beslissing van 28 september 2009 van het rechtscollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om Joris Claessens gedurende drie maanden te schorsen als lid van de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Sint-Jans-Molenbeek en, opnieuw recht doende, schorst Joris Claessens, lid van de raad van maatschappelijk welzijn van Sint-Jans-Molenbeek, voor een periode van zes weken. XII-5995-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 21 januari 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier, De voorzitter, Silja Doms Dierk Verbiest XII-5995-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.774 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div