← België

Arrest 199798 - Examens (onderwijs) - 22/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.798 Rolnummer: A. 168695/XII-4616 Zaak: Arrest 199798 - Examens (onderwijs) - 22/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-01 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-02 08:25 Fiche Arrest nr 199.798 van 22 januari 2010 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 199.798 van 22 januari 2010 in de zaak A.168.695/XII-4616 In zake: Yves MARECHAL wonende te Herne Stationsstraat 36 tegen: de HOGESCHOOL GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Eva Bral kantoor houdend te Gent Henleykaai 3R bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 9 december 2005, strekt tot de nietigverklaring van: “1/ [...] de ongeldige deliberatiebeslissing van 16 september 2005 verklarende verzoekende [partij] als niet geslaagd met aflevering van een onvolledige en onjuiste puntenlijst; 2/ [...] de beslissing van het Departementshoofd van 21 september 2005 waarbij hij de klacht van verzoekende [partij] als niet ontvankelijk kwalificeert; 3/ tegen de beslissing van de Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen van 13 oktober 2005”. In fine van zijn verzoekschrift formuleert verzoeker nog bijkomende vorderingen: “Aan de Raad van State wordt dus met dit verzoekschrift uitdrukkelijk gevraagd aan het Departement Vesalius Hogeschool Gent opdracht te geven een buitengewone examencommissie bijeen te roepen en 1 ingevolge het recht op een geldige deliberatie op basis van een voltijds studietraject van 60 studiepunten te beslissen rekening te houden met het gelijkheidsbeginsel onder de studenten waarbij de vastgestelde drempel op 16 september 2005 (zoals meegedeeld door het Departementshoofd aan verzoekende [partij] op 16 september 2005) 541/1000 is, met eventueel als onvoldoende 1 keer 8 of 2 keer
  2. XII-4616-1\11 2 de klacht ontvankelijk en gegrond te verklaren en de puntenlijst van 16 september 2005 van verzoekende [partij] aan te passen met een 12/20 in uitvoering van het flexibiliseringdecreet door automatische jaar- overdracht/vrijstelling van het 1/ jaar of minstens 10/20 op basis van rechtvaardige punten en/of rechtzetting (afgerond 9,8) uit de bundel voor het vak verpleegkundige vaardigheden; waarvoor tijdig, van zodra dit overtuigingsstuk aan verzoekende [partij] gekend was een klacht werd ingediend bij de Hogeschool, de overmacht om het vroeger te kunnen doen werd hiervoor uiteengezet. 3 om verder het gelijkheidsbeginsel toe te passen onder de studenten voor al de groepen wat betreft de termijn van indiening van het stageverslag en dienvolgens de punten te herzien van het stageverslag van verzoekende [partij] waarvoor hij slechts 20/100 bekwam. Vervolgens na rechtzetting van deze 2 cijfers voor ‘verpleegkundige vaardigheden’ en ‘stage’ geldig te beslissen op basis van 60 studiepunten van het voltijds studietraject nl. rekening houdend met het vak menswetenschappen waarvoor verzoekende [partij] minstens 12/20 bekwam (de punten van psychologie die erbij horen werden nog steeds niet opgegeven door de Hogeschool Vesalius) en waarvoor de Hogeschool geen attest van EVC kan afleveren. Dit alles in uitvoering van het flexibiliseringdecreet en de overgangsmaatregelen als automatische jaaroverdracht en dienvolgens op basis van het juiste percentage minstens 544/1000 mogelijks meer dan 55% verzoekende [partij] als geslaagd te verklaren. Verzoekende [partij] vraagt de correcte toepassing van het Flexibiliseringdecreet en de overgangsmaatregelen en het AOR van de Hogeschool”. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 oktober
  4. Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Verzoeker en advocaat Nathalie Swartenbroeckx, die loco advocaat Eva Bral verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. XII-4616-2\11 Adjunct-auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Verzoeker is voor het academiejaar 2003-2004 ingeschreven in het eerste jaar verpleegkunde aan het departement gezondheidszorg Vesalius van de Hogeschool Gent. Tijdens de eerste examenperiode is hij, met een globaal resultaat van 47%, niet geslaagd. Voor de tweede examenperiode wordt hij evenmin geslaagd verklaard; hij behaalt 50,5% met meerdere onvoldoendes. Hij verkrijgt wel jaaroverdrachten voor 5 vakken:

(1)basisverpleegkunde 1 en gerontologie,
(2)gezondheidszorg, milieu en beroepshygiëne,
(3)informatica, research en rapportering,
(4)recht, deontologie en beroepsethiek en
(5)filosofie, sociologie en antropologie. 4. Voor het academiejaar 2004-2005 schrijft verzoeker zich in het eerste jaar professionele bachelor verpleegkunde aan dezelfde instelling in. Hij dient een aanvraag in tot vrijstelling voor het opleidingsonderdeel “menswetenschappen” en een aanvraag tot erkenning van jaaroverdrachten voor de opleidingsonderdelen “initiatie onderzoek en vakliteratuur” (informatica, research en rapportering) en “deontologie en recht” (recht, deontologie en beroepsethiek). Hij verkrijgt de vrijstelling en de jaaroverdrachten en ondertekent op 27 oktober 2004 zijn - aldus aangepast - curriculum. In de eerste examenperiode is verzoeker niet geslaagd, met een globaal resultaat van 52,5% met meerdere onvoldoendes. In de tweede examenperiode behaalt verzoeker 53,8%; hij wordt op 16 september 2005 niet geslaagd verklaard wegens onvoldoendes voor de vakken XII-4616-3\11 “verpleegkundige vaardigheden” (9/20) en “stage” (9/20). Voor de andere vakken van dit opleidingsjaar verwerft hij wel credits. Dit is de eerste bestreden beslissing. 5. Verzoeker tekent op 19 september 2005 bezwaar aan tegen deze examenbeslissing. Hij is, in essentie, van oordeel dat “[er] een materiële vergissing [is] gebeurd bij het opstellen van [zijn] jaaroverdrachten waarschijnlijk naar aanleiding van de overgang naar het systeem van bachelor, vermits deze cluster ‘stage-skillslab’ van het jaar 2003-2004 diende opgesplitst te worden in ‘stage’ en ‘verpleegkundige vaardigheden (=skillslab)’ voor het jaar 2004-2005”. Met een brief van 21 september 2005 wijst het departementshoofd gezondheidszorg Vesalius van de Hogeschool Gent de klacht van verzoeker af: “Ik heb met aandacht uw schrijven dd. 17/09/2005 gelezen en besproken met de ombudsdienst en de opleidingscoördinator Verpleegkunde. Wij oordelen dat uw klacht niet ontvankelijk is en wel om volgende redenen: - de klacht die u formuleert houdende een materiële vergissing slaat op de examenperiode 2003-2004 (2de zittijd) en maakt geen onderwerp van beslissing uit van de 2de examenzittijd van het academiejaar 2004-2005. - In de 2de examenzittijd van het academiejaar 2003-2004 behaalde u voor stages 1, begeleiding, skillslab 7/20 en voor stages 2, begeleiding, skillslab 10/20. Krachtens artikel 66 van het A.O.R. 2003-2004 wordt een examencijfer van 12 en meer dat aan een geëxamineerde is toegekend overgedragen naar een volgende zittijd. Overdracht van delen van opleidingsonderdelen is niet toegelaten”. Dit is de tweede bestreden beslissing. 6. Verzoeker stelt op 28 september 2005 beroep in bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. Met een beslissing nr. 2005/031 van 13 oktober 2005 verklaart dit rechtscollege het beroep onontvankelijk, in de mate waarin het betrekking heeft op de niet toegestane overdrachten en op de evaluatie voor het opleidingsonderdeel stage (versta : verpleegkundige vaardigheden). In de mate waarin het beroep betrekking heeft op het in de tweede examenperiode voor de stageopleiding behaalde resultaat, wordt het beroep ongegrond verklaard. Dit is de derde bestreden beslissing. XII-4616-4\11 IV. De rechtsmacht van de Raad van State 7. Op grond van de bepalingen van hoofdstuk 3 van titel II van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen (hierna: aanvullings- decreet), die in werking zijn getreden op 1 januari 2005, wordt onder meer een administratief rechtscollege - de Raad voor examenbetwistingen (thans: Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen) - opgericht, dat bevoegd is om uitspraak te doen over de beroepen die door studenten worden ingesteld tegen examen(tucht)beslissingen, na uitputting van een administratieve beroepsprocedure (zie het vroegere artikel II.15 van het aanvullingsdecreet). Die bevoegdheid van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen sluit de rechtsmacht van de Raad van State uit. De Raad van State is bijgevolg op het vlak van examenbeslissingen in het hoger onderwijs, met toepassing van artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, alleen nog bevoegd om te oordelen over cassatieberoepen ingesteld tegen de door de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen in laatste aanleg gewezen beslissingen. De eerste en tweede bestreden beslissing vallen duidelijk onder de decretaal gegeven omschrijving van “examenbeslissing” en werden trouwens door verzoeker met een jurisdictioneel administratief beroep bestreden. Ten aanzien van deze beslissingen heeft de Raad van State geen rechtsmacht. De Raad van State is wel bevoegd om kennis te nemen van het cassatieberoep tegen de derde bestreden beslissing, genomen door de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. Bijgevolg zullen alleen die middelen waarmee de verzoeker kritiek levert op de beslissing van 13 oktober 2005 van dit administratief rechtscollege bij de beoordeling van dit beroep worden betrokken. V. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep 8. Artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, bepaalt wat volgt: “De afdeling doet uitspraak, bij wijze van arresten, over de cassatieberoepen ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg XII-4616-5\11 gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Zij treedt daarbij niet in de beoordeling van de zaken zelf”. In het kader van dergelijk administratief cassatieberoep toetst de Raad van State, zonder in de beoordeling van de zaken zelf te treden, de wettigheid van een jurisdictionele beslissing. De Raad gaat dus na of de betrokken rechtsprekende instantie bij het nemen van die beslissing een correcte toepassing van de wet heeft gemaakt. De bijkomende “vorderingen” van verzoeker, die er alle op gericht zijn aan de verwerende partij bevel te horen opleggen om bepaalde handelingen te stellen, zijn, zeker in het kader van een beroep tot cassatie, niet ontvankelijk. Het cassatieberoep is enkel ontvankelijk voorzover het vraagt het besluit van 13 oktober 2005 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen te vernietigen. 9. De verwerende partij verwijt verzoeker dat hij de feiten en middelen in het verzoekschrift samenneemt en nalaat concreet aan te duiden welke rechtsnorm of welk algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zou zijn geschonden door verwerende partij. Uit de uiteenzetting van verzoeker kunnen vijf middelen worden afgeleid. De verwerende partij heeft daarop trouwens -weliswaar in ondergeschikte orde- geantwoord. De exceptie gaat niet op. VI. De middelen Eerste middel Standpunt van verzoeker 10. In het eerste middel bestrijdt verzoeker de stelling van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen dat zijn zaak betrekking heeft op jaaroverdrachten in een periode waarin die Raad daarvoor nog niet bevoegd was. Verzoeker is van oordeel dat het geschil geen betrekking heeft op de al dan niet toekenning van een vrijstelling of jaaroverdracht, maar wel op de “niet toepassing van de automatische jaaroverdracht”. Hij besluit dat de Raad voor betwistingen XII-4616-6\11 inzake studievoortgangsbeslissingen wel degelijk de “rechtzetting van de puntenlijst”, “toepassing van het flexibiliseringsdecreet en de overgangs- maatregelen” en “een geldige deliberatie” had kunnen opleggen. Volgens verzoeker heeft deze Raad zijn beroep op dat vlak ten onrechte onontvankelijk verklaard. Beoordeling 11. Vanaf het academiejaar 2005-2006 is de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbetwistingen bevoegd om te oordelen over “studievoortgangsbeslissingen”, waar hij daarvóór slechts bevoegd was om te oordelen over “examen(tucht)beslissingen”. Een “examenbeslissing” werd omschreven als: elke beslissing die een eindoordeel inhoudt over het voldoen voor een opleidingsonderdeel, meerdere opleidingsonderdelen van een opleiding, of een opleiding als geheel (oud artikel II.1., 5/, van het aanvullingsdecreet). Een “studievoortgangsbeslissing” is één van de volgende beslissingen:
  1. a)een examenbeslissing, zijnde elke beslissing die, al dan niet op grond van een deliberatie, een eindoordeel inhoudt over het voldoen voor een opleidingsonderdeel, meerdere opleidingsonderdelen van een opleiding, of een opleiding als geheel;
  2. b)een examentuchtbeslissing, zijnde een sanctie opgelegd naar aanleiding van examenfeiten;
  3. c)de toekenning van een bewijs van bekwaamheid, dat aangeeft dat een student op grond van eerder verworven competenties of eerder verworven kwalificaties bepaalde competenties heeft verworven;
  4. d)de toekenning van een vrijstelling, zijnde de opheffing van de verplichting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen;
  5. e)een beslissing waarbij het volgen van een schakel- en/of voorbereidings- programma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van dergelijk programma wordt vastgesteld;
  6. f)het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking, bedoeld in artikel 51 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de flexibilisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en houdende dringende hogeronderwijsmaatregelen (artikel II.1., 15/bis, van het aanvullingsdecreet). XII-4616-7\11
  7. g)Een geschil over het al dan niet toekennen van een vrijstelling behoort dus slechts vanaf het academiejaar 2005-2006 tot de bevoegdheid van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. De betwisting omtrent het opleidingsonderdeel “verpleegkundige vaardigheden” handelt in wezen over de niet-toekenning van een vrijstelling tijdens het academiejaar 2004-2005. Verzoeker is van oordeel dat hij voor dat opleidingsonderdeel géén examen hoefde af te leggen en dat hij de punten van een onderdeel van een in het academiejaar 2003-2004 door hem afgelegd vak zou moeten kunnen overdragen naar het academiejaar 2004-2005. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft dan ook terecht geoordeeld dat hij niet bevoegd is om kennis te nemen van dat onderdeel van het geschil. Het eerste middel is niet gegrond. Tweede middel Standpunt van verzoeker 12. Verzoeker zet in wezen uiteen dat zijn curriculum ontegen- sprekelijk berustte op een dwaling en daardoor ongeldig was. Hij tracht dit met concrete feitelijke gegevens aan te tonen. Beoordeling 13. Dit middel heeft betrekking op de feitelijke grond van de zaak. Bovendien heeft verzoeker het opnieuw over het verkrijgen van die vrijstelling, terwijl bij de bespreking van het eerste middel al is gebleken dat toen de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen terzake niet bevoegd was. Het tweede middel kan niet worden aangenomen. XII-4616-8\11 Derde middel Standpunt van verzoeker 14. Als derde grief zet verzoeker uiteen wat volgt: “De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen oordeelt dat de 7 van verpleegkundige vaardigheden van eerste zittijd onmiddellijk na 1e zittijd diende betwist te worden. Deze 7 die 9,8 was volgens de bundel kon alleen maar vastgesteld worden op basis van de bundel ontvangen op 6 oktober 2005 en werd onmiddellijk gemeld op 10/10/2005 als aangevraagde rechtzetting van minstens de puntenlijst van 16 september 2005. Trouwens nog steeds is geen definitieve puntenlijst op basis van 60 studiepunten afgeleverd, noch steeds heeft er geen geldige deliberatie plaats gehad, nog steeds kan het correcte cijfer voor verpleegkundige vaardigheden (minstens 9,8 afgerond naar 10) zoals in de bundel vermeld staat aangepast worden. Voor wat betreft de puntenlijst van september 2005 werd deze materiële vergissing ook tijdig gemeld”. Beoordeling 15. Onder “middel” wordt begrepen een voldoende duidelijke omschrijving van de door de bestreden beslissing overtreden rechtsregel of rechtsprincipe en van de wijze waarop die rechtsregel of rechtsprincipe door de bestreden beslissing wordt geschonden. De uiteenzetting van verzoeker voldoet niet aan deze omschrijving. De geciteerde bezwaren van verzoeker vormen geen ontvankelijk cassatiemiddel. Vierde middel Standpunt van verzoeker 16. In dit middel tracht verzoeker duidelijk te maken dat er bij de beoordeling sprake was van wat hij noemt “gesjoemel [...] met punten en subjectiviteit”. Beoordeling 17. Verzoeker beperkt zich te dezen tot loutere beweringen, waarvan de waarachtigheid niet kan worden nagegaan. Hij duidt weerom niet aan welke rechtsregel door de bestreden beslissing zou zijn geschonden. Bovendien zou een XII-4616-9\11 verder onderzoek van het middel de Raad van State verplichten kennis te nemen van de feitelijke grond van de zaak, wat echter niet tot de bevoegdheid van de cassatie- rechter behoort. Het vierde middel kan niet leiden tot cassatie van de bestreden beslissing. Vijfde middel Standpunt van verzoeker 18. In dit middel voert verzoeker de schending aan van het gelijkheidsbeginsel. Beoordeling 19. Uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan blijkt niet dat verzoeker dit middel heeft aangebracht voor de bodemrechter. Het middel is nieuw en bijgevolg als cassatiemiddel niet ontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. XII-4616-10\11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 22 januari 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, staatsraad, waarnemend voorzitter, Geert Van Haegendoren, staatsraad, Eric Brewaeys, staatsraad, met bijstand van Silja Doms, griffier. De griffier, De voorzitter, Silja Doms Johan Lust XII-4616-11\11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.798 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.