id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.861 Rolnummer: A. 194142/IX-6536 Zaak: Arrest 199861 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 25/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-29 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-07-02 08:26 Fiche Arrest nr 199.861 van 25 januari 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Tussenkomst geweigerd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 199.861 van 25 januari 2010 in de zaak A. 194.142/IX-6536 In zake: de NV IRON MOUNTAIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Blanpain kantoor houdend te Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Van Roeyen kantoor houdend te Sint-Denijs-Westrem Driekoningenstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: het Paritair Comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de logistiek bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Véronique Pertry en Wendy Depester kantoor houdend te Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen Verzoeker in tussenkomst: Erwin DE DEYN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Annick Vermoortele kantoor houdend te Herne Ekkelenberg 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 1 oktober 2009, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 3 augustus 2009 van het paritair comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de logistiek (hierna: het IX-6536-1/8 paritair comité 226), waarbij de beslissing van de NV Iron Mountain tot wijziging van haar arbeidsreglement, niet de vereiste meerderheid behaalt. Tegelijk met het annulatieberoep vraagt de NV Iron Mountain ook de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 6 november 2009 heeft Erwin De Deyn gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Met een verzoekschrift van 12 november 2009 heeft het Paritair Comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de logistiek gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Eerste auditeur Jos Stevens heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 januari
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bruno Blanpain, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Tineke Verstraeten, die loco advocaat Wim Van Roeyen verschijnt voor de verwerende partij, advocaten Véronique Pertry en Wendy Depester die verschijnen voor de tussenkomende partij, en advocaat Annick Vermoortele die verschijnt voor de verzoeker in tussenkomst, zijn gehoord. IX-6536-2/8 Eerste auditeur Jos Stevens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten en reglementair kader
- De verzoekende partij opereerde, wat haar bedienden betreft, onder de bevoegdheid van het paritair comité
- Zij heeft bij de verwerende partij stappen ondernomen om, met verwijzing naar haar activiteiten, bij een ander paritair comité -nr 218- ondergebracht te worden, maar tot nogtoe tevergeefs. De verzoekende partij heeft inmiddels wel haar arbeidsreglement aangepast aan de regels van het pc nr 118, inzonderheid wat de werktijden van het personeel betreft. Zij heeft daar kritiek op gekregen van de vakbonden van het personeel. Een verzoeningsvergadering d.d. 3 juni 2009 heeft geen resultaat opgeleverd en de zaak is doorverwezen naar de voorzitter van het Paritair Comité
- Voor het paritair comité 226 heeft de verzoekende partij de stelling verdedigd dat zij niet aan dat comité onderworpen is en dat het derhalve geen uitspraak kon doen over haar gewijzigd arbeidsreglement. Met het bestreden besluit heeft het paritair comité 226 de wijziging aan het arbeidsreglement van de verzoekende partij niet aangenomen wegens het niet bereiken van de vereiste meerderheid. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verzoekende partij heeft de vordering ingesteld tegen het paritair comité
- De auditeur-verslaggever, die als orgaan van de Raad van State terzake ambtshalve kan optreden, heeft de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Werk, als verwerende partij aangewezen. In haar nota met opmerkingen vraagt de minister van Werk evenwel om buiten de zaak gesteld te worden omdat hij op geen enkele wijze bij de totstandkoming van het bestreden besluit betrokken was en het procedurereglement kortgeding onder de verwerende partij begrijpt: “de administratieve overheid waarvan de akte of het reglement IX-6536-3/8 uitgaat”. Het paritair comité 226 heeft zijnerzijds een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst ingediend, waarin zij de verdediging opneemt van het bestreden besluit. De zaak betreft een beslissing van het paritair comité 226 dat een orgaan is van de Belgische Staat. Het kan niet betwist worden dat de Belgische Staat als rechtspersoon vanuit juridisch oogpunt als enige verantwoordelijk gesteld kan worden voor de correcte uitvoering van het te wijzen arrest. De Belgische Staat is terecht aangewezen als verwerende partij. De vraag rijst of de Belgische Staat zich door het juiste orgaan heeft laten vertegenwoordigen. Het dient de rechtszekerheid dat, wanneer een bestreden besluit uitgaat van een orgaan met een toegewezen bevoegdheid -zoals het paritair comité 226- , dat orgaan de verdediging van de rechtspersoon voert in de plaats van het orgaan met de algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid, te dezen de minister van Werk. De auditeur-verslaggever heeft het verzoekschrift laten betekenen aan de minister van werk. Deze verwijst voor het verweer naar het paritair comité 226, dat zelf qualitate qua een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend heeft en daarin zijn verweer uiteengezet. De Raad van State beschikt daarmee over het verweer van het geëigende bestuursorgaan. Er is reden om het Paritair Comité 226 in het geding te betrekken als de vertegenwoordiger van de verwerende partij.
- Erwin De Deyn vraagt om in het geding te mogen tussenkomen. Hij beroept zich op zijn hoedanigheid van lid van het paritair comité 226 als “vertegenwoordiger van een nationaal representatieve werknemersorganisatie”. De verzoeker in tussenkomst beroept zich op een functioneel belang. Zijn lidmaatschap van het collegiaal orgaan dat het bestreden besluit genomen heeft, verleent hem evenwel niet het vereiste persoonlijk belang om buiten dat collegiaal orgaan om zijn persoonlijk standpunt over de genomen beslissing aan de rechter kenbaar te maken. De tussenkomst is niet ontvankelijk. IX-6536-4/8 V. Bevoegdheid van de Raad van State
- De bestreden beslissing vindt haar grondslag in artikel 12 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, dat luidt: “Wanneer er geen ondernemingsraad bestaat, wordt elk ontwerp van reglement of van wijziging in een bestaand reglement opgesteld door de werkgever, die het door aanplakking ter kennis van de werknemers moet brengen. Elke werknemer kan bovendien een afschrift van de tekst van dat ontwerp ontvangen. Gedurende een termijn van vijftien dagen te rekenen van de dag van de aanplakking, houdt de werkgever een register ter beschikking van de werknemers waarin zij, individueel of door toedoen van een personeelsafvaardiging of door toedoen van de vakbondsafvaardiging, hun opmerkingen kunnen optekenen. Gedurende dezelfde termijn van vijftien dagen kunnen de werknemers of hun afgevaardigden bedoeld in het vorige lid, hun opmerkingen ook bij een behoorlijk ondertekend schrijven toezenden aan de ambtenaar door de Koning aangewezen krachtens artikel
- Hun naam mag niet medegedeeld of ruchtbaar gemaakt worden. Zodra die termijn is verstreken, zendt de werkgever het register ter inzage aan de voornoemde ambtenaar. Indien hem geen enkele opmerking is medegedeeld en indien in het register geen enkele opmerking voorkomt, treedt het nieuwe reglement of de wijziging in het bestaande reglement de vijftiende dag na die van de aanplakking in werking. Indien hem opmerkingen zijn medegedeeld of indien in het register opmerkingen van de werknemers voorkomen doet hij deze binnen vier dagen kennen aan de werkgever, die ze door aanplakking ter kennis van de werknemers brengt. Deze ambtenaar tracht binnen een termijn van dertig dagen de uiteenlopende standpunten te verzoenen. Indien hij daarin slaagt, treedt het nieuwe reglement of de wijziging in het bestaande reglement de achtste dag na die van de verzoening in werking. Indien hij daarin niet slaagt, zendt de door de Koning aangewezen ambtenaar onmiddellijk een afschrift van het proces-verbaal van niet-verzoening over aan de Voorzitter van het bevoegd paritair comité. Voor de ondernemingen die gewoonlijk gemiddeld minder dan 50 werknemers tewerkstellen en die geen vakbondsafvaardiging hebben opgericht, moet deze ambtenaar in het proces-verbaal van niet-verzoening, indien het geschil betrekking heeft op de toepassing van de afwijking bedoeld in artikel 20bis of op de verlenging van de referentieperiode van een trimester, bedoeld in artikel 26bis van de arbeidswet van 16 maart 1971, melding maken enerzijds van de door de werkgever aangevoerde motieven die de invoering van deze afwijking of van deze verlenging rechtvaardigen en van de door de werkgever vermelde positieve gevolgen voor de werkgelegenheid of voor de vermindering van de periodes van volledige schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en van de regeling van gedeeltelijke arbeid geregeld door of krachtens artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst, en anderzijds van de opmerkingen van de werknemers die hetzij opgetekend zijn in dat register van de opmerkingen, hetzij hem rechtstreeks toegezonden zijn, hetzij gemaakt zijn tijdens de verzoeningspogingen betreffende deze afwijkingen of deze verlenging. IX-6536-5/8 Tijdens een eerstvolgende vergadering doet het paritair comité een laatste verzoeningspoging. Indien het daarin niet slaagt, wordt het geschil door het paritair comité beslecht. Zijn beslissing is enkel geldig wanneer zij tenminste 75 pct. der stemmen door ieder der partijen uitgebracht, heeft bekomen. Indien voor een bedrijfstak geen paritair comité bestaat, maakt de door de Koning aangewezen ambtenaar de zaak aanhangig bij de Nationale Arbeidsraad. Deze wijst, ten einde uitspraak te doen over het geschil, het paritair comité aan waaronder de ondernemingen ressorteren die een soortgelijke activiteit hebben. Binnen acht dagen na de uitspraak wordt de beslissing van het paritair comité door de secretaris ter kennis gebracht van de werkgever. Het arbeidsreglement dat eventueel is gewijzigd ingevolge een beslissing van het paritair comité, treedt vijftien dagen na de datum van de beslissing in werking, tenzij een andere datum voor de inwerkingtreding is vastgesteld.” De verzoekende partij stelt dat de bestreden beslissing een rechtshandeling is als bedoeld in artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Naar haar oordeel kan de redenering die de Raad van State in het arrest nr. 59.129 van 22 april 1996 uiteengezet heeft, in dit geval niet gevolgd worden, aangezien zij van oordeel is dat het paritair comité 226 niet bevoegd was om het bestreden besluit te treffen.
- In het arrest nr 59.129 van 22 april 1996 inzake de NV Argenta Spaarbank heeft de Raad van State gesteld enerzijds dat een arbeidsreglement een reglement is waarbij de werkgever eenzijdig de wil van de wetgever uitvoert, maar dat zulks niet volstaat om tot de bevoegdheid van de Raad van State te besluiten en anderzijds dat uit de parlementaire voorbereiding van de artikelen 11 en 12 van de wet van 8 april 1965 blijkt dat de taak van het paritair comité erin bestaat in geval van onenigheid van de partijen over de inhoud van het reglement een verzoeningspoging te ondernemen en in geval van mislukking van de verzoening, zelf het geschil definitief te beslechten. Het arrest overweegt vervolgens: “Overwegende dat derhalve duidelijk blijkt dat de keuze van het Paritair Comité als de ultieme scheidsrechter in de materie doelbewust gebeurde; dat de tussenkomsten zowel van de rechter, als van de minister bij de oplossing van het geschil ter zijde werden geschoven, voor de minister ‘omwille van het feit dat dit een administratieve uitbreiding zou veroorzaken’; dat, aangezien het de uitgesproken bedoeling van de wetgever is geweest door het Paritair Comité de definitieve scheidsrechterlijke uitspraak te laten doen onder meer te verhinderen dat aan de problematiek een administratieve dimensie zou gegeven worden, bijgevolg niet kan beweerd worden dat wanneer het Paritair Comité alsdan optreedt, het als een administratieve overheid optreedt en het beslechten van een geschil inzake de opstelling of de wijziging van een arbeidsreglement een administratieve rechtshandeling is; dat de Raad van State bijgevolg te dezen niet bevoegd is.” IX-6536-6/8 De Raad van State valt die redenering voor de onderhavige zaak bij. Met het bestreden besluit neemt het paritair comité, in zijn hoedanigheid van scheidsrechter, een beslissing over de wijziging van het arbeidsreglement van de verzoekende partij. Het paritair comité 226 treedt in dat verband blijkens de uitdrukkelijke wil van de wetgever niet op als een administratieve overheid. Zijn beslissingen kunnen niet met een annulatieberoep bij de Raad van State bestreden worden. De omstandigheid dat de verzoekende partij de bevoegdheid van het paritair comité 226 betwist omdat zij ten onrechte bij dat comité wordt ingedeeld, heeft geen weerslag op die conclusie. Ambtshalve stelt de Raad van State vast dat het annulatieberoep, noch de vordering tot schorsing ontvankelijk zijn. BESLISSING
- Het verzoek tot tussenkomst van Erwin De Deyn wordt afgewezen. Het verzoek tot tussenkomst van het Paritair Comité voor de bedienden uit de internationale handel, het vervoer en de logistiek wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij en de verzoeker in tussenkomst worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 250 euro, elk voor de helft. IX-6536-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 25 januari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6536-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.861 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div