id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.862 Vervangt nummer: ECLI:BE:RSCE:2010:ARR.20100125.7 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.20100125.7 Rolnummer: A. 187639/IX-5893 Zaak: Arrest 199862 - Varia (justitie) - 25/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2013-03-28 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-02 08:29 Fiche Arrest nr 199.862 van 25 januari 2010 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 199.862 van 25 januari 2010 in de zaak A. 187.639/IX-5893 In zake : Dennis ROMMEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karel Simaey kantoor houdend te Aartrijke Brugsestraat 48 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te Kortenberg Veldstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 25 maart 2008, strekt tot de nietigverkla- ring overeenkomstig artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, van de beslissing van 25 februari 2008 van de Commissie voor de financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders (hierna: de Commissie), waarbij het verzoek van Dennis Rommel om toekenning van een hoofdhulp niet ontvankelijk wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 186.995 van 13 oktober 2008 zijn de debatten heropend, is aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld en is het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat belast met een verder onderzoek van de zaak, na de ontvangst van het antwoord van het Grondwettelijk Hof. IX-5893-1/6 Bij arrest nr. 137/2009 van 17 september 2009 heeft het Grondwettelijk Hof de gestelde prejudiciële vraag beantwoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Robert Vander Elstraeten heeft een aanvullend verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 januari
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Karel Simaey, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Robert Vander Elstraeten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De feitelijke gegevens van de zaak zijn uiteengezet in het arrest nr. 186.995 van 13 oktober
- IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker roept een enig middel in, afgeleid uit de schending van artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen (hierna: de wet van 1 augustus 1985). Hij voert aan dat de Commissie zijn aanvraag tot het verkrijgen van hoofdhulp onontvankelijk verklaart IX-5893-2/6 op grond dat die aanvraag is ingediend buiten de termijn van drie jaar, te rekenen van het vonnis van 23 juli 2001 waarbij definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering, terwijl dat vonnis op burgerlijk vlak slechts een provisionele vergoeding toekende en nog geen definitieve uitspraak bevatte, zodat de termijn van drie jaar nog niet is beginnen lopen. In de toelichting bij het middel wijst de verzoeker erop dat de datum van de consolidatie van zijn letsels is vastgesteld op 1 november 2004, dit wil zeggen meer dan drie jaar na de datum van de definitieve strafrechtelijke veroorde- ling, en dat pas vanaf dat ogenblik de schade begroot kon worden. Hij voert aan dat het niet de bedoeling van de wetgever geweest kan zijn om het in een dergelijke situatie onmogelijk te maken nog een ontvankelijke aanvraag bij de Commissie in te dienen. De verzoeker vestigt voorts de aandacht op het feit dat hij daarenboven nog eens geconfronteerd wordt met het overlijden van de dader en met de verwerping van de nalatenschap door diens rechtsopvolgers, waardoor hij geen veroordelend vonnis over de burgerlijke belangen kan verkrijgen. Hij voert aan dat de wetgever niet bedoeld kan hebben dat een slachtoffer in een dergelijk geval zou terugvallen op de initiële termijn van drie jaar vanaf de datum van de definitieve strafrechtelijke veroordeling, laat staan dat het slachtoffer dan geen beroep zou kunnen doen op de verjaringstermijn vanaf het veroordelend burgerlijk vonnis dat uitspraak doet over de burgerlijke belangen, in de hypothese dat dit burgerlijk vonnis nog gevorderd zou kunnen worden, wetend dat de burgerlijke vordering niet meer tot een veroordeling kan leiden, gelet op de concrete situatie. Voor zijn stelling dat de verjaringstermijn nog niet is beginnen lopen, verwijst de verzoeker naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 maart 2003 tot wijziging van de wet van 1 augustus
- Daarin is uitdrukkelijk rekening gehouden met de hypothese dat de dader overleden is, zodat tegen hem geen strafvordering op gang gebracht kan worden, en wordt gesteld dat de Commissie in een dergelijk geval de bepaling in verband met de vervaltermijn ruim moet kunnen interpreteren. De verzoeker wijst er ten slotte op dat hij in het voorliggende geval theoretisch nog wel een vonnis over de burgerlijke belangen zou kunnen uitlokken en dat dit vonnis dan, in de zienswijze van de Commissie, een nieuwe termijn zou doen lopen. Het heeft evenwel geen zin om de procedure op burgerlijk vlak voort te zetten en om de verzoeker daarbij te laten opdraaien voor de IX-5893-3/6 gerechtskosten, aangezien het vonnis in het licht van het overlijden van de dader en de verwerping van de nalatenschap door zijn erfgenamen, niet anders dan afwijzend kan zijn.
- De verwerende partij is van oordeel dat de correctionele rechtbank te Brugge in haar vonnis van 23 juli 2001 uitspraak heeft gedaan over de strafvorde- ring en over de burgerlijke belangen en dat de vervaltermijn van drie jaar derhalve een aanvang heeft genomen vanaf dit vonnis, zodat de Commissie verzoekers vraag om hoofdhulp, gedateerd op 22 februari 2007, terecht als onontvankelijk afwijst. Beoordeling
- Met zijn arrest nr. 186.995 van 13 oktober 2008 heeft de Raad van State aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld over de verenigbaar- heid van artikel 31bis, §1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het Grondwettelijk Hof heeft met zijn arrest nr. 137/2009 van 17 september 2009 het volgend antwoord gegeven: “Artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het het slachtoffer van opzettelijke gewelddaden niet toelaat bij de bij die wet opgerichte Commissie een verzoek om financiële hulp in te dienen binnen een termijn van drie jaar vanaf het ogenblik dat het kennis heeft van het overlijden van de dader en van de verwerping van dienst nalatenschap door zijn erfgena- men, terwijl definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering en een provisionele schadevergoeding op burgerlijk vlak is toegekend en terwijl later geen uitspraak is gedaan over de burgerlijke belangen.”
- De Commissie heeft de aanvraag van de verzoeker onontvankelijk verklaard omdat zij niet ingediend was binnen de drie jaar na de uitspraak over de strafvordering en er na het vonnis van de correctionele rechtbank, waarin provisio- neel over de burgerlijke vordering uitspraak gedaan werd, geen uitspraak over de burgerlijke vordering meer gebeurd is. Het Grondwettelijk Hof heeft besloten dat artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 ongrondwettig is waar die bepaling een slachtoffer als de verzoeker niet toelaat bij de Commissie een aanvraag in te dienen binnen de drie jaar na de kennisneming van het overlijden van de dader en van de verwerping IX-5893-4/6 van zijn nalatenschap door de erfgenamen. De Commissie kon zich derhalve niet rechtsgeldig op die bepaling steunen om de aanvraag van de verzoeker te verwerpen. Het middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van 25 februari 2008 van de Commissie voor de financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke geweldda- den en aan occasionele redders, waarbij het verzoek van Dennis Rommel om toekenning van een hoofdhulp niet ontvankelijk wordt verklaard.
- Dit arrest zal in de registers van de Commissie voor financiële hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders worden overgeschreven en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing.
- De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Commissie voor financiële hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 25 januari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter IX-5893-5/6 Vera Wauters André Vandendriessche IX-5893-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.862 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.995 Link JUSTEL: ECLI:BE:COHSAV:2008:DEC.20080225.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div