id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.970 Rolnummer: A. 194118/IX-6535 Zaak: Arrest 199970 - Tucht (openbaar ambt) - 25/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-02 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-07-02 08:29 Fiche Arrest nr 199.970 van 25 januari 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 199.970 van 25 januari 2010 in de zaak A. 194.118/IX-6535 In zake: Eddy MOORS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ludo Vermeulen en Lukas De Graeve kantoor houdend te Herselt Kerkstraat 65 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de NV DE SCHEEPVAART bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kaat Leus en Wendy Depester kantoor houdend te Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 28 september 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de gedelegeerd bestuurder van de NV De Scheepvaart van 30 juli 2009, waarbij aan Eddy Moors de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege met ingang van 1 augustus 2009 definitief wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een verslag opgesteld. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. IX-6535-1/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 december
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ward Van Uytsel, die loco advocaat Lucas De Graeve verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Wendy De Pester, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is tot het bestreden besluit technisch assistent bij de verwerende partij. Op 25 juli 2006 voeren districtshoofd A. Bruyndonckx en F. Schaltin, die medewerker is van de personeelsdienst van de verwerende partij, een observatieopdracht uit, om de geruchten te controleren luidens dewelke de verzoeker tijdens zijn ziekteverlof werkt als zelfstandig klinkerlegger. Het districtshoofd wordt daarbij opgemerkt door de verzoeker, die hem tijdens een handgemeen een vuistslag in het gelaat toebrengt en zijn hemd kapot scheurt. De verzoeker zou het districtshoofd daarbij hebben toegeroepen dat hij hem “kapot” zou maken. Dezelfde dag dient het districtshoofd bij de politie klacht in tegen de verzoeker wegens het opzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen. De verzoeker van zijn kant dient klacht in tegen het districtshoofd wegens stalking. IX-6535-2/16 Op 27 juli 2006 brengt het districtshoofd de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij op de hoogte van het voorval. Het districtshoofd blijft werkonbekwaam tot 31 augustus
- 3.
- Met een brief van 27 juli 2006 stelt het plaatsvervangend districtshoofd de verzoeker in kennis van zijn voorstel om hem te straffen met de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege. Het plaatsvervangend districtshoofd steunt zijn voorstel op de voormelde schermutseling met A. Bruyndonckx, maar ook op het feit dat door verscheidene beëdigde ambtenaren meermaals werd vastgesteld dat de verzoeker tijdens zijn ziekteverlof sedert 10 februari 2006 voor eigen rekening op diverse plaatsen aannemingswerken uitvoerde, dat de ziekteattesten van de verzoeker, niettegenstaande verwittiging van de directie, bijna steeds te laat toekomen, dat de verzoeker voor eigen gebruik stroom aftapt van sluis 5 en er zonder vergunning een container heeft geplaatst en er bovendien restanten van bouwmaterialen zijn gestort in de tuin van het sluiswachtershuis. 3.
- Op 4 september 2006 wordt de verzoeker door het afdelingshoofd exploitatie en het afdelingshoofd administratie van de verwerende partij over dat tuchtvoorstel gehoord. Luidens het proces-verbaal van deze hoorzitting geeft de verzoeker de bedreigingen en de fysieke geweldpleging tegen het districtshoofd toe en betuigt hij zijn spijt over wat is gebeurd. Hij schrijft het voorval toe aan zijn moeilijke privé-situatie. Voorts stelt hij dat niemand kan bewijzen dat hij tijdens zijn ziekteverlof voor eigen rekening aannemingswerken heeft uitgevoerd. Het laattijdig indienen van ziekteattesten is volgens hem te wijten aan vergetelheid ten gevolge van zijn privé-situatie. De overige feiten die hem ten laste worden gelegd, acht hij minder belangrijk en gemakkelijk recht te zetten. 3.
- Op 18 september 2006 legt het afdelingshoofd exploitatie de verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op. Het desbetreffende besluit wordt met een brief van dezelfde datum aan de verzoeker betekend. 3.
- Op 3 oktober 2006 stelt de verzoeker tegen dit besluit beroep in bij de raad van beroep voor de diensten van de Vlaamse overheid. IX-6535-3/16 In zijn beroepschrift voert hij in hoofdorde aan dat het districts- hoofd en hijzelf wederzijds een klacht hebben ingediend, dat beide klachten inmiddels zijn samengevoegd en samen strafrechtelijk zullen worden behandeld. Hij stelt dat de tuchtprocedure dan ook moet worden geschorst totdat er een definitieve strafrechtelijke uitspraak is. In ondergeschikte orde laat hij gelden dat het evenredigheidsbeginsel werd geschonden. Hij betoogt, wat de fysieke geweldple- ging betreft, dat verzachtende omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen, die te maken hebben met het feit dat hij zich achtervolgd voelde en dat zijn kortstondig verlies van controle mede kan worden verklaard door de emotionele druk die hij reeds maanden ondergaat ten gevolge van de zware ziekte van zijn echtgenote. Voorts stelt hij dat niet bewezen is dat hij tijdens zijn ziekteverlof actief was in zijn zelfstandig bijberoep van klinkerlegger. Hij minimaliseert het laattijdig indienen van ziekteattesten. Hij ontkent tevens dat hij stroom zou hebben afgetapt voor privégebruik en hij verklaart dat de container, waarvan sprake, al twee jaar geleden met toestemming van zijn overste werd geplaatst. De verzoeker stelt niet in te zien hoe de hem ten laste gelegde feiten, waarvan noch derden, noch andere personeelsleden getuige waren, het imago van de vennootschap aantasten. Hij wijst ten slotte op zijn “onberispelijke” twintigjarige loopbaan bij de verwerende partij. Op 23 oktober 2006 volgt de raad van beroep in zijn advies, verwijzend naar artikel VIII 20 van het besluit van de Vlaamse regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid (hierna: het Vlaams personeelsstatuut), de stelling van de verzoeker dat de tuchtprocedure tot de definitieve afhandeling van de strafrechtelijk procedure wordt geschorst. 3.
- Met een brief van 10 november 2006 vraagt het afdelingshoofd administratie van de verwerende partij aan de procureur des Konings te Turnhout om op de hoogte te worden gehouden van het gevolg dat aan de klachten van het districtshoofd en de verzoeker zal worden gegeven en van de eventuele evolutie van de strafrechtelijke procedure. Met een brief van 13 mei 2009 deelt de procureur des Konings te Turnhout mee dat hij heeft besloten de strafklachten van de verzoeker en van het districtshoofd te seponeren, omdat de redelijke termijn voor bestraffing is verstreken. Dienvolgens deelt de verwerende partij met een brief van 17 juni 2009 aan de secretaris van de raad van beroep mee dat zij de tuchtprocedure opnieuw aanhangig wenst te maken. IX-6535-4/16 Op 16 juli 2009 adviseert de raad van beroep met vier stemmen tegen drie dat de verzoeker weliswaar een tuchtstraf verdient, maar dat er verzachtende omstandigheden zijn die “een lagere tuchtstraf” wettigen. 3.
- Op 30 juli 2009 heeft de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij nog een gesprek met de verzoeker, waarbij hij van de betrokkene wil vernemen of hij voor zichzelf nog een toekomst ziet bij de NV De Scheepvaart. Luidens het proces-verbaal van dat gesprek “komen geen nieuwe elementen naar boven die een ander licht doen schijnen op de gebeurtenissen en blijkt dat de arbeidsrelatie dusdanig verzuurd is dat een verdere tewerkstelling van [de verzoeker] nefast zou zijn voor beide partijen”. 3.
- Op 30 juli 2009 beslist de gedelegeerd bestuurder de verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen met ingang van 1 augustus
- Het desbetreffende besluit, dat het voorwerp uitmaakt van de voorliggende vordering, vermeldt de volgende overwegingen: “Overwegende dat voornoemd voorstel tot tuchtstraf volgende feiten ten laste legt van de heer Eddy Moors: - bedreigingen en fysieke geweldpleging ten aanzien van het districtshoofd, de heer Alfred Bruyndonckx. Ten gevolge van de geweldpleging was de heer Alfred Bruyndonckx werkonbekwaam van 25 juli 2006 tot en met 31 augustus 2006; - het voor eigen rekening uitvoeren van aannemingswerken tijdens een periode van ziekteverlof; - het laattijdig afleveren van ziekteattesten; - het voor eigen gebruik aftappen van stroom van sluis 5 op het kanaal Bocholt-Herentals; - het plaatsen van een container zonder vergunning aan sluis 5 en het storten van restanten van bouwmaterialen in de tuin van de dienstwoning. Overwegende dat het zwaartepunt van de ten laste gelegde feiten ligt bij de bedreigingen en de fysieke geweldpleging door de heer Eddy Moors ten aanzien van de heer Alfred Bruyndonckx. Dat dergelijke gedragingen onaanvaardbaar zijn en van die aard dat zij de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ verantwoorden; Overwegende dat de heer Eddy Moors zijn gedrag niet wenst te vergoelij- ken maar dat de verzachtende omstandigheden waarvan sprake niet van die aard zijn om een minder zware tuchtstraf te verantwoorden; Overwegende dat de feiten niet alleen het imago van nv De Scheepvaart ernstige schade toebrengen maar dat er ook sprake is van een onherstelbare vertrouwensbreuk met nv De Scheepvaart; IX-6535-5/16 Overwegende dat de heer Eddy Moors meermaals schriftelijk en mondeling werd aangespoord zijn plichten als ambtenaar te respecteren en dat hij in dit verband een aangetekende brief van de gedelegeerd bestuurder Erik Portugaels van 28 april 2006 om zich te verantwoorden niet afhaalde; Overwegende dat de heer Eddy Moors ondanks verwittigingen zijn afwezigheid wegens ziekte meermaals niet tijdig meldde aan zijn hiërarchi- sche chef conform de geldende regelgeving; Overwegende dat de stalking waarvan de heer Eddy Moors spreekt niet aangetoond is; Overwegende dat door verschillende beëdigde ambtenaren op verschillen- de tijdstippen (2 mei 2006, 8 mei 2006 en 31 mei 2006) is vastgesteld dat de heer Eddy Moors voor eigen rekening actief is geweest als zelfstandig klinkerlegger tijdens zijn ziekteverlof; dat dergelijke feiten die een misbruik van ziekteverlof inhouden manifest ontoelaatbaar zijn; Overwegende dat het evenredigheidsbeginsel niet in het gedrang komt, daar er geen sprake is van een onberispelijke staat van dienst van de heer Eddy Moors aangezien aan de heer Eddy Moors in het verleden tweemaal een tuchtstraf is opgelegd. Op 22 december 1992 is er een blaam uitgesproken wegens het niet volgen van de procedure bij afwezigheid door ziekte en het meermaals vroegtijdig verlaten van de werkplek. Op 22 september 1994 is inhouding van 15% op wedde gedurende één maand uitgesproken wegens werkweigering, oncollegiaal gedrag en brutale uitlatingen tegenover de hiërarchische chef; Overwegende dat de heer Eddy Moors gehoord is op 30 juli 2009 door de heer Erik Portugaels, gedelegeerd bestuurder van nv De Scheepvaart; dat uit deze ultieme hoorzitting is gebleken dat er geen enkel nieuw element is dat een verdere tewerkstelling bij nv De Scheepvaart rechtvaardigt, integendeel dat de arbeidsrelaties dusdanig zijn verstoord dat het in dienst blijven van de heer Eddy Moors nefast zou zijn.” Het besluit wordt met een brief van dezelfde datum aan de verzoeker betekend. IV. Onderzoek van de vordering Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. IX-6535-6/16 A. Ernst van de middelen
- Eerste middel Standpunten van de partijen 5.
- De verzoeker voert in het middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van de zorgvuldigheidsplicht. In het eerste onderdeel van het middel laat hij gelden dat de keuze voor de zwaarste tuchtstraf niet wordt gemotiveerd en dat evenmin wordt verantwoord waarom hij niet in aanmerking kwam voor één van de mildere tuchtstraffen waarin is voorzien. In het tweede onderdeel van het middel betoogt de verzoeker dat de overheid niet motiveert waarom zij geen rekening houdt met de door hem aangebrachte verzachtende omstandigheden met betrekking tot de ten laste gelegde bedreigingen en fysieke geweldpleging. In het derde onderdeel van het middel stelt de verzoeker dat de overheid niet motiveert waarom zij geen rekening houdt met zijn verweer dat hij maar een tweetal keren zijn ziekteattest te laat heeft ingediend en steeds tijdig zijn overste telefonisch verwittigde. In het vierde onderdeel van het middel bekritiseert de verzoeker de bewering van de verwerende partij dat hij het imago van NV De Scheepvaart ernstig zou hebben geschaad. Hij betoogt dat de verwerende partij nooit heeft aangegeven hoe dat dan wel gebeurd zou zijn. Het vijfde onderdeel van het middel is ten slotte gericht tegen de tenlasteleggingen dat de verzoeker stroom heeft afgetapt voor eigen gebruik, dat hij aan sluis 5 een container heeft geplaatst zonder vergunning en dat hij restanten van bouwmaterialen heeft gestort in de tuin van zijn dienstwoning. Volgens de verzoeker motiveert de verwerende partij niet waaruit die tenlasteleggingen bestaan, hoe ze worden bewezen en hoe ze kunnen leiden tot het ontslag van ambtswege. IX-6535-7/16 5.
- De verwerende partij antwoordt op het eerste onderdeel van het middel dat niet de zwaarste, maar de op één na zwaarste tuchtstraf wordt opgelegd. Volgens haar blijkt uit het geheel van de motivering waarom voor die sanctie werd gekozen, namelijk omwille van de aard en de eventuele herhaling van de feiten enerzijds en het disciplinaire verleden van de verzoeker, dat de eventuele verzachtende omstandigheid van de twintig jaar onberispelijke dienst minstens ernstig nuanceert, anderzijds. Met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel stelt de verwerende partij dat de verzoeker drie verzachtende omstandigheden aanvoerde, namelijk vooreerst uitlokking door stalking vanwege het districtshoofd, voorts het feit dat de verzoeker onder emotionele druk stond ingevolge de ziekte van zijn echtgenote en, ten slotte, de twintig jaar onberispelijke dienst van de verzoeker. Volgens de verwerende partij blijkt uit de motivering van het bestreden besluit dat deze elementen wel degelijk in de besluitvorming werden betrokken, maar dat ze te licht werden bevonden om het opleggen van een mildere straf te verantwoorden. Ook de beweerde emotionele druk wegens de ziekte van zijn echtgenote kan geen verzachtende omstandigheid zijn, vermits blijkt dat de verzoeker, ook zonder die druk, in 1994 reeds een tuchtstraf kreeg opgelegd wegens een gebrek aan beheersing en verbale geweldpleging. Op het derde onderdeel van het middel antwoordt de verwerende partij dat de verzoeker reeds drie keren te laat was met het indienen van zijn ziekte- attesten en dat het feit dat hij telkens zijn overste telefonisch verwittigde daarvoor geen rechtvaardiging kan vormen. Aangezien de verzoeker zeer goed op de hoogte is van de te volgen procedure, moest de verwerende partij daar in het bestreden besluit niet dieper op ingaan. Ter weerlegging van het vierde onderdeel van het middel betoogt de verwerende partij dat het evident is dat iemand die zich schuldig maakt aan bedreigingen en fysieke geweldpleging tegenover collega’s en/of hiërarchische oversten, het imago van de NV De Scheepvaart schaadt. Zij wijst er voorts op dat er ten minste twee getuigen waren van het voorval van 25 juli
- De verwerende partij stelt dat het desbetreffende motief bovendien kan worden beschouwd als een overtollig motief, nu de ernst van de fysieke geweldpleging, die als tekortkoming het zwaarst weegt, op zich al volstaat om het ontslag van ambtswege te verantwoor- den en, zo mogelijk, nog wordt verzwaard door de antecedenten die hebben geleid IX-6535-8/16 tot de tuchtmaatregel in
- De verwerende partij wijst erop dat de kritiek op een overtollig motief niet tot nietigverklaring kan leiden. Op het vijfde onderdeel van het middel antwoordt de verwerende partij ten slotte dat het volstaat dat het geheel van de feiten de opgelegde tuchtstraf verantwoordt en dat het niet nodig is dat elk van de ten laste gelegde feiten op zich die straf verantwoordt. Maar zelfs indien de laatste vier ten laste gelegde feiten niet zouden hebben plaatsgevonden of onjuist zouden zijn, dan nog blijkt volgens de verwerende partij uit het bestreden besluit dat het eerste ten laste gelegde feit op zich voldoende zwaarwichtig is om het ontslag van ambtswege te verantwoorden. Beoordeling 5.
- De verwerende partij moet worden bijgevallen in haar standpunt dat uit het bestreden besluit blijkt dat volgens de tuchtoverheid het eerste ten laste gelegde tuchtfeit op zich reeds volstond om het ontslag van ambtswege te verantwoorden en dat bijgevolg de andere ten laste gelegde tuchtfeiten niet doorslaggevend zijn geweest. De kritiek van de verzoeker die betrekking heeft op deze andere tuchtfeiten, betreft dan ook kritiek op overtollige motieven, die zelfs indien hij gegrond zou zijn geen reden kan vormen voor de nietigverklaring van het bestreden besluit. Om die reden zijn het derde en vijfde onderdeel van het middel niet ernstig. Met betrekking tot het eerste ten laste gelegde tuchtfeit, namelijk de bedreigingen en de fysieke geweldpleging tegenover het districtshoofd, overweegt het bestreden besluit dat dergelijke gedragingen onaanvaardbaar zijn en het ontslag van ambtswege verantwoorden, dat de door de verzoeker aangevoerde verzachtende omstandigheden niet van aard zijn om een minder zware tuchtstraf te verantwoorden, dat de desbetreffende feiten niet alleen het imago van de NV De Scheepvaart ernstig schade toebrengen maar tevens een onherstelbare vertrouwens- breuk met de dienst veroorzaken, dat de stalking waarover de verzoeker spreekt niet is aangetoond en dat de tuchtstraf niet onevenredig is nu er geen sprake is van een onberispelijke staat van dienst van de verzoeker, die vroeger reeds tweemaal een tuchtstraf opgelegd heeft gekregen, waaronder een wedde-inhouding uitgesproken in 1994 wegens werkweigering, oncollegiaal gedrag en brutale uitlatingen tegenover de hiërarchische chef. IX-6535-9/16 Aldus wordt op het eerste gezicht afdoende gemotiveerd waarom de tuchtoverheid oordeelde dat de door de verzoeker aangevoerde verzachtende omstandigheden niet moesten leiden tot een mildere straf. Het lijkt weinig betwistbaar dat het toebrengen van slagen en verwondingen aan een meerdere een zeer ernstig tuchtfeit vormt dat op zich het beëindigen van de arbeidsverhouding kan verantwoorden, omdat het een onherstelbare vertrouwensbreuk veroorzaakt. Daarbij wordt bijkomend aangegeven waarom er geen verzachtende omstandigheden worden aanvaard: er is geen uitlokking door stalking bewezen en er is geen sprake van een onberispelijke staat van dienst, maar integendeel werd de verzoeker voorheen reeds gestraft, onder meer wegens oncollegiaal gedrag en brutale uitlatingen tegenover een meerdere. Het feit dat op het eerste gezicht niet valt in te zien hoe de bestrafte feiten het imago van de nv De Scheepvaart zouden hebben geschaad, nu niet blijkt dat derden van die feiten op de hoogte waren, is niet dienstig, vermits het geen afbreuk doet aan de andere hiervoor vermelde redenen op grond waarvan geen verzachtende omstandigheden werden aanvaard. Het eerste, tweede en vierde onderdeel van het middel zijn derhalve evenmin ernstig.
- Tweede middel Standpunten van de partijen 6.
- De verzoeker voert in het middel de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij betoogt dat het bestreden besluit de genoemde beginselen schendt doordat de feiten die aan de grondslag van de opgelegde tuchtstraf liggen, dateren van 25 juli 2006 en dus van meer dan drie jaar vóór het bestreden besluit, zodat ze niet binnen een redelijke termijn werden bestraft, terwijl er geen specifieke of concrete redenen zijn die deze laattijdigheid kunnen verantwoorden. 6.
- De verwerende partij wijst vooreerst op artikel VIII 20 van het Vlaams personeelsstatuut, luidens hetwelk de strafvordering de tuchtprocedure en de tuchtuitspraak schorst. Deze bepaling is volgens haar een waarborg, zowel voor de vervolgde ambtenaar als voor het bestuur, dat niet ten onrechte tuchtrechtelijk IX-6535-10/16 wordt opgetreden. Bijgevolg diende de tuchtoverheid te dezen het verdict van de strafrechter af te wachten. De verwerende partij zet voorts uiteen dat het tuchtvoorstel tegen de verzoeker dateert van 27 juli 2006, dit is twee dagen nadat de feiten tegenover het districtshoofd werden gepleegd, dat de verzoeker op 4 september 2006 werd gehoord en dat hem op 18 september 2006 de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege werd opgelegd, dat de verzoeker daartegen op 3 oktober 2006 beroep instelde bij de raad van beroep waarbij hij zelf in hoofdorde aanvoerde dat de tuchtprocedure moest worden geschorst tot er een definitieve uitspraak was over de strafrechtelijke procedure, dat hij daarin door de raad van beroep werd bijgevallen, dat de verwerende partij ingevolge dat advies op 10 november 2006 aan de procureur des Konings heeft gevraagd om op de hoogte te worden gehouden van het gevolg dat zou worden gegeven aan de strafklachten, dat de procureur pas op 13 mei 2009 meedeelde dat de zaak werd geseponeerd, dat zij na op 28 mei 2009 daarvan op de hoogte te zijn gebracht door de raadsman van het districtshoofd, op 17 juni 2009 aan de raad van beroep heeft gevraagd de tuchtprocedure voort te zetten, dat deze raad de zaak behandelde op 16 juli 2009 en dat het bestreden besluit werd genomen op 30 juli
- Zij besluit dat de verzoeker volledig voorbijgaat aan het voorschrift van artikel VIII 20 van het Vlaams personeelsstatuut, alsook aan zijn eigen verzoek van 3 oktober 2006 om de tuchtprocedure te schorsen tot aan een definitieve uitspraak over de strafrechtelijke procedure. Zij benadrukt dat zij ingevolge artikel VIII 20 van het Vlaams personeelsstatuut niet anders kon dan de tuchtprocedure te schorsen. Zij stelt dat zij op geen enkel ogenblik de tuchtprocedure heeft vertraagd, maar integendeel deze op een diligente en zorgvuldige wijze heeft opgevolgd, en dat zij als een pro-actief en zorgvuldig bestuur heeft geïnformeerd bij het parket naar het verloop van en de vooruitgang in de strafprocedure. Zij mag dan ook niet verantwoordelijk worden gesteld voor de vertraging die het strafonderzoek met zich heeft gebracht. Beoordeling 6.
- Artikel VIII 20 van het Vlaams personeelsstatuut bepaalt dat de strafvordering de tuchtprocedure en de tuchtuitspraak schorst. IX-6535-11/16 Ingevolge deze reglementaire bepaling was de verwerende partij ertoe gehouden de tuchtprocedure te schorsen totdat er een definitieve uitspraak was over de strafrechtelijke procedure. Uit de door de verwerende partij uiteengezette chronologie van het verloop van de tuchtprocedure lijkt te moeten worden afgeleid dat deze op een diligente wijze is gevoerd en dat de reden waarom er drie jaren zijn verlopen tussen het vastellen van de feiten en de tuchtrechtelijke bestraffing ervan, gelegen is in het feit dat de verwerende partij door artikel VIII 20 van het Vlaams personeelsstatuut verplicht was om de tuchtprocedure op te schorten tot er een definitieve uitspraak was over de strafrechtelijke procedure. Overigens heeft de verzoeker voor de raad van beroep zelf laten gelden dat de tuchtprocedure diende te worden geschorst. Toen de verwerende partij van de einduitspraak over de strafrechtelijke procedure, namelijk de beslissing van het parket tot seponering van de strafklachten, op de hoogte was gebracht op 28 mei 2009, heeft zij onmiddellijk de tuchtprocedure voortgezet en is deze op twee maanden afgewerkt, wat niet als een onredelijke termijn kan worden beschouwd. Er kan voor het bepalen van de redelijkheid van de termijn geen rekening worden gehouden met de periode dat de tuchtprocedure noodzakelijkerwijze stil heeft gelegen ingevolge de behandeling van de strafrechte- lijke procedure. Het middel is niet ernstig.
- Derde middel Standpunten van de partijen 7.
- De verzoeker voert in het middel de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. Volgens de verzoeker worden de hem verweten tekortko- mingen “opgeblazen” en wordt er geen rekening gehouden met de talloze elementen in het dossier die in zijn voordeel spelen. Hij betoogt dat de feiten die hij tegenover het districtshoofd heeft gepleegd het gevolg waren van een moment van controleverlies, dat moet worden toegeschreven aan het feit dat het districtshoofd hem stalkte en hij reeds maanden onder zware emotionele druk stond, omdat hij dag en nacht bijstand verleende aan zijn zieke echtgenote. Hij benadrukt voorts dat hij tijdens zijn ziekteverlof geen IX-6535-12/16 activiteiten als klinkerlegger heeft uitgeoefend, dat het tweemaal laattijdig indienen van een ziekteattest op geen enkele manier zijn ontslag van ambtswege kan verantwoorden, temeer daar hij telkens zijn overste tijdig telefonisch verwittigde, dat hij nooit voor eigen gebruik stroom heeft afgetapt, dat de container waarvan sprake er reeds twee jaar stond, met toestemming van zijn overste, zodat dat feit niet in aanmerking kon worden genomen voor de tuchtvordering, dat al te gemakkelijk werd voorbijgegaan aan het advies van de raad van beroep evenals aan de beslissing tot seponering van het parket en dat hij een onberispelijke loopbaan heeft van twintig jaar bij de NV De Scheepvaart. 7.
- De verwerende partij herinnert er vooreerst aan dat de Raad van State zich bij de beoordeling van de tuchtstraf niet in de plaats mag stellen van de tuchtoverheid, die terzake over een discretionaire bevoegdheid beschikt. Hij mag alleen een marginale controle uitoefenen op de evenredigheid van de strafmaat, wat inhoudt dat hij moet nagaan of de opgelegde tuchtstraf niet buiten elke redelijke verhouding staat tot de feiten. Voorts stelt zij dat wordt aangenomen dat onder meer ernstige inbreuken op de verplichting tot arbeiden of op de gezagsuitoefening (zoals het onbeschoft en brutaal bejegenen van een hiërarchische meerdere) en het overtreden van elementaire regels van welvoeglijkheid (zoals gewelddaden) in aanmerking komen om te worden gesanctioneerd met ontslag, hetzij wegens dringende reden, hetzij bij tuchtmaatregel. Volgens de verwerende partij is de ernst van de feiten doorslagge- vend bij het bepalen van de strafmaat, maar moet de tuchtoverheid evenwel ook rekening houden met verzachtende of verzwarende omstandigheden, zoals het al of niet bestaan van tuchtrechtelijke antecedenten. Een jarenlange onberispelijke staat van dienst moet in aanmerking worden genomen als een verzachtende omstandig- heid, ook al is het zo dat zelfs een vlekkeloos tuchtverleden op zich niet steeds volstaat om het onredelijke karakter van een tuchtstraf aan te tonen. Eerder opgelopen tuchtstraffen kunnen dan weer een verzwarende omstandigheid uitmaken, evenals de omstandigheid dat de feiten repetitief zijn. De verwerende partij betoogt dat te dezen de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege werd opgelegd voor verschillende feiten waarvan het eerste al voldoende was om de straf te verantwoorden. Voorts werd rekening gehouden met verzachtende omstandigheden, maar moest ook rekening worden gehouden met IX-6535-13/16 een aantal gegevens die deze verzachtende omstandigheden sterk nuanceerden of zelfs helemaal teniet deden, zoals het tuchtrechtelijke verleden van de verzoeker die voorheen reeds was gestraft voor gelijkaardige feiten, de verschillende verwittiging- en die de verzoeker reeds had gekregen om zijn plichten als ambtenaar na te komen, het feit dat het slachtoffer meer dan een maand arbeidsongeschikt was, het feit dat het eerste ten laste gelegde tuchtfeit een misdrijf betrof, enz. Volgens de verwerende partij stond het vast dat de feiten niet alleen het imago van de NV De Scheepvaart ernstige schade toebrachten, maar ook een onherstelbare vertrouwensbreuk teweegbrachten en de arbeidsrelaties dermate verstoorden dat het in dienst blijven van de verzoeker nefast zou zijn. Om die reden, zo stelt zij, heeft zij ervoor geopteerd een tuchtstraf op te leggen die de verzoeker permanent zou verwijderen uit de dienst, zodat er slechts twee mogelijkheden waren, namelijk de afzetting en het ontslag van ambtswege. Zij heeft daarbij gekozen voor de minst ingrijpende van de twee. Beoordeling 7.
- Over de verhouding tussen de tuchtfeiten en de tuchtstraf wordt door de tuchtoverheid discretionair geoordeeld. Het redelijkheidsbeginsel begrenst die discretionaire bevoegdheid enkel doordat het niet duldt dat een tuchtstraf in kennelijke wanverhouding staat tot de tuchtfeiten. De Raad van State mag zich bij het beoordelen van de evenredig- heid van een tuchtstraf niet in de plaats stellen van de tuchtoverheid. Hij beschikt te dezen slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid, wat betekent dat hij enkel een straf die volkomen in wanverhouding staat tot de bewezen feiten, als onwettig kan kwalificeren, dit wil zeggen een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die feiten zou opleggen. 7.
- Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat de tuchtoverheid het zwaarst tilt aan de bedreigingen en het fysieke geweld van de verzoeker tegenover zijn hiërarchische chef. De tuchtoverheid stelt dienaangaande dat deze feiten van aard zijn het ontslag van ambtswege te verantwoorden. Dit betekent dat volgens de tuchtoverheid de overige feiten slechts redenen ten overvloede zijn, zodat het onderzoek van het middel kan worden beperkt tot een toetsing van de evenredigheid van de opgelegde tuchtstraf van het ontslag van ambtswege met het genoemde doorslaggevende tuchtfeit. IX-6535-14/16 De beoordeling van de door de verzoeker aangevoerde verzachtende omstandigheden door de tuchtoverheid komt uit het bestreden besluit als volgt naar voor: de aangevoerde omstandigheden zijn niet van aard een minder zware tuchtstraf te verantwoorden, omdat het doorslaggevende tuchtfeit niet alleen het imago van de NV De Scheepvaart ernstige schade toebrengt maar tevens een onherstelbare vertrouwensbreuk veroorzaakt tussen de verzoeker en zijn werkgever; de stalking van de verzoeker door het districtshoofd is niet aangetoond en er is geen sprake van een onberispelijke staat van dienst van de verzoeker, aangezien hij reeds twee tuchtstraffen heeft opgelopen, waarvan één wegens oncollegiaal gedrag en brutale uitlatingen tegenover de hiërarchische chef. Het is duidelijk dat de aantasting van de fysieke integriteit van de hiërarchische chef door de verzoeker een zeer ernstig tuchtvergrijp uitmaakt en dat het niet kennelijk onredelijk kan worden geacht dat een dergelijk tuchtfeit een vertrouwensbreuk veroorzaakt die de overheid ertoe brengt een einde te stellen aan de arbeidsrelatie met haar werknemer. De verzoeker stelt dat zijn gedrag kan worden verklaard door de emotionele stress waaronder hij stond ingevolge de ziekte van zijn echtgenote en door het feit dat hij zich gestalkt voelde, maar hij blijkt wel vroeger reeds gestraft te zijn geweest wegens brutale uitlatingen tegenover zijn hiërarchische chef, zodat niet kan worden aangenomen dat zijn agressief gedrag louter het gevolg zou zijn van de aangevoerde stressomstandigheden. Meteen is ook duidelijk dat de verzoeker zich ten onrechte beroept op een twintigjarige onberispelijke loopbaan. De omstandigheid dat het parket besliste om de strafklacht van de hiërarchische chef te seponeren, is geenszins een element waarmee de verweren- de partij rekening moest houden, nu deze beslissing er niet is gekomen op grond van een beoordeling van de ernst van de feiten, maar wel op grond dat de redelijke termijn voor bestraffing was verstreken. Weliswaar adviseerde de raad van beroep dat de aangevoerde verzachtende omstandigheden een lagere tuchtstraf wettigden, maar dit advies werd uitgebracht met vier stemmen tegen drie, zodat uit dat advies slechts kan worden afgeleid dat de opgelegde tuchtstraf zich niet evident opdrong, maar niet dat ze zich evident niét opdrong. Op het eerste gezicht zijn de verzachtende omstandigheden die de verzoeker aanvoerde, niet van aard dat zou moeten worden besloten dat een in IX-6535-15/16 redelijkheid oordelende overheid er niet zou kunnen toe komen het eerste ten laste gelegde tuchtfeit met de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege te bestraffen. Het middel is niet ernstig. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 25 januari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit : André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier, De voorzitter, Wim Geurts André Vandendriessche IX-6535-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.970 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.497 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.