id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.006 Rolnummer: A. 162181/IX-4878 Zaak: Arrest 200006 - Beroepsordes en gereglementeerde beroepen - 25/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-04 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 08:30 Fiche Arrest nr 200.006 van 25 januari 2010 Economische zaken - Beroepsordes en gereglementeerde beroepen Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 200.006 van 25 januari 2010 in de zaak A. 162.181/IX-
- In zake : Eric MARTENS, wonende te AALTER, Kleitestraat 6 tegen :
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Zelfstandigen,
- de Federale Raad van Beroep van Landmeters-Experten, die woonplaats kiezen bij advocaat J-F DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Waterloosesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Eric MARTENS op 2 mei 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 10 februari 2005 van de Federale Raad van Beroep van de Landmeters-Experten waarbij zijn inschrijving op het tableau van de landmeters-experten wordt geweigerd; Gezien de memorie van antwoord en de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de verzoekende partij op 8 juni 2009; Gezien de laatste memorie van de verwerende partijen; Gelet op de kennisgeving door de hoofdgriffier, op 28 augustus 2009, van de mededeling bedoeld in artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; IX-4878-1/3 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT:
- Naar luid van artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag. In het auditoraatsverslag is te dezen de onontvankelijkheid van het beroep voorgesteld. De verzoekende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De hoofdgriffier heeft de verzoekende partij medegedeeld, met toepassing van artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de kamer de afstand van het geding zou uitspreken, tenzij de verzoekende partij binnen een termijn van vijftien dagen zou vragen om te worden gehoord. De verzoekende partij heeft niet gevraagd om te worden gehoord. Het vermoeden van afstand van geding is te dezen van toepassing.
- Met een brief van 27 augustus 2009 aan de griffie van de Raad van State deelt de verzoekende partij mede dat zij zich “ondertussen [heeft] bijgeschoold waardoor [zij] een wettig diploma behaalde, dat werd vermeld in de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter- expert”, dat zij “op 27 april 2006 werd ingeschreven op het tableau van de landmeters-experten wat een nieuw feitelijk element was voor de oplossing van de zaak”, en dat zij om die reden geen belang meer had bij haar beroep, zodat zij niet heeft geantwoord op de brieven van de auditeur-verslaggever. IX-4878-2/3 De verzoekende partij stelt niet akkoord te gaan met de vraag van de verwerende partij in haar laatste memorie om de kosten ten haren laste te leggen, aangezien zij op het ogenblik van de bestreden beslissing wel degelijk belang had bij haar beroep en “het extra behalen van een erkend en wettig diploma [haar] veel tijd, onkosten en inspanningen [heeft] gekost”.
- De door de verzoekende partij aangevoerde omstandigheden doen evenwel geen afbreuk aan de vaststelling dat zij na een voor haar ongunstig auditoraatsverslag niet binnen de voorgeschreven termijn om een voortzetting van de rechtspleging heeft verzocht, waardoor, zoals hiervóór gesteld, een vermoeden van afstand van geding geldt. Evenmin kunnen ze verantwoorden dat de kosten van het beroep niet ten laste van de verzoekende partij zouden worden gelegd. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
- De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 25 januari 2010, door : de HH. B. THYS, staatsraad, wnd kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. B. THYS. IX-4878-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.006 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.