← België

Arrêt / Arrest 200073 - Fonction publique fédérale - Recrutement et carrière / Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 26/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.073 Rolnummer: A. 168661/V-1722 Zaak: Arrêt / Arrest 200073 - Fonction publique fédérale - Recrutement et carrière / Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 26/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-01 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-07-02 08:30 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 200.073 van 26 januari 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK nr. 200.073 van 26 januari 2010 A. 168.661/V-1722 In zake: GAZAN Freddy, die woonplaats kiest bij de Federale Overheidsdienst Justitie Hallepoortlaan 5 1060 Brussel, tegen: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, die woonplaats kiest bij Mr. Philippe LEVERT, advocaat, Louizalaan 149/22 1050 Brussel. Tussenkomende partij: VERREZEN Wilfried, die woonplaats kiest bij het Belgisch Staatsblad Leuvenseweg 40-42 1000 Brussel. ------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, Gezien het op 16 december 2005 ingediende verzoekschrift, waarbij Freddy GAZAN de nietigverklaring vordert van de ministeriële besluiten van 21 september 2005 waarbij Pierre BAUDEWYN, Marie-Françoise BERRENDORF, Catherine VAN MELDEREN, Sylviane FRIART, Geert DE RYCK, Wilfried VERREZEN en Robin LIBERT met ingang van 1 november 2004 bevorderd worden tot adviseur 13B bij het centraal bestuur van de Federale Overheidsdienst Justitie; Gezien het op 24 mei 2006 ingediende verzoekschrift, waarbij Wilfried VERREZEN vraagt als tussenkomende partij te mogen optreden; V -1722n - 1/17 Gelet op de beschikking van 29 juni 2006 waarbij die tussenkomst wordt toegestaan; Gezien de regelmatig uitgewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van tussenkomst; Gezien het verslag van Mevr. BEECKMAN de CRAYLOO, eerste auditeur bij de Raad van State, opgemaakt op grond van artikel 12 van de algemene procedureregeling; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 16 november 2009, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij wordt bepaald dat de zaak voorkomt op de terechtzitting van 15 december 2009 om 10 uur; Gehoord het verslag van de Heer ANDERSEN, eerste voorzitter van de Raad van State; Gehoord de opmerkingen van verzoeker en van Mr. Ph. LEVERT, advocaat, die voor de verwerende partij verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van Mevr. BEECKMAN de CRAYLOO, eerste auditeur; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; UITEENZETTING VAN DE FEITEN Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat:

  1. Bij een dienstnota van 2 september 2004 is ter kennis van het personeel gebracht dat bij de centrale diensten zeven vacante betrekkingen van adviseur, weddeschaal 13B, per 1 november 2004 te vervullen zijn via bevordering door V -1722n - 2/17 verhoging in weddeschaal, in welke betrekking bevorderd kunnen worden de adviseurs weddeschaal 13A met drie jaar graadanciënniteit in rang
  2. Op 27 oktober 2004 heeft het directiecomité de 25 ontvankelijke sollicitaties onderzocht. In de notulen van de vergadering staat inzonderheid het volgende te lezen: "
  3. Weging van de evaluatiecriteria De Raad brengt de evaluatiecriteria in herinnering: De adviseur, weddeschaal 13 B, onderscheidt zich van zijn collega's adviseur omdat hij/zij: • een erkende expertise heeft inzake verschillende uiteenlopende activiteiten • creatieve en innovatieve ideeën aanbrengt binnen een complexe kennisomgeving • zijn/haar ideeën kan concretiseren in lijn met de strategische en operationele objectieven van het managementplan • één of meerdere teams kan dynamiseren • als een autoriteit in zijn expertisedomein wordt erkend door de medewerkers en de hiërarchische meerderen. De inhoud van de presentaties van de kandidaten zal vergeleken worden met bovengenoemde criteria. Alle criteria zijn gelijkwaardig. Zij moeten echter tezamen genomen worden om een duidelijk beeld van de waarde van de kandidaat te krijgen.
  4. Voorstelling van de kandidaten De voorzitter verzoekt de heer DASSEN, administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat, mevrouw REYNDERS, adviseur-generaal van de Dienst voor het Strafrechtelijk Beleid, mevrouw LAUWERS, directeur-generaal in opdracht bij het Belgisch Staatsblad, en mevrouw DELESIE, voorzitter, de voorstelling van alle kandidaten bij te wonen. [...] De heer Freddy GAZAN Leeftijd: 50 jaar Diploma: baccalaureaat in de familiale en seksuologische wetenschappen Licentiaat in de rechten (met aggregaat) Licentiaat in de bestuurswetenschappen Licentiaat in de criminologie De heer F. GAZAN is in dienst getreden als bestuurssecretaris (stagiair) bij de Algemene Diensten op 1 maart
  5. Hij heeft meer dan tien jaar op het kabinet van de secretaris-generaal gewerkt. Op 1 november 1995 wordt hij bevorderd tot juridisch adviseur (rang 13) bij het Bestuur Wetgeving. Hij is aangewezen als adjunct-adviseur-generaal voor het Strafrechtelijk Beleid (koninklijk besluit van 16 februari 2000). De evaluatie die volgt is hierop grotendeels gebaseerd. V -1722n - 3/17 Zijn expertise in een aantal domeinen die o.a. blijkt uit de verschillende diploma's die hij heeft behaald (licentiaat in de rechten, in de criminologie, in de administratieve wetenschappen en aanvullende universitaire diploma's in de familiale en seksuologische wetenschappen, in gerechtelijke expertise), releveert tevens zijn brede interesse in juridische en aanverwante onderwerpen. Meer bepaald inzake de strijd tegen de mensenhandel, wordt de expertise die hij samen met de cel mensenhandel van de Dienst voor het Strafrechtelijk beleid opbouwde, erkend. Hij zit het Centre d'Information et d'analyse sur la Traite et le Trafic d'Etres Humains (CIATTEH) voor. Hij werd regelmatig als expert inzake de strijd tegen mensenhandel afgevaardigd bij de Raad van Europa en de Verenigde Naties. Het koninklijk besluit waarmee de heer GAZAN als adjunct-adviseur- generaal wordt aangewezen, vermeldt trouwens expliciet de aanwezigheid van deze expertise. In hoofde van zijn huidige functie vormt hij samen met de adviseur-generaal de directie van de Dienst die onder meer verantwoordelijk is voor het aansturen van de verschillende cellen. Ook in het kader daarvan volgt hij momenteel een managementopleiding aan het SOLVAY Instituut. Inzake creatief en innovatief werk kan zeker worden gewezen op het feit dat verscheidene wettelijke bepalingen direct of indirect werden opgesteld op basis van concepten die hij heeft ontwikkeld bij voorbeeld in verband met de wet van 13 april 1995 inzake seksueel misbruik van minderjarigen en de wet van 28 november 2000 inzake de strafrechterlijke bescherming van minderjarigen. De dienst voor het Strafrechtelijk beleid zelf opereert trouwens in een multi-en interdisciplinaire kennisomgeving. Hij is de auteur van een ontwerp van managementplan dat bruikbaar is om bepaalde onderdelen ervan in te schrijven in het managementplan van de adviseur-generaal voor het Strafrechtelijk beleid met de bedoeling dit plan zo coherent mogelijk te maken met dit van de voorzitter, uiteraard rekening houdend met de eigen doelstellingen van de Dienst. Er wordt echter gewag gemaakt van persoonlijke initiatieven die door betrokkene ondernomen werden die, bij nadere analyse, niet bleken het Belgisch standpunt te vertolken. Deze vaststelling houdt verband met de beoordeling van de huidige bekwaamheid van betrokkene om zijn persoonlijke creativiteit te integreren in het kader van een gezamenlijk beheerd project onder de beleidsverantwoordelijkheid van het departement. [...]
  6. Vergelijking van de kandidaten en aanwijzing van de kandidaten voor de rangschikking De heer DASSEN, mevrouw LAUWERS, REYNDERS, DELESIE verlaten het directiecomité vooraleer de deliberaties beginnen. Op basis van bovengenoemde individuele presentaties en evaluaties worden door de leden van het directiecomité hieruit volgende evaluaties en vergelijkingen gemaakt. Alle kandidaturen zijn technisch aanvaardbaar qua motivatie die de kandidaten zelf aanbrengen. De motivatie zelf aangegeven door DEMOL, DE RAEVE, VAN WOUWE, LIESSENS, VERREZEN, LIBERT, VERHOEVEN, REDANT is echter significant V -1722n - 4/17 beter dan deze van BEECKMANS, LEROY, DE LEEBEECK, GAZAN, DELLA FAILLE, die weinig elementen aanbrachten om hun prestaties als 13A te situeren naar de evaluatiecriteria van rang 13B toe. De vergelijking van alle kandidaten ten aanzien van de criteria voor de bevordering tot rang 13B op basis van de presentatie van de kandidaat alsmede de argumenten verwerkt in hun kandidatuurstelling levert volgend resultaat op: • BAUDEWYN, DE RYCK, LIBERT, VERREZEN, MATTHYS, BERRENDORF, VAN WOUWE, VAN MELDEREN, BRUYNINCKX, FRIART, LATHOUWERS, VERHOEVEN en GHEUDE hebben een bredere expertise over verschillende domeinen dan de heer BEECKMANS, DE LEEBEECK, DELLA FAILLE, DEMOL, REDANT, LOMBART, LIESSENS, GILLARD, LIEKENS, wier expertise beperkt is tot een kleiner aantal domeinen. • BAUDEWYN, BERRENDORF, DE RYCK, FRIART, LATHOUWERS, LIBERT, REDANT, MATTHYS, VAN MELDEREN, VERHOEVEN, VAN WOUWE, VERREZEN, LOMBART, DEMOL, GILLARD hebben meer creatieve en innovatieve ideeën aangebracht in een complexe kennisomgeving dan BEECKMANS, BRUYNINCKX, DE LEEBEECK, DELLA FAILLE, DE RAEVE, GHEUDE, LEROY, LIEKENS. • BAUDEWYN, BERRENDORF, DE RYCK, LATHOUWERS, LIBERT, VAN MELDEREN, MATTHYS, VERHOEVEN en VERREZEN hebben een meer substantiële bijdrage geleverd om hun ideeën te concretiseren in lijn met het management- en operationeel plan dan BRUYNINCKX, LOMBART, LEROY, DE RAEVE, DE LEEBEECK, GHEUDE, DELLA FAILLE, LIESSENS, GILLARD, LIEKENS, REDANT. • MATTHYS, VAN WOUWE, FRIART, BAUDEWYN, LATHOUWERS, VERREZEN, LIBERT, DE RYCK, VERHOEVEN, hebben reeds beter bewezen 1 of meer teams te kunnen dynamiseren dan DEMOL, BEECKMANS, LOMBART, LEROY, GAZAN, GILLARD, LIEKENS, REDANT. • BEECKMANS, DEMOL, MATTHYS, GAZAN, LIESSENS, FRIART, LATHOUWERS, BERRENDORF, VERREZEN, LIBERT, DE RYCK, VERHOEVEN, REDANT, LIESSENS, worden duidelijker als een autoriteit erkend in hun expertisedomeinen door hun medewerkers en hiërarchische meerderen dan LOMBART, LEROY, GHEUDE, DELLA FAILLE, GILLARD, LIEKENS. Het betreft allen goede kandidaten, waarvan een aantal toch minder hebben gepresteerd dan de andere kandidaten, met name: • Mevrouw LEROY is er niet in geslaagd om in de dienst Opleiding voor de rechterlijke Organisatie een coherent beleid uit te voeren tezamen met de Hoge Raad van Justitie. • Mevrouw LIEKENS is er niet in geslaagd om, in de moeilijke omstandigheden waarin zij moest functioneren (personeelsgebrek, budgetgebrek, ...) prioriteiten te leggen zodat haar hiërarchische oversten moesten ingrijpen om deze vast te leggen. • De heer DE RAEVE heeft een sterke expertise in zijn domein maar kon die de laatste jaren niet ten volle rentabiliseren. Het directiecomité beaamt dat de heer VAN WOUWE tevoren een groot deel van de taken van de heer BAUDEWYN heeft uitgevoerd tot ieders voldoening. Omdat hij sinds 01-01-2004 het departement heeft verlaten met een opdracht bij de V -1722n - 5/17 Commissie voor de bescherming van de private levenssfeer was het directiecomité niet in staat zijn functioneren te beoordelen tijdens het voorbije werkjaar. Het directiecomité stelt vast dat heel wat kandidaten het potentieel hebben om door te groeien naar rang 13B. Sommigen hebben beter dan sommige anderen daartoe reeds een duidelijke aanzet gegeven maar zijn toch nog minder sterk dan de sterkere kandidaten. Deze middengroep bestaat uit LOMBART, DEMOL, GAZAN, GHEUDE, LIESSENS en REDANT. Na de onderlinge vergelijking te hebben gemaakt van vele kandidaturen gaat het directiecomité over tot de geheime stemming. Elk lid van het directiecomité kruist de kandidaten aan die weerhouden kunnen worden voor het klassement. Elke kandidaat die 4, 5, 6 of 7 keer werd aangekruist door de leden van het directiecomité wordt weerhouden. De andere kandidaten die minder dan 4 maal werden aangekruist, worden niet in de verdere vergelijking opgenomen en worden alfabetisch gerangschikt. De kandidaten met 4 of meer stemmen zijn: BAUDEWYN P. BERRENDORF M.-F. BRUYNINCKX J. DE RYCK G. FRIART S. LATHOUWERS J. LIBERT R. MATTHYS J. VAN MELDEREN C. VERHOEVEN PH. VERREZEN W. Zij worden opgenomen in de rangschikking. De kandidaten die geen 4 stemmen haalden zijn: BEECKMANS DE WEST-MEERBEECK TH. DE LEEBEECK L. DELLA FAILLE M.-T. DEMOL L. DE RAEVE J. GAZAN F. GHEUDE D. GILLARD CL. LEROY F. LIEKENS P. LIESSENS M. LOMBART CL. REDANT N. VAN WOUWE P. Zij worden niet meer opgenomen in de verdere vergelijking.
  7. Rangschikking van de kandidaten Alvorens over te gaan tot de rangschikking van de kandidaten, vergelijkt het directiecomité nogmaals de kwalificaties en verdiensten van de voorgestelde kandidaten op basis van hun voorstelling en evaluatie. V -1722n - 6/17 Zij voldoen allen aan de criteria die zijn vooropgesteld. Hun onderlinge vergelijking van de 5 criteria laat soms enig verschil merken. BAUDEWYN, VERREZEN, LIBERT, VERHOEVEN, BERRENDORF, VAN MELDEREN en MATTHYS hebben een duidelijker erkende expertise in verschillende uiteenlopende activiteiten dan de anderen. Zij hebben bredere expertisedomeinen met meer medewerkers onder hun verantwoordelijkheid. MATTHYS, LIBERT, BAUDEWYN en DE RYCK hebben de facto en/of de iure reeds hogere functies vervuld hetzij als taaladjunct hetzij als dienstdoend adviseur- generaal. Hun uiteenlopende activiteiten zowel binnen hun activiteitsdomein als hun engagement in grote projecten tonen dit aan. VERREZEN, DE RYCK, LIBERT, FRIART, VAN MELDEREN en BERRENDORF hebben meer de anderen creatieve en innovatieve ideeën aangebracht in de complexe kennisomgeving waarin ze werken. BAUDEWYN, DE RYCK, LATHOUWERS, VAN MELDEREN hebben beter dan de anderen aangetoond hun ideeën te kunnen concretiseren in lijn met de strategische en operationele doelstellingen van het managementplan. Sommigen hebben zelf een deel ervan aangebracht voor het managementplan van hun directeur- generaal. BAUDEWYN, VERREZEN, LIBERT, DE RYCK, FRIART en MATTHYS hebben nog beter dan de anderen aangetoond dat zij een of meerdere teams kunnen dynamiseren door hun competenties van hun expertisedomein te combineren met hun aanpak inzake de horizontale domeinen, met name HRM, Budget, ICT, teneinde resultaatsgerichter en doeltreffender te werken binnen het veranderingsmanagement. Als dit dan nog in moeilijke omstandigheden gebeurt blijkt nog meer hun capaciteit om te managen. DE RYCK, FRIART, BERRENDORF, LIBERT, MATTHYS, VERHOEVEN, BRUYNINCKX en VERREZEN worden nog meer dan de anderen als een autoriteit in hun expertisedomein erkend door medewerkers en hiërarchische meerderen. DE RYCK, VAN MELDEREN, LIBERT en BRUYNINCKX hebben ook speciale aandacht besteed aan de opbouw van de competenties van hun medewerkers. Op basis van deze discussie gaat het directiecomité over tot de geheime stemming. Alle 11 kandidaten worden gerangschikt door elk lid van het directiecomité. De beste krijgt 1 en de minst goede 11 als rangschikking. Het finale klassement is de optelsom per kandidaat van de rangschikking gegeven door de 7 leden van het directiecomité. Het resultaat van de stemming is het volgende: de kandidaat met het minste aantal punten is de best geklasseerde. Op die wijze wordt de rangschikking bepaald. Naam N/F Punten
  8. Pierre Baudewyn (ex aequo) F 17
  9. Geert DE RYCK (ex aequo) N 17
  10. Wilfried VERREZEN N 31
  11. Marie-Françoise BERRENDORF F 32
  12. Catherine VAN MELDEREN F 44 V -1722n - 7/17
  13. Robin LIBERT N 46
  14. Jacques MATTHYS N 47
  15. Philippe VERHOEVEN N 52
  16. Sylviane FRIART F 55
  17. Jan LATHOUWERS N 56
  18. Joseph BRUYNINCKX N 65 "
  19. Met een nota van 11 januari 2005 zijn de voordrachten van het directiecomité, samen met een volledige kopie van het deel van de notulen van het directiecomité dat over dat punt van de agenda van de vergadering gaat, aan verzoeker bezorgd, waarbij melding is gemaakt van de mogelijkheid om binnen tien dagen een bezwaarschrift in te dienen.
  20. Op 22 januari 2005 heeft verzoeker aan de voorzitter van het directiecomité het volgende bezwaarschrift gezonden: " [...] Dit bezwaarschrift heeft betrekking op de bewoordingen en de inhoud van de laatste paragraaf van de van mij gegeven voorstelling die in de notulen van het directiecomité van 27 oktober 2004 voorkomt [...]: «Er wordt echter gewag gemaakt van persoonlijke initiatieven die door betrokkene ondernomen werden die, bij nadere analyse, niet bleken het Belgisch standpunt te vertolken. Deze vaststelling houdt verband met de beoordeling van de huidige bekwaamheid van betrokkene om zijn persoonlijke creativiteit te integreren in het kader van een gezamenlijk beheerd project onder de beleidsverantwoordelijkheid van het departement». Aangezien ik nooit officieel op de hoogte ben gesteld van welke bevinding ook aangaande hetgeen in de voornoemde paragraaf vermeld wordt, kan ik niet anders dan verbaasd zijn nu ik plots in een onpersoonlijke vorm en zonder enige staving zo een zwaarwichtige bewering zie die bovendien mijn reputatie schaadt en de betrouwbaarheid aantast waarop ik aanspraak maak. In deze omstandigheden zou ik u dank weten als u mij uitdrukkelijk zou aangeven wie dat gezegd heeft, waarin de aangevoerde feiten bestaan en in welke mate ze op tegenspraak onderzocht zijn en mij mee te delen waarom ik daarvan niet op de hoogte ben gebracht. Tevens zou ik graag willen weten hoe het kan dat mevrouw REYNDERS, adviseur-generaal voor het Strafrechtelijk Beleid, die mij op de voormelde vergadering van het directiecomité diende voor te stellen, tegenover mij niet alleen verklaart dat ze dat niet gezegd heeft maar dat zulks ook niet in haar bijzijn is gezegd, terwijl in de notulen van de vergadering, op bladzijde 32, punt 4, staat dat «[...] mevrouw REYNDERS het directiecomité verlaten vooraleer de deliberaties beginnen»".
  21. Op 23 maart 2005 heeft het directiecomité de bezwaarschriften onderzocht. V -1722n - 8/17 In verband met het bezwaarschrift van de verzoeker staat in de notulen van de vergadering het volgende: " De heer GAZAN wenst te weten wie heeft gezegd dat hij evenwel persoonlijke initiatieven heeft genomen die na analyse niet het standpunt van België bleken weer te geven. Deze vaststelling houdt verband met de beoordeling van de huidige capaciteiten van betrokkene om zijn persoonlijke creativiteit te integreren in het kader van een gezamenlijk beheerd project onder de beleidsverantwoordelijkheid van het departement. De leden van het Directiecomité zijn van oordeel dat dit verzoek niet moet worden ingewilligd want krachtens artikel 23bis, §3, van het huishoudelijk reglement kan ieder aanwezig lid de voorstelling van de leidinggevende ambtenaar aanvullen, maar moet niet worden meegedeeld wie wat heeft gezegd. De leden van het Directiecomité besluiten de passage te handhaven in de voorstelling van 27 oktober 2004".
  22. Op 10 mei 2005 heeft de voorzitter van het directiecomité aan de verzoeker een volledige kopie gezonden van het deel van de notulen van de vergadering van 23 maart 2005 betreffende het onderzoek van de bezwaarschriften en hem op de hoogte gebracht van de mogelijkheid om binnen een termijn van tien dagen een bezwaarschrift in te dienen.
  23. Op 24 mei 2005 heeft de verzoeker aan de voorzitter van het directiecomité het volgende bezwaarschrift gezonden: " [...] Ik kan niet anders dan opmerken dat in het verslag van het directiecomité waarin [mijn bezwaarschrift] wordt vermeld, alleen gewag wordt gemaakt van het onderzoek van een van de vijf uiteengezette punten. In het voormelde geschrift heb ik met betrekking tot een precieze bewering vijf vragen opgeworpen: - wie dat gezegd heeft - waarin de aangevoerde feiten bestaan - in welke mate ze op tegenspraak onderzocht zijn - waarom ik daarvan niet op de hoogte ben gebracht - hoe het kan dat mevrouw REYNDERS verklaart dat zulks niet in haar bijzijn is gezegd, terwijl in de notulen van 27 oktober 2004 staat dat zij de vergadering niet eerder heeft verlaten dan net voor het begin van de deliberaties. Aangezien alleen de eerste vraag beantwoord is, zou ik in het raam van de vereiste motivering van bestuurshandelingen graag hebben dat het directiecomité een standpunt inneemt met betrekking tot de overige punten. Wat het laatste punt betreft, zend ik u de mails die mevrouw REYNDERS en ikzelf naar elkaar gezonden hebben, waarbij ik u erop wijs dat krachtens artikel 23bis, § 3, van het huishoudelijk reglement van het directiecomité de leidende ambtenaren die niet tot het directiecomité behoren pas na de voorstelling van de kandidaten de zaal verlaten. [...]". V -1722n - 9/17
  24. In de notulen van de vergadering van het directiecomité van 1 juni 2005 betreffende het onderzoek van de bezwaarschriften tegen de voordrachten voor bevordering die op 23 maart 2005 zijn gedaan, wordt het volgende vermeld: " [...] Het Directiecomité neemt akte van het commentaar overgemaakt door de vier kandidaten, evenals van de aanvullende informatie van mevrouw Danielle GHEUDE. Aangezien de bezwaren in laatste instantie op 23 maart 2005 door het Directiecomité zijn onderzocht, neemt het Directiecomité akte van de verschillende bezwaren en informaties die worden gevoegd bij het bevorderingsdossier 13B en bij het dossier dat aan de minister wordt overgezonden. Kortom, de rangschikking van 27 oktober 2004, bevestigd op 23 maart 2005, wordt gehandhaafd en is definitief".
  25. Bij besluiten van 21 september 2005 bevordert de Minister Robin LIBERT (Nederlands kader), Sylviane FRIART (Frans kader), Geert DE RYCK (Nederlands kader), Wilfried VERREZEN (Nederlands kader), Catherine VAN MELDEREN (Frans kader), Marie-Françoise BERRENDORF (Frans kader) en Pierre BAUDEWYN (Frans kader) met ingang van 1 november 2004 door verhoging in graad tot adviseur 13B. Die besluiten, die bij vermelding bekendgemaakt zijn in het Belgisch Staatsblad van 21 oktober 2005, zijn de bestreden besluiten.
  26. Op 21 oktober 2005 heeft de verzoeker de voorzitter van het directiecomité verzocht om inzage en kopie van "elk stuk, elke akte of elke uitlating met betrekking tot de volgende bewering over mij die in de notulen van het directiecomité van 27 oktober 2004 als volgt verwoord is: «Er wordt echter gewag gemaakt van persoonlijke initiatieven die door betrokkene ondernomen werden die, bij nadere analyse, niet bleken het Belgisch standpunt te vertolken»".
  27. Op 3 november 2005 heeft de voorzitter van het directiecomité aan verzoeker geantwoord dat het hem vrij stond "zijn persoonlijk dossier in te kijken" en "kopieën te maken van de gewenste gegevens", door contact op te nemen met de dienst Personeelszaken.
  28. Op 14 november 2005 heeft de verzoeker aan de voorzitter van het directiecomité de volgende brief gezonden: " [...] V -1722n - 10/17 Ik kan niet anders dan vaststellen dat [mijn persoonlijk] dossier geen enkel stuk bevat dat op de een of andere manier, al was het maar indirect, de voornoemde bewering kan staven. Ik zie mij dan ook genoodzaakt om bij deze mijn verzoek tot inzage, vervat in mijn brief van 21 oktober, te herhalen. Immers, wie analyse zegt, moet ook beoordeling zeggen, wat impliceert dat daarvan sporen terug te vinden moeten zijn. Zou u dan ook zo vriendelijk willen zijn op mijn verzoek in te gaan of, in het andere geval, mij mee te delen dat u over geen enkel stuk beschikt dat de voornoemde bewering kan staven ?".
  29. Pierre BAUDEWYN is sedert 29 februari 2008 gepensioneerd. Geert DE RYCK is bij een definitief geworden koninklijk besluit van 13 juli 2008, dat bij wijze van vermelding bekendgemaakt is in het Belgisch Staatsblad van 13 augustus 2008, door verhoging naar de hogere klasse, bevorderd tot klasse A4, met de titel van adviseur-generaal bij de centrale diensten. Marie-Françoise BERRENDORF is bij een definitief geworden koninklijk besluit van 15 juli 2008, dat bij wijze van vermelding bekendgemaakt is in het Belgisch Staatsblad van 30 oktober 2008, door verhoging naar de hogere klasse, bevorderd tot klasse A4, met de titel van adviseur-generaal bij de centrale diensten. Catherine VAN MELDEREN en Robin LIBERT zijn bij definitief geworden koninklijk besluiten van 28 oktober 2008, die bij wijze van vermelding bekendgemaakt zijn in het Belgisch Staatsblad van 27 november 2008, door verhoging naar de hogere klasse, bevorderd tot klasse A4, met de titel van adviseur-generaal bij de centrale diensten; II. IN RECHTE Overwegende dat verzoeker als gevolg van de gebeurtenissen die zich in de loop van het geding hebben voorgedaan met betrekking tot Pierre BAUDEWYN, Geert DE RYCK, Marie-Françoise BERRENDORF, Catherine VAN MELDEREN en Robin LIBERT, bij dit beroep geen belang meer heeft wat betreft de bevordering van de voornoemde vijf ambtenaren tot adviseur 13 B; Overwegende dat de verwerende en de tussenkomende partij aanvoeren dat verzoeker evenmin een belang heeft bij de nietigverklaring van bevorderingen in het Nederlandse taalkader; V -1722n - 11/17 Overwegende dat deze exceptie verband houdt met het onderzoek van het eerste middel, in zoverre daarin onder meer het feit wordt gelaakt dat de bestreden bevorderingen bijna een jaar terugwerken vanwege de wil om te ontkomen aan de huidige ontstentenis van taalkaders; Overwegende dat volgens artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 juli 2002 tot vaststelling, met het oog op de toepassing van artikel 43ter van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, van de betrekkingen van de ambtenaren van de centrale diensten van de federale overheidsdiensten, die eenzelfde taaltrap vormen, welk besluit van toepassing was tot 10 januari 2005, de omstreden betrekkingen van adviseur 13B tot de tweede taaltrap behoren; dat volgens artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 september 2005 tot vaststelling, met het oog op de toepassing van artikel 43ter van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, van de betrekkingen van de ambtenaren van de centrale diensten van de federale overheidsdiensten, die eenzelfde trap van de hiërarchie vormen, welk besluit met ingang van 10 januari 2005 uitwerking heeft, de omstreden betrekkingen, die overeenstemmen met functies van klasse A3 van niveau A, geïntegreerd op basis van een graad van rang 13, eveneens behoren tot de tweede trap van de hiërarchie; dat artikel 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 2002 tot vaststelling van de taalkaders van de Federale Overheidsdienst Justitie, zoals vervangen bij het koninklijk besluit van 4 april 2003, als volgt luidt: " De betrekkingen vermeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 23 mei 2001 houdende oprichting van de Federale Overheidsdienst Justitie en de betrekkingen vermeld in het personeelsplan voor de tweede trap van de hiërarchie voor de centrale diensten van de Federale Overheidsdienst Justitie, worden in taalkaders verdeeld volgens de bij dit besluit gevoegde tabel", welke tabel voorziet in een verdeling van de betrekkingen van de tweede trap van de hiërarchie ten belope van 50 % voor het Franse kader en 50 % voor het Nederlandse kader; dat artikel 2 van het koninklijk besluit van 11 juli 2006 tot vaststelling van de taalkaders voor de centrale diensten van de Federale Overheidsdienst Justitie het koninklijk besluit van 2 oktober 2002 tot vaststelling van de taalkaders van de Federale Overheidsdienst Justitie opheft met ingang van 7 augustus 2006; dat artikel 3 van het voormelde koninklijk besluit van 11 juli 2006 als volgt luidt: " Dit taalkader heeft terugwerkende kracht tot de datum van 10 januari 2005 voor de bevorderingen die werden opgestart voor 1 december 2004 in uitvoering van de overgangsmaatregel genomen op grond van artikel 232 van het koninklijk besluit van 4 augustus 2004 betreffende de loopbaan van niveau A van het Rijkspersoneel", V -1722n - 12/17 dat voornoemd artikel 232 bepaalt dat de procedures inzake bevordering en verandering van graad die lopende waren op 30 november 2004 - wat in dezen het geval is - verder geregeld worden door de bepalingen zoals die van kracht waren op die datum, met dien verstande dat de benoemingen plaatsvinden in de graad die op diezelfde datum bestaat, of - indien het een geschrapte graad betreft - in de overeenstemmende klasse; dat ook de tabel gevoegd bij het voornoemde besluit van 11 juli 2006 voorziet in een verdeling van de betrekkingen van de tweede trap van de hiërarchie ten belope van 50 % voor het Franse kader en 50 % voor het Nederlandse kader; dat uit die bepalingen volgt dat de betrekkingen van de tweede trap van de hiërarchie voor de helft onder de ambtenaren van de Nederlandse rol waren verdeeld, en voor de helft onder de ambtenaren van de Franse rol; dat het eerste middel derhalve ongegrond is in zoverre het is ontleend aan de ontstentenis van regelmatige taalkaders; dat verzoeker bijgevolg geen belang heeft bij de vernietiging van het bestreden besluit in zoverre daarbij een bevordering wordt toegekend aan Wilfried VERREZEN, een ambtenaar van de Nederlandse taalrol; Overwegende dat verzoeker een middel, het derde van het verzoekschrift, ontleent aan de schending van inzonderheid het algemene beginsel van behoorlijk "administratief" bestuur en van het gelijkheidsbeginsel, bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en aan de schending van het oude artikel 33, § 3, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939; dat hij in dit middel een aantal punten van kritiek uit omtrent de manier waarop de verwerende partij de aanspraken en verdiensten van de kandidaten heeft vergeleken; dat hij onder meer het feit laakt dat in het licht van de vijf criteria voor bevordering tot rang 13B niet alle kandidaten zijn vergeleken en dat die vergelijking is uitgevoerd volgens het beginsel dat sommige kandidaten beter zijn dan anderen, zodat het niet-vermelden van de ene of de andere kandidaat niet aldus kan worden geïnterpreteerd dat er een middengroep zou bestaan, en bovendien dat het directiecomité aan die vijf criteria een zesde heeft toegevoegd, te weten de motivatie van de kandidaten om een bevorderingsambt in rang 13B uit te oefenen, dat los van de andere criteria wordt gehanteerd zonder dat de invloed ervan op het opstellen van de shortlist wordt of is gepreciseerd; dat hij voorts een aantal discrepanties beklemtoont met betrekking tot de gevolgde methode; dat hij aldus opmerkt dat kandidaat LATHOUWERS, die bij de eerste vergelijking uit het oogpunt van het criterium "erkend als een autoriteit in zijn expertisedomein" hoger gewaardeerd is dan kandidaat BRUYNINCKX, welke laatste in die context zelfs niet wordt vermeld, niet meer wordt genoemd bij de tweede vergelijking die op basis van datzelfde criterium is gemaakt onder de kandidaten die op de shortlist voorkomen, dit in tegenstelling tot diezelfde kandidaat BRUYNINCKX; dat hij voorts aanvoert dat hij, hoewel hij daarom meermaals heeft verzocht, nooit enig antwoord heeft gekregen op de vraag waarom hem was verweten dat door hem "persoonlijke initiatieven [...] ondernomen werden die, V -1722n - 13/17 bij nadere analyse, niet bleken het Belgisch standpunt te vertolken" en op welke elementen dat verwijt is gebaseerd; Overwegende dat de verwerende partij te harer verdediging allereerst aanvoert dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre de schending wordt aangevoerd van het algemene beginsel van behoorlijk "administratief" bestuur, aangezien er geen zodanig algemeen beginsel bestaat, en van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien niet wordt aangegeven in welk opzicht die bepalingen zouden zijn geschonden; dat ze eraan toevoegt dat aangezien niet de schending wordt aangevoerd van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de Raad van State rekening dient te houden met het administratief dossier in zijn geheel en zich niet mag beperken tot de formele motivering van de bestreden handeling; dat de verwerende partij onder dat voorbehoud betoogt dat uit het onderzoek van de notulen van de vergaderingen van 27 oktober 2004, 23 maart 2005 en 1 juni 2005 van het directiecomité blijkt dat dit comité de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten daadwerkelijk en objectief heeft vergeleken, en preciseert dat verzoeker slechts een belang erbij heeft om kritiek te leveren op die vergelijking ten aanzien van zijn sollicitatie en uitsluitend in zoverre kandidaat Sylviane FRIART boven hem is verkozen; dat de verwerende partij, wat dit laatste punt betreft, betoogt dat het directiecomité ten aanzien van de beoordelingscriteria een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid bezit en dat de Raad van State alleen een kennelijke beoordelingsfout kan veroordelen, dat geen enkele dermate ernstige fout is begaan, dat hoewel verzoekers naam niet uitdrukkelijk vermeld is voor ieder criterium, uit andere gegevens volgt dat hij op zijn minst zwakker was dan de beste kandidaten en tot de middengroep behoorde; dat, wat het aan verzoeker gedane verwijt betreft ten slotte, de verwerende partij aangeeft dat dit verwijt is geuit door een lid van het directiecomité en verklaart niet in te zien waarom daarmee geen rekening had mogen worden gehouden in de vergelijking van de aanspraken en verdiensten van de kandidaten; Overwegende dat de excepties van niet-ontvankelijkheid niet opgaan; dat het vanzelfsprekend is dat verzoeker met het algemene beginsel van behoorlijk "administratief" bestuur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur bedoelt, waarvan de Raad van State de naleving garandeert, en dat de schending van het gelijkheidsbeginsel bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet erin bestaat dat de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten niet objectief zijn onderzocht en vergeleken; V -1722n - 14/17 Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 niet van toepassing is op het advies van het directiecomité, welk advies een handeling is ter voorbereiding van een griefhoudende persoonsgerichte handeling; dat het advies van het directiecomité echter een essentieel onderdeel is van de procedure voor de bevordering van rijksambtenaren, aangezien dit advies ertoe strekt de benoemingsgerechtigde overheid in te lichten omtrent de geschiktheid, de aanspraken en de verdiensten van de kandidaten, zodat ze met een ruime kennis van zaken een gemotiveerde keuze kan maken onder de kandidaten; dat dit advies bijgevolg behoorlijk gemotiveerd moet zijn; dat het advies meer in het bijzonder de precieze redenen moet vermelden waarom een kandidaat boven de andere wordt verkozen; dat dit inhoudt dat de rangschikking het uitvloeisel moet zijn van een grondig en nauwkeurig onderzoek en van een soortgelijke vergelijking van de aanspraken, de verdiensten en de geschiktheid van de kandidaten, rekening houdend met objectieve criteria die verband houden met de te verlenen betrekking; Overwegende dat de Raad van State zich bij de beoordeling van de aanspraken en verdiensten van de kandidaten weliswaar niet in de plaats kan stellen van het directiecomité, maar dat hij dient na te gaan of het comité deze aanspraken en verdiensten objectief en daadwerkelijk heeft vergeleken en of zulks de benoemingsgerechtigde overheid achteraf in staat gesteld heeft om met volledige kennis van zaken te beslissen; dat deze vergelijking grondig, nauwkeurig en zorgvuldig uitgevoerd moet worden; dat hoewel verzoekers belang thans beperkt is tot het verkrijgen van de nietigverklaring van de bevordering van Sylviane FRIART, zoals is gebleken bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep, daaruit niet volgt dat hij niet meer gerechtigd is de incoherenties, ongerijmdheden en contradicties te laken die alle samen afbreuk doen aan de manier waarop de verwerende partij werk heeft gemaakt van de vergelijking; dat verzoekers punten van kritiek gegrond zijn; dat het niet-vermelden van sommige kandidaten, onder wie verzoeker, in de vergelijking gemaakt in het licht van het ene of het andere criterium, het in aanmerking nemen van een nieuw criterium waarvan de weerslag op de shortlist en op de uiteindelijke voordracht niet is aangegeven, alsmede de soms al te beknopte beoordelingen en de interne tegenstrijdigheden in de gevolgde redenering (wat kandidaat LATHOUWERS betreft) het objectieve en effectieve karakter aantasten van de door het directiecomité gedane vergelijking en volstaan om de vernietiging mee te brengen van de benoeming van Sylviane FRIART; dat de uitleg die de verwerende partij in dat verband heeft verstrekt, niet overtuigend is; dat wat het aan verzoeker gerichte verwijt betreft, ofschoon van het directiecomité niet mag worden geëist dat, als het zoals in dezen de bevordering betreft van hogere ambtenaren, die bijgevolg algemeen bekend staan bij de leden van de raad, deze leden de gegrondheid zouden nagaan van alle beoordelingen V -1722n - 15/17 die tijdens de vergaderingen van het directiecomité zijn geuit, dit verwijt in dezen niettemin geenszins wordt gestaafd, zelfs niet nadat verzoeker bezwaar had aangetekend, en het comité geweigerd heeft de persoon aan te wijzen die dat verwijt had gemaakt en geen enkel concreet gegeven omtrent de gegrondheid ervan heeft meegedeeld; dat daaruit volgt dat het middel gegrond is, B E S L U I T: Artikel
  30. Vernietigd wordt het ministerieel besluit van 21 september 2005 waarbij Sylviane FRIART met ingang van 1 november 2004 bevorderd wordt tot adviseur 13B bij het centraal bestuur van de Federale Overheidsdienst Justitie. Artikel
  31. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
  32. Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  33. De kosten, bepaald op 300 euro, komen ten laste van de verwerende partij ten belope van 175 euro, en van de tussenkomende partij ten belope van 125 euro. Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van de Ve kamer, op zesentwintig januari tweeduizend tien door: de HH. R. ANDERSEN, eerste voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, kamervoorzitter, J. JAUMOTTE, staatsraad, Mevr. M.-Chr. MALCORPS, griffier. V -1722n - 16/17 De Griffier, De Eerste Voorzitter van de Raad van State, M.-Chr. MALCORPS. R. ANDERSEN. V -1722n - 17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.073 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.