← België

Arrest 200230 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 28/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.230 Rolnummer: A. 77081/IX-907 Zaak: Arrest 200230 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 28/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-03 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-07-02 08:32 Fiche Arrest nr 200.230 van 28 januari 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 200.230 van 28 januari 2010 in de zaak A. 77.081/IX-907 In zake : Luc DE SOMERE wonend te Sint-Pieters-Woluwe Bemelstraat 19, bus 16 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 12 januari 1998, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 30 september 1997 waarbij André Van Goethem wordt benoemd tot adjunct-directeur bij de Diensten van algemene controle en organisatie van de Administratie der douane en accijnzen, met uitwerking op 1 januari
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Henri Colin heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 juni
  4. Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. IX-907-1/23 De verzoeker en inspecteur Jan De Vleeschouwer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Op het ogenblik dat het bestreden besluit wordt genomen is de verzoeker eerstaanwezend inspecteur-dienstchef, dienstdoend directeur, bij de Administratie der douane en accijnzen.
  7. Met een rondschrijven van 11 oktober 1996 (referte PERSONEEL D.P. 84.600) worden de belanghebbende ambtenaren van de Administratie der douane en accijnzen ervan in kennis gesteld dat naar alle waarschijnlijkheid een betrekking van adjunct-directeur bij de Diensten van algemene controle en organisatie (hierna: DACO) eerlang te begeven zal zijn. In de bekendmaking wordt meegedeeld dat, rekening houdend met de bezetting der betrekkingen van die graad in de formatie van de DACO, de betrekking toekomt aan een Nederlandstalige kandidaat. Tevens wordt de aandacht van de gegadigden uitdrukkelijk gevestigd op de artikelen 13, § 1, 3/, 34 en 36 en bijlage IV, cijfer V, A, van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 houdende het organiek reglement van het Ministerie van Financiën (voor de tekst van die bepalingen, zie hierna, nr. 17). Elf kandidaten, waaronder de verzoeker en drie kandidaten die tewerkgesteld zijn bij de DACO (André Van Goethem en twee andere kandidaten), stellen hun kandidatuur voor de te begeven betrekking.
  8. Het College van dienstchefs van de Administratie der douane en accijnzen beslist op 14 november 1996 eenparig, na onderzoek van de titels van alle kandidaten, om toepassing te maken van artikel 13, § 1, 3/, en van bijlage IV, IX-907-2/23 cijfer V, A, 1/, van het organiek reglement (koninklijk besluit van 29 oktober 1971) en derhalve alleen de kandidaturen in aanmerking te nemen van de tot de DACO behorende ambtenaren. In volgorde van anciënniteit bij die diensten zijn dat André Van Goethem, M. Van Overmeeren en M. Suffys, inspecteurs van de Nederlandse taalrol en gesignaleerd met de vermelding “zeer goed”. Het College is voorts unaniem van mening dat de benoeming van André Van Goethem, eerst gerangschikte onder die kandidaten, voorgesteld zou moeten worden, aangezien hij een gemotiveerd en werkzaam ambtenaar is die ongetwijfeld de nodige ondervinding bezit om de functie van adjunct-directeur bij de DACO uit te oefenen. Het College stelt ook vast dat André Van Goethem op het vlak van de geschiktheid en van de verdienste niet wordt voorbijgestoken door een na hem gerangschikte kandidaat.
  9. Met een nota van 23 januari 1997 stelt de Directeur-generaal van de Administratie der douane en accijnzen aan het College van dienstchefs van de Algemene Administratie van de belastingen voor om André Van Goethem tot adjunct-directeur bij de DACO te benoemen, met uitwerking op 1 januari
  10. In de nota wordt, onder het opschrift “Benoemingsvoorwaarden”, het volgende gesteld: - bij de Administratie der douane en accijnzen kunnen de inspecteurs, evenals de hoofdcontroleurs en de ontvangers A die op 1 april 1963 bekleed waren met de graad van controleur of hoofdontvanger, in aanmerking komen voor verhoging tot de graad van adjunct-directeur, mits zij een niveau-anciënniteit tellen van minstens negen jaar; - op grond van artikel 13, § 1, 3/, en cijfer V, A, 1/, van bijlage IV van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 mag de betrekking van adjunct-directeur bij de DACO voorbehouden worden aan de inspecteurs van die diensten. Onder het opschrift “Taalnoodwendigheden” wordt gesteld dat de ambtenaren van de DACO eentalig mogen zijn. Rekening houdend met de bezetting van de betrekkingen van adjunct-directeur voorzien in de formatie van die diensten, moet de betrekking toegekend worden aan een kandidaat van de Nederlandse taalrol. IX-907-3/23 De nota bevat tevens: - een rangschikking van de kandidaten die de vereiste graad- en anciënniteitsvoorwaarden vervullen, op grond van hun anciënniteit in de graad van inspecteur. In die rangschikking staat de verzoeker als vierde geklasseerd, André Van Goethem als zesde; - een rangschikking van de kandidaten na toepassing van artikel 13 van het organiek reglement. In die rangschikking komt de verzoeker niet voor, André Van Goethem staat als eerste geklasseerd. Ten slotte worden, voor wat betreft het voorstel om André Van Goethem met toepassing van artikel 13, § 1, 3/, en bijlage IV, cijfer V, A, 1/, van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 te benoemen, de bewoordingen van de beslissing van het College van dienstchefs van de Administratie der douane en accijnzen van 14 november 1996 integraal overgenomen. 7.
  11. Op 27 maart 1997 valt het College van dienstchefs van de Algemene Administratie van de belastingen de inhoud van de nota van de Directeur-generaal van de douane en accijnzen van 23 januari 1997 bij. Na beraadslaging en bij geheime stemming stelt het College met eenparigheid van stemmen de benoeming voor van André Van Goethem, met uitwerking op 1 januari
  12. 7.
  13. Met een aangetekende brief van 28 maart 1997 wordt de verzoeker in kennis gesteld van het voorstel om André Van Goethem de betrekking toe te kennen van adjunct-directeur bij de Administratie der douane en accijnzen. 7.
  14. Met een aangetekende brief van 5 april 1997 laat de verzoeker zijn bezwaren kennen tegen het genoemde voorstel. Hij voert in de eerste plaats aan dat hij gunstiger gerangschikt is dan André Van Goethem en dat hij, in tegenstelling tot deze laatste, tweetalig is. Voorts verklaart hij in de bekendmaking van de vacante betrekking gelezen te hebben dat de betrekking toekomt aan een Nederlandstalige kandidaat, maar heeft hij vruchteloos gezocht naar de taalkaders die voor de DACO werden vastgesteld, waarop de bedoelde mededeling dan zou kunnen steunen. Ten slotte voert hij aan dat de bepalingen van het organiek reglement die het mogelijk maken een minder gunstig gerangschikte kandidaat die behoort tot de dienst, in casu de DACO, te laten IX-907-4/23 voorgaan op een beter gerangschikte kandidaat die niet tot de dienst behoort, niet van dwingende aard zijn; uit geen enkel aan de verzoeker bekend stuk blijkt dat het benoemingsvoorstel tot stand is gekomen met toepassing van hogergenoemde bepalingen; in elk geval werd de verzoeker op geen enkele wijze ingelicht over de overwegingen die ten grondslag liggen aan het toepassen, in dit specifieke geval, van voornoemde bepalingen. 7.
  15. In een nota van 12 mei 1997, gericht aan het College van dienstchefs van de Algemene Administratie van de belastingen, gaat de Directeur-generaal van de Administratie der douane en accijnzen in op de bezwaren van de verzoeker. Hij stelt dat, in strijd met wat de verzoeker voorhoudt, de notificatie van een voorstel tot benoeming niet gemotiveerd moet zijn. Hij merkt ook op dat de verzoeker, ondanks een betere rangschikking dan André Van Goethem, niet meer in aanmerking kwam voor de betrekking, nu het College van dienstchefs van zijn administratie beslist had om toepassing te maken van artikel 13, § 1, 3/, en bijlage IV, cijfer V, A, 1/, van het koninklijk besluit van 29 oktober
  16. In verband met de kwestie van de taalkaders schrijft de directeur- generaal: “Geen enkel van de fiscale administraties beschikt over taalkaders voor de buitendiensten zoals voorzien in het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Alhoewel volgens die gecoördineerde wetten zowel in de centrale diensten als in de uitvoeringsdiensten waarvan de werkkring het gehele land bestrijkt, taalkaders dienen te worden opgericht, werd om allerlei redenen in 1967 beslist in deze laatste diensten dergelijke kaders niet te voorzien, maar werd een systeem uitgewerkt om de diensten zodanig in te stellen dat het publiek in zijn moedertaal kan te woord gestaan worden. Wat de Diensten van algemene controle en organisatie betreft, werd een evenwichtige verdeling van de twee taalgroepen in elke graad voorzien.” 7.
  17. Op 20 mei 1997 wordt de verzoeker gehoord. Hij dient een nota in, die een verdere ontwikkeling van zijn eerder ingediende bezwaren bevat. 7.
  18. Na beraadslaging besluit het College van dienstchefs van de Algemene Administratie van de belastingen dat het bezwaarschrift en de mondelinge toelichting van de verzoeker geen elementen bevatten die enige IX-907-5/23 wijziging kunnen brengen aan het uitgebrachte benoemingsvoorstel. Het bezwaarschrift wordt dienvolgens bij geheime stemming met 6 stemmen tegen 2 als ongegrond afgewezen. Die beslissing wordt gemotiveerd als volgt: “De inhoud van de nota van 12 mei 1997 [...] van de heer Directeur-generaal van de Douane en accijnzen [...] wordt integraal bijgetreden en overgenomen door het College. De mededeling van het voorstel van het College moet worden gelezen in samenhang met de bekendmaking van de vacante betrekking van 11 oktober 1996, waarnaar in de referte van de mededeling uitdrukkelijk wordt verwezen.”
  19. Met een nota voor de Minister van Financiën van 15 juli 1997 stelt de Directeur-generaal van de Administratie der douane en accijnzen voor om André Van Goethem te benoemen in de graad van adjunct-directeur bij de DACO, met uitwerking op 1 januari 1997, gelet op het feit dat de betrokkene sinds die datum is belast met de uitoefening van de bedoelde functie.
  20. Bij koninklijk besluit van 30 september 1997 wordt André Van Goethem, inspecteur bij de Administratie der douane en accijnzen, bij die administratie benoemd tot adjunct-directeur bij de DACO, met uitwerking op 1 januari
  21. Dat besluit is gemotiveerd als volgt: “Gelet op het met redenen omklede advies van het College van dienstchefs van de Algemene administratie van de belastingen van 27 maart 1997; Overwegende dat de ambtenaar voorgesteld door genoemd College op geldige wijze zijn kandidatuur voor de vacant verklaarde betrekking heeft ingediend, dat hij aan alle benoemingsvoorwaarden voldoet en zich als eerste rangschikt van de optredende kandidaten, op basis van artikel 13 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971; Overwegende dat de voorgestelde kandidaat, rekening houdende met de geschiktheden vereist voor de uitoefening van het te begeven ambt, evenals met het belang van de dienst, niet wordt voorbijgegaan door de kandidaten die na hem gerangschikt zijn; Overwegende dat tegen het voorstel tot bevordering, behoorlijk genotificeerd aan alle betrokken ambtenaren, een bezwaarschrift werd ingediend met auditieverzoek; Overwegende dat het College van dienstchefs van de Algemene administratie van de belastingen, in zijn vergadering van 20 mei 1997, na het horen en na beraadslaging, van oordeel was zich aan zijn oorspronkelijk voorstel te moeten houden; dat in dat opzicht kan verwezen worden naar de IX-907-6/23 motiveringen opgenomen in het verslag van bovengenoemde vergadering van 20 mei 1997.” Het genoemde koninklijk besluit van 30 september 1997 wordt, samen met een uittreksel uit het verslag van de vergadering van het College van dienstchefs van de Algemene Administratie van de belastingen van 27 maart 1997, een uittreksel uit het verslag van de vergadering van het College van dienstchefs van de Algemene Administratie van de belastingen van 20 mei 1997 en de nota van de Directeur-generaal der douane en accijnzen van 12 mei 1997 aan de verzoeker ter kennis gebracht, met een aangetekende brief van 20 november
  22. Het koninklijk besluit van 30 september 1997, dat ook bij uittreksel wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 juni 1998, vormt het voorwerp van het voorliggende beroep.
  23. Met toepassing van een overgangsbepaling van het koninklijk besluit van 6 juli 1997 betreffende de vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren van het Ministerie van Financiën behorende tot de niveaus 1 en 2+ wordt de graad van adjunct-directeur bij een fiscaal bestuur ambtshalve omgezet in die van directeur bij een fiscaal bestuur.
  24. Bij koninklijk besluit van 28 februari 1999 wordt de verzoeker benoemd tot directeur bij een fiscaal bestuur te Brussel, met uitwerking op 1 augustus
  25. Hij oefent thans de hogere functie uit van gewestelijk directeur bij een fiscaal bestuur, bij de Nationale Opsporingsdirectie van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit. 12 Bij besluit van de directeur-generaal van de Administratie der douane en accijnzen van 15 juli 2002 wordt André Van Goethem, in de hoedanigheid van directeur bij een fiscaal bestuur, gemuteerd van de DACO naar de gewestelijke inspectie te Hasselt.
  26. Uit de verklaringen ter terechtzitting blijkt dat zowel de verzoeker als André Van Goethem kandidaat zijn voor een bevordering tot gewestelijk directeur. De bevorderingsprocedure is op dat ogenblik nog niet afgesloten. IX-907-7/23 IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Exceptie opgeworpen door de verwerende partij Uiteenzetting van de exceptie
  27. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoeker. Zij voert aan dat overeenkomstig artikel 13, § 1, van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van het Ministerie van Financiën en van de bijzondere bepalingen die er voorzien in de uitvoering van het statuut van het rijkspersoneel, voorrang van benoeming verleend mag worden aan de kandidaten van de dienst of van de sector waar de benoeming dient te geschieden. Onder cijfer V, A, 1/, van bijlage IV, omvattende de bepalingen die alleen gelden voor de Administratie der douane en accijnzen (toepassing van de artikelen 13 en 14), is bepaald dat de betrekkingen van gewestelijk directeur, adjunct-directeur en inspecteur bij de DACO voorbehouden mogen worden aan de ambtenaren van die diensten. Het College van dienstchefs van de Administratie der douane en accijnzen heeft op 14 november 1996 beslist om toepassing te maken van de voormelde bepalingen en derhalve alleen de kandidaturen in aanmerking te nemen van de tot de DACO behorende ambtenaren, te weten André Van Goethem, M. Van Overmeeren en M. Suffys. Het College van dienstchefs van de Algemene Administratie van de belastingen heeft zich op 27 maart 1997 bij dat standpunt aangesloten, en heeft dit standpunt bevestigd op 20 mei
  28. De verzoeker erkent dat de overheid op grond van deze bepalingen voorrang mag verlenen aan de ambtenaren behorende tot de DACO wanneer aldaar betrekkingen van gewestelijk directeur, adjunct-directeur en inspecteur te begeven zijn. Nu de verzoeker zelf niet tewerkgesteld is bij deze diensten, kan hij niet in aanmerking komen voor een benoeming in de te begeven betrekking. Aangezien de verzoeker de voornoemde bepalingen op zich niet aanvecht, heeft hij geen belang bij een eventuele vernietiging van het aangevochten besluit. IX-907-8/23 Beoordeling
  29. Artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Het belang is een fundamenteel vereiste voor de ontvankelijkheid van het annulatieberoep. Hiervan kan niet worden afgeweken, zelfs niet wanneer tot staving van dit beroep de schending van wetsbepalingen van openbare orde wordt ingeroepen. Een ambtenaar heeft slechts belang om de nietigverklaring te vorderen van de benoeming van een andere ambtenaar in een bepaalde betrekking, wanneer hij in geval van nietigverklaring zelf kan worden benoemd in die betrekking.
  30. Volgens de verwerende partij kan de verzoeker niet in aanmerking komen voor een benoeming in de betrekking van adjunct-directeur bij de DACO, omdat hij niet tewerkgesteld is bij deze diensten. De verzoeker zou inderdaad niet doen blijken van het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van het bestreden besluit, mocht komen vast te staan dat de overheid, ingevolge de door de verwerende partij aangehaalde bepalingen van het organiek reglement, met name artikel 13, § 1, en bijlage IV, cijfer V, A, 1/, van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971, over een gebonden bevoegdheid beschikt, die haar ertoe verplicht om na een eventuele vernietiging van het bestreden besluit opnieuw een ambtenaar die tewerkgesteld is bij de DACO te benoemen, zodat de kandidatuur van de verzoeker hoe dan ook niet in aanmerking genomen zou kunnen worden.
  31. Op het ogenblik dat het College van dienstchefs van de Administratie der douane en accijnzen besliste om toepassing te maken van artikel 13, § 1, van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971, luidde die bepaling als volgt: “§
  32. Wanneer er in bijlage IV aldus over beschikt wordt: 1/ [...]; 2/ [...]; 3/ mag voorrang van benoeming verleend worden aan de kandidaten van de dienst of van de sector waar de benoeming dient te geschieden.” IX-907-9/23 Bijlage IV, cijfer V, van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 luidde toen als volgt: “V. Bepalingen die alleen gelden voor de Administratie der douane en accijnzen (toepassing van de artikelen 13 en 34) A.1/. De betrekkingen van gewestelijke directeur, adjunct-directeur en inspecteur bij de Diensten van algemene controle en organisatie mogen voorbehouden worden aan de ambtenaren van die dienst. 2/. [...] B. [...]” Het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 is herhaaldelijk gewijzigd. Op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, golden de volgende bepalingen: - artikel 13, § 1: “§
  33. Wanneer er in bijlage IV aldus over beschikt wordt: 1° [...]; 2° mag voorrang van benoeming verleend worden aan de kandidaten van de dienst of van de sector waar de benoeming dient te geschieden.” - bijlage IV, cijfer III: “III. Bepalingen die alleen gelden voor de Administratie der douane en accijnzen (toepassing van de artikelen 13 en 34) A. 1°. Bij de Diensten van algemene controle en organisatie mogen de betrekkingen van gewestelijk directeur bij een fiscaal bestuur, van directeur bij een fiscaal bestuur en van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur waaraan de functie van dienstchef is verbonden, voorbehouden worden aan de ambtenaren van die dienst; 2°. [...] B. - C. [...]”
  34. De voornoemde bepalingen schrijven niet voor dat, indien er zich voor een betrekking van adjunct-directeur bij de DACO kandidaten aanbieden die in die diensten tewerkgesteld zijn, die betrekking voorbehouden moet worden aan die kandidaten. Er wordt integendeel enkel bepaald dat de betrekking mag worden voorbehouden aan die kandidaten. De wijze waarop de benoemingsprocedure te dezen werd gevoerd, wijst er overigens op dat de overheid zelf de in de aangehaalde bepalingen opgenomen voorrangsregel als een mogelijkheid, en niet als een verplichting heeft opgevat. Immers, mocht het feit dat ambtenaren die bij de DACO tewerkgesteld IX-907-10/23 waren op geldige wijze hun kandidatuur hadden ingediend noodzakelijkerwijze tot gevolg hebben dat de kandidaturen van de andere gegadigden niet meer in aanmerking genomen konden worden, dan valt niet goed in te zien: - waarom het College van dienstchefs van de Administratie der douane en accijnzen in eerste instantie een rangschikking heeft opgesteld van alle kandidaten die de vereiste graad- en anciënniteitsvoorwaarden vervulden, en zich dus niet heeft beperkt tot een rangschikking van de kandidaten behorend tot de DACO; - waarom dat College eerst de titels van alle kandidaten heeft onderzocht, en pas daarna heeft beslist om toepassing te maken van artikel 13, § 1, van het koninklijk besluit van 29 oktober
  35. Noch de tekst zelf van de door de verwerende partij ingeroepen bepalingen, noch de wijze waarop deze bepalingen in dit concrete geval werden toegepast, laten derhalve toe te besluiten dat de verwerende partij bij het eventueel overdoen van de bestreden beslissing de kandidatuur van de verzoeker, die de benoemingsvoorwaarden in de strikte zin, dat wil zeggen de vereiste graad- en anciënniteitsvoorwaarden, vervulde, niet in aanmerking zou mogen nemen. Hiertegen kan de verwerende partij niet met goed gevolg aanvoeren dat de verzoeker erkent dat de overheid op grond van de door haar aangehaalde bepalingen voorrang mag verlenen aan de ambtenaren behorende tot de DACO en dat hij voornoemde bepalingen op zich niet aanvecht. Zoals blijkt uit het bezwaarschrift van de verzoeker tegen het voorstel tot benoeming van André Van Goethem, heeft hij immers van meetaf aan aangevoerd dat deze bepalingen niet van dwingende aard zijn en heeft hij de toepassing ervan in de voorliggende benoemingsprocedure betwist.
  36. Er moet derhalve worden aangenomen dat, indien een vernietigingsarrest wordt uitgesproken, de verzoeker opnieuw in aanmerking komt voor de te begeven functie. Die vaststelling volstaat om te besluiten tot het bestaan van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoeker. De exceptie faalt naar recht. IX-907-11/23 B. Ambtshalve onderzoek van de ontvankelijkheid
  37. Met brieven van 2 juni 2008 en 11 december 2008 informeert de staatsraad-verslaggever bij de partijen naar eventuele feitelijke of juridische ontwikkelingen die zich sedert de laatste memorie zouden hebben voorgedaan en naar de weerslag hiervan op het actueel belang van de verzoeker. Met een op 5 juni 2008 gedateerd schrijven antwoordt de verwerende partij in de eerste plaats dat André Van Goethem gemuteerd is naar de gewestelijke inspectie te Hasselt. Zij wijst er voorts op dat de verzoeker bij koninklijk besluit van 28 februari 1999 is benoemd tot directeur bij een fiscaal bestuur te Brussel, met uitwerking op 1 augustus 1998, en dat hij thans de hogere functie van gewestelijk directeur bij een fiscaal bestuur van de Nationale Opsporingsdirectie te Brussel uitoefent. Met een brief van 30 december 2008 verduidelijkt de verzoeker dat hij niet benoemd is als gewestelijk directeur bij een fiscaal bestuur van de Nationale Opsporingsdirectie te Brussel, maar dat het slechts om een aanwijzing voor het tijdelijk uitoefenen van een hogere functie gaat. Gelet op het voorlopig en tijdelijk karakter van een dergelijke aanwijzing, heeft zij geen invloed op zijn belang bij het voorliggende annulatieberoep. Voorts stelt de verzoeker dat ook zijn eigen benoeming in de graad van directeur bij een fiscaal bestuur zijn belang niet aantast. Door zijn eerdere benoeming, op 28 februari 1999, verwerft André Van Goethem immers een hogere graadanciënniteit, die bij een vergelijking van de administratieve loopbaan en anciënniteit van de verzoeker en André Van Goethem, ter gelegenheid van een kandidaatstelling voor een betrekking van hogere graad, de verzoeker in een nadelige positie brengt. Ter terechtzitting verklaart de verwerende partij dat zowel de verzoeker als André Van Goethem thans dezelfde graad van directeur hebben. Voor André Van Goethem is dit het gevolg van het feit dat de graad van adjunct-directeur ondertussen is omgezet in die van directeur. Voorts zet de verwerende partij uiteen dat beide partijen kandidaat zijn voor de functie van gewestelijk directeur en dus tot op vandaag met elkaar in concurrentie zijn. IX-907-12/23
  38. Noch de mutatie van André Van Goethem naar Hasselt, noch de tijdelijke aanwijzing van de verzoeker in een hogere functie, zijn van aard om een invloed te hebben op het belang van de verzoeker bij zijn beroep.
  39. Verzoekers benoeming in de graad van directeur bij een fiscaal bestuur is dat wel. De ambtenaar die in de loop van het geding bevorderd wordt tot dezelfde graad als degene wiens bevordering hij bestrijdt, verliest weliswaar niet automatisch zijn belang bij het beroep, inzonderheid niet wanneer hij in zijn nieuwe graad minder anciënniteit heeft. Zoals de verwerende partij lijkt te erkennen, zou de anciënniteit bij een eventuele latere bevordering immers een niet te verwaarlozen, zelfs doorslaggevende, rol kunnen spelen. De verzoeker heeft bijgevolg nog steeds een belang bij het vorderen van de nietigverklaring van de bestreden bevordering, doch slechts in zoverre deze aan André Van Goethem meer anciënniteit in de graad van adjunct-directeur, thans directeur, toekent dan aan hem. In de gestelde hypothese vergt het belang van de verzoeker immers niet dat de door hem bestreden bevordering integraal wordt vernietigd. Zijn belang wordt integendeel genoegzaam gediend door een vernietiging enkel in zoverre André Van Goethem meer anciënniteit toegekend heeft gekregen. Ambtshalve moet dan ook vastgesteld worden dat de verzoeker nog slechts een beperkt belang heeft. Dit betekent echter niet dat het beroep onontvankelijk moet worden verklaard. Wel zal, in geval van gegrondverklaring van één of meer middelen, aan de vernietiging een beperkte draagwijdte moeten worden gegeven, in overeenstemming met het beperkte belang dat de verzoeker thans nog heeft. V. Onderzoek van de middelen Derde middel Standpunt van de partijen
  40. De verzoeker roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli IX-907-13/23 1966, uit de overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, en uit de overschrijding of de afwending van macht. Hij voert aan dat de DACO deel uitmaken van de uitvoeringsdiensten van de Administratie der douane en accijnzen. Hun werkkring bestrijkt het hele land. Hun zetel is gevestigd te Brussel-Hoofdstad. Uitvoeringsdiensten waarvan de werkkring het hele land bestrijkt vallen onder de toepassing van artikel 44 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Daardoor zijn de bepalingen van afdeling I van die wetten, met uitzondering van artikel 43, § 6, op hen toepasselijk, hetgeen inhoudt dat voor deze diensten taalkaders dienen te worden vastgesteld. De verzoeker stelt dat er geen taalkaders waren op het ogenblik dat het bestreden besluit is genomen, vaststelling die overigens wordt bevestigd door de Directeur-generaal der douane en accijnzen in zijn nota van 12 mei 1997 aan het College van dienstchefs van de Algemene Administratie van de belastingen. Om vast te stellen of er, bij ontstentenis van taalkaders, benoemingen mogelijk zijn in overeenstemming met de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, moet worden onderzocht of op grond van de wet zelf, dat wil zeggen zonder enige appreciatie van feitelijke gegevens, kan worden uitgemaakt op welke wijze het voorschrift van artikel 43, § 3, moet worden toegepast. Binnen de personeelsformaties van de uitvoeringsdiensten van de Administratie der douane en accijnzen waarvan de werkkring het hele land bestrijkt, gevestigd in Brussel-Hoofdstad, bestaan de volgende betrekkingen die, volgens de bepalingen van een koninklijk besluit van 14 september 1994, tot de tweede trap van de hiërarchie behoren (betrekkingen behorende tot de eerste trap van de hiërarchie zijn niet voorzien): Nationale Opsporingsdirectie: 3 betrekkingen; DACO 1: 3 betrekkingen; DACO 2: 3 betrekkingen; Dienst voor nationale coördinatie van de beroepsopleiding: 1 betrekking. De betrekking die in het aangevochten besluit ter sprake komt behoort volgens de bepalingen van het organiek reglement (koninklijk besluit van 29 oktober 1971) tot rang 13 en zodoende volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 14 september 1994 tot de tweede trap van de hiërarchie. Om het voorschrift van artikel 43, § 3, toe te passen heeft de overheid de theoretische keuze tussen twee mogelijkheden: toepassing op elke diensteenheid afzonderlijk of globale toepassing op het geheel der diensteenheden. IX-907-14/23 Die keuze bepaalt tevens of, gelet op het totaal aantal betrekkingen, een deel daarvan moet worden voorbehouden aan het tweetalig kader. Indien de overheid zou kiezen voor de eerste mogelijkheid, zou de toepassing van het pariteitsbeginsel tussen de Nederlandse en de Franse taalrol, bij ontstentenis van wettelijk vastgestelde taalkaders, benoemingen onmogelijk maken in minstens twee betrekkingen, namelijk de oneven betrekkingen die in de Nationale Opsporingsdirectie en in de Dienst voor coördinatie van de beroepsopleiding aanwezig zijn. Indien de DACO als twee afzonderlijke eenheden (DACO 1 en DACO 2) worden beschouwd, heeft dit voor gevolg dat ook daar in de twee oneven betrekkingen geen benoeming kan plaatsvinden. Een toepassing van het voorschrift van artikel 43, § 3, per diensteenheid heeft voorts tot gevolg dat geen betrekkingen moeten worden voorbehouden aan het tweetalig kader. Een globale toepassing van het voorschrift van artikel 43, § 3, leidt tot de volgende verdeling van de 10 betrekkingen over de verschillende taalkaders: Nederlands kader: 4 betrekkingen; Frans kader: 4 betrekkingen; tweetalig kader: 2 betrekkingen. Indien de beide DACO’s samen als een afzonderlijke dienst zouden beschouwd worden, moet voor de DACO de volgende verdeling van de betrekkingen worden doorgevoerd: Nederlands kader: 2 betrekkingen; Frans kader: 2 betrekkingen; tweetalig kader: 2 betrekkingen. Uit hetgeen voorafgaat blijkt, zo vervolgt de verzoeker, dat, althans theoretisch, verschillende verdelingen mogelijk zijn zodat, op basis van de in de wet vervatte regels, niet met zekerheid kan worden bepaald hoeveel betrekkingen aan elk van de taalkaders moet worden voorbehouden, in het bijzonder aan het tweetalig kader. In die omstandigheden kan in principe geen enkele wettige benoeming worden gedaan vooraleer de taalkaders voor het geheel van de betrokken diensten zijn vastgesteld. In de hypothese dat in de praktijk alleen de optie van de globale toepassing van het voorschrift van artikel 43, § 3, kan worden overwogen, waardoor van de 10 betrekkingen van de tweede trap van de hiërarchie er twee aan het tweetalig kader moeten worden toegekend, moet de betrekking waarvan sprake in het aangevochten benoemingsbesluit binnen het tweetalig kader worden toegekend, IX-907-15/23 vermits tot nog toe binnen het geheel van deze diensteenheden geen enkele betrekking tot de graad van directeur of daarboven aan tweetalige ambtenaren werd voorbehouden. Daardoor is het tweetalig kader, op het ogenblik dat de kandidaten aan de benoemingsvoorwaarden moesten voldoen, het verst verwijderd van het wettelijk aan hem voorbehouden betrekkingen. Hoe dan ook blijkt, aldus de verzoeker, uit het aangevochten besluit niet hoe het in overeenstemming kan worden gebracht met de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken. In het bijzonder werd in hoofde van de benoemde kandidaat geen enkele taalkennis vastgesteld. Het bestreden besluit is daardoor in strijd met de genoemde wetten, die van openbaar belang zijn. De verzoeker merkt ten slotte nog op dat hij zelf voldoet aan de wettelijke voorwaarden om te worden opgenomen in het tweetalig kader, ten blijke waarvan hij een afschrift voorlegt van de desbetreffende attesten afgeleverd door de Vaste Wervingssecretaris.
  41. De verwerende partij antwoordt op het middel in haar laatste memorie. Zij voert aan dat de drie door de verzoeker aangehaalde diensten (DACO, Nationale Opsporingsdirectie en Dienst voor nationale coördinatie van de beroepsopleiding) weliswaar aan te merken zijn als uitvoeringsdiensten waarvan de zetel in Brussel-Hoofdstad gevestigd is en waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt, maar dat zij voor het overige niets met elkaar gemeen hebben. De DACO dienen derhalve als een afzonderlijke entiteit te worden aangemerkt. De DACO tellen 6 directiebetrekkingen, te weten 2 gewestelijk directeurs en 4 adjunct-directeurs (thans directeurs bij een fiscaal bestuur), gelijkelijk verdeeld over de twee taalgroepen. De verwerende partij verwijst naar een advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht van 12 juni 1980, om daaruit af te leiden dat, wanneer het aantal directiebetrekkingen 6 of minder bedraagt, geen tweetalig kader dient te worden vastgesteld. Voorts stelt de verwerende partij dat het ontbreken van vooraf door de Koning vastgestelde taalkaders niet meebrengt dat de benoemingen IX-907-16/23 ongeldig zijn wanneer de becijferde verhoudingen volgens dewelke de bezetting van het organiek kader over de taalkaders moet worden verdeeld, nauwkeurig kunnen worden vastgesteld op grond van de wet zelf. Bij gebreke aan een koninklijk besluit tot vaststelling van het aantal directiebetrekkingen welke aan ieder taalkader is toegewezen, moet worden aangenomen dat deze betrekkingen, op grond van artikel 43, § 3, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, in gelijke mate over de beide taalkaders zijn verdeeld. De directiebetrekkingen bij de DACO zijn op gelijke basis verdeeld over de twee taalgroepen, namelijk 2 gewestelijk directeurs (1 N - 1 F) en 4 adjunct- directeurs (2 N - 2 F). Het ontbreken van bij koninklijk besluit vastgestelde taalkaders voor deze diensten houdt derhalve niet in dat de Administratie der douane en accijnzen de wettelijke voorschriften, die behoudens afwijking na raadpleging van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht bij een in Ministerraad overlegd en met redenen omkleed koninklijk besluit, de gelijke verdeling van de betrekkingen van de graden van rang 13 en hoger voorschrijven, heeft miskend. Beoordeling 25.
  42. Op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, luidde artikel 43 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, bepaling die betrekking heeft op de centrale diensten, als volgt: “Art.
  43. §
  44. [...] §
  45. De ambtenaren gelijk aan en hoger dan directeur worden verdeeld over drie kaders: een Nederlands, een Frans en een tweetalig. De andere ambtenaren worden verdeeld over twee kaders: een Nederlands en een Frans. Alle ambtenaren worden ingeschreven op een taalrol: de Nederlandse of de Franse. §
  46. De Koning bepaalt voor iedere centrale dienst het aantal betrekkingen dat aan het Nederlands en aan het Frans kader dient toegewezen met inachtneming, op alle trappen van de hiërarchie, van het wezenlijk belang dat de Nederlandse en Franse taalgebieden respectievelijk voor iedere dienst vertegenwoordigen. Nochtans van de rang van directeur af en daarboven, worden de betrekkingen, op alle trappen van de hiërarchie, in gelijke mate toegewezen aan de beide kaders. Het tweetalig kader omvat 20 pct. van de betrekkingen gelijk aan en hoger dan die van directeur. Die betrekkingen worden op alle trappen van de hiërarchie in gelijke mate voorbehouden aan ambtenaren van de beide taalrollen. Om tot het tweetalig kader toegelaten te worden, moeten de ambtenaren voor een examencommissie, samengesteld door de Vaste Wervingssecretaris, het bewijs leveren dat zij de tweede taal voldoende kennen. Worden van dit examen vrijgesteld de ambtenaren wier diploma bewijst dat hun tweede taal de voertaal was van het onderwijs dat zij genoten hebben. Voor de toepassing van voorgaande regelen, bepaalt de Koning welke rangen IX-907-17/23 tot een zelfde trap van de hiërarchie behoren. De in het vooruitzicht gestelde verdeling van de betrekkingen over de verschillende taalkaders wordt vooraf aan het advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht onderworpen. Na raadpleging van dezelfde Commissie, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd en met redenen omkleed besluit, van de regel van de numerieke gelijkheid tussen de directiebetrekkingen afwijken ten behoeve van de centrale diensten waarvan de attributen of de werkzaamheden de Nederlandse en Franse taalgebieden in ongelijke mate betreffen. In afwijking op de vorige leden, zal de vervanging bepaald in artikel 5 van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector, gebeuren in een zelfde taalverhouding als deze die van toepassing is op de personeelsleden van de centrale dienst bekleed met eenzelfde graad. §
  47. [...] §
  48. De bevorderingen geschieden per kader. De ambtenaren, die het bewijs van hun tweetaligheid hebben geleverd in boven aangeduide vorm, mogen deelnemen aan de bevorderingen zowel in het tweetalig kader als in het kader dat overeenkomt met de rol waarop zij ingeschreven zijn. De toepassing van deze regel mag nochtans het ten behoeve van het tweetalig kader bepaald evenwicht niet schaden. §§ 6-
  49. [...]” Artikel 44 van dezelfde gecoördineerde wetten, dat betrekking heeft op de uitvoeringsdiensten, en meer bepaald op de uitvoeringsdiensten waarvan de zetel in Brussel-Hoofdstad is gevestigd, luidt als volgt: “Art.
  50. De bepalingen van afdeling I, met uitzondering van artikel 43, § 6, zijn toepasselijk op de uitvoeringsdiensten waarvan de zetel in Brussel- Hoofdstad gevestigd is en waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt.” 25.
  51. Bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 september 1994 tot vaststelling, met het oog op de toepassing van artikel 43 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, van de graden van de ambtenaren van bepaalde centrale diensten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 juni 1996, waren de eerste en de tweede taaltrap vastgesteld als volgt: - eerste trap: de graden die behoren tot de rangen 17, 16 en 15; - tweede trap: de graden die behoren tot rang
  52. 25.
  53. Op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, waren de relevante specifieke graden bij het Ministerie van Financiën vastgesteld bij het koninklijk besluit van 6 juli 1997 betreffende de vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren van het Ministerie van Financiën behorende tot de niveaus 1 en 2+. IX-907-18/23 Wat betreft de personeelsformatie van het ministerie, wordt in de aanhef van het bestreden besluit verwezen naar het koninklijk besluit van 7 april 1995 houdende vaststelling van de personeelsformatie van het Ministerie van Financiën, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 2 juli
  54. Op het ogenblik dat het bestreden besluit is genomen, was de personeelsformatie echter geregeld bij het koninklijk besluit van 6 juli 1997 tot vaststelling van de personeelsformatie van het Ministerie van Financiën. Het is dan ook van dat laatste besluit dat moet worden uitgegaan. Daarin werden, overigens zoals in het koninklijk besluit van 7 april 1995, voor de Administratie der douane en accijnzen de personeelsformaties van de centrale diensten en de buitendiensten afzonderlijk bepaald (artikelen 9 resp. 10). Voor de graden van niveau 1, behorend tot de rangen die deel uitmaken van de eerste twee taaltrappen, waren de volgende aantallen vastgesteld: - voor de centrale diensten: Directeur-generaal: 1 Auditeur-generaal van financiën (rang 15): 7 Directeur (rang 13): 26 - voor de buitendiensten: Gewestelijk directeur (rang 13): 10 Directeur bij een fiscaal bestuur (rang 13) 28 In totaal waren er dus, op de eerste twee taaltrappen, 34 resp. 38 plaatsen in de personeelsformatie. In haar laatste memorie deelt de verwerende partij mee dat er bij de DACO 6 directiebetrekkingen zijn, te weten 2 van gewestelijk directeur en 4 van adjunct-directeur (lees: directeur bij een fiscaal bestuur). 25.
  55. Op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, waren de taalkaders vastgesteld bij het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot vaststelling van de taalkaders van het Ministerie van Financiën. Voor de Administratie der douane en accijnzen werden op de eerste en de tweede trap van de hiërarchie de volgende aantallen bepaald (artikel 1, 8/): IX-907-19/23 Trappen van N F Tweetalig N Tweetalig F de hiërarchie 1 3 3 1 1 2 11 11 2 2 Aldus blijkt dat het totaal aantal plaatsen waarvoor taalkaders waren vastgesteld, 34 bedroeg.
  56. De verwerende partij erkent dat de DACO aangemerkt moeten worden als uitvoeringsdiensten waarvan de zetel in Brussel-Hoofdstad gevestigd is en waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt, in de zin van artikel 44 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Op grond van die laatste bepaling, gelezen in samenhang met artikel 43 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, worden in dergelijke diensten de ambtenaren gelijk aan en hoger dan directeur verdeeld over een Nederlands, een Frans en een tweetalig kader. Voor de Koning geldt de verplichting om voor iedere uitvoeringsdienst het aantal betrekkingen te bepalen dat aan het Nederlands, het Frans en het tweetalig kader dient te worden toegewezen. Hij dient daarbij rekening te houden met de regel dat de betrekkingen van de rang van directeur af en daarboven op alle trappen van de hiërarchie in gelijke mate worden toegewezen aan het Nederlands en het Frans kader, en dat ook in het tweetalig kader, dat 20 percent van die betrekkingen omvat, de betrekkingen op alle trappen van de hiërarchie in gelijke mate voorbehouden worden aan ambtenaren van beide taalrollen.
  57. Uit de vergelijking van de personeelsformaties voor de centrale diensten en de buitendiensten van de Administratie der douane en accijnzen, enerzijds, en de taalkaders voor die administratie, anderzijds, kan worden afgeleid dat er, op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, enkel voor de centrale diensten taalkaders waren vastgesteld. Voor de buitendiensten, waaronder de DACO, waren daarentegen geen taalkaders vastgesteld. Dit gegeven wordt door de verwerende partij niet betwist. In de nota van de Directeur-generaal van de Administratie der douane en accijnzen van 12 mei 1997 (zie hiervóór, nr. 7.4) wordt trouwens uitdrukkelijk gesteld dat in 1967 beslist is om, ondanks de wettelijke verplichting terzake, voor de buitendiensten van IX-907-20/23 de fiscale administraties geen taalkaders vast te stellen. Volgens die nota worden de diensten wel zo georganiseerd dat het publiek in de moedertaal bediend kan worden, en wordt voor de DACO in elke graad voorzien in een evenwichtige verdeling van de betrekkingen over de twee taalgroepen. De verplichting om taalkaders vast te stellen is een verplichting van openbare orde. Bij ontstentenis van taalkaders is de door de verzoeker bestreden bevordering tot stand gekomen met miskenning van artikel 43, §§ 3 en 5, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken.
  58. In haar laatste memorie voert de verwerende partij aan dat het ontbreken van vooraf door de Koning vastgestelde taalkaders te dezen niet meebrengt dat de bestreden benoeming onwettig is, aangezien de becijferde verhoudingen volgens dewelke de bezetting van het organiek kader over de taalkaders moet worden verdeeld, nauwkeurig kunnen worden vastgesteld op grond van de wet zelf. De verwerende partij stelt dat de DACO als een afzonderlijke entiteit moeten worden beschouwd. Aangezien het aantal directiebetrekkingen (graad van rang 13 of hoger) er slechts 6 bedraagt, moet geen tweetalig kader opgericht worden. Die 6 directiebetrekkingen dienen wel op gelijke wijze verdeeld te worden over de twee taalgroepen (Nederlands en Frans), hetgeen leidt tot de volgende verdeling: - gewestelijk directeur: 1 N en 1 F - adjunct-directeur (thans directeur bij een fiscaal bestuur): 2 N en 2 F. Die verdeling, die volgens de verwerende partij rechtstreeks volgt uit de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, zou te dezen geëerbiedigd zijn. De verwerende partij gaat er aldus van uit dat de DACO, voor de toepassing van artikel 43, § 3, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, beschouwd kunnen worden als een afzonderlijke entiteit, waarvoor een specifieke verdeling van de betrekkingen over de onderscheiden taalkaders geldt. Terecht wijst de verzoeker er evenwel op dat geenszins vaststaat dat de DACO als een afzonderlijke entiteit beschouwd moeten worden. Het zou voor de overheid ook mogelijk zijn om het geheel van de uitvoeringsdiensten van de Administratie der douane en accijnzen, waarvan de zetel in Brussel-Hoofdstad gevestigd is en waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt, te beschouwen als een entiteit waarvoor de regels in verband met de verdeling van de betrekkingen IX-907-21/23 over de onderscheiden taalkaders gelden. Volgens de verzoeker zouden met name de Nationale Opsporingsdirectie, de DACO en de Dienst voor nationale coördinatie van de beroepsopleiding als één geheel beschouwd moeten worden, in welk geval er geen 6, maar 10 betrekkingen op directieniveau zijn. Uitgaande van dat laatste cijfer, dat op zich niet betwist wordt door de verwerende partij, zouden dan niet enkel een Nederlands en een Frans kader opgericht moeten worden, maar ook een tweetalig kader. Uit de wet kan dus niet met zekerheid worden afgeleid of voor de DACO een tweetalig kader al dan niet moet worden vastgesteld. Meer in het algemeen is het niet mogelijk om uit de wet af te leiden hoe de plaatsen van de personeelsformatie over elk kader verdeeld moeten worden. Het stond aan de Koning om, ter uitvoering van de opdracht hem verleend bij artikel 43, § 3, van de gecoördineerde wetten, een besluit in de ene of de andere zin te nemen. De verwerende partij kan dan ook niet gevolgd worden in haar betoog dat de bestreden benoeming, ondanks het ontbreken van regelmatig vastgestelde taalkaders, toch gebeurd is met naleving van de criteria die in artikel 43 van de gecoördineerde wetten worden aangegeven in verband met de verdeling van de betrekkingen vanaf de graad van directeur en hoger over de taalkaders.
  59. Het derde middel is, in de hiervóór vermelde mate, gegrond. BESLISSING
  60. De Raad van State vernietigt het koninklijk besluit van 30 september 1997 waarbij André Van Goethem wordt benoemd tot adjunct-directeur bij de Diensten van algemene controle en organisatie van de Administratie der douane en accijnzen, met uitwerking op 1 januari 1997, doch enkel in zoverre het genoemde besluit hem een anciënniteit in de genoemde graad en in die van directeur bij een fiscaal bestuur verleent die teruggaat tot vóór 1 augustus
  61. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 173,53 euro. IX-907-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 januari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Paul Lemmens IX-907-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.230 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.