← België

Arrest 200235 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 28/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.235 Rolnummer: A. 92121/X-9578 Zaak: Arrest 200235 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 28/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-05 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-07-02 08:32 Fiche Arrest nr 200.235 van 28 januari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 200.235 van 28 januari 2010 in de zaak A. 92.121/X-

  1. In zake:
  2. de n.v. VINESCO,
  3. de n.v. AMSTO,
  4. Alexandra WYBO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Lindemans kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Karel VAN MARCKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het beroep, ingesteld op 25 mei 2000, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 29 oktober 1999 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Oudenaarde op het grondgebied van de gemeenten Brakel, Deinze, Gavere, Horebeke, Kluisbergen, Kruishouten, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Wortegem-Petegem, Zingem, Zulte en Zwalm. X-9578-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  6. Bij arrest nr. 183.933 van 6 juni 2008 worden de debatten heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek. Bij arrest nr. 191.744 van 24 maart 2009 worden de debatten heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek. Auditeur Tom De Waele heeft een tweede aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 december
  7. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joachim Honnay, die loco advocaat Dirk Lindemans verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Matthias Valkeniers, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. X-9578-2/15 III. Feiten 3.
  9. De verzoekende partijen zijn eigenaars van terreinen gelegen in de omgeving van het kasteel Piers de Raveschoot te Kruishoutem. De tussenkomende partij is sedert 1976 eigenaar en bewoner van dit kasteel. 3.
  10. Bij koninklijk besluit van 10 december 1973 wordt het kasteelgebouw beschermd als monument, en worden tegelijkertijd een aantal percelen die het kasteel omgeven gerangschikt als landschap. Ook de gronden van de verzoekende partijen maken deel uit van dit landschap. 3.
  11. Bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 wordt het gewestplan Oudenaarde vastgesteld. Het kasteel en bijbehorend park worden bestemd tot parkgebied, terwijl onder meer de gronden van de verzoekende partijen tot woonuitbreidingsgebied worden bestemd. 3.
  12. Met een koninklijk besluit van 17 december 1981 wordt aan de n.v. VINESCO en aan de n.v. BELIMCO, rechtsvoorganger van de n.v. AMSTO, machtiging verleend tot het uitvoeren van werken, nodig voor de verwezenlijking van de verkaveling van de binnen het beschermde landschap gelegen gronden. Ten verzoeke van onder meer de tussenkomende partij wordt dit besluit door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 33.367 van 9 november
  13. 3.
  14. Op 17 maart 1988 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen in beroep aan de verzoekende partijen n.v. VINESCO en n.v. AMSTO de vergunning om de gronden voor een oppervlakte van ruim 6 hectare te verkavelen in 38 bouwloten. Ook dit besluit wordt ten verzoeke van de tussenkomende partij door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 74.452 van 24 juni 1998, gelet op de eerdere vernietiging bij arrest nr. 33.367 van de machtigingsbeslissing van 9 november 1989 om van de verbodsbepalingen af te wijken, en op grond van de overweging dat “de bestreden beslissing het bij het rangschikkingsbesluit opgelegd verbod gebouwen op te richten en de aanleg van het park te wijzigen, schendt”. X-9578-3/15 3.
  15. Bij besluit van de Vlaamse regering van 7 juli 1998 wordt een ontwerpplan vastgesteld tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Oudenaarde, waarbij de gronden van de verzoekende partijen die zijn bestemd tot woonuitbreidingsgebied worden herbestemd tot landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 3.
  16. Tijdens het openbaar onderzoek over deze gewestplanherziening dienen de eerste en de tweede verzoekende partijen een bezwaarschrift in. De gemeenteraad van Kruishoutem adviseert op 26 april 1999 met betrekking tot de geplande bestemmingswijziging ongunstig. Op 29 april 1999 adviseert ook de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen ongunstig, stellende dat nergens uit blijkt dat de bestemmingswijziging “dringend” zou zijn, en dat met betrekking tot de potentiële aanwendingsmogelijkheden van het woonuitbreidingsgebied geen woonbehoeftestudie voorligt. Tijdens de vergadering van 27 augustus 1999 verklaart de streekcommissie van advies voor de ruimtelijke ordening zich, onder de titel “afstemming van landschappen en stadsgezichten/dorpsgezichten met de ruimtelijke bestemming”, akkoord met de wijziging, waarbij zij erop wijst dat het “bovendien gaat (...) om een deels geklasseerd landschap”. 3.
  17. Na het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State te hebben ingewonnen, wordt bij het thans bestreden besluit van 29 oktober 1999 van de Vlaamse regering het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Oudenaarde op het grondgebied van de gemeenten Brakel, Deinze, Gavere, Horebeke, Kluisbergen, Kruishouten, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Wortegem-Petegem, Zingem, Zulte en Zwalm, definitief vastgesteld. De bestemmingswijziging van de betrokken gronden van de verzoekende partijen van woonuitbreidingsgebied tot landschappelijk waardevol agrarisch gebied blijft behouden. In het besluit van de Vlaamse regering wordt met betrekking tot deze gronden het volgende overwogen: “Overwegende dat voor punt B110, Aaishovendries te Kruishoutem, de wijziging van woonuitbreidingsgebied naar landschappelijk waardevol agrarisch gebied inderdaad vooruitloopt op de gemeentelijke woningbehoeftestudie; dat deze wijziging in de eerste plaats een betere planologisch-juridische bescherming nastreeft van het historische waterbevoorradingssysteem in het gerangschikt landschap ter hoogte van de Aaishovendries; dat de wijziging bovendien uitvoering geeft aan de bindende X-9578-4/15 bepaling uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen over de behoefteverdeling aan bijkomende woongelegenheden tussen de stedelijke gebieden en het buitengebied; dat het gebied momenteel in gebruik is door de beroepslandbouw”. Van het besluit van de Vlaamse regering wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 maart 2000, waarbij tevens het advies van de streekcommissie wordt gepubliceerd. 3.
  18. Bij ministerieel besluit van 27 april 2002 wordt overgegaan tot de bescherming als monument van het kasteel met omliggend domein en het waterbevoorradingssysteem voor de kasteelwallen en -vijvers dat zich bevindt in de ondergrond van de percelen, eigendom van de verzoekende partijen. 3.
  19. Bij de arresten nr. 192.486 en 192.487 van 21 april 2009 worden de beroepen tot nietigverklaring ingesteld door de n.v. VINESCO, respectievelijk de n.v. AMSTO tegen het laatstvermelde beschermingsbesluit, verworpen. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
  20. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 6 E.V.R.M., van artikel 144 van de Grondwet, van het algemeen rechtsbeginsel van verbod van eigenrichting, van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair play beginsel en het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke grondslag, “doordat, eerste onderdeel, de bestreden beslissing aan de gronden van de n.v. VINESCO en de n.v. AMSTO een bestemming geeft, onder verwijzing naar feiten en gevolgtrekkingen - met name aanwezigheid in het gebied van het cultuurhistorisch waardevolle waterbevoorradingsysteem van de vijver van het kasteel Aaishove en de gevolgtrekking dat door bebouwing van dit gebied het bevoorradingssysteem zal dichtslibben, de vijver zal komen droog te staan en de houten funderingen van het kasteel zullen wegrotten.- die onjuist, minstens in het geheel niet zeker zijn, en de n.v. VINESCO en de n.v. AMSTO met de verwerende partij in een procedure voor de vrederechter zijn verwikkeld, waar onder meer de correctheid van deze feiten en de daaruit te trekken gevolgen ter sprake komt, en waar een deskundige is benoemd om het één en ander uit te zoeken. Terwijl de in het middel genoemde bepalingen er zich tegen verzetten dat een overheid die met een burger in een gerechtelijke procedure is verwikkeld X-9578-5/15 waarbij bepaalde feiten ter discussie staan en door de burger worden betwist, zonder dat deze betwisting kennelijk ongegrond is, een voor die burger zeer bezwarende beslissing neemt waarbij die feiten zonder enige nadere precisering voor waar worden aangenomen. En doordat, tweede onderdeel, de bestreden beslissing er van uitgaat dat de gronden in kwestie bestemd zijn voor de beroepslandbouw. Terwijl de in het middel genoemde bepalingen er zich tegen verzetten dat de overheid een beslissing neemt onder verwijzing naar een niet correct feit. TOELICHTING Uit de feitelijke uiteenzetting kan blijken dat de n.v. VINESCO en de n.v. AMSTO reeds gedurende enige jaren een betwisting hebben met een buurman over het bestaan en de draagwijdte van een beweerde erfdienstbaarheid, alsook over de gevolgen die het niet-uitoefenen van die erfdienstbaarheid met zich mee zouden brengen. Meer bepaald claimt de heer VAN MARCKE een erfdienstbaarheid van watervang en waterleiding op het erf van de n.v. VINESCO en de n.v. AMSTO, ten voordele van zijn eigen erf. Hij houdt daarbij voor dat het buiten werking stellen van het waterbevoorradingssysteem ernstige consequenties heeft voor zijn eigendom, en meer bepaald zal leiden tot het opdrogen van de kasteelvijver en de verrotting van de balken waarop het kasteel gebouwd is. De verwerende partij is in deze procedure tussengekomen, en heeft in deze procedure resoluut de partij gekozen van de heer VAN MARCKE, omdat - naar zij beweert - het geschil - en meer bepaald de gevolgen van het niet uitoefenen van de beweerde erfdienstbaarheid - onder meer gevolgen zou kunnen hebben voor de financiële verplichtingen van de verwerende partij. Hieruit blijkt dat er tussen de n.v. VINESCO en de n.v. AMSTO en de verwerende partij een geschil hangende is over burgerlijke rechten en plichten (een erfdienstbaarheid en de eventuele implicaties). Dit geschil is ondertussen aanhangig bij de daartoe bevoegde rechtbank (de Vrederechter van het kanton Kruishoutem), die ondertussen een deskundig onderzoek heeft bevolen. In het kader van dit deskundig onderzoek heeft de heer deskundige zijn voorverslag opgemaakt, waarin toch duidelijk wordt gemaakt dat de stelling van de n.v. VINESCO en de n.v. AMSTO niet geheel ongegrond is. De heer deskundige erkent dat er een waterbevoorradingssysteem bestaat, dat het ooit gewerkt heeft, maar dat het nu al jaren niet meer werkt, en dat het bovendien weinig zinvol is om het nog te herstellen. Aangezien het nu al jaren niet meer werkt en het kasteel hier geen nadelige gevolgen van ondervindt, blijkt eens te meer dat het waterbevoorradingssysteem niet meer nodig is voor het voortbestaan van het kasteel. Het aanhangig zijn van deze procedure, alsook het verloop van het deskundigenonderzoek heeft de verwerende partij er niet van weerhouden om een beslissing te nemen die gebaseerd is op haar stelling in deze gerechtelijke procedure. Deze beslissing vermeldt zelfs expliciet dat bebouwing op die plaats het voortbestaan van het kasteel in het gedrang brengt, en dit terwijl de n.v. VINESCO en de n.v. AMSTO steeds hebben voorgehouden dat dit niet het geval is. Op die manier poogt de verwerende partij zichzelf recht te verschaffen, en poogt zij het bestaande geschil tussen de verwerende partij en de verzoekende partij te beëindigen door de inzet van de procedure voor de n.v. VINESCO en de n.v. AMSTO - het kunnen beschikken van een onbezwaard stuk grond in een woonuitbreidingsgebied - weg te halen. X-9578-6/15 Nochtans dient een geschil over burgerlijke rechten en plichten te worden behandeld door de burgerlijke rechtbank, die daartoe de processuele beginselen van artikel 6 E.V.R.M. dient in acht te nemen. De imperiumbevoegdheid die aan de verwerende partij is toegekend, en die haar toelaat om de rechten en plichten eenzijdig te wijzigen, mag zij niet gebruiken, of eerder misbruiken door een geschil tussen haar en een rechtsonderhorige in haar voordeel te beslechten. Dit wordt soms wel eens verwoord als het ‘fair play’ beginsel, al neemt uw Raad deze woorden over het algemeen niet in mond. Niettemin heeft uw Raad het genoemde beginsel wel reeds gedefinieerd en omschreven, al oordeelde uw Raad dat het beginsel in dat geval niet geschonden was: ‘Overwegende dat er slechts een schending van het beginsel van de fair-play aanwezig is wanneer de overheid, te kwader trouw zijnde, tracht met ongeoorloofde middelen de verkrijging door de burger van zijn aanspraak te verhinderen of te bemoeilijken;’ Ook in andere arresten heeft uw Raad het fair play beginsel als een autonoom middel aanvaard. Het moge duidelijk zijn dat er hier een grove schending is van dit fair play beginsel, nu blijkt dat een overheid niet enkel een beslissing heeft genomen op grond van de betwiste feiten, maar ook een geleding van diezelfde overheid nog eens heeft nagelaten het bestaan van die betwisting te vermelden ten behoeve van andere geledingen van diezelfde overheid. Alle door uw Raad beschreven toepassingsvoorwaarden zijn in deze aanwezig: Ter kwader trouw: De overheid is in deze zeker ter kwader trouw, nu zij (zeker in hoofde van de geleding bevoegd voor monumenten en landschappen) zeker op de hoogte was van het bestaan van het geschil tussen de heer VAN MARCKE en haar zelf enerzijds, en de n.v. VINESCO en de n.v. AMSTO anderzijds. Zij was via het deskundig onderzoek tevens geïnformeerd over de diverse studies die werden uitgevoerd. Ongeoorloofde middelen : Een gewestplan dient niet om het onroerend goed van een buurman een betere bescherming te bieden, zodat het creëren van een bijkomende bescherming via een gewestplan een ‘ongeoorloofd middel’ is. Verkrijging door de burger van zijn aanspraak te verhinderen of te bemoeilijken: Door de bestreden beslissing wordt het de n.v. VINESCO en de n.v. AMSTO moeilijker gemaakt om zich te verweren in het geding dat hen stelt tegenover de heer VAN MARCKE en het Vlaamse Gewest. Het fair play beginsel is dan ook geschonden. Minstens kan er worden gezegd dat de overheid onzorgvuldig te werk is gegaan door enkel uit te gaan van één versie van de feiten, terwijl de overheid goed wist dat deze versie betwist werd. Het bestaan van deze betwisting werd niet eens vermeld, laat staan dat er gewacht werd op de uitkomst van het deskundig onderzoek. In dit kader kan ook worden verwezen naar de ruil die met betrekking tot deze gronden is uitgevoerd. X-9578-7/15 Wat het tweede onderdeel betreft, kunnen de verzoekende partijen zich ertoe beperken te verwijzen naar de feitelijke uiteenzetting, waaruit blijkt dat er in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt verwezen naar het feit dat de gronden in kwestie bestemd zijn voor de beroepslandbouw, terwijl dit niet het geval is”. Beoordeling 4.
  21. De gronden van de verzoekende partijen worden ingevolge het bestreden besluit herbestemd van woonuitbreidingsgebied tot landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 4.
  22. De streekcommissie van advies voor de ruimtelijke ordening heeft deze bestemmingswijziging in haar advies van 27 augustus 1999 gunstig beoordeeld, onder de titel “afstemming van landschappen en stadsgezichten/dorpsgezichten met de ruimtelijke bestemming”, en erop wijzend dat de gronden deel uitmaken van een geklasseerd landschap. De Vlaamse regering heeft daar in het bestreden besluit aan toegevoegd dat met de gewestplanwijziging “een betere planologisch-juridische bescherming” wordt geboden aan “het historische waterbevoorradingssysteem in het gerangschikt landschap ter hoogte van de Aaishovendries”. 4.
  23. Over de aanwezigheid van dit ondergronds waterbevoorradingssysteem bestaat geen betwisting. Of deze installatie nog werkt of nog kan werken blijkt echter geen bepalend element te zijn geweest bij het vaststellen van de planologische bestemming voor de betrokken gronden. De vaststelling dat de inrichting bestaat en dat ze mee deel uitmaakt van het beschermde landschap volstaat als voldoende draagkrachtig motief. 4.
  24. Het eerste middelonderdeel kan niet aangenomen worden. 4.
  25. Wat de verwijzing in het bestreden besluit naar het gebruik van de gronden “door de beroepslandbouw” betreft, kan met de tussenkomende partij worden aangenomen dat hiermee gerefereerd wordt aan het bestaande gebruik als weiland. Of dit weiland daadwerkelijk in een beroepslandbouwexploitatie kadert blijkt in de gegeven context geen doorslaggevend element te zijn geweest voor de gegeven bestemming. Bepalend blijkt te zijn geweest dat deze gronden nog een agrarische bestemming hebben en kunnen hebben. Dit wordt door de verzoekende partijen niet betwist. X-9578-8/15 4.
  26. Ook het tweede middelonderdeel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 4.
  27. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 1 en artikel 11 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, “Doordat de bestreden beslissing een bestemming oplegt omdat dit kadert in de beste bescherming van een ‘historisch waterbevoorradingssysteem’. Terwijl de in het middel genoemde bepalingen de overheid verbieden om een gewestplan vast te stellen en zo eigendomsbeperkingen op te leggen om andere redenen dan die vermeld in artikel 1 Stedenbouwdecreet, en met name uitsluitend om redenen die een eigen beschermingskader via de monumenten en landschapsregelgeving betreffen. TOELICHTING Artikel 1 van het Stedebouwdecreet bepaalt dat de ruimtelijke ordening wordt ontworpen ‘zowel uit economisch, sociaal en esthetisch oogpunt als met het doel het natuurschoon van het Vlaamse Gewest ongeschonden te bewaren’ In casu bepaalt de bestreden beslissing uitdrukkelijk het volgende: ‘dat deze wijziging in de eerste plaats een betere planologische-juridische bescherming nastreeft van het historisch waterbevoorradingssysteem in het gerangschikte landschap ter hoogte van de Aaishovendries’ De gewestplanwijziging is dus in de eerste plaats ingegeven door de bescherming van het ‘historisch waterbevoorradingssysteem’. De gewestplanwijziging is dus niet ingegeven door één van de door artikel 1 Stedenbouwdecreet erkende oogmerken. Het is zeker niet ingegeven vanuit economisch of sociaal oogmerk. Het is ook niet ingegeven vanuit een esthetisch oogmerk, omdat het waterbevoorradingssysteem, of althans de resten die er nog van aanwezig zijn, enerzijds voor het grootste deel niet zichtbaar is en anderzijds, voor het stuk dat wel zichtbaar is, bestaat uit onesthetische elementen zoals een filterhuisje en toezichtsputten. De bestreden beslissing is al evenmin ingegeven vanuit de bescherming van het natuurschoon, aangezien het waterbevoorradingssysteem uiteraard noch ‘schoon’ is noch deel uitmaakt van de ‘natuur’. De bestreden beslissing is dus in de eerste plaats ingegeven door redenen die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening. (...) Als de streekcommissie zich niet gebonden kan achten aan een ‘onzeker en toekomend feit’, dan kan zij zich ook niet gebonden achten aan een ‘onzeker betwist’ feit”. Beoordeling 4.
  28. Bij het onderzoek van het eerste middel werd reeds vastgesteld dat de streekcommissie van advies voor de ruimtelijke ordening de bestreden bestemmingswijziging naar landschappelijk waardevol agrarisch gebied in haar X-9578-9/15 advies van 27 augustus 1999 gunstig heeft beoordeeld, onder de titel “afstemming van landschappen en stadsgezichten/dorpsgezichten met de ruimtelijke bestemming”, waarbij zij erop heeft gewezen dat de gronden deel uitmaken van een geklasseerd landschap. De Vlaamse regering heeft daar in het bestreden besluit aan toegevoegd dat met de gewestplanwijziging inderdaad “een betere planologisch- juridische bescherming” wordt geboden aan “het historische waterbevoorradingssysteem in het gerangschikt landschap ter hoogte van de Aaishovendries”. 4.
  29. Er dient dan ook te worden vastgesteld dat de herbestemming van de gronden is ingegeven door landschappelijke en esthetische motieven, die kaderen in de doelstellingen opgesomd in de beginselbepaling van artikel 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
  30. 4.
  31. Het historische waterbevoorradingssysteem voor het kasteel van de tussenkomende partij maakt deel uit van dit landschap, is mede beschermd, en wordt mee opgenomen in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De verzoekende partijen betogen dan ook ten onrechte dat de bestreden beslissing zou zijn ingegeven door redenen die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening. Terecht wijzen de verwerende en de tussenkomende partij er ook op dat een planologisch initiatief waarbij gronden bestemd worden tot landschappelijk waardevol agrarisch gebied kan steunen op een besluit tot bescherming als landschap van diezelfde gronden, waaruit het landschappelijk waardevolle van het betrokken gebied blijkt. 4.
  32. Het middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 4.
  33. In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 13 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het gebrek aan de rechtens vereiste juridische grondslag, jo. artikel 159 van de Grondwet, van de artikelen 1 en 6 van de wet van 7 augustus 1931 op de X-9578-10/15 bescherming van de monumenten en landschappen, van het gewestplan Oudenaarde, vastgesteld bij koninklijk bersluit van 24 februari 1977, en van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, “Doordat, de bestreden beslissing er van uit gaat dat de betrokken gronden gelegen zijn in een beschermd landschap. Terwijl het K.B. van 10 december 1973 impliciet maar zeker voor de betrokken gronden is opgeheven door het bij KB. van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde, minstens dit K.B. onwettig is vastgesteld. TOELICHTING Luidens artikel 10 van het Stedenbouwdecreet dient een gewestplan de bestaande toestand aan te geven. De aanduiding van de bestaande toestand strekt er toe de overheid alsook de adviesverlenende instanties over de bestaande toestand te informeren. Uit deze verplichting blijkt duidelijk dat de overheid, alsook de adviesverlenende instanties, zich een correct oordeel dienen te vormen van de juridische toestand. In casu duidt het plan met de bestaande toestand geen beschermde monumenten of landschappen aan. Zowel de Streekcommissie als de bestreden beslissing hebben echter uitdrukkelijk met de bescherming als landschap rekening gehouden. Nochtans is de bescherming als landschap impliciet opgeheven door het gewestplan Oudenaarde, minstens is zij onwettig vastgesteld. Hiervoor kan worden verwezen naar wat werd gezegd in het kader van het belang”. Beoordeling 4.
  34. Krachtens artikel 13, tweede lid van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg gebeurt de gehele of gedeeltelijke opheffing of de wijziging van het besluit tot bescherming als landschap onder de voorwaarden en in de vorm, vastgesteld voor de bescherming, en blijven, tot de vaststelling van het besluit tot definitieve wijziging of opheffing van de bescherming als landschap, de rechtsgevolgen van het vorige besluit van kracht. Een definitief geworden besluit tot bescherming als landschap kan, als besluit met een individuele draagwijdte, bij gebreke aan enige uitdrukkelijke wettelijke bepaling, niet worden opgeheven door een later besluit met reglementair karakter, ook al worden door dat besluit erfdienstbaarheden van algemeen nut gevestigd die gelden, niet alleen voor de actuele, maar ook voor de toekomstige houders van zakelijke rechten. 4.
  35. Anderzijds kan de onwettigheid van een definitief geworden besluit tot bescherming als landschap, als besluit met een individuele draagwijdte, niet meer op grond van artikel 159 van de Grondwet worden ingeroepen. X-9578-11/15 4.
  36. Het middel is niet gegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 4.
  37. In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 11 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en van artikel 42 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, “Doordat de n.v. VINESCO en de n.v. AMSTO in het kader van het openbaar onderzoek een bezwaarschrift hebben ingediend, en zij in de bestreden beslissing noch in het advies van de streekcommissie kunnen merken dat hun bezwaar gelezen is geweest, laat staan dat er met deze bezwaren rekening is gehouden, Terwijl de wettelijke verplichting het voorlopig vastgesteld ontwerp-gewestplan aan een openbaar onderzoek te onderwerpen en de resultaten daarvan aan de streekcommissie voor advies voor te leggen, meebrengt dat de regionale commissie kennis moet nemen van de tijdens dat openbaar onderzoek op regelmatige wijze geformuleerde bezwaren en opmerkingen en ze moet onderzoeken en beoordelen. TOELICHTING De n.v. VINESCO en de n.v. AMSTO hebben beiden een uitgebreid bezwaarschrift ingediend, waarin ze onder meer hebben opgeworpen dat het waterbevoorradingssysteem niet meer van belang is voor het voortbestaan van het kasteel. De bezwaren worden door de Streekcommissie als volgt geclassificeerd: - ‘akkoord met voorstel: 91, 523, 526 - wijziging nadelig voor waterbevoorrading: 122, 123, 124, 125, 126 - is in strijd met BPA en kernversteviging: 122 - waardevermindering van gronden: 124, 126 - houdt geen rekening met nood aan bouwgronden: 125, 127 - voor behoud voorstel: 528’ Met de beste wil van de wereld kunnen de verzoekende partijen niet inzien welke van de vermelde bezwaarschriften die van hen zijn. Hieruit kan worden afgeleid dat de streekcommissie niet eens kennis heeft genomen van die bezwaarschriften, of deze niet goed heeft gelezen. Het middel is alleen al daarom gegrond. Bovendien worden de bezwaren als volgt weerlegd: ‘evaluatie: akkoord met de wijziging omwille van de motivering. Bovendien gaat het om een deels geklasseerd landschap.’ Nochtans moet de particulier in de tekst zelf van het advies - of van het besluit - een afdoend antwoord vinden op zijn bezwaarschrift, hetzij in een individuele stellingname, hetzij in een algemene richtlijn die op zijn individueel bezwaar begrijpelijk toepasselijk is. (...) Het is duidelijk dat de verzoekende partijen nergens in de bestreden beslissing of in het advies van de streekcommissie een antwoord kunnen lezen op hun bezwaar dat het waterbevoorradingssysteem al jaren buiten gebruik is”. X-9578-12/15 Beoordeling 4.
  38. Dat de samenvatting en kwalificatie van de inhoud van de bezwaarschriften van de verzoekende partijen door de commissie als “wijziging nadelig voor de waterbevoorrading” misschien niet adequaat moge zijn, neemt niet weg dat het standpunt van de commissie over deze bezwaren duidelijk is; ze worden verworpen omdat de gronden en het waterbevoorradingssysteem deel uitmaken van een beschermd landschap en het de bedoeling is de planologische bestemming van de terreinen beter af te stemmen op deze bescherming. Bovendien heeft de Vlaamse regering in het bestreden vaststellingsbesluit de nood aan “een betere planologisch-juridische bescherming (...) van het historische waterbevoorradingssysteem in het gerangschikt landschap ter hoogte van de Aaishovendries” benadrukt. 4.
  39. Er dient te worden vastgesteld dat de opgegeven motieven draagkrachtig zijn voor de doorgevoerde bestemmingswijziging, en verklaren waarom niet wordt ingegaan op de bezwaren geuit door de verzoekende partijen. 4.
  40. Het middel is niet gegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 4.
  41. In een vijfde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 7 van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning en de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, “Doordat de bestreden beslissing stelt dat zij uitvoering geeft aan de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen over de behoefteverdeling aan bijkomende woongelegenheden tussen de stedelijke gebieden en het buitengebied Terwijl de in het middel genoemde bepalingen de overheid verhinderen om uitvoering te geven aan bepalingen die in het geheel niet op die wijze dienen te worden uitgevoerd. TOELICHTING In de bestreden beslissing kan men het volgende lezen: ‘dat de wijziging bovendien uitvoering geeft aan de bindende bepaling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen over de behoefteverdeling aan bijkomende woongelegenheden tussen de stedelijke gebieden en het buitengebied;’ De bestreden beslissing stelt dus dat zij ‘uitvoering geeft’ aan de bindende bepalingen van het ruimtelijke structuurplan. X-9578-13/15 Ondanks het gebrek aan duidelijke situering hebben de verzoekende partijen de bewuste passage in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (in zijn integrale versie 594 pagina’s dik) kunnen situeren. Het gaat allicht om een passage op p 583-
  42. ‘BINDENDE BEPALINGEN IN VERBAND MET HET BUITENGEBIED
  43. VERDELING VAN DE BEHOEFTE AAN BIJKOMENDE WOONGELEGENHEDEN IN HET BUITENGEBIED Wat betreft de ruimtelijke verdeling van de geraamde behoefte aan bijkomende woongelegenheden tot 2007, moet de verdeling in het woongelegenhedenbestand anno 1991 tussen de stedelijke gebieden (gehele gemeenten of delen van gemeenten die behoren tot de stedelijke gebieden) en de gemeenten die tot het buitengebied behoren ten minste gehandhaafd worden. Dit betekent dat van de geraamde behoefte aan bijkomende woongelegenheden slechts een maximum aantal in het buitengebied mogen worden gerealiseerd. Binnen de geraamde behoefte aan bijkomende woongelegenheden in Vlaanderen wordt voor het buitengebied per provincie de volgende procentuele verdeling aangehouden: Provincie Maximum percentage te realiseren in de kernen van het buitengebied Antwerpen 35% Vlaams-Brabant 50% West- Vlaanderen 33% Oost Vlaanderen 39% Limburg 43% Vlaanderen (gemiddeld) 40% De provincie stelt in het provinciaal ruimtelijk structuurplan een kwantitatieve taakstelling inzake de bijkomende woongelegenheden op naar de gemeenten die tot het buitengebied behoren.’ Het valt niet in te zien hoe de bestreden beslissing op basis van deze passage kan stellen dat de gronden van de n.v. VINESCO en de n.v. AMSTO een bestemming moeten krijgen die woningbouw uitsluit. Integendeel, het creëren van bijkomende woongelegenheid in of aansluitend aan de kernen van het buitengebied is nog steeds mogelijk, al dient er per provincie voor te worden gezorgd dat de huidige verdeling minstens wordt gehandhaafd. De verdeling van de bijkomende woongelegenheden over de kernen van het buitengebied en het stedelijk gebied dient te worden vastgesteld in een ‘provinciaal ruimtelijk structuurplan’ Dit blijkt niet te zijn gebeurd. Door te stellen dat de bestreden beslissing uitvoering geeft aan de voormelde passage van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, stelt de bestreden beslissing eigenlijk dat zij de bijkomende woongelegenheden verdeelt over de kernen van het buitengebied en het stedelijk gebied. Deze verdeling is echter voorbehouden aan een provinciaal ruimtelijk structuurplan”. Beoordeling 4.
  44. Zoals uit de bespreking van de overige middelen is gebleken, vindt de bestreden bestemmingswijziging voldoende steun in het motief dat het aangewezen is de bestemming van de terreinen in overeenstemming te brengen met X-9578-14/15 de van toepassing zijnde beschermingsbepalingen ingevolge de rangschikking als landschap. 4.23 De verwijzing in het bestreden besluit naar het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen gebeurt slechts “bovendien”, hetgeen erop wijst dat het om een bijkomend motief gaat, dat in casu een overtollig karakter heeft gezien het afdoende en wettige karakter van de overige motieven. De eventuele onwettigheid van dit bijkomend motief kan niet tot de vernietiging van het bestreden leiden. 4.24 Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  45. De Raad van State verwerpt het beroep.
  46. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 520,60 euro, ieder voor een derde. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig januari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-9578-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.235 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.933 ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.744 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.