← België

Arrest 200241 - Tucht (openbaar ambt) - 28/01/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.241 Rolnummer: A. 140968/IX-3904 Zaak: Arrest 200241 - Tucht (openbaar ambt) - 28/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-04 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-07-02 08:32 Fiche Arrest nr 200.241 van 28 januari 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 200.241 van 28 januari 2010 in de zaak A. 140.968/IX-3904 In zake: Claude VAN RENTERGHEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Willy Van der Gucht kantoor houdend te Gent Sint-Denijslaan 201 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE HARELBEKE-DEERLIJK, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Arnoud Declerck kantoor houdend te Harelbeke Kortrijksesteenweg 387 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 29 augustus 2003, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 30 juni 2003 van de zonechef van de politiezone Gavers waarbij aan de verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd. II. Rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Henri Colin heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. IX-3904-1/21 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 maart
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Franky De Mil, die loco advocaat Willy Van Der Gucht verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Eva Roels, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Henri Colin heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker is ten tijde van de bestreden beslissing inspecteur van politie bij de politiezone Harelbeke-Deerlijk, ook de politiezone Gavers genoemd. 3.
  6. Tijdens de nacht van 28 februari op 1 maart 2003 doet de verzoeker als ploegchef van een interventie-eenheid de vaststellingen betreffende een aanrijding te Deerlijk. Naar aanleiding van een mondeling verslag van hoofdinspecteur Curd Servaege over de werkwijze van de verzoeker bij het verrichten van die vaststellingen, wijst de zonechef op 4 maart 2003 in zijn hoedanigheid van gewone tuchtoverheid commissaris van politie Dirk Dupont aan om een voorafgaand onderzoek in te stellen. Volgens de genoemde hoofdinspecteur zou de verzoeker zijn taken niet naar behoren hebben uitgevoerd, slordig zijn geweest met zijn aanteke- ningen en al dan niet bewust verkeerde notities hebben doorgegeven aan de officier van gerechtelijke politie met wachtdienst en de verwerkers van de processen- verbaal. IX-3904-2/21 3.
  7. Op 6 mei 2003 maakt de voorafgaand onderzoeker het verslag van zijn onderzoek over aan de gewone tuchtoverheid. Dat verslag luidt als volgt: “[...] Inlichtingen: Op 03.03.03 neemt de zonechef kennis van het mondeling verslag van Hinp. Curd Servaege in verband met de werkwijzen van Inp. Claude Vanrenterghem, nopens de vaststellingen van een aanrijding. Uit dit verslag blijkt: - Tijdens de nacht van 28.2.03 op 01.03.03 (vrijdag op zaterdagnacht) is Inp. Vanrenterghem, samen met zijn collega Inp. Vanhecke, van interventiedienst; Inp. Vanrenterghem is ploegchef; - Omstreeks 01u55’ worden zij via de dispatching naar de Kleine Brand- straat te Deerlijk gestuurd voor de vaststellingen van een aanrijding: door een bestuurder werd ter hoogte van OV-paal 944 een duiker aangereden, waarbij de duiker schade opgelopen heeft; - Van de vaststellingen wordt door Inp. Vanrenterghem een EAF opgesteld (aanrijding geregeld tussen de partijen), alhoewel één der partijen zijn akkoord niet kan geven en Inp. Vanrenterghem enkele weken voordien, voor identieke feiten, door CP Dupont vermaand werd om deze werkwijze niet toe te passen als één der partijen zijn akkoord niet kan geven; - Bij controle van de binnengeleverde stukken, met het oog op de opmaak van het PV door de verwerkers, wordt door Hinp. Servaege, Offr. Ger. Pol. met wachtdienst, vastgesteld dat het afgeleverd dossier onvolledig is en blijk geeft van slordig werk. Zo werd o.a. nergens vermeld dat er een takeldienst ter plaatse is gevraagd of dat de gegevens van de bestuurder in de bus van het gemeentebestuur van Deerlijk gepost werden; - Verder stelt Hinp. Curd Servaege vast dat volgens de afgeleverde stukken de bestuurder een negatieve ademtest aflegde op 01.03.03 om 02u05’ in het toestel Arel 0229
  8. Bij contactname met de bestuurder verneemt de Hinp. dat deze geen ademtest zou afgelegd hebben. Hij verifieert deze gegevens bij Inp. Vanhecke, die eveneens onwetend is over een negatieve ademtest. Uit het voorgaande moet blijken dat Inp. Vanrenterghem zijn opgedragen taken niet naar behoren uitvoert, slordig is met zijn aantekeningen en al dan niet bewust verkeerde notities doorgeeft aan de Offr. Ger. Pol. met wachtdienst en de PV-verwerkers. Op 17.03.03 horen wij: Curd Servaege, hoofdinspecteur van politie in de zone Gavers, in de hoedanigheid van wachtofficier, die verklaart: ‘Ik neem kennis van het onderzoek. Ik neem kennis van art. 25 van de tuchtwet van 13.05.
  9. Betreffende de feiten kan ik het volgende verklaren: tijdens de namiddag op 01/03/03 kreeg ik in de hoedanigheid van wachtofficier/OGP met dienst kennis van het dossier aangaande een aanrijding de nacht voordien te Deerlijk, Kleine Brandstraat. Het viel me op dat deze aanrijding door de verbalisanten als een 'onderlinge regeling' was afgehandeld, daar waar één der partijen, nl. het gemeentebestuur Deerlijk, als schadelijder, niet ter plaatse was. IX-3904-3/21 In een telefonisch gesprek met de bestuurder vroeg ik deze om dan ook maandag eerstkomend contact op te nemen met het gemeentebestuur van Deerlijk om de noodzakelijke gegevens uit te wisselen. In dit gesprek vroeg ik betrokkene terloops of hij een ademtest had afgelegd. Hij antwoordde hierop: 'ik heb niet moeten blazen, ik had immers niet teveel gedronken'. Niettegen- staande dit gegeven stelde ik vast dat in de schriftelijke notities van de verbalisanten vermeld staat dat betrokken bestuurder een ademtest had afgelegd om 02u05’ op 01.03.03 in het toestel Arel 0229 337 met een negatief resultaat. Hierop vroeg ik de bestuurder nog eens uitdrukkelijk of hij zeker was dat hij geen ademtest had afgelegd, waarop hij nogmaals 'ja' antwoordde. Daarop belde ik de verbalisant, wiens geschrift ik herkende als dit van Inp. Vanrenterghem, op. Ik kreeg geen aansluiting op zijn GSM. Vervolgens belde ik naar de 2/ verbalisant, Inp. Vanhecke, die me het volgende antwoordde: ‘dat hij zich gedurende de vaststellingen van de aanrijding had beziggehouden met de takeldienst, het invullen van het Europees aanrijdingsformulier en het opmaken van een brief met gegevens bestemd voor het gemeentebestuur Deerlijk, die hij daarop had gepost’. Dit alles gebeurde terwijl de verbalisant Vanrenterghem instond voor het invullen van hun technische vaststellingen. Volgens Vanhecke heeft hij die infodrager met notities van Vanrenterghem niet meer gezien en wist hij dus ook niet dat er sprake was van een negatieve ademtest. Gelet op het feit dat deze werkwijze een aantal vragen oproept, heb ik vervolgens de verantwoordelijke officier ingelicht en hem de notities bezorgd.’ [...] Op 20.03.03 om 11u horen wij: Claude Vanrenterghem, Inspecteur van politie, die verklaart: ‘Ik neem kennis van Uw mandaat en Uw opdracht. Ik neem kennis dat de feiten ten laste en ten ontlaste onderzocht worden. Ik neem kennis van het feit dat ik niet verplicht ben om in deze stand van het voorafgaand onderzoek een verklaring af te leggen. Ik neem kennis dat ik bij een gebeurlijke tuchtvervol- ging een verweerschrift kan neerleggen en kan verzoeken gehoord te worden. Ik neem kennis dat ik in elke stand van de eventuele procedure mij kan laten bijstaan of vertegenwoordigen tegelijk door een advocaat, een vertegenwoordi- ger van een erkende vakbondsorganisatie of een personeelslid. Ik neem kennis van het feit dat ik thans een verklaring afleg, buiten tuchtprocedure, en dat dit een verklaring is in een administratieve procedure. Betreffende de feiten kan ik het volgende verklaren: • Tijdens de nacht van 28.02.03 en 01.03.03, omstreeks 01u50’, zijn wij overgegaan tot de ambtshalve vaststelling van een aanrijding. Wij werden dus niet gestuurd door de dispatcher; • De aanrijding betrof een bestuurder die uit de bocht gegaan was tegen een duiker van de gemeente Deerlijk. Er was geen enkele discussie nopens de verantwoordelijkheid voor deze aanrijding, gezien de bestuurder tegen een vast obstakel gereden was, zonder betrokkenheid van derden; • Wij hebben overleg gepleegd en stelden voor om deze aanrijding af te handelen met een Europees Aanrijdings Formulier (EAF); • Inp. Vanhecke hielp bij het invullen van het EAF en ikzelf vulde de infodrager in; • Ik zie er persoonlijk geen probleem in om in dergelijk geval een EAF in te vullen, vooral met andere openbare besturen als schadelijder; er is trouwens een nota van het Parket van enige jaren terug die de afhandeling van aanrijdingen zonder gekwetsten stimuleert via een vereenvoudigd PV; IX-3904-4/21 • Uit ervaring, en ik heb dit reeds geverifieerd bij het gemeentebestuur Deerlijk, weet ik dat er vanuit dit bestuur geen probleem is om dergelijke zaken vlot af te handelen via een EAF en een VPV; • Betreffende de 'onvolledig' ingevulde infodrager: uit de praktijk blijkt dat er bij het opstellen van een proces-verbaal 'onderlinge regeling' nooit melding gemaakt wordt van het feit dat er al of niet een takeldienst ter plaatse kwam, uiteindelijk wordt het PV onderlinge regeling beperkt tot de identiteiten, gegevens voertuigen en de verzekerings- en schouwingsgegevens; • In de melding zelf van deze aanrijding, nl. melding 1580, staat de notitie van het uur van verwittiging van de takeldienst vermeld, daar waar wij radiofonisch ook het tijdstip van aankomst van de takeldienst en tijdstip van einde werkzaamheden van de takeldienst hebben doorgegeven; • Aan de postoverste werd eveneens medegedeeld dat wij de gegevens van de tegenpartij gepost hadden in de brievenbus van het gemeentebestuur Deerlijk, wat evenmin terug te vinden is in de melding ingevoerd door de PO; • Wat betreft de 'negatieve ademtest': Inp. Vanhecke vulde het EAF in. Ik was van plan een ademtest af te nemen en vulde daarom het toestelnummer en het tijdstip reeds in op de infodrager. Ik had reeds persoonlijk met de bestuurder gesproken en was geen alcoholgeur gewaargeworden, waardoor ik reeds de vermelding SAFE aanduidde. Echter tijdens de vaststellingen werden wij opgeroepen door de postoverste dat er nog interventies op de wachtlijst voor ons stonden, nl. de melding 1582 voor een dringend inbraakalarm; • Door deze melding en de dringendheid ervan en de takeldienst ter plaatse en er ook een verkeersregeling vandoen was, heb ik vergeten de ademtest effectief af te nemen; ik heb er toen ook niet meer aan gedacht om de gegevens op de infodrager aan te passen; • Inp. Vanhecke is inderdaad onwetend over de notities op de infodrager; • Ik zou trouwens het proces-verbaal dat opgesteld zou worden nopens deze aanrijding nooit getekend hebben, als het mij aangeboden werd ter onder- tekening, en ik zou vaststellen dat er een foute vermelding op stond; ik lees mijn PV namelijk kritisch na en geef regelmatig PV’s terug omdat één en ander niet klopt met mijn bevindingen, de OGP’s kunnen dit bevestigen; ik onderteken geen PV’s zonder deze na te lezen of die niet volledig weergeven wat ik bedoel; • Wat betreft de vermelding dat de infodrager slordig en onvolledig opge- maakt werd, kan ik verklaren dat voor wat betreft een VPV de infodrager alle nodige vermeldingen bevat; • Ik verzoek bij het dossier een kopie [te] steken van de infodrager en van de melding 1580 en
  10. Een aantal gegevens worden trouwens overgenomen van de melding om de infodrager te vervolledigen. Ik verwacht dus dat de postoverste een aantal gegevens bijhoudt die wij via de radiofonie doorge- ven en gebruiken deze later om de infodrager aan te vullen; in huidig geval kon ik zelfs bij het beëindigen van mijn dienst een aantal gegevens niet invullen gezien de postoverste ze evenmin bijgehouden had; • Ik wens te onderstrepen dat ik niet opzettelijk verkeerde gegevens betreffen- de de ademtest vermeld heb, maar dat dit berust op een vergetelheid van mijnentwege, waarvan ik de kans niet gehad heb om deze recht te zetten.’ [...] Op 02.05.03 verhoren wij de postoverste, Hoofdinspecteur Nancy Verbin- nen, nopens de aangehaalde opmerkingen in de verklaring van Inp. Vanrenterg- hem. IX-3904-5/21 Zij verklaart op 02.05.03 om 09u30’ in het Nederlands: ‘Ik neem kennis van het onderzoek Ik neem kennis van art. 25 van de tuchtwet van 13.05.
  11. Betreffende de feiten kan ik het volgende verklaren: ik was postoverste de nacht van 28.02 op 01.03.
  12. Omstreeks 01u50’ heb ik inderdaad radiofonisch melding gekregen van de ploeg Vanrenterghem dat ze de vaststellingen zouden verrichten van een aanrijding in de Kleine Brandstraat te Deerlijk. Het betrof een aanrijding zonder gekwetsten, waar ze tijdens de patrouille zelf op gereden waren. De ploeg vroeg mij ook een takeldienst te verwittigen, wat eveneens gebeurde. Ik voerde de gegevens die ik had reeds in, in de meldingsfiche. Ik herinner me niet dat de ploeg mij zou hebben laten weten dat de gegevens van de tegenpartij in de bus van het gemeentebestuur van Deerlijk zouden gepost zijn. Het klopt dat er omstreeks 02u35’ een oproep kwam voor een inbraakalarm en dat ik de ploeg Vanrenterghem daarmee belaste, gezien de andere bezet was voor een andere interventie. Nopens het invoeren van de gegevens: ik heb in de loop van de nacht, omstreeks 05u de ploeg Vanrenterghem radiofonisch gevraagd om binnen te komen met beide infodragers, gezien ik de gegevens diende aan te vullen. Het is trouwens opgelegd om na de interventie onmiddellijk de infodrager binnen te brengen bij de postoverste, wat hier niet gebeurde. Om 06u, bij het beëindigen van mijn dienst kwamen ze dan toch binnen, zich excuserend voor het feit dat ze over het hoofd gezien hadden dat de postoversten om 06u stoppen en niet om 07u zoals de ploegen.’ [...] Op heden 02.05.03 sluiten wij het voorafgaand onderzoek af. 1) Uit de notities van de verbalisanten, die blijkbaar opgesteld werden door Inp. Vanrenterghem, blijkt dat: - er in de Kleine Brandstraat te Deerlijk een duiker beschadigd werd, eigendom van het gemeentebestuur Deerlijk, door een personenwagen Honda Civic, bestuurd door [S.F.] uit [Z.]. Tevens is een kleine schets bijgevoegd en vermelden de verbalisanten dat de bestuurder een ademtest aflegde op 01.03.03 om 02u05’ in het toestel Arel 0229
  13. Het resultaat van die ademtest was ‘safe’. - er is geen melding gemaakt van het feit dat er een takeldienst ter plaatse kwam, dat de gegevens voor het gemeentebestuur Deerlijk in de brievenbus van het gemeentebestuur gedeponeerd werden en of het gemeentebestuur achteraf zou gecontacteerd worden ... e.d. - deze vaststellingen en notities, waarop men zich naderhand zal baseren om door de PV-verwerkers een proces-verbaal [te laten] opmaken, zijn zeer summier, onvolledig, oppervlakkig en zelfs niet correct. 2) Uit lezing van de verschillende verklaringen blijkt dat de ploeg Vanren- terghem de vaststelling ambtshalve verrichtte en niet door de postoverste gestuurd werd. Uit de stukken blijkt ook dat ongeveer 40 minuten na de melding aan de postoverste dat de vaststellingen van een VKO zouden verricht worden, er een oproep kwam voor een inbraakalarm en dat de tweede ploeg ondertussen ook bezet was, zodat de postoverste de ploeg Vanrenterghem IX-3904-6/21 daarmee belastte. Tevens blijkt dat er een takelwagen gevorderd werd en dat deze aan het takelen was, toen de oproep voor het inbraakalarm kwam. Deze omstandigheden kunnen eventueel in hoofde van Inp. Vanrenterghem als verzachtend aanzien worden, ware het niet dat de ploeg naderhand verzuimde om de infodrager binnen te brengen bij de postoverste, zoals korpsinstructies luiden. Integendeel, toen de postoverste om 06u haar dienst beëindigde, kwam de ploeg Vanrenterghem pas binnen met de twee infodra- gers, zodat het verwijt aan de postoverste dat de gegevens niet correct ingevoerd werden in de meldingsfiche faalt. De korpsinstructies zijn duidelijk: na de vaststellingen dient de ploeg onmiddellijk alle gegevens te bezorgen aan de postoverste, die eventueel verder kan beslissen welke ambtsverrichtingen nog moeten vervuld worden door de ploeg, zodat geen voor de hand liggende opdrachten uitgesteld moeten worden tot op een later tijdstip. De korpsinstructies m.b.t de infodrager zijn eveneens duidelijk: deze wordt volledig ingevuld door de ploeg op de plaats van de vaststellingen en niet naderhand op het commissariaat a.d.h.v. de meldingsfiche. Er kan dan ook niet anders besloten worden dan dat de feiten, zoals omschreven in de tenlastelegging, vaststaan: de infodrager werd slordig ingevuld, bevatte niet-correcte gegevens en werd zonder nazicht ingeleverd voor verwerking. Dat het PV niet zou getekend worden omwille van foute vermeldingen doet hier niets ter zake. Conclusie: De feiten zoals omschreven in de tenlastelegging lijken vast te staan. De feiten maken een tuchtvergrijp uit gelet op art. 3 van de tuchtwet, nl. handeling die een tekortkoming aan de beroepsplicht uitmaakt.” 3.
  14. Met een op 19 mei 2003 gedateerd inleidend verslag deelt de gewone tuchtoverheid aan de verzoeker mee dat zij het voornemen heeft hem de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. Op 12 juni 2003 dient de raadsman van de verzoeker een verweerschrift in. Op 27 juni 2003 wordt de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, door de gewone tuchtoverheid gehoord. 3.
  15. Middels een op 30 juni 2003 gedateerd document “Tucht - kennisgeving van een lichte tuchtstraf (GTO)” deelt de gewone tuchtoverheid aan de verzoeker haar beslissing mee om hem de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IX-3904-7/21 Het genoemde document zet “de feiten, omstandigheden en gevolgen” op dezelfde wijze uiteen als het verslag van de voorafgaand onderzoeker en het inleidend verslag. Met betrekking tot “[het] vaststaan, [de] kwalificatie en [de] toerekening van de feiten” stelt dit document: “Gelet op de elementen vervat in het dossier van de voorafgaand onderzoe- ker en de argumentatie vervat in het inleidend verslag, integraal deel uitmakend van huidige motivering; Gelet op het verweerschrift, ingediend in naam van de Hr. C. Vanrenterghem door zijn verdediger Mtr. W. Van der Gucht; Overwegende dat dit verweerschrift integraal deel uitmaakt van het dossier; Gelet op het PV van verhoor, dd. 27.06.03, getekend door de Hr. C. Vanrenterghem; Gelet op de mondelinge toelichting ter hoorzitting gegeven door de verdediger van de Hr. Vanrenterghem, Mtr. V. De Clercq, loco Mtr. W. Van der Gucht; Overwegende dat de verdediging van C. Vanrenterghem als volgt kan samengevat worden: • er was geen opzet om verkeerde gegevens op de infodrager te vermelden: • C. Vanrenterghem is volledig te goeder trouw en kan zich beroepen op de omstandigheden die de materiële vergissing rechtvaardigen; • de infodrager is geen officiële akte, zoals een PV dat wel is; • het PV zou door C. Vanrenterghem niet zijn ondertekend, maar terugge- stuurd voor correctie; • bij een PV onderlinge regeling wordt niet vermeld dat er een takeldienst ter plaatse kwam; • korpsinstructies m.b.t. de werkwijze i.v.m. infodragers dienen voorgelegd; • de infodrager bevatte alle gegevens om een PV-onderlinge regeling op te maken; • eventuele fouten bij het invullen van een infodrager kunnen niet aanzien worden als een tekortkoming aan de beroepsplicht, gezien de infodrager geen officiële akte is en niet de juridische draagwijdte heeft die een PV wel heeft; • de zone Gavers is de enige die deze werkwijze toepast en is daarvoor reeds bekritiseerd door de Procureur des Konings; Uit het PV van verhoor kan nog samengevat worden: • er komen regelmatig fouten voor bij het verwerken van de infodragers, deze worden naderhand rechtgezet en niemand wordt daarvoor tuchtrechterlijk vervolgd; • er zijn verzachtende omstandigheden: de tweede oproep; takeldienst; verkeersregeling; ... • er wordt met twee maten en gewichten gewerkt; IX-3904-8/21 • éénmaal één fout maken is geen boycot van een systeem en lijkt miniem om een tuchtstraf op te leggen; • de infodrager bevatte alle gegevens om het PV op te stellen en de fout zou tijdig rechtgezet worden; Overwegende dat daarop als volgt kan worden geantwoord: • het systeem van PV-verwerking via de infodragers werd reeds uitvoerig en bij herhaling kenbaar gemaakt aan de medewerkers, schriftelijk via korpsorders, mondeling via de maandelijkse coördinatievergaderingen en opnieuw schriftelijk via de interne mail; deze onderrichtingen vermelden steeds dat de infodrager ter plaatse opgemaakt wordt, volledig en duidelijk opgemaakt wordt en tijdig aan de postoverste bezorgd wordt. Het bestaan van die onderrichtingen ontkennen is niet ernstig. Een aantal schriftelijke neerslagen worden evenwel door de gewone tuchtoverheid voorgelegd aan de Hr. Vanrenterghem en zijn verdediger ter gelegenheid van het verhoor. • de gewone tuchtoverheid herhaalt, voor zover als nodig, dat het niet opgaat te stellen dat de agenten hun eigen PV’s niet zelf mogen maken: immers de PV-verwerkers, die administratieve medewerkers zijn, doen niet anders dan het dossier samenstellen aan de hand van de door de verbalisanten ingedien- de gegevens. De agenten kunnen zelfs hun vaststellingen of relevante gegevens invoeren in de computer in hun eigen bewoordingen, de admini- stratief medewerker doet niet anders dan de administratieve afwerking; kritiek van de Procureur des Konings terzake is ons onbekend; • er wordt door de verdediging een amalgaam gemaakt tussen de ‘waarde’ van een infodrager en een proces-verbaal en de gevolgen naar tuchtrechtelijke inbreuken; ook dit is niet ter zake doend: C. Vanrenterghem wordt hier niet vervolgd wegens valsheid in geschriften, maar wel wegens het niet naleven van korpsinstructies die hem duidelijk kenbaar gemaakt werden, wat uiteraard wel onder de noemer tuchtvergrijpen kan gebracht worden; • dat de materiële fout in de infodrager -het opleggen van een ademtest, terwijl dit niet het geval blijkt- niet opzettelijk begaan werd, maar het gevolg is van omstandigheden, wordt door de gewone tuchtoverheid zelf aanvaard en wordt meegenomen in de beoordeling van de feiten; het vermelden van de uitslag van een niet opgelegde ademtest daarentegen kan niet geminimali- seerd worden - dit is een verkeerd gegeven op een belangrijk document dat onverantwoord neergeschreven werd; • dat alle gegevens op de infodrager aanwezig waren om een PV-onderlinge regeling op te stellen wordt niet betwist, de infodrager dient echter om meer dan als enkel de basis voor het PV: alle relevante gegevens van de vaststel- lingen -ook deze die niet strikt noodzakelijk dienen voor het opmaken van het PV- dienen vermeld te worden om daar later te kunnen geraadpleegd worden; • dat het proces-verbaal met de foute gegevens naderhand niet zou getekend worden en worden teruggestuurd voor correctie doet niets ter zake; • bijgevolg is er, gezien voormelde motieven en gezien de vaststaande inbreuk op art. 3 tuchtwet, reden tot het opleggen van een tuchtstraf; • gelet op de feiten, het inleidend verslag en de verdediging; • overwegende dat de tuchtoverheid bij het nemen van een tuchtsanctie toepassing moet maken van het evenredigheidsbeginsel; • dat betreffende de strafmaat derhalve nog volgende motieven in rekening worden gebracht: het ontbreken van voorgaande tuchtmaatregelen en de omstandigheden van tijdsdruk waardoor de ademtest niet opgelegd werd; • overwegende dat om deze redenen de tuchtstraf blaam in evenredigheid is met de feiten.” IX-3904-9/21 IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Standpunt van de partijen
  16. De verzoeker voert in een enig middel de schending aan van artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsle- den van de politiediensten (hierna: de tuchtwet), alsook van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het redelijkheidsbeginsel en van het evenredigheidsbeginsel. De verzoeker betoogt dat de tuchtoverheid ingevolge artikel 3 van de tuchtwet dient aan te tonen dat de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan een handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen. Vermits de feiten die aan de verzoeker ten laste worden gelegd louter van interne aard zijn, kan er geen sprake van zijn dat hij de waardigheid van zijn ambt in het gedrang heeft gebracht. De verwerende partij, zo stelt de verzoeker, moet dan ook aantonen dat hij handelingen heeft gesteld die een tekortkoming aan zijn beroepsplichten uitmaken. De verzoeker stelt dat ten minste een deel van de ten laste gelegde feiten hem ten onrechte worden verweten. Zo werd de oproeping van de takeldienst gedaan door de postoverste en niet door de verzoeker. Het was dan ook aan de postoverste om dit gegeven te vermelden op de meldingsfiche, wat zij echter niet heeft gedaan. De verzoeker wijst erop dat ook het tijdstip van aankomst van de takeldienst en het tijdstip van beëindiging van de werkzaamheden radiofonisch aan de postoverste werden gemeld, evenals het feit dat de gegevens betreffende de bestuurder van de wagen werden gedeponeerd in de brievenbus van het gemeentebe- stuur van Deerlijk, zodat hij ervan mocht uitgaan dat deze elementen op de meldingsfiche zouden worden vermeld, wat niet het geval blijkt te zijn geweest. Voorts laat de verzoeker gelden dat een proces-verbaal “onderlinge regeling” enkel de identiteit van de betrokkenen, de verzekerings-, keurings- en overige voertuiggegevens vermeldt, maar niet of er al dan niet een takelwagen ter plaatse is gekomen. De door de verzoeker ingevulde infodrager IX-3904-10/21 bevatte dan ook alle noodzakelijke gegevens voor het opstellen van een proces- verbaal, wat in de motivering van de bestreden beslissing wordt erkend. Daarenbo- ven dient de infodrager enkel als basis voor het opstellen van het proces-verbaal, zodat, gelet op het beperkte belang van de infodrager, de vraag rijst of tekortko- mingen bij het invullen daarvan als tekortkomingen aan de beroepsplichten kunnen worden beschouwd, die het opleggen van een tuchtstraf rechtvaardigen. De verzoeker merkt in dat verband op dat hem wordt verweten instructies betreffende het gebruik van de infodrager niet te hebben nageleefd, zonder dat de tuchtoverheid preciseert over welke instructies het gaat. Het gebruik van de infodrager is bovendien specifiek aan de politiezone Gavers, zodat het volgens de verzoeker niet passend is hem tuchtrechtelijk te veroordelen voor het niet correct uitvoeren van een handelwijze die op zich eerder uitzonderlijk is. Meer nog, aangezien de tuchtoverheid in de motivering van de bestreden beslissing niet aantoont dat zij de verzoeker of een andere agent reeds op de vingers heeft getikt voor een foutief gebruik van de infodrager en men daaruit mag concluderen dat dit nog niet is voorgevallen, is het niet redelijk dat een eerste onzorgvuldigheid bij het gebruik van de infodrager al meteen tuchtrechtelijk wordt bestraft. De verzoeker benadrukt dat de infodrager, in tegenstelling tot het proces-verbaal, een niet-officiële akte is zonder enige juridische draagwijdte, zodat het belang ervan moet worden gerelativeerd. Foutieve vermeldingen op de infodrager kunnen nog worden rechtgezet in het proces-verbaal. Te dezen bevatte de infodrager overigens alle nuttige elementen om een proces-verbaal zonder enige foutieve vermelding op te stellen. Ten slotte wijst de verzoeker op omstandigheden die de foutieve vermeldingen in de infodrager kunnen rechtvaardigen. Hij vermeldt dat tijdens de vaststelling van het verkeersongeval een dringende oproep werd ontvangen voor een inbraakalarm. Ten gevolge daarvan is hij niet meer kunnen overgaan tot het afnemen van de ademtest en heeft hij niet meer de mogelijkheid gehad om de infodrager correct en volledig in te vullen. De verzoeker besluit dat van een in redelijkheid oordelende overheid mag worden verwacht dat zij voor de voormelde feiten van beperkt belang in eerste instantie zou overgaan tot een terechtwijzing van de betrokken ambtenaar, eerder dan tot het opleggen van een tuchtsanctie. IX-3904-11/21 5.
  17. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat tijdens de tuchtprocedure onomstotelijk is komen vast te staan dat de verzoeker tijdens zijn interventiedienst in de nacht van 28 februari 2003 op 1 maart 2003 een aantal handelingen heeft gesteld die een tekortkoming aan zijn beroepsplichten inhielden. 5.
  18. Zij wijst er vooreerst op dat de verzoeker geen Europees aanrijdingsformulier “onderlinge regeling” had mogen invullen, vermits één van de partijen, met name de gemeente Deerlijk, eigenaar van de aangereden en beschadig- de duiker, niet aanwezig was. De verzoeker diende als politie-inspecteur op de hoogte te zijn van de regels en instructies betreffende het juist gebruik van het voormelde aanrijdingsformulier en hij was er eerder reeds voor op de vingers getikt, zodat zijn volharding in de boosheid moet worden beschouwd als een tekortkoming aan zijn beroepsplichten. 5.
  19. Voorts laat de verwerende partij gelden dat de verzoeker heeft nagelaten verscheidene gegevens te vermelden op de infodrager, namelijk de tussenkomst van de takeldienst en het deponeren van de gegevens betreffende de bestuurder in de brievenbus van de gemeente Deerlijk. Ook op deze wijze is de verzoeker ernstig te kort gekomen aan zijn beroepsplichten. Volgens de verwerende partij werden de agenten van het korps nochtans regelmatig gewezen op het belang van het correcte gebruik van de infodrager. Zo werd tijdens de coördinatievergadering van 5 november 1998, waarop de verzoeker aanwezig was, het volgende meegedeeld met betrekking tot de afhandeling van interventies en de verwerking van processen-verbaal: “- Er wordt nogmaals op aangedrongen opdat iedereen strikt de richtlijnen i.v.m. de interventieafhandeling en PV-verwerking zou naleven. - Als er zich problemen zoals vertraging in de afhandeling of verwerking voordoen, dan is het gewoonlijk omdat men die richtlijnen niet volgt. - Telkens men naar een interventie gaat of een klacht of aangifte noteert, dan krijgt men ook een infodrager (= farde) [...]. - Als U iets om een of andere reden niet volledig hebt kunnen afwerken, schrijf dit op die infodrager. Bvb.: U hebt bij een VKO een inzittende getuige of gekwetste niet kunnen verhoren omdat U weggeroepen werd voor een of andere zaak, schrijf dat dan op die infodrager; zo zal men niet denken dat U uw werk maar half gedaan hebt. - Wilt U om een of andere reden een begonnen zaak zelf verder afhandelen, schrijf dat ook op de infodrager; de OGP of OBP met dienst zal dan -in het belang van een vlotte verdere afhandeling van het onderzoek- oordelen of er op die vraag kan ingegaan worden. [...] IX-3904-12/21 - Hoe meer mensen er op verschillende momenten samenwerken, hoe minder ze van elkaar afweten. Noteer daarom alles op de infodragers. Zo is iedereen op eender welk moment op de hoogte van de stand van een onderzoek.” De verwerende partij verwijst tevens naar een interne mail van 20 juni 2002 vanwege de politiecommissaris aan alle operationele agenten, die onder meer het volgende stelt: “Daarbij nog enkele tips om een vlot verloop mogelijk te maken.
  20. Vul de infodrager ter plaatse en onmiddellijk in.
  21. Vul de data van de infodrager zo volledig mogelijk in.
  22. Schrijf duidelijk. Zonodig alles in blokletters als het eigen geschrift niet duidelijk genoeg is.
  23. Vaststellingen: geen herhalingen van wat reeds in de andere datavelden ingevuld is - bondig, maar volledig.” De verwerende partij haalt ten slotte een interne nota van 19 mei 2003 aan, die stelt: “
  24. De vaststellers vullen hun infodrager in ter plaatse en zo volledig mogelijk Dat laat toe om de exacte informatie zo correct mogelijk vast te leggen.
  25. De vaststellers geven hun infodrager zo spoedig mogelijk af bij de postoverste. De postoverste kan dan, naargelang de werkplanning, nazien of bepaalde verrichtingen onmiddellijk kunnen gebeuren of dat deze naar een later tijdstip worden geplaatst.
  26. De interventieploeg bevindt zich slechts de hoogst nodige tijd op het secretariaat.” De verzoeker kan, zo stelt de verwerende partij, derhalve niet ontkennen dat hij geen kennis had van deze instructies die hij flagrant heeft miskend. Waar de verzoeker stelt dat de gegevens die niet werden ingevuld, radiofonisch aan de postoverste werden gemeld, repliceert de verwerende partij dat zulks niet blijkt uit de meldingsfiche die de postoverste heeft opgemaakt, terwijl de postoverste uitdrukkelijk heeft verklaard zich niet te herinneren dat haar werd meegedeeld dat de gegevens betreffende de bestuurder waren gedeponeerd in de bus van het gemeentebestuur van Deerlijk. 5.
  27. De verwerende partij vervolgt dat de vermelding van foutieve gegevens op de infodrager eveneens een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt. Zij verwijst daarbij naar de vermelding “safe” bij de ademtest, terwijl achteraf is gebleken dat deze test niet werd afgenomen bij de betrokken bestuurder. IX-3904-13/21 Het feit dat de ploeg van de verzoeker voor een nieuwe vaststelling werd weggeroe- pen, rechtvaardigt het foutief invullen van de gegevens betreffende de ademtest niet, aangezien de verzoeker pas 40 minuten na de vaststelling van de aanrijding werd belast met de nieuwe vaststelling. Hoe dan ook, zo stelt de verwerende partij, is er geen enkel excuus voorhanden voor het vermelden van de uitslag van een nooit afgenomen ademtest. De verwerende partij wijst erop dat er richtlijnen zijn om in de infodrager de redenen te vermelden waarom men het invullen van die infodrager niet volledig kan afwerken. De verzoeker vond het blijkbaar niet nodig dat te doen, zelfs niet bij het binnenbrengen van de infodrager. Het belang van de gegevens op de infodrager mag volgens de verwerende partij niet worden geminimaliseerd. In het geval van een positieve ademtest bestaat immers de mogelijkheid tot strafrechtelijke vervolging en zijn er potentiële gevolgen voor de verzekering van de betrokkene. Door het onnauwkeurig en foutief invullen van de infodrager heeft de verzoeker daarenboven de toepasselij- ke korpsinstructies miskend. De verzoeker kan niet ernstig voorhouden dat hij daarvan niet op de hoogte was. 5.
  28. Op de aangevoerde schending van de formele motiveringsplicht antwoordt de verwerende partij dat de genoemde motiveringsplicht bij het opleggen van een tuchtstraf vereist dat uit de motivering blijkt welke feiten worden bestraft, waarom de feiten als tuchtfeiten worden gekwalificeerd en waarom een bepaalde straf wordt opgelegd. Volgens de verwerende partij voldoet de bestreden beslissing hieraan op alle vlakken. 5.
  29. Op de aangevoerde schending van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel, antwoordt de verwerende partij dat, rekening houdend met de verschillende ten laste gelegde en bewezen feiten, een lichte tuchtstraf zeker niet onredelijk is.
  30. In zijn memorie van wederantwoord herhaalt de verzoeker dat de formele motiveringsplicht is geschonden, doordat in de bestreden beslissing niet wordt aangetoond dat hij handelingen heeft gesteld die een tekortkoming uitmaken aan zijn beroepsplichten. Hij laat nog gelden dat de omstandigheid dat de postoverste bepaalde gegevens niet heeft vermeld op de meldingsfiche, niet bewijst dat die gegevens haar niet door de verzoeker en zijn collega werden meegedeeld. In IX-3904-14/21 de instructies die door de verwerende partij zijn neergelegd, wordt bovendien slechts benadrukt dat de infodrager steeds zo volledig mogelijk moet worden ingevuld. Zeer concreet zijn die instructies dus niet. De door de verzoeker opgestelde infodrager bevatte alle gegevens die noodzakelijk waren voor het opstellen van het proces- verbaal, wat door de verwerende partij niet wordt ontkend. Dat ook gegevens die niet strikt noodzakelijk zijn voor het opmaken van het proces-verbaal moeten worden vermeld op de infodrager om later te kunnen worden geraadpleegd, is voor de verzoeker een nieuw gegeven, dat niet blijkt uit de neergelegde instructies. Deze instructies vermelden bovendien dat de infodrager ten laatste bij het beëindigen van de dienst moet worden afgegeven, wat de verzoeker heeft gedaan. De verzoeker betoogt voorts dat, in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij in haar memorie van antwoord voorhoudt, hem niet tuchtrechtelijk ten laste is gelegd dat hij een Europees aanrijdingsformulier heeft ingevuld. Volgens de verzoeker spreekt de verwerende partij zich tegen wanneer zij enerzijds in de bestreden beslissing stelt dat de materiële fout in de infodrager niet opzettelijk werd begaan en zij anderzijds de verzoeker sanctioneert omdat hij de korpsinstructies dienaangaande zou hebben miskend. Ten slotte wordt niet bewezen dat de verzoeker al eerder op de vingers is getikt voor een foutieve aanwending van de infodrager.
  31. In haar laatste memorie betoogt de verwerende partij dat aan de verzoeker een tuchtstraf werd opgelegd voor

(1)het gebruik van een Europees aanrijdingsformulier in omstandigheden waarin dit niet was toegelaten,
(2)het onvolledig en slordig invullen van de infodrager, doordat niet werd vermeld dat een takeldienst werd gevorderd en dat het aanrijdingsformulier werd gepost in de brievenbus van het gemeentebestuur van Deerlijk, en
(3)het vermelden van foutieve informatie op de infodrager, doordat ten onrechte werd melding gemaakt van het afnemen van een ademtest met als resultaat “safe”. Het zonder nazicht en laattijdig inleveren van de infodrager is volgens haar geen afzonderlijke tenlastelegging. De verwerende partij laat in hoofdorde gelden dat alle daadwerkelijk ten laste gelegde feiten vaststaan en terecht als een tuchtvergrijp werden gekwalificeerd. Zij voegt eraan toe dat indien de Raad van State zou aannemen dat het invullen van een Europees aanrijdingsformulier niet aan de verzoeker ten laste werd gelegd, zij in ondergeschikte orde laat gelden dat de tuchtstraf dan uitsluitend werd opgelegd wegens het onvolledig en foutief invullen van de infodrager en dat moet worden vastgesteld dat de infodrager alleszins foutieve gegevens vermeldde met betrekking tot een ademtest die niet werd uitgevoerd. Dit vaststaande feit werd -zo stelt de verwerende partij- terecht als een inbreuk op de beroepsplichten gekwalificeerd en is op zich een rechtsgeldige grondslag voor het opleggen van de blaam. IX-3904-15/21 Beoordeling
  1. In de bestreden beslissing wordt onder punt 6 (“Beslissing”) gesteld dat aan de verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd “voor de feiten vervat in punt 2”. Onder punt 2 (“Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen”) wordt de inhoud weergegeven van het mondelinge verslag van hoofdinspecteur Curd Servaege aan de zonechef, dat aanleiding gaf tot het opstarten van een voorafgaand onderzoek. Daarin wordt onder meer melding gemaakt van het feit dat de verzoeker een Europees aanrijdingsformulier had ingevuld, niettegen- staande hij enkele weken voordien was aangemaand om deze werkwijze niet toe te passen wanneer één van de partijen zijn akkoord niet kan geven. Onder punt 5 van de bestreden beslissing (“Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten”) wordt verwezen naar “de elementen vervat in het dossier van de voorafgaand onderzoeker en de argumentatie vervat in het inleidend verslag, integraal deel uitmakend van huidige motivering”. In zijn verslag concludeert de voorafgaand onderzoeker “dat de feiten, zoals omschreven in de tenlastelegging, vaststaan: de infodrager werd slordig ingevuld, bevatte niet-correcte gegevens en werd zonder nazicht ingeleverd voor verwerking”. In die conclusie is geen sprake van het invullen van een Europees aanrijdingsformulier, evenmin trouwens als in de aan die conclusie voorafgaande vaststellingen die werden afgeleid uit het voorafgaand onderzoek. In het inleidend verslag, waarin onder punt 4 (“Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten”) wordt verwezen naar “de feitelijke elementen vervat in het dossier van de voorafgaand onderzoeker”, is er van het invullen van een Europees aanrijdingsformulier ook geen sprake, vermits onder dat punt woordelijk slechts de vaststellingen en de conclusie van de voorafgaand onderzoeker worden overgenomen. Het standpunt van de verwerende partij dat het invullen van een Europees aanrijdingsformulier mede aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van de tuchtstraf, vindt dan ook geen steun in de stukken van het dossier. IX-3904-16/21 9.
  2. In het inleidend verslag wordt vooreerst als vaststaand en tuchtrechtelijk laakbaar feit aan de verzoeker ten laste gelegd dat hij de infodrager slordig heeft ingevuld, met name omdat hij geen melding heeft gemaakt van het feit dat een takeldienst ter plaatse is gekomen, noch van het feit dat de gegevens betreffende de bestuurder in de brievenbus van het gemeentebestuur van Deerlijk werden gedeponeerd. Daaraan wordt toegevoegd dat de korpsinstructies met betrekking tot de infodrager duidelijk zijn: “deze wordt volledig ingevuld door de ploeg op de plaats van de vaststellingen en niet naderhand op het commissariaat aan de hand van de meldingsfiche”. 9.
  3. In het verslag van een coördinatievergadering van 8 januari 1998 wordt gesteld dat het noodzakelijk is, om een vlotte en exacte verwerking van de processen-verbaal te verkrijgen, dat de vaststellers van de feiten de “PIP-formulie- ren” volledig en duidelijk geschreven inleveren. In het verslag van een coördinatievergadering van 5 november 1998 wordt er nogmaals op aangedrongen dat iedereen strikt de richtlijnen in verband met de interventie-afhandeling en PV-verwerking zou naleven, en wordt onder meer gesteld: “Hoe meer mensen er op verschillende momenten samenwer- ken, hoe minder ze van elkaar afweten. Noteer daarom alles op de infodragers. Zo is iedereen op eender welk moment op de hoogte van de stand van een onderzoek”. In een e-mail van 20 juni 2002 van de politiecommissaris aan alle operationele personeelsleden worden een aantal tips gegeven om een vlot verloop van de verwerking van de processen-verbaal mogelijk te maken, waaronder: “vul de infodrager ter plaatse en onmiddellijk in” en “vul de data van de infodrager zo volledig mogelijk in”. In een niet ondertekende “interne nota” van 19 mei 2003 ten slotte wordt “ter herinnering” gesteld: “de vaststellers vullen hun infodrager in ter plaatse en zo volledig mogelijk”. 9.
  4. Enerzijds wordt in de bestreden beslissing overwogen dat niet wordt betwist dat in de door verzoeker ingevulde infodrager alle gegevens waren opgenomen om een proces-verbaal op te stellen, maar dat een infodrager ook alle andere relevante gegevens moet vermelden. Anderzijds is op de infodrager niet in een dataveld voorzien waarin “relevante gegevens die niet strikt noodzakelijk dienen voor het opmaken van het PV” moeten worden vermeld. IX-3904-17/21 De meldingsfiche die door de postoverste werd ingevuld, bevat daarentegen wel een luik voor “extra informatie”. Onder dat luik wordt enkel gesteld: “Auto in dijk gesukkeld. Dijk beschadigd. EAF wordt opgesteld.” Tijdens haar verhoor verklaarde de postoverste: “Ik voerde de gegevens die ik had reeds in, in de meldingsfiche”. Zij beaamde voorts de verklaring van de verzoeker dat hij haar had gevraagd een takeldienst te verwittigen. De verklaring van de verzoeker dat hij telefonisch ook het tijdstip van aankomst van de takeldienst en het tijdstip van het einde van de werkzaamheden van de takeldienst aan de postoverste had doorgegeven, lijkt tijdens het verhoor van de postoverste niet ter sprake te zijn gekomen. Alleszins werd die verklaring door de postoverste niet tegengesproken. Met betrekking tot de verklaring van de verzoeker dat haar eveneens werd meegedeeld dat de gegevens betreffende de bestuurder gedeponeerd waren in de brievenbus van het gemeentebestuur van Deerlijk, stelt de postoverste zich niet te herinneren dat de ploeg haar dat zou hebben laten weten, wat de verklaring van de verzoeker niet ontkracht. 9.
  5. Gelet op wat voorafgaat, inzonderheid op de wijze waarop de infodrager en de meldingsfiche zijn opgesteld, kan het loutere feit dat tijdens een coördinatievergadering van 5 november 1998 werd gesteld “alles op de infodragers te noteren”, dan ook niet tot de conclusie leiden dat de verzoeker, door de gegevens die niet strikt noodzakelijk dienen voor het opmaken van het proces-verbaal, niet ter plaatse en onmiddellijk als “extra informatie” op de infodrager te vermelden, de korpsinstructies niet heeft nageleefd.
  6. In tegenstelling tot wat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt, wordt in het inleidend verslag voorts wel degelijk als vaststaand en tuchtrechtelijk laakbaar feit aan de verzoeker ten laste gelegd dat de infodrager zonder nazicht werd ingeleverd voor verwerking toen de postoverste om 6 uur haar dienst beëindigde. Ook daarbij wordt gesteld dat de korpsinstructies duidelijk zijn: “na de vaststellingen dient de ploeg onmiddellijk alle gegevens te bezorgen aan de postoverste, die eventueel verder kan beslissen welke ambtsverrichtingen nog moeten vervuld worden door de ploeg, zodat geen voor de hand liggende opdrachten uitgesteld moeten worden tot op een later tijdstip”. IX-3904-18/21 De enige door de verwerende partij neergelegde instructie met betrekking tot het afgeven van de infodrager die dateert van vóór de ten laste gelegde feiten, blijkt uit het verslag van de coördinatievergadering van 5 november 1998, waarin wordt gesteld: “Telkens men naar een interventie gaat of een klacht of aangifte noteert, dan krijgt men ook een infodrager (= farde). Deze moet ten laatste bij het beëindigen van de dienst afgegeven worden aan de P.O”. Deze instructie blijkt echter door de verzoeker te zijn nageleefd. Weliswaar wordt in de niet ondertekende “interne nota” van 19 mei 2003 “ter herinnering” gesteld: “De vaststellers geven hun infodrager zo spoedig mogelijk af bij de postoverste. De postoverste kan dan, naargelang de werkplanning, nazien of bepaalde verrichtingen onmiddellijk kunnen gebeuren of dat deze naar een later tijdstip worden geplaatst”. Er moet evenwel worden vastgesteld: - dat, enerzijds, die “interne nota” dateert van na de feiten die de verzoeker ten laste worden gelegd, zodat aan de verzoeker bezwaarlijk kan worden verweten dat hij de in die nota vervatte instructie heeft genegeerd; - dat, anderzijds, de verwerende partij geen stuk neerlegt waaruit blijkt dat die instructie slechts een herinnering is aan een reeds eerder gegeven instructie die afwijkt van de instructie zoals die blijkt uit het verslag van de coördinatieverga- dering van 5 november 1998; - dat, hoe dan ook, zelfs de in de nota van 19 mei 2003 vervatte instructie niet oplegt dat -zoals in het inleidend verslag wordt gesteld- de ploeg na de vaststellingen onmiddellijk alle gegevens moet bezorgen aan de postoverste, en uit het dossier overigens niet blijkt dat er werd nagegaan of de verzoeker al dan niet “zo spoedig mogelijk”, dat wil zeggen, van zodra zijn dienstwerkzaamheden zulks toelieten, de infodrager heeft afgegeven bij de postoverste. Uit het dossier blijkt dan ook niet dat de verzoeker, door de infodrager om 6 uur aan de postoverste af te geven, de korpsinstructies heeft miskend.
  7. In het inleidend verslag wordt ten slotte als vaststaand en tucht- rechtelijk laakbaar feit aan de verzoeker ten laste gelegd dat de infodrager foutieve IX-3904-19/21 gegevens bevatte, met name de vermelding dat de bestuurder een ademtest aflegde waarvan het resultaat “safe” was. De verzoeker betwist niet dat die vermelding niet correct was. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de tuchtoverheid heeft aanvaard dat die fout in de infodrager niet opzettelijk werd begaan, maar het gevolg was van omstandigheden. Dat stond er evenwel niet aan in de weg dat de tuchtover- heid die fout alsnog als een inbreuk op de korpsinstructies in aanmerking kon nemen en als een tuchtinbreuk kon kwalificeren. Het loutere feit van een professionele tekortkoming, ongeacht of die tekortkoming al dan niet opzettelijk werd begaan, volstaat immers opdat tuchtrechtelijk zou kunnen worden ingegrepen.
  8. Aan de verzoeker werd de lichte tuchtstraf van de blaam opgelegd voor drie feiten, waarvan hiervoor is gebleken dat twee ervan niet als een miskenning van de korpsinstructies kunnen worden beschouwd en dienvolgens niet als een tekortkoming aan de beroepsplichten in aanmerking kunnen worden genomen. Het komt de Raad van State niet toe om, in de plaats van het bestuur, te oordelen dat, indien enkel de tekortkoming in verband met de vermelding van de ademtest als tuchtvergrijp in aanmerking was genomen, de tuchtoverheid alsnog tot het opleggen van dezelfde tuchtstraf zou hebben besloten. De verwerende partij beweert in haar laatste memorie weliswaar dat dit het geval zou zijn, maar dit blijkt niet uit de bestreden beslissing. Het middel is derhalve gegrond in zoverre het de schending aanvoert van artikel 3 van de tuchtwet. Deze vaststelling volstaat voor de nietigverklaring van de bestreden beslissing. BESLISSING
  9. De Raad van State vernietigt de beslissing van 30 juni 2003 van de zonechef van de politiezone Gavers waarbij aan Claude Van Renterghem de lichte tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd. IX-3904-20/21
  10. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 januari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Paul Lemmens IX-3904-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.241 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.