id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.242 Rolnummer: A. 152121/IX-4540 Zaak: Arrest 200242 - Tucht (openbaar ambt) - 28/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-04 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-07-02 08:32 Fiche Arrest nr 200.242 van 28 januari 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 200.242 van 28 januari 2010 in de zaak A. 152.121/IX-4540 In zake: Claude VAN RENTERGHEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Willy Van der Gucht kantoor houdend te Gent Sint-Denijslaan 201 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE HARELBEKE-DEERLIJK, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Arnoud Declerck en Eva Roels kantoor houdend te Harelbeke Kortrijksesteenweg 387 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 mei 2004, strekt tot de nietigverkla- ring van de beslissing van het politiecollege van de politiezone Harelbeke-Deerlijk van 29 maart 2004 waarbij aan de verzoeker de zware tuchtstraf van de schorsing van één dag wordt opgelegd. II. Rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. IX-4540-1/17 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 maart 2009. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Franky De Mil, die loco advocaat Willy Van Der Gucht verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Eva Roels, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft advies uitgebracht. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoeker is ten tijde van de bestreden beslissing inspecteur van politie bij de politiezone Harelbeke-Deerlijk, ook de politiezone Gavers genoemd. 3.2. Tijdens de nacht van 1 maart 2003 op 2 maart 2003 heeft de verzoeker samen met inspecteur Bert Vanhecke interventiedienst. De verzoeker is ploegchef. Om 02.57 u geeft de postoverste op het politiecommissariaat, hoofdin- specteur Nancy Verbinnen, aan het interventieteam de opdracht om zich naar het sportcentrum Maes in Deerlijk te begeven naar aanleiding van de beschadiging van een motorfiets. De verzoeker en zijn collega delen de beëindiging van hun opdracht aldaar mede om 03.25 u, waarna zij, bij gebreke aan een nieuwe, specifieke opdracht, zich naar het domein De Gavers begeven om er controle te doen op het nachtvissen. Om 03.26 u ontvangt de postoverste via de dienst 101 de melding dat een dame vanuit het sportcentrum Maes in Deerlijk een oproep heeft gedaan met betrekking tot een verkrachting. De postoverste zendt vervolgens een andere interventieploeg, bestaande uit de inspecteurs Six en Carteur, ter plaatse. Deze inspecteurs brengen de dame in kwestie, hierna “D.T.” genoemd, die beweert verkracht te zijn door twee vreemdelingen, naar het politiecommissariaat. Tijdens IX-4540-2/17 haar gesprek met de postoverste verklaart D.T. dat zij aan de interventieploeg van de verzoeker reeds heeft gemeld dat zij verkracht was, maar dat deze haar heeft weggestuurd met de mededeling “dat zij beter in haar bed zou kruipen” en “dat zij aan het dromen was”. Ondertussen is ook gerechtelijk wachtofficier Curd Servaege op de hoogte gebracht. 3.3. Naar aanleiding van de verklaring van D.T. beveelt de zonechef op 4 maart 2003 een voorafgaand onderzoek. In de nota waarbij commissaris Dirk Dupont als voorafgaand onderzoeker wordt aangesteld, wordt onder meer het volgende gesteld: “Indien het verhaal van de vrouw -betreffende de melding aan de eerste interventieploeg- klopt is er belangrijke tijd verlopen tussen de melding en de start van het onderzoek, waaruit de daders(
- s)minstens hun voordeel konden halen en sporen/getuigen e.a. ondertussen verdwenen zijn (de zaak is ondertussen gesloten). Verder is het evenzeer zo dat -hoe ook de toestand is van een persoon- het aan de politie is om minstens het verhaal te aanhoren en hulp te bieden aan iedereen in nood. Het voorafgaand onderzoek wordt opgedragen om na te gaan of het verhaal van het slachtoffer klopt en het aandeel van de betrokken interventieploeg zowel tuchtrechtelijk als strafrech- telijk (schuldig verzuim) in te schatten.” Ingevolge de mogelijke strafrechtelijke inbreuk wordt de procureur des Konings op de hoogte gebracht, die op zijn beurt het Comité P verzoekt het optreden van het interventieteam te onderzoeken. Op 4 juni 2003 ontvangt de zonechef een brief van de procureur des Konings waarin wordt meegedeeld dat het strafonderzoek wegens schuldig verzuim ten laste van de beide inspecteurs zonder gevolg werd geklasseerd om opportuniteitsredenen. In zijn verslag van 10 juni 2003 komt de voorafgaand onderzoe- ker tot de volgende conclusies: “Uit de stukken hiervoor blijkt dat: - de ploeg Vanrenterghem-Vanhecke aanwezig is om en rond het sportcentrum tussen 03.00’ en 03.25’ op 02.03.03. In die tijdspanne zou het slachtoffer hen aangesproken hebben en gezegd hebben verkracht te zijn geweest. Volgens klaagster hebben de inspecteurs geen geloof gehecht aan haar bewering en hebben ze haar niet verder willen helpen. Volgens INP Vanrenterghem en INP Vanhecke werden zij niet door de dame aangesproken en werden zij zekerlijk niet ingelicht van het feit dat zij het slachtoffer zou zijn van een verkrachting. IX-4540-3/17 Uit de verschillende verklaringen in het dossier blijken tal van tegenstrijdigheden en kunnen een aantal gevolgtrekkingen gemaakt worden: • In zijn verhoor zegt INP Vanrenterghem dat de vrouw NIET tot aan het voertuig gekomen was, terwijl hij op de passagierszetel zat; de vrouw nam GEEN initiatief tot een gesprek. Deze uitspraken worden weerlegd door de opnames van het bewakingssysteem en nadat de beelden vertoond werden zegt Vanrenterghem dat ze hem niet aansprak op het ogenblik dat ze naar de combi kwam. • Volgens de verklaring van INP Carteur hebben Vanrenterghem en Vanhecke gezegd dat ze met niemand gesproken hadden, maar dat ze wel iemand hadden zien zitten, ze werden door die persoon niet aangesproken. De feiten weerleggen deze bewering. Trouwens bij hun verhoor verklaren beiden op het één of ander moment gezegd te hebben tegen de vrouw dat ze beter in haar bed zou kruipen. • Volgens de verklaring van INP Six zei Vanrenterghem dat hij die vrouw nooit heeft zien aankomen. Ook dit wordt weerlegd door de feiten. • Volgens de verklaringen van Vanrenterghem en Vanhecke gingen ze niet specifiek naar de dame toe, toen ze vertrokken. Ook dit wordt weerlegd door de feiten en door de verklaring van Vanhecke na het bekijken van de beelden. Hij verklaart dan tegen haar gezegd te hebben dat ze naar huis moest gaan en gaan slapen. • Klaagster zegt dat de politiepatrouille op geen enkele wijze of tijdstip enige vorm van hulp verleend heeft, geïnformeerd heeft wat er gebeurd was of dat ze gekwetst zou zijn ... Uit geen enkel stuk in het dossier blijkt dat deze bewering onjuist zou zijn. Integendeel, zonder zich te informeren naar de toedracht van de feiten of naar de toestand van betrokkene werd gezegd dat ze beter zou gaan slapen. • Zowel INP Vanrenterghem als INP Vanhecke zeggen tijdens hun verhoor dat de betrokken dame duidelijk dronken was, wartaal sprak en dronkenmanspraat verkocht. Desondanks verlaten zij de plaats met de politiewagen, de vrouw -in haar toestand- achterlatend. • Uit de verklaring van HINP Nancy Verbinnen blijkt dat door haar aan de ploeg Vanrenterghem/Vanhecke formeel verbod opgelegd werd het verhoorlokaal te betreden tijdens het verhoor van klaagster. Eerst zegt INP Vanrenterghem niet te zijn binnengegaan in het verhoorlokaal. Pas na confrontatie met de verklaring van Verbinnen geeft hij toe het lokaal te zijn binnengegaan. INP Vanhecke verklaart dat hij opzettelijk het lokaal is binnengegaan om te zien wie de vrouw is. Beiden hebben aldus een formeel bevel van hun overste genegeerd. • Tijdens hun voetpatrouille in het domein De Gavers -die blijkbaar ongeveer 2 uur duurde- hebben zij radiofonisch de oproepen inzake deze feiten kunnen volgen. Op geen enkel ogenblik neemt de ploeg Vanrenterghem/Vanhecke contact op met de postoverste en/of de tussenkomende inspecteurs om hen in te lichten over hun eerdere tussenkomst aldaar en bv. over het bestaan van een video- bewakingssysteem. Op deze beelden zou belangrijke info kunnen staan en het vrijwaren ervan is essentieel. INP Vanrenterghem zegt dat dit niet zijn taak is maar de taak van de postoverste. Hij heeft evenwel zelf de postoverste niet gemeld dat er een video-bewakingssysteem is en/of dat door hen een dronken dame aangetroffen werd. Verder ontwikkelt hij nog de bizarre logica dat hij als interventie-inspecteur op de baan geen initiatief mag nemen. INP Vanhecke verklaart eveneens de radiogesprekken gevolgd te hebben, doch heeft evenmin initiatief IX-4540-4/17 genomen om de postoverste en/of de tussenkomende ploeg te informeren. Uit hetgeen voorafgaat kan besloten worden dat: • de ploeg Vanrenterghem/Vanhecke, waarvan Vanrenterghem als ploegoverste fungeerde, ongeacht of de beweringen van klaagster waar zijn of niet, onvoldoende initiatief ontwikkelde om klaagster te helpen; integendeel: ondanks het feit dat men de toestand van betrokkene als dronken inschat -men spreekt van wartaal en onsamenhangend taalgebruik- doet men geen navraag naar haar toestand, of ze gekwetst is, wat er gebeurd is, of er enige hulp vandoen is ... • de ploeg Vanrenterghem/Vanhecke de plaats verlaat en de vrouw achterlaat, zonder zich verder zorgen te maken over de toestand van deze laatste; • de ploeg Vanrenterghem/Vanhecke geen enkel initiatief ontwikkelde toen zij op het radionet het bericht hoorde dat een andere ploeg een dame moest ophalen die beweerde verkracht te zijn. Zij beschikken over belangrijke informatie m.b.t het bestaan van een video- bewakingssysteem, doch geven dit niet door aan de postoverste. Evenmin melden zij dat ze korte tijd eerder op die plaats een vrouw gesproken hebben; • ondanks formeel verbod van hun overste om het verhoorlokaal binnen te gaan, beiden toch dit lokaal zijn binnengegaan. De handelingen gesteld door de ploeg Vanrenterghem/Vanhecke kunnen omschreven worden als handelingen of gedragingen die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaken in de zin van artikel 3 van de tuchtwet.” 3.4. Op 13 juni 2003 stelt de zonechef als gewone tuchtoverheid een inleidend verslag op. In dit verslag wordt melding gemaakt van het feit dat het strafonderzoek wegens schuldig verzuim inmiddels zonder gevolg werd geklasseerd. Voorts vermeldt dit verslag onder de rubriek “vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten” dezelfde tenlasteleggingen als het verslag van de voorafgaand onderzoeker. De zonechef besluit dat de feiten in aanmerking komen voor een zware tuchtstraf en hij beslist daarom de hogere tuchtoverheid, te dezen het politiecollege, te adiëren. 3.5. Op 21 augustus 2003 stelt het politiecollege op zijn beurt een inleidend verslag op. Ook dit verslag vermeldt onder de rubriek “vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten” dezelfde tenlasteleggingen als het verslag van de voorafgaand onderzoeker. IX-4540-5/17 In dit verslag wordt tevens melding gemaakt van een aan de verzoeker bij tuchtmaatregel opgelegde blaam. De verzoeker heeft tegen die tuchtmaatregel een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State ingesteld (zaak A. 140.968/IX-3904). Bij arrest nr. 200.241 van heden wordt deze tuchtmaatregel door de Raad van State vernietigd. Het politiecollege stelt voor aan de verzoeker de zware tuchtstraf van één dag schorsing op te leggen. 3.6. Op 19 september 2003 dient de verzoeker een verweerschrift in. Hij vraagt dat hij zelf zou worden gehoord, evenals de in het verweerschrift vermelde getuigen. Hij vraagt tevens dat de infodrager met de vaststellingen van het vandalisme aan het tuchtdossier zou worden toegevoegd. Hij verzoekt ten slotte om een afschrift van het tuchtdossier. Op 26 september 2003 beslist het politiecollege de vermelde getuigen niet te horen, omdat deze reeds gehoord zijn in het kader van het strafonderzoek. De infodrager met de vaststellingen van het vandalisme wordt niet aan het tuchtdossier toegevoegd, omdat hij niets wezenlijks kan bijbrengen. Wat het gevraagde afschrift van het tuchtdossier betreft, wordt beslist enkel die stukken aan de verzoeker over te maken die hij nog niet heeft ontvangen. Op 2 oktober 2003 wordt de verzoeker door het politiecollege gehoord. Zijn verweerschrift wordt bij het proces-verbaal van de hoorzitting gevoegd. Op 3 oktober 2003 bevestigt het politiecollege zijn voorstel tot het opleggen van de zware tuchtstraf van de schorsing van één dag. Inzake de ten laste gelegde feiten (
- a)en (
- b)(het onvoldoende initiatief nemen om D.T. te helpen en het verlaten van de plaats zonder zich verder om haar te bekommeren) wordt in dit voorstel onder meer gesteld “dat het inderdaad enkel de waarneembaar dronken toestand -of de als dronken beoordeelde toestand- van [D.T.] was die moest hebben aangezet tot navraag betreffende haar toestand”. Het advies van de procureur des Konings van 15 oktober 2003, op grond van artikel 24, tweede en derde lid, van de wet van 13 mei 1999 houdende IX-4540-6/17 het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, onderschrijft het voorstel van het politiecollege. Op 16 oktober 2003 bevestigt het politiecollege zijn voorstel om aan de verzoeker de zware tuchtstraf van één dag schorsing op te leggen. 3.7. De verzoeker dient op 23 oktober 2003 tegen dit voorstel een verzoek tot heroverweging in en vraagt om te worden gehoord door de tuchtraad. De adjunct-inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie adviseert dat de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten bewezen zijn en een tuchtvergrijp uitmaken. Omdat het derde aan de verzoeker ten laste gelegde tuchtfeit volgens hem had kunnen worden ondervangen door een doeltreffender optreden van de dispatching, adviseert hij om ten hoogste een schorsing van korte duur op te leggen. De tuchtraad adviseert op 20 februari 2004 eveneens dat de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten bewezen zijn, aan de verzoeker kunnen worden toegerekend en een tuchtinbreuk uitmaken. De tuchtraad adviseert aan de verzoeker de zware tuchtstraf van de schorsing gedurende drie weken op te leggen. 3.8. Op 29 maart 2004 neemt het politiecollege de beslissing om aan de verzoeker de zware tuchtstraf van de schorsing gedurende één dag op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. Wat de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten betreft, verwijst ze naar het inleidend verslag van de hogere tuchtoverheid, waarin deze feiten als volgt zijn omschreven: “(
- a)de ploeg Vanrenterghem/Vanhecke, waarvan Vanrenterghem als ploegoverste fungeerde, ontwikkelt ongeacht of de beweringen van klaagster waar zijn of niet, onvoldoende initiatief om klaagster te helpen; integendeel: ondanks het feit dat men de toestand van betrokkene als dronken inschat -men spreekt van wartaal en onsamenhangend taalgebruik- doet men geen navraag naar haar toestand, of ze gekwetst is, wat er gebeurd is, of er enige hulp vandoen is ... (
- b)de ploeg Vanrenterghem/Vanhecke, waarvan Vanrenterghem als ploegoverste fungeerde, verlaat de plaats en laat de vrouw achter, zonder zich verder zorgen te maken over de toestand van deze laatste; IX-4540-7/17 (
- c)de ploeg Vanrenterghem/Vanhecke, waarvan Vanrenterghem als ploegoverste fungeerde, ontwikkelde geen enkel initiatief toen zij op het radionet het bericht hoorde dat een andere ploeg een dame moest ophalen die beweerde verkracht te zijn. Zij beschikken over belangrijke informatie m.b.t. het bestaan van een video- bewakingssysteem, doch geven dit niet door aan de postoverste. Evenmin melden zij dat ze korte tijd eerder op die plaats een vrouw gesproken hebben; (
- d)ondanks formeel verbod van hun overste om het verhoorlokaal binnen te gaan, gaat Vanrenterghem toch dit lokaal binnen.” Met betrekking tot het eerste en het tweede ten laste gelegde tuchtfeit overweegt de bestreden beslissing: “Betreffende het feit (a): Overwegende dat boven betwisting staat dat de heer Vanrenterghem ten gevolge van de interventie van zijn ploeg in het Sportcentrum Maes te Deerlijk op 02.03.2003 vanaf omstreeks 3.00 u werd geconfronteerd met mevr. [D.T.]; Dat hij de toestand van mevr. [D.T.] beschrijft als ‘dronken’ (zie het verweerschrift van 19.09.2003, herhaald in het verweerschrift van 02.10.2003), en verder in zijn verklaring van 01.04.2003 tegenover de heren Baeck en Buyens van de Dienst Enquêtes van het Comité P het voorkomen van mevr. [D.T.] omschrijft als volgt: ‘Op het eerste zicht leek [D.T.] mij dronken. Ze zag er onverzorgd uit, ik rook dranklucht en ze sprak wartaal’ en verder ‘Het was voor mij dronkenmanspraat’; Vaststellend dat de perceptie van de toestand van [D.T.] zoals omschreven door de heer Vanrenterghem overeenstemt met deze van zijn collega de heer Bert Vanhecke die het in het navolgend PV 101193/03 van 16.03.2003 bijblad 2 heeft over een vrouw die naar de uitgang waggelt terwijl ze binnensmonds onverstaanbare wartaal spreekt en waarvan de heer Vanhecke stelt dat ze een dronken indruk gaf; Dat de toestand van mevr. [D.T.] op 02.03.2003 ten gevolge van het contact met de ploeg Vanrenterghem/Vanhecke voldoende vaststaat om te stellen dat hij van die aard was dat van de heer Vanrenterghem redelijkerwijze en in het kader van het nakomen van zijn beroepsplichten mocht worden verwacht dat hij navraag deed naar haar toestand, of ze gekwetst is, of er enige hulp vandoen is, ... ; Dat zulks integendeel niet gebeurde en dat het daarbij -gelet op de voormelde toestand van [D.T.]- in het midden wordt gelaten of [D.T.] nu al dan niet verkracht was of al dan niet verstaanbaar sprak; Dat het inderdaad enkel de waarneembaar dronken toestand -of de als dronken beoordeelde toestand- van [D.T.] was die moest hebben aangezet tot navraag betreffende haar toestand; Dat de inertie van de heer Vanrenterghem des te erger is nu de heer Vanrenterghem in zijn aangehaalde verklaring voor het Comité P verklaart dat hij [D.T.] kende in het kader van openbare dronkenschap; Overwegende dat het college, gelet op het voorgaande niet op onrechtstreekse verklaringen voortgaat, maar op de eigen verklaringen van de heer Vanrenterghem en zijn vaststellingen; Overwegende dat gelet op het voorgaande voormeld feit (
- a)ten genoege van rechte vaststaat; IX-4540-8/17 Overwegende dat voormeld feit (
- a)aan insp. Claude Vanrenterghem toerekenbaar is nu geen enkele rechtvaardigings- of verschoningsgrond uit het dossier blijkt - gelet op het voorgaande wel integendeel; Overwegende dat voormeld feit (
- a)het tuchtvergrijp van tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt nu het getuigt van een gebrek aan ijver en efficiëntie. Dat in dat verband in meer ook kan worden verwezen naar art. 123 WGP waaruit blijkt dat politieambtenaren steeds dienen bij te dragen tot de bescherming van de medeburgers en de bijstand die deze mogen verwachten hetgeen in deze -gelet op het voorgaande- niet is gebeurd. Betreffende het feit (b): Overwegende dat betreffende de staat waarin [D.T.] verkeerde naar het voorgaande betreffende feit (
- a)kan worden verwezen; Overwegende dat redelijkerwijze -gezien de beschrijving van de toestand van betrokkene (dronken of althans blijkbaar dronken), de plaats waar betrokkene zich bevond (een openbare plaats in de zin van de beteugeling van de openbare dronkenschap) en de antecedenten van [D.T.] (‘een vaste klant’ en ‘Ik ken ze in het kader van openbare dronkenschap’, zie de verklaring Vanrenterghem ten opzichte van de Dienst Enquêtes)- dient te worden aangenomen dat ten opzichte van [D.T.] maatregelen dienden te worden genomen, hetzij door ze naar huis te voeren of naar het commissariaat mee te nemen om haar zodoende van de openbare plaats waar ze zich bevond te verwijderen; Dat de heer Vanrenterghem er echter ten onrechte voor koos [D.T.] ter plekke achter te laten met de raad aan betrokkene dat zij beter in haar bed zou kruipen; Overwegende dat voormeld feit (
- b)ten genoege van rechte vaststaat; Overwegende dat voormeld feit (
- b)aan insp. Claude Vanrenterghem toerekenbaar is nu geen enkele rechtvaardigings- of verschoningsgrond uit het dossier blijkt, gezien het voorgaande wel integendeel; Overwegende dat voormeld feit (
- b)het tuchtvergrijp van tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt nu het getuigt van een gebrek aan ijver en efficiëntie. Dat in dat verband in meer ook kan worden verwezen naar art. 123 WGP waaruit blijkt dat politieambtenaren steeds dienen bij te dragen tot de bescherming van de medeburgers en de bijstand die deze mogen verwachten hetgeen in deze -gelet op het voorgaande (men liet mevr. [D.T.] ter plaatse achter)- niet is gebeurd.” IV. Onderzoek van de middelen 1. Tweede middel Standpunten van de partijen 4.1. De verzoeker voert in het middel de schending aan van het recht van verdediging, het vermoeden van onschuld en het onpartijdigheidsbeginsel, doordat de omschrijving van de hem ten laste gelegde feiten in de loop van de tuchtprocedure herhaaldelijk is gewijzigd. IX-4540-9/17 De verzoeker betoogt dat hem in de beslissing van de zonechef van 4 maart 2003 tot aanwijzing van een voorafgaand onderzoeker nog ten laste werd gelegd dat hij mogelijk een onderzoek had laten mislukken, dat hij het verhaal van D.T. niet had aanhoord en geen hulp had geboden aan een persoon in nood, waarbij zelfs gewag werd gemaakt van schuldig verzuim. In het inleidend verslag van de gewone tuchtoverheid van 13 juni 2003 waren dezelfde tenlasteleggingen opgenomen, maar was er geen sprake meer van schuldig verzuim. De hogere tuchtoverheid laat in haar inleidend verslag van 21 augustus 2003 in het midden of de beweringen van D.T. waar zijn of niet. Wel legt ze hem niet meer ten laste dat hij het onderzoek zou hebben laten mislukken, noch dat hij het verhaal van D.T. als slachtoffer van een verkrachting niet zou hebben aanhoord en haar geen hulp zou hebben geboden. Evenwel wordt een nieuw tuchtfeit ontwaard en wordt aan de verzoeker nu verweten dat hij D.T. niet heeft geholpen, noch heeft geïnformeerd naar haar toestand ondanks het feit dat hij haar toestand als dronken inschatte. In het voorstel van tuchtsanctie dat door de hogere tuchtoverheid op 16 oktober 2003 werd geformuleerd, wordt enkel nog gesteld dat de verzoeker gelet op de dronken toestand van D.T. navraag had moeten doen naar haar toestand. De verzoeker laat gelden dat door de plotse wending van de tenlasteleggingen, hij zich daartegen niet naar behoren heeft kunnen verweren. Bovendien, zo stelt hij, is het tuchtdossier opgestart op grond van een beweerde verkrachting, die achteraf verzonnen bleek. Doordat de tuchtoverheid al te voorbarig is ingegaan op het verhaal van D.T. heeft zij volgens de verzoeker het vermoeden van onschuld geschonden. 4.2. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord dat de tenlasteleggingen in de loop van de procedure zouden zijn gewijzigd. Zij wijst erop dat in het stadium van het vooronderzoek nog geen kwalificatie aan de feiten werd gegeven, noch een tenlastelegging werd geformuleerd. Het is volgens haar pas in het inleidend verslag van de gewone tuchtoverheid van 13 juni 2003 dat de feiten een eerste maal zijn gekwalificeerd als een tekortkoming aan de beroepsplichten, en is de omschrijving van de ten laste gelegde feiten sedertdien niet meer gewijzigd. De verzoeker heeft zich daartegen in ieder stadium van de tuchtprocedure kunnen verweren. De hogere tuchtoverheid heeft zich uiteindelijk gebaseerd op dezelfde tenlasteleggingen als die welke werden geformuleerd bij de aanvang van de tuchtprocedure. Tijdens de ganse duur van de tuchtprocedure is buiten beschouwing gebleven of D.T. aan de ploeg van de verzoeker te kennen heeft gegeven dat zij het slachtoffer was van een verkrachting. IX-4540-10/17 4.3. In zijn memorie van wederantwoord laat de verzoeker nog bijkomend gelden dat in het inleidend verslag van de gewone tuchtoverheid van 13 juni 2003 de volgende passus is vermeld, die niet meer voorkomt in het inleidend verslag van de hogere tuchtoverheid van 21 augustus 2003: “Indien het verhaal van de vrouw -betreffende de melding aan de eerste interventieploeg- klopt is er belangrijke tijd verlopen tussen de melding en de start van het onderzoek, waaruit de dader(
- s)minstens hun voordeel konden halen en sporen/getuigen e.a ondertussen verdwenen zijn.” Hij wijst erop dat het volledige dossier gesteund is op verklaringen van de verschillende betrokkenen in het strafdossier en het dossier van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten. Het desbetreffende onderzoek had betrekking op de vermeende verkrachting van D.T. en nalatigheid van de verzoeker om haar te helpen, zodat hij zijn verdediging heeft toegespitst op de betichting van schuldig verzuim, terwijl de tenlastelegging dat hij onvoldoende initiatief had ontwikkeld om D.T. te helpen, ondanks het feit dat hij haar toestand als dronken inschatte, toen nog niet ter sprake kwam. Beoordeling 5.1. De bestreden beslissing verwijst voor wat de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten betreft, naar het inleidend verslag van de hogere tuchtoverheid van 21 augustus 2003. Al deze feiten worden bewezen geacht, aan de verzoeker toegerekend en als tekortkoming aan de beroepsplichten gekwalificeerd. Voor al deze feiten en alléén voor deze feiten wordt aan de verzoeker de tuchtstraf van de schorsing van één dag opgelegd. De omschrijving van de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten in het inleidend verslag van de hogere tuchtoverheid stemt bovendien volledig overeen met de omschrijving van die feiten in het inleidend verslag van de gewone tuchtoverheid van 13 juni 2003 en zelfs in het verslag van de voorafgaand onderzoeker van 10 juni 2003. In tegenstelling tot wat de verzoeker beweert, zijn de hem ten laste gelegde feiten in de loop van de tuchtprocedure niet gewijzigd. De enkele omstandigheid dat de door de verzoeker aangewezen passus van het inleidend verslag van de gewone tuchtoverheid niet is overgenomen in het inleidend verslag van de hogere tuchtoverheid doet daaraan geen afbreuk. De desbetreffende passus IX-4540-11/17 betreft immers als zodanig geen tenlastelegging en hoe dan ook komt het toe aan de hogere tuchtoverheid, die door de gewone tuchtoverheid is geadieerd, om de aan het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid ten laste gelegde feiten te bepalen. De verzoeker heeft zich tegen de in het inleidend verslag van de hogere tuchtoverheid omschreven feiten bovendien ten volle kunnen verdedigen, zowel in zijn verweerschrift van 19 september 2003 als tijdens de hoorzitting voor de hogere tuchtoverheid op 2 oktober 2003, alsook ter gelegenheid van de behandeling van zijn verzoek tot heroverweging door de tuchtraad, inzonderheid tijdens de hoorzitting van de tuchtraad van 3 februari 2004. De verzoeker kan dan ook niet worden bijgevallen in zijn standpunt dat zijn rechten van verdediging te dezen geschonden zouden zijn. Uit de bestreden beslissing blijkt voorts dat de tuchtoverheid buiten beschouwing laat of D.T. op het ogenblik van de feiten verkracht was en dit op een verstaanbare manier kenbaar had gemaakt aan de verzoeker en zijn collega. De bestreden beslissing legt aan de verzoeker te dezen dan ook geen schuldig verzuim ten laste, zodat niet valt in te zien dat deze beslissing het vermoeden van onschuld zou schenden. De omstandigheid dat de oorspronkelijke verklaring van D.T. dat zij verkracht was en dat zij daarvan melding had gemaakt aan de verzoeker en zijn collega, de aanleiding is geweest van het voorafgaand onderzoek, verandert niets daaraan. In zoverre het middel de schending aanvoert van het recht van verdediging en van het vermoeden van onschuld, mist het dan ook feitelijke grondslag. 5.2. Ten slotte legt de verzoeker niet uit op welke wijze het onpartijdigheidsbeginsel te dezen zou zijn geschonden. In zoverre het middel de schending aanvoert van het genoemde beginsel is het niet ontvankelijk. IX-4540-12/17 2. Derde middel Standpunten van de partijen 6.1. De verzoeker voert in het middel de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij laat gelden dat het feit dat hij onvoldoende initiatief zou hebben genomen om D.T. bij te staan, niettegenstaande hij haar toestand als dronken had ingeschat, geen afdoende motief is, omdat niet blijkt dat het een geval van openbare dronkenschap betrof, in de zin van artikel 1 van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van dronkenschap, waarbij er een verstoring was van de openbare orde en de veiligheid, en de betrokkene mogelijk een gevaar voor zichzelf was. Ter staving van zijn standpunt verwijst de verzoeker naar de bevindingen van de wetsgeneesheer, die verklaarde dat D.T. duidelijk gedronken had, maar dat geen tekenen van dronkenschap konden worden waargenomen, en van hoofdinspecteur Nancy Verbinnen, die evenmin tekenen van dronkenschap had vastgesteld. 6.2. De verwerende partij antwoordt dat de verzoeker tijdens het onderzoek zelf aangaf dat hij de toestand van D.T. als dronken inschatte. Ook verzoekers collega verklaarde dat zij D.T. waren tegengekomen “duidelijk in dronken toestand”, in die zin “dat ze mompelde, onduidelijke wartaal [sprak] waarschijnlijk tegen haar eigen”, en gelet op “de wijze van lopen”. Volgens de verwerende partij heeft de tuchtoverheid zich derhalve niet gesteund op een objectieve openbare dronkenschap, maar gaat de motivering van de bestreden beslissing te dezen uit van de vaststellingen van de verzoeker ter plaatse en verbindt ze daaraan de beroepsplicht tot handelen. 6.3. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat hij inderdaad heeft vastgesteld dat D.T. geïntoxiceerd was, maar dat er een verschil is tussen een intoxicatie en een staat van openbare dronkenschap. Bij afwezigheid van openbare dronkenschap kan het niet-ingrijpen van een politieagent in beginsel niet als een tuchtrechtelijke fout worden beschouwd. De verzoeker stelt dat in de motivering van de bestreden beslissing geen bijzondere elementen uit het tuchtdossier worden aangevoerd, die te dezen wel een tuchtrechtelijke sanctie kunnen verantwoorden. 6.4. In haar laatste memorie laat de verwerende partij nog gelden dat de tuchtoverheid niet diende aan te tonen dat D.T. zich in staat van openbare IX-4540-13/17 dronkenschap bevond, en dat enkel de waarneembaar dronken toestand van D.T. de verzoeker ertoe had moeten aanzetten navraag te doen naar de toestand van de betrokkene. De verwerende partij verwijst voorts naar artikel 123 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna: WGP), waarvan ook door de bestreden beslissing uitdrukkelijk melding wordt gemaakt. Luidens deze wetsbepaling dragen de politieambtenaren te allen tijde en in alle omstandigheden bij tot de bescherming van de medeburgers en tot de bijstand die deze laatsten mogen verwachten, alsook, wanneer de omstandigheden het vereisen, tot het doen naleven van de wet en tot behoud van de openbare orde. Ten slotte betoogt de verwerende partij nog dat de bestreden beslissing uitdrukkelijk stelt dat de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten a tot d, zowel afzonderlijk als samen gelezen, dermate ernstig zijn dat ze niet met een lichte tuchtstraf kunnen worden beteugeld. Volgens de verwerende partij volgt uit deze motivering dat zelfs indien de tenlasteleggingen a en b niet overeind zouden blijven, de tenlasteleggingen c en d de opgelegde tuchtstraf nog kunnen verantwoorden. 6.5. De verzoeker herhaalt in zijn laatste memorie dat uit de verklaringen van de wetsgeneesheer en van hoofdinspecteur Nancy Verbinnen blijkt dat er geen sprake was van openbare dronkenschap. Volgens de verzoeker kan ook niet worden aangenomen dat de tuchtstraf die is opgelegd voor de feiten a, b, c en d, dezelfde zou blijven enkel voor de feiten c en d. Beoordeling 7. Uit het tuchtdossier blijkt dat de verzoeker en zijn collega ten aanzien van de voorafgaand onderzoeker zelf hebben verklaard dat “[D.T.] duidelijk dronken was, wartaal sprak en dronkenmanspraat verkocht”. Eenzelfde verklaring blijkt uit de stukken van het strafdossier. In acht genomen de omstandigheden van plaats en tijd waarin het voorval zich afspeelde, mocht de verwerende partij van de verzoeker verwachten dat hij, gelet op het voorschrift van artikel 123 WGP waarnaar in de bestreden IX-4540-14/17 beslissing uitdrukkelijk wordt verwezen, ten aanzien van D.T. bijstand verleende, in de plaats van haar in de toestand waarin zij zich bevond achter te laten. Er is geen reden om aan te nemen dat deze wettelijke bijstandsverplichting slechts zou gelden in gevallen van dronkenschap in de zin van artikel 1 van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van dronkenschap. Niet ten onrechte overweegt de bestreden beslissing in dit verband: “dat redelijkerwijze -gezien de beschrijving van de toestand van betrokkene (dronken of althans blijkbaar dronken), de plaats waar betrokkene zich bevond (een openbare plaats in de zin van de beteugeling van de openbare dronkenschap) en de antecedenten van [D.T.] (‘een vaste klant’ en ‘Ik ken ze in het kader van openbare dronkenschap’, zie de verklaring Vanrenterghem ten opzichte van de Dienst Enquêtes)- dient te worden aangenomen dat ten opzichte van [D.T.] maatregelen dienden te worden genomen, door ze naar huis te voeren of naar het commissariaat mee te nemen om haar zodoende van de openbare plaats waar ze zich bevond te verwijderen”. Deze motivering is afdoende in de zin van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, als verantwoording voor het in aanmerking nemen van zowel het eerste als het tweede ten laste gelegde tuchtfeit. Het middel is niet gegrond. 3. Heropening van de debatten 8. Vermits het auditoraatsverslag beperkt is tot een onderzoek van het tweede en het derde middel, is er reden om de debatten te heropenen en een aanvullend onderzoek te bevelen. BESLISSING 1. De debatten worden heropend. 2. Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt gelast het onderzoek van de zaak voort te zetten. IX-4540-15/17 IX-4540-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 januari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Paul Lemmens IX-4540-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.242 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.326 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div