id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.263 Rolnummer: A. 194304/IX-6550 Zaak: Arrest 200263 - Individuele akten (fiscaliteit) - 29/01/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-04 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-07-02 08:33 Fiche Arrest nr 200.263 van 29 januari 2010 Fiscaliteit - Individuele akten (fiscaliteit) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 200.263 van 29 januari 2010 in de zaak A. 194.304/IX-6550 In zake : Dirk COUSSEMENT wonende te Oostende Vindictivelaan 19/13 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 15 oktober 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Beroepscommissie “onbeperkt uitstel” van 6 juli 2009 waarbij het beroep van de verzoeker gericht tegen de beslissing van de gewestelijk directeur invordering te Gent van 30 april 2009 houdende weigering van het verzoek tot onbeperkt uitstel van de invordering van de verschuldigde personenbelasting, wordt verworpen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 januari
- Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. De verzoeker en inspecteur Jan De Vleeschouwer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. IX-6550-1/6 Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. De rechtspleging
- Op 20 november 2009 dient de verzoeker een nota in, met als titel: “Weerleggende opmerkingen”. Dit stuk wordt uit de debatten geweerd, omdat het niet is voorzien in de gecoördineerde wetten op de Raad van State, noch in het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. IV. De bevoegdheid van de Raad van State 4.
- De Raad van State dient ambtshalve zijn bevoegdheid te onderzoeken. 4.
- Uit het administratief dossier blijkt wat volgt: 1/ Op 6 oktober 2009 spreekt de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge een tegensprekelijk vonnis uit, waarvan het beschikkend gedeelte als volgt luidt: “Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak. (...) Verklaart zich zonder rechtsmacht. (...).” 2/ Op 19 oktober 2009 tekent de verzoeker tegen voornoemd vonnis hoger beroep aan bij het Hof van Beroep te Gent. De zaak is gekend onder het nummer 2719/2009 van de Algemene Rol. 3/ Gelet op de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan is deze zaak nog hangende voor het Hof van Beroep en werd zij nog niet vastgesteld voor pleidooien. IX-6550-2/6 4.
- Het wordt niet betwist dat het voorwerp van de vordering, aanhangig gemaakt bij de justitiële rechter en het voorwerp van de vordering tot schorsing ingediend bij de Raad van State identiek is. Dit voorwerp strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Beroepscommissie onbeperkt uitstel van 6 juli 2009, waarbij de beslissing van de gewestelijk directeur invordering te Gent van 30 april 2009 wordt bevestigd. In dit verband wordt gepreciseerd dat de verzoeker op 8 september 2008 een verzoekschrift tot onbeperkt uitstel van de invordering van directe belastingen indient op basis van artikel 413bis, § 1, van het WIB
- Op 30 april 2009 wijst de gewestelijk directeur van de invorde- ringen, sector directe belastingen van Gent dit verzoek af. Op 15 mei 2009 tekent de verzoeker beroep aan tegen voornoem- de beslissing bij de Beroepscommissie “onbeperkt uitstel”. Op 6 juli 2009 wordt het beroep verworpen. Op 28 juli 2009 dient de verzoeker een fiscaal verzoekschrift in bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. Op 6 oktober 2009 verklaart de justitiële rechter zich “zonder rechtsmacht”. De justitiële rechter beslist aldus op basis van het volgende, op het eerste gezicht doorslaggevend motief: “Samen met verweerder stelt de rechtbank vast dat de beslissing van de Beroepscommissie niet voor een verder beroep vatbaar is (zie art. 413quinquies, § 2, in fine WIB). De afwezigheid van een rechterlijke controle is gesteund op het feit dat het stelsel van het onbeperkt uitstel een administratieve procedure betreft, waarvan de beslissing niet voor de Hoven en Rechtbanken kan aangevochten worden. De toekenning van een onbeperkt uitstel valt onder het algemeen toezicht van het Rekenhof.” Op dit ogenblik is de appelrechter te Gent gevat van onder meer dit probleem van afwezigheid van rechtsmacht van de justitiële rechter. IX-6550-3/6 Beoordeling 4.
- Artikel 413quinquies, § 2, in fine van het WIB ’92 luidt als volgt: “De beslissing van de commissie is niet vatbaar voor beroep. (...).” Deze bepaling is op het eerste gezicht duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar, in die zin dat voornoemde beslissing een eindbeslissing lijkt te zijn, waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat, gelet op het beroep bij voornoemde commissie dat de verzoeker inmiddels heeft uitgeput. 4.
- Blijft de vraag of de bestreden beslissing een administratieve rechtshandeling is, die kan worden aangevochten voor de Raad van State op basis van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. In dit verband kan onder meer verwezen worden naar het arrest nr. 180.334 van 3 maart 2008 gewezen door de IXde kamer van de Raad van State inzake VANDEN BOSSCHE, waarvan enkele overwegingen worden geciteerd: “2.3.
- Artikel 569, eerste lid, 32/,van het Gerechtelijk Wetboek, zoals aangevuld bij artikel 4 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, geeft de rechtbanken van eerste aanleg de bevoegd- heid voor de beslechting van ‘geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet’. Het betreft een zeer algemene bepaling. De fiscale kamers van de rechtbanken van eerste aanleg zijn niet alleen uitsluitend bevoegd voor geschillen in verband met het al dan niet verschuldigd zijn van belastingen of de grootte van de belastingschuld, maar ook voor individuele administratieve beslissingen waarbij een discretionaire beoordelingsmarge bestaat in verband met de toepassing van bepalingen van een belastingwet zoals het al dan niet toestaan van termijnverlengingen en de kwijtschelding van intresten of belastingverhogingen. Blijkens de parlementaire voorbereiding van de wet van 23 maart 1999 is het de bedoeling van de wetgever geweest om het fiscaal contentieux (behoudens de betwisting van normatieve fiscale bepalingen) volledig te integreren in de rechterlijke macht. De memorie van toelichting van voormelde wet bevat in dat verband de volgende overwegingen : ‘Dit artikel maakt de kern uit van de voorgestelde hervorming : integratie van het fiscaal contentieux in de rechterlijke macht, meer bepaald bij de bijzondere, exclusieve bevoegdheden van de rechtbank van eerste aanleg. De terminologie werd ontleend aan artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek. 'Belastingwet' moet, zoals van oudsher wordt aangenomen voor de toepassing van voornoemd artikel, in de materiële betekenis worden verstaan, dus als elk algemeen verbindend fiscaal voorschrift, het weze een federale wet, een decreet, een ordonnantie of een verordening. Het gebruik van de notie 'geschillen over de toepassing van een belastingwet' als criterium van de volstrekte bevoegdheid heeft nog tot gevolg dat de IX-6550-4/6 rechterlijke macht uitspraak zal kunnen doen over de wettelijkheid van om het even welke individuele toepassing van een belastingnorm. Sommige individuele fiscale rechtshandelingen - zoals het (niet-) toestaan van termijnverlengingen (artikel 311 WIB/92), het (niet-)toestaan van uitstel van betaling of afbetaling van de belasting (artikel 10 W. 15 mei 1846, thans artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit), het (niet-) toestaan van uitstel van betaling van de 'onbetwistbaar verschuldigde belasting' (artikel 410, derde lid WIB/92), het (niet-)vrijstellen van de betaling van nalatigheidsintresten (artikel 417 WIB/92) en het opleggen van een zekerheids- of borgstelling (artikel 420 WIB/92) - konden tot dusver, bij gebrek aan bijzondere bevoegdheid van de rechterlijke macht, slechts bij de Raad van State worden aangevochten. Normatieve fiscale rechtshandelingen van hun kant zullen, zoals voorheen, uitsluitend kunnen worden aangevochten bij het Arbitragehof of de Raad van State, naargelang het gaat om een formele wet (artikel 142 van de Grondwet; artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof) of een verordening (artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Dit neemt niet weg dat de wettelijkheid van een fiscale norm zijdelings bij de gewone rechter kan worden betwist, dat wil zeggen wanneer die norm de grondslag uitmaakt van de rechtstreeks aangevochten, individuele fiscale rechtshandeling (artikel 142 van de Grondwet en artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, respectie- velijk artikel 159 van de Grondwet). Uiteraard kunnen bij de rechterlijke macht, overeenkomstig de artikelen 17 en 18, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek slechts vorderingen worden ingesteld wanneer de eiser daarbij een reeds verkregen en dadelijk belang heeft. Dit betekent dat de rechtsvordering van de belastingplichtige tegen de fiscus slechts toelaatbaar is, benevens in de hierboven vermelde gevallen waarvoor de Raad van State niet langer bevoegd is, om een ten onrechte gevestigde, uitvoerbare belastingtitel te betwisten of om een onverschuldigd betaalde belasting terug te vorderen.’ (Parl. St. Kamer 1997-98, nrs 1341- 1342-1, p. 35)’ Uit het bovenstaande blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is dat de Raad van State alleen nog maar bevoegd is voor ‘normatieve fiscale rechtshan- delingen’. Al de andere geschillen behoren tot de exclusieve bevoegdheid van de rechterlijke macht. Die exclusieve bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg voor geschillen over individuele fiscale rechtshandelingen sluit de algemene residuaire bevoegdheid van de Raad van State ex artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uit.” 4.
- Het staat op het eerste gezicht vast dat het thans bestreden besluit een individuele fiscale rechtshandeling is die niet kan worden gekwalificeerd als een normatieve fiscale rechtshandeling. Bijgevolg behoort het geschil op het eerste gezicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State. IX-6550-5/6 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 29 januari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Daniël Moons, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Daniël Moons IX-6550-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.263 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.201 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div