id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:20
§ 1, wordt gestort in de Vlaamse middelenbegroting.
De opbrengst van de administratieve geldboeten,
§ 2, wordt gestort in het Fonds Hernieuwbare Energiebronnen, bedoeld in artikel 26.
De opbrengst van de administratieve geldboeten,
§ 2bis en § 2ter, wordt gestort in het Energiefonds, bedoeld in artikel 20.” 3.2.
De administratieve geldboete die door de thans bestreden beslissingen wordt opgelegd is een geldboete voor de overtreding van artikel 23 van het elektriciteitsdecreet en dus gestoeld op artikel 37, §
- Die bepaling heeft oorspronkelijk aanleiding gegeven tot controverse omtrent de vraag of de vermelding “onverminderd § 1” betekende dat de overheid zelfs bij het opleggen van de administratieve boetes bedoeld in artikel 37, § 2, nog de discretionaire bevoegdheid vervat in artikel 37, § 1, van het decreet kon uitoefenen dan wel of de term “onverminderd” de toepassing van artikel 37, § 1, uitsloot. Deze controverse heeft de decreetgever opgelost in artikel 5 van het decreet van 7 mei 2004 “houdende wijziging van het elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000, wat betreft het groenestroomcertificatensysteem en tot interpretatie van artikel 37, § 2, van ditzelfde decreet”, waarin bepaald wordt dat het woord “onverminderd” moet uitgelegd worden als “met uitsluiting van”, zodat de VREG ter zake over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt. Artikel 5 van het decreet van 7 mei 2004 is door het Grondwettelijk Hof vervolgens met zijn arrest nr. 25/2005 van 2 februari 2005 gedeeltelijk vernietigd, met name “in zoverre het van toepassing is op de kalenderjaren voorafgaand aan 2004”. IX-5072-4/8 De hier bestreden administratieve geldboete is opgelegd op 17 mei 2005 en refereert aan de verplichting om op 31 maart 2005, 23.708 groenestroomcertificaten voor te leggen. Zij valt dus onder de toepassing van artikel 37, § 2, van het elektriciteitsdecreet, zoals geïnterpreteerd door het decreet van 7 mei
- IV. Feiten 4.
- Met een op 8 maart 2005 ter post aangetekend verstuurde brief deelt de verwerende partij aan de verzoekende partij mee dat zij vóór 31 maart 2005, 23.708 groenestroomcertificaten aan de VREG moet voorleggen en dat zij, bij gebrek daaraan, op grond van artikel 37, § 2, van het elektriciteitsdecreet een administratieve geldboete zal opleggen. 4.
- Op 15 april 2005 beslist de VREG aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.963.500 euro op te leggen. 4.
- Op 9 mei 2005 dient de verzoekende partij een bezwaarschrift in. 4.
- Op 17 mei 2005 legt de VREG de verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.963.500 euro op. Dit is de eerste bestreden beslissing. 4.
- De verzoekende partij dient op 24 juni 2005 een bezwaarschrift in, maar de verwerende partij verwerpt de bezwaren met een brief van 12 juli
- Dit is de tweede bestreden beslissing. V. Bevoegdheid van de Raad van State
- De verwerende partij betwist de bevoegdheid van de Raad van State. Zij stelt dat de vordering betrekking heeft op een betwisting over een geldelijke schuld waaromtrent het bestuur geen enkele discretionaire bevoegdheid uitgeoefend heeft, en dat zowel de omstandigheden waarin de geldboete kan opgelegd worden als het bedrag ervan door de decreetgever geregeld zijn. Zij verduidelijkt haar standpunt als volgt: de decreetgever heeft aan het bestuur geen IX-5072-5/8 enkele beoordelingsbevoegdheid gelaten aangaande de omstandigheden waarin de administratieve geldboete in geval van niet-naleving van artikel 23 van het elektriciteitsdecreet zou opgelegd worden en ook het bedrag van de boete wordt in het decreet vastgesteld. De geldelijke aanspraak van de verwerende partij is alzo rechtstreeks door het decreet geregeld zodat het bestuur geen beoordelingsvrijheid heeft omtrent het bestaan en de omvang van het recht. De verwerende partij heeft overigens in haar brief van 12 juli 2005 aan de verzoekende partij medegedeeld dat er tegen de beslissing “geen georganiseerd beroep meer openstaat”.
- De verzoekende partij brengt daartegen in essentie in dat het bestuur wel degelijk over een discretionaire bevoegdheid beschikt, aangezien artikel 37, § 1, van het elektriciteitsdecreet, waarin het woord “kan” gebezigd wordt, aan de VREG de vrijheid biedt om al dan niet een boete op te leggen, terwijl artikel 37, § 2, van het decreet, dat uitdrukkelijk § 1 van toepassing laat, de discretionaire bevoegdheid van het bestuur enkel beperkt op het vlak van de omvang van de boete. Zij stelt voorts ook dat het beroep er niet toe strekt uitspraak te doen over een subjectief recht, maar de onwettigheid vastgesteld te zien van een administratieve beslissing. Een geschil heeft een subjectief recht tot voorwerp wanneer de akte een weigering inhoudt om een welomschreven plicht uit te voeren die beantwoordt aan een subjectief recht wat een geheel gebonden bevoegdheid van de overheid veronderstelt. Welnu, in dit geval heeft het bestuur geen gebonden bevoegdheid voor het beoordelen van de omstandigheden waarin al dan niet een boete wordt opgelegd. Voorts is, om van een geschil over een subjectief recht te kunnen spreken, ook vereist dat de verzoekende partij zich op het bestaan van een welomschreven verplichting moet beroepen. Welnu, zij doet dit niet, want zij beroept zich op de schending door de VREG van gedragsvoorschriften uit het objectief recht en streeft de vernietiging wegens onwettigheid na van de bestreden beslissing. Zij wijst er tenslotte nog op dat zij het onderhavig beroep ingesteld heeft “teneinde al haar rechten te vrijwaren” naast de mogelijkheid die artikel 569, 33/, van het Gerechtelijk Wetboek haar verleent.
- De bestreden beslissing betreft het opleggen van een administratieve geldboete aan de verzoekende partij omdat zij op 31 maart 2005 het overeenkomstig artikel 23 van het elektriciteitsdecreet vastgesteld aantal groenestroomcertificaten niet aan de verwerende partij voorgelegd heeft. Volgens de verwerende partij oefende het bestuur een gebonden bevoegdheid uit; volgens de verzoekende partij niet. IX-5072-6/8
- Artikel 37, § 2, van het elektriciteitsdecreet, moet voor de onderhavige zaak gelezen worden als een bepaling die los staat van artikel 37, § 1, van het decreet. Dit betekent dat de VREG over geen discretionaire bevoegdheid beschikt ten aanzien van administratieve geldboeten voor het niet-indienen van groenestroomcertificaten, maar zich moet beperken tot het toetsen van een concreet dossier aan de in artikel 23 vermelde criteria, dienovereenkomstig het aantal verschuldigde groenestroomcertificaten berekenen en in geval van niet overlegging, de in het decreet bepaalde geldboete ter kennis van de betrokkene brengen. De ontstentenis van discretionaire bevoegdheid van de VREG met betrekking tot de administratieve geldboeten geldt niet alleen ten aanzien van het bedrag van de geldboete, maar ook ten aanzien van de voorafgaande vraag of er al dan niet een administratieve geldboete mag opgelegd worden. Dat is met zoveel woorden uiteengezet -en vervolgens niet tegengesproken- in de toelichting bij het voorstel dat het decreet van 7 mei 2004 geworden is (Parl. St., Vlaamse Raad, stuk 2188 (2003-2004), nr. 1, p. 9-10) en het lag ook reeds besloten in de oorspronkelijke regeling, zoals die in de memorie van toelichting bij het decreet van 17 juli 2000 uiteengezet is (Parl. St., Vlaamse Raad, stuk 285 (1999-2000), nr. 1, p. 29). De uitsluitend gebonden bevoegdheid van de VREG bij de vaststelling van de rechten en de verplichtingen van de rechtsonderhorigen, houdt in dat, in geval van betwisting, de gewone rechter in het kader van een betwisting over een subjectief recht kan uitmaken welk bedrag de elektriciteitsleverancier uiteindelijk zal moeten betalen. Die bevoegdheid van de gewone rechtbanken sluit de bevoegdheid van de Raad van State uit. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-5072-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 1 februari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5072-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.286 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div