id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.309 Rolnummer: A. 157665/IX-4720 Zaak: Arrest 200309 - Verloven (openbaar ambt) - 01/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-11 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 08:36 Fiche Arrest nr 200.309 van 1 februari 2010 Openbaar ambt - Verloven (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 200.309 van 1 februari 2010 in de zaak A. 157.665/IX-4720 In zake : Eddy VANDERMEIRSCH wonende te Diksmuide Oude Zeedijk 13 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 november 2004, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing waarbij namens de opleidingsdirecteur van de dienst Vorming van de Federale Overheidsdienst Financiën aan Eddy VANDERMEIRSCH wordt medegedeeld, bij schrijven van 22 september 2004, dat het door hem gevraagde opleidingsverlof niet wordt toegestaan en van de bevestiging van deze beslissing medegedeeld aan de verzoeker bij schrijven van 21 oktober 2004 van de opleidingsdirecteur. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Rudi Van Der Gucht heeft een verslag opgesteld. De verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 januari
- IX-4720-1/15 Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Inspecteur Jan De Vleeschouwer die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Rudi Van Der Gucht heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is als bestuurschef bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen verbonden aan het registratiekantoor te Nieuwpoort. 3.
- Voor het schooljaar 2003-2004 wordt hem een opleidingsverlof toegestaan voor het volgen van een cursus Spaans. 3.
- Op 1 september 2004 dient de verzoeker een aanvraag in voor het bekomen van een opleidingsverlof voor het volgen van het tweede jaar van de cursus Spaans. Hij motiveert deze aanvraag als volgt: “Het betreft een tweejarige opleiding, waarvan het eerste schooljaar reeds met vrucht werd gevolgd met een toegestaan opleidingsverlof (...). Er werden in het verleden reeds opleidingsverloven toegestaan voor het volgen van Spaans aan andere collega’s, ook voor meerdere schooljaren. Voor alle overheidspersoneel geldt het gelijkheidsbeginsel. De multiculturele samenleving van vandaag vereist meertalenkennis. Ik ben thans tewerkgesteld op een ontvangkantoor waar dagelijks publiek over de vloer komt en waar telefonische contacten niet ontbreken. Spaans is niet alleen een Europese taal, het is tevens een wereldtaal, die na het Engels en het Chinees het meest gesproken wordt ter wereld. Het goedgekeurd vrij verkeer van werknemers en zelfstandigen in Europa zal er in de toekomst voor zorgen dat zich, volledig legitiem en zonder leerplicht van onze landstalen, nog meer anderstaligen in België zullen vestigen.” IX-4720-2/15 In het daartoe voorzien “kader 2” van het aanvraagformulier kruist verzoekers dienstchef de optie “ongunstig advies” aan, met de volgende motivatie: “Geen onmiddellijk nut voor het kantoor. Draagt wel bij tot de algemene ontwikkeling van de betrokkene. Levenslang leren wordt gepromoot door de politieke wereld!” 3.
- Bij schrijven van 22 september 2004 wordt namens de opleidings- directeur aan de verzoeker medegedeeld dat het gevraagde opleidingsverlof niet wordt toegestaan. De weigeringsbeslissing luidt als volgt: “Opleiding niet in verband met de functie.” Als bijlage bij dit schrijven wordt de volgende motivering opgegeven: “Artikel 76 van het koninklijk besluit van 19.11.1998 stelt: ‘De gekozen opleiding moet een beroepsopleiding zijn. Onder beroepsopleiding wordt elke opleiding verstaan die een verband heeft met: - Hetzij de huidige functie van de ambtenaar; - Hetzij de functie die de ambtenaar in de toekomst zou kunnen uitoefenen in een federaal ministerie, in een federale wetenschappelijke inrichting of in een instelling van openbaar nut die onder de federale Staat ressorteert.’ De gevolgde opleiding wordt niet beschouwd als in verband met het ambt. In de motivatie bij de aanvraag werd het verband met de functie niet aan- getoond. Tevens blijkt uit het ongunstig advies van de dienstchef dat de gevolgde opleiding niet kan beschouwd worden als in verband met het ambt.” Tevens wordt in fine van dit schrijven de volgende beroepsmoge- lijkheid aangegeven: “BEROEP Als u niet akkoord gaat met de voor uw opleidingsverlof genomen beslissing, neem dan eerst contact op met de Opleidingsdirecteur om na te kijken of er geen vergissing gebeurde. Indien dit niet het geval is, beschikt u over de mogelijkheid een beroep in te dienen bij de afdeling Administratie van de Raad van State (Wetenschapsstraat 33 te 1040 Brussel) en dit binnen de 60 dagen na de notificatie van de beslissing.” IX-4720-3/15 3.
- Met een brief van 27 september 2004 tekent de verzoeker bij de opleidingsdirecteur bezwaar aan tegen voornoemde weigeringsbeslissing. Hij doet dit in de navolgende bewoordingen: “Voor alle overheidspersoneel geldt het gelijkheidsbeginsel. Door de toepassing van het gelijkheidsbeginsel wordt de bewegingsvrijheid in verband met het nemen van administratieve beslissingen beperkt door beslissingen die voordien voor gelijkaardige gevallen reeds werden genomen (het precedent). Overeenkomstig de wet op de motivering van de administratieve rechtshan- delingen (Wet van 29.07.1991) moet elke administratieve beslissing formeel worden gemotiveerd. Die formele motivering bestaat uit de aanduiding van de wettelijke en feitelijke overwegingen waarop de beslissing stoelt. Elk administratief orgaan dat bij zijn beslissing de wet schendt, bezondigt zich aan machtsoverschrijding. In casu luidt het motief van de weigering van het opleidingsverlof: ‘Art. 76 van het K.B. van 19.11.1998 stelt: ‘De gekozen opleiding moet een beroepsopleiding zijn. Onder beroepsopleiding wordt ELKE opleiding verstaan die EEN verband heeft met: - hetzij de huidige functie van de ambtenaar (zoals de ontvangst van het publiek, het spreken van (met) het publiek, rechtstreeks of via de telefoon, het bespreken van dossiers,...Ook in een andere taal dan het Nederlands); - hetzij de functie die de ambtenaar in de toekomst ZOU KUNNEN uitoefenen in een federaal ministerie,...’ Sommige dienstchefs gaan ervan uit dat om het even welke opleiding ‘tijdverlies’ betekent. Andere dan weer stellen zich soepeler op. Het is overeenkomstig kwestieus Koninklijk Besluit van 19.11.1998 gelukkig niet het (negatief) advies van de dienstchef dat bepalend is of de opleiding al dan niet kan worden toegekend. Sommige dienstchefs gaven in het verleden zelfs negatief advies tot het volgen van basisopleidingen informatica. Basisopleidingen informatica die door uw diensten dan toch als educatief verlof werden toegestaan. Het is evenmin niet een minder goede of een gebrekkiger motivering van de aanvrager van het opleidingsverlof dat bepalend is of een opleidingsverlof al dan niet kan worden toegestaan: de interpreteringen ervan zijn eerder subjectief en het KB van 19.11.1998 stelt ze evenmin als voorwaarde. Er zijn in mijn omgeving genoegzaam collega’s bekend die voor het volgen van Spaans, zelfs na negatief advies van de dienstchef, daadwerkelijk educatief verlof werden toegestaan, dit ook voor meerdere schooljaren. IX-4720-4/15 Er is mij zelfs een collega bekend (afkomstig uit dezelfde dienst) die voor het huidige schooljaar 2004-2005 in dezelfde school én voor eenzelfde tweede schooljaar Spaans is ingeschreven, waarvoor wel degelijk een opleidingsverlof werd toegekend. In het nemen van uw beslissing werd het gelijkheidsbeginsel bijgevolg duidelijk geschaad. Het is bovendien zo, dat mij op grond van hetzelfde nog van kracht zijnde K.B. van 19.11.1998 en na een negatief advies van de dienstchef voor het eerste schooljaar Spaans, zij het na eenzelfde procedure als onderhavige procedure, eveneens reeds een opleidingsverlof werd toegestaan.” 3.
- Bij schrijven van 21 oktober 2004 geeft de opleidingsdirecteur aan de verzoeker te kennen dat niet kan worden ingegaan op zijn vraag tot herziening van de genomen weigeringsbeslissing. Dit schrijven is als volgt gemotiveerd: “(...) Vanaf het schooljaar 2004-2005 wordt de ambtenaar gevraagd in het vak ‘motivatie’ van de aanvraag tot opleidingsverlof het verband met de functie aan te tonen. Zoals reeds medegedeeld in de beslissing werd in de motivatie die u gaf bij uw aanvraag van 1/9/2004 het verband met de functie niet aangetoond. Bovendien gaf de dienstchef ongunstig advies. In uw schrijven dd. 27 september werden geen argumenten aangebracht die het verband met de functie aantonen waardoor de beslissing behouden blijft.” 3.
- Met een brief van 2 november 2004 dient de verzoeker bij de opleidingsdirecteur een nieuw bezwaar in tegen de opgelopen weigeringsbeslissing. 3.
- Bij schrijven van 23 november 2004 geeft de opleidingsdirecteur aan de verzoeker te kennen dat de weigeringsbeslissing niet kan worden herzien. Dit schrijven luidt als volgt: “Met de notificatie van 22/9/2004 werd u op de hoogte gebracht dat uw aanvraag tot opleidingsverlof voor het schooljaar 2004-2005 voor een cursus Spaans werd geweigerd op basis van de motivatie die u gaf en het ongunstig advies van uw dienstchef. Ingevolge uw schrijven dd. 27/09/2004 werd uw dossier nogmaals onderzocht, niettegenstaande het feit dat het beroep dient te worden ingediend bij de afdeling Administratie van de Raad van State. In mijn schrijven dd. 21/10/2004 werd de notificatie van de beslissing van 22/9/2004 bevestigd. Op 2/11/2004 richtte u een nieuw schrijven aan mijn diensten met nogmaals een vraag tot herziening van de beslissing. U zal begrijpen dat, rekening houdend met enerzijds de wettelijke bepalingen die slechts voorzien in een beroep bij de Raad van State binnen de 60 dagen na notificatie van de beslissing (gedateerd op 22/09/2004), en anderzijds het feit dat uw dossier desondanks IX-4720-5/15 opnieuw werd onderzocht (mijn schrijven van 21/10/2004), de beslissing niet kan herzien worden. De beroepsmogelijkheden bij de Raad van State werden u reeds meegedeeld in het schrijven van 22/09/2004.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4.
- De verwerende partij werpt een eerste exceptie van onontvan- kelijkheid van het beroep op, voor zover het gericht is tegen de weigeringsbeslissing van 23 november
- Zij stelt dat met de beslissing van 23 november 2004 verzoekers tweede bezwaarschrift wordt afgewezen, zonder een nieuw onderzoek van de aanvraag, zodat er geen nieuwe beslissing ter zake is genomen. 4.
- De aan de verzoeker bij schrijven van 21 oktober 2004 medege- deelde beslissing van de opleidingsdirecteur is er één waarbij de verwerende partij, na en op bezwaar van de verzoeker tegen de hem bij schrijven van 22 september 2004 medegedeelde weigeringsbeslissing hem het gevraagde opleidingsverlof toe te kennen, uitspraak doet betreffende de gerezen weigeringsbeslissing. Het gaat om een willig beroep, waarbij de verzoeker zich heeft gericht tot de overheid die de initiële beslissing heeft genomen, met het verzoek die beslissing te wijzigen in een voor hem gunstige beslissing. Dit willig beroep wordt afgewezen, wat echter niet betekent dat de beslissing van 21 oktober 2004 louter bevestigend is. De verwerende partij heeft immers voorafgaand aan die beslissing de aanvraag van de verzoeker nogmaals onderzocht, wat zij zelf bevestigt in haar schrijven van 23 november
- De beslissing van 21 oktober 2004 is dan ook in de plaats gekomen van de beslissing van 22 september
- Door in die beslissing te besluiten dat de eerder genomen beslissing behouden blijven, heeft de directeur evenwel de motieven van die eerste beslissing overgenomen. De aan de verzoeker bij schrijven van 23 november 2004 medegedeelde beslissing van de opleidingsdirecteur, is evenwel geen voor vernietiging vatbare rechtshandeling. Het betreft slechts de mededeling dat het bestuur niet wenst in te gaan op verzoekers bezwaarschrift van 2 november 2004, aangezien zijn aanvraag reeds tweemaal werd onderzocht en mede gelet op de IX-4720-6/15 beroepstermijn voor de Raad van State. Aan het schrijven van 23 november 2004 is dus geen nieuw onderzoek van de aanvraag voorafgegaan. Bijgevolg is het beroep slechts ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen de weigeringsbeslissingen, aan de verzoeker medegedeeld bij schrijven van 22 september 2004 en 21 oktober
- De exceptie is gegrond. 5.
- In haar laatste memorie werpt de verwerende partij een tweede exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang in hoofde van de verzoeker. Zij voert aan, onder verwijzing naar de over het opleidingsverlof handelende artikelen van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen (hierna: het koninklijk besluit van 19 november 1998), dat het opleidingsverlof enkel kan worden toegekend voor de duur van de opleiding waarvoor de aanvrager regelmatig ingeschreven is. Indien de aanvrager zich inschrijft voor één schooljaar, wat te dezen het geval is, moet het opleidingsverlof voor dat schooljaar worden aangevraagd. Bij een latere nieuwe inschrijving voor een volgend schooljaar moet het opleidingsverlof opnieuw worden aangevraagd. De verwerende partij houdt voor dat de aanvraag van de verzoeker om een opleidingsverlof te bekomen voor het schooljaar 2004-2005 enkel geldt voor de periode van 1 september 2004 tot 31 augustus
- Indien de verzoeker het opleidingsverlof zou zijn toegekend, diende hij de toegestane uren gedurende die periode op te nemen. De reglementering laat namelijk niet toe om opleidingsverlof gedurende latere jaren te gebruiken. De verwerende partij meent dan ook dat, aangezien de datum van 31 augustus 2005 ondertussen verstreken is, de verzoeker niet langer een actueel belang bij zijn vordering heeft. Er kan hem immers voor het schooljaar 2004-2005 geen opleidingsverlof meer worden toegekend. 5.
- De stelling van de verwerende partij kan niet worden bijgevallen. De verzoeker is immers niet verantwoordelijk voor het feit dat de Raad van State het IX-4720-7/15 annulatieberoep onderzoekt op het ogenblik dat de periode waarop de vraag tot opleidingsverlof betrekking heeft, reeds verstreken is. De stelling van de verwerende partij zou er op neer komen dat, in gevallen zoals dat van de verzoeker, alleen al door het verlopen van termijnen, een verzoeker steeds het belang ontzegd zou moeten worden. Nochtans blijkt niet dat de wetgever dergelijke beslissingen van het vernietigingscontentieux heeft uitgesloten. Omtrent verzoekers vraag tot opleidingsverlof werd een afwijzende beslissing genomen. De verzoeker heeft de negatieve impact van die beslissing moeten ondergaan. Die vaststelling volstaat om aan te nemen dat de verzoeker thans nog steeds belang heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissing. Het onderzoek van de vordering kan daarenboven ook van belang zijn voor toekomstige beslissingen inzake de toekenning van opleidingsverlof aan de verzoeker. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 6.
- In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 76 van het koninklijk besluit van 19 november 1998, van de materiële motiveringsplicht en van het beginsel “patere legem quam ipse fecisti”. De verzoeker houdt voor dat de weigering van het gevraagde opleidingsverlof telkens wordt gemotiveerd door een vermeend gebrek aan verband tussen de opleiding en de functie, zonder dat wordt ingegaan op zijn argumenten ter zake. Met name heeft hij er zowel in zijn aanvraag als in zijn bezwaarschrift op gewezen dat hij in zijn huidige functie anderstalig publiek te woord moet staan, zowel rechtstreeks als telefonisch. Voorts is hij van mening dat de motivering van de bestreden weigeringsbeslissing niet afdoende is, aangezien, ingevolge voormeld artikel 76, de IX-4720-8/15 verwerende partij voorafgaand aan haar beslissing de opleiding ook moet onderzoeken in het licht van een functie die de ambtenaar in de toekomst zou kunnen uitoefenen en dit te dezen niet is gebeurd. Verder schrijft de verzoeker dat de cursus Spaans wel degelijk als een beroepsopleiding in de zin van voormeld artikel 76 moet worden beschouwd, wat volgens hem wordt bevestigd door het antwoord van de minister van Financiën op een parlementaire vraag, waaruit een gedragslijn zou blijken waarbij “alle talen van de Europese Gemeenschap worden aanvaard” als beroepsopleiding. 6.
- De verwerende partij antwoordt dat uit verzoekers aanvraag geen verband blijkt tussen zijn huidige functie en de cursus Spaans. Dat het Spaans een wereldtaal is en dat steeds meer onderdanen uit de Europese Unie zich in België zullen vestigen, zijn volgens haar algemene bespiegelingen die geen verband houden met verzoekers functie. Zij merkt ook op dat de verzoeker niet beweert dagelijks Spaans te gebruiken bij zijn persoonlijke en telefonische contacten met het publiek. Voorts wijst de verwerende partij er op dat de verzoeker in zijn bezwaarschrift van 27 september 2004 stelt dat geen rekening mag worden gehouden met zijn motivering om het opleidingsverlof aan te vragen, noch met het advies van zijn dienstchef, daar het verlof hem automatisch zou moeten worden toegestaan. De opleidingsdirecteur antwoordt hierop bij brief van 21 oktober 2004 dat de verzoeker geen nieuwe argumenten aanbrengt die een band tussen de functie en de opleiding aantonen. De verwerende partij is dan ook van mening dat in de bestreden beslissing duidelijk wordt verwoord waarom de aanvraag wordt afgewezen: het door artikel 76 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 vereiste verband tussen de opleiding en de functie blijkt niet uit de motivering geformuleerd door de verzoeker en wordt ontkend door zijn dienstchef. Verder betoogt de verwerende partij dat de vormingsdirecteur niet uitdrukkelijk diende te motiveren waarom er geen verband zou bestaan tussen de opleiding en een toekomstige functie van de verzoeker, vermits noch uit de aanvraag, noch uit de bezwaarschriften van de verzoeker blijkt dat hij de cursus Spaans wenste te volgen met het oog op een toekomstige functie. IX-4720-9/15 Voorts schrijft de verwerende partij dat voormeld artikel 76 nader wordt toegelicht in artikel 9 van de nota van 2 februari 1998 betreffende de opleidingsverloven, waarin de beleidslijn voor de toekenning van opleidingsverlof voor taalcursussen vervat is. De verwerende partij is van mening dat voormeld artikel 9 te dezen is nageleefd, nu het bepaalt dat “Frans, Nederlands, Engels en Duits (...) als in verband met het ambt (worden) beschouwd” en “De andere talen (...) als niet in verband met het ambt, behalve mits uitdrukkelijke tegenmotivatie van de dienstchef”. Volgens de verwerende partij had de minister van Financiën geenszins de intentie om terug te komen op deze bepaling en heeft hij evenmin opdracht gegeven om ze aan te passen. Beoordeling 6.3.
- Artikel 76 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 luidt als volgt: “De gekozen opleiding moet een beroepsopleiding zijn. Onder beroepsopleiding wordt elke opleiding verstaan die een verband heeft met - Hetzij de huidige functie van de ambtenaar ; - Hetzij de functie die de ambtenaar in de toekomst zou kunnen uitoefenen in een federaal ministerie, in een federale wetenschappelijke inrichting of een instelling van openbaar nut die onder de federale Staat ressorteert.” De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct beoordeeld heeft, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis IX-4720-10/15 van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De formele motiveringsplicht houdt evenwel niet in dat alle door de partijen aangevoerde argumenten moeten worden beantwoord. Het volstaat dat de argumentatie van de betrokkene in de besluitvorming wordt betrokken en dat blijkt, minstens op impliciete wijze, waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. 6.3.
- Te dezen moet worden vastgesteld dat de verzoeker zijn aanvraag tot het bekomen van opleidingsverlof heeft verantwoord in het aanvraagformulier en in het schrijven van 27 september 2004 aan de opleidingsdirecteur. Het bestuur heeft evenwel in geen enkele fase van de procedure de argumentatie van de verzoeker bij haar besluitvorming betrokken, laat staan aangegeven waarom de aangevoerde argumentatie niet werd aanvaard. Alleen al deze vaststelling volstaat om aan te nemen dat de motiveringsplicht geschonden is. Daarenboven blijkt dat het bestuur zowel in zijn schrijven van 22 september 2004 als in dat van 21 oktober 2004 een nietszeggende motivering geeft bij de bespreking van de eerste mogelijke grondslag voor het toestaan van opleidingsverlof zoals omschreven in voormeld artikel
- Nergens wordt immers aangegeven om welke reden het onderzoek van het bestuur tot de vaststelling heeft geleid dat, spijts wat de verzoeker dienaangaande voorhoudt, de door de verzoeker aangevraagde beroepsopleiding geen verband vertoont met zijn huidige functie. Er wordt enkel verwezen naar het nietszeggend advies van de dienstchef “Geen onmiddellijk nut voor het kantoor”. Over de tweede mogelijke grondslag voor het toestaan van opleidingsverlof wordt zelfs met geen woord gerept. Aldus schendt de verwerende partij de op haar rustende motiveringsplicht en verengt zij op onwettige wijze ten nadele van de verzoeker de toepassingsmodaliteiten voor het verkrijgen van een opleidingsverlof, zoals omschreven in artikel 76 van het koninklijk besluit van 19 november
- Het middel is gegrond. IX-4720-11/15 B. Tweede middel Standpunt van de partijen 7.
- In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van het gelijkheidsbeginsel, doordat hem vorig jaar op basis van dezelfde regelgeving wel een opleidingsverlof werd toegestaan voor dezelfde taalcursus en doordat aan andere personeelsleden voor het hier bedoeld jaar wel opleidingsverlof werd toegestaan voor het volgen van een cursus Spaans. 7.
- De verwerende partij antwoordt dat tot en met het schooljaar 2003-2004 de aanvrager het verband tussen de opleiding en de functie niet kon toelichten, met als gevolg dat de aanvraag voor het volgen van taalcursussen voor talen, andere dan de drie landstalen en het Engels, bij een negatief advies van de dienstchef geacht werden geen verband te houden met de functie, zonder mogelijk- heid voor de aanvrager om het eventuele verband tussen de opleiding en de functie te verduidelijken. Wanneer de aanvrager een weigeringsbeslissing betwistte, diende de opleidingsdirecteur de aanvraag opnieuw te beoordelen, wat zeer snel moest gebeuren omdat het schooljaar op dat ogenblik reeds was aangevat en dit terwijl de opleidingsdirecteur ingevolge de omvang van de Federale Overheidsdienst Financiën over weinig informatie beschikte met betrekking tot de situatie binnen elke dienst, wat leidde tot een eerder inschikkelijke houding. Vanaf het schooljaar 2004-2005 is daar volgens de verwerende partij verandering in gekomen en wordt de aanvrager uitdrukkelijk verzocht bij zijn aanvraag zijn standpunt kenbaar te maken, zodat de vormingsdirecteur de aanvraag met kennis van dit standpunt en van het advies van de dienstchef kan beoordelen binnen de maand. De motieven die de verzoeker in zijn beroep en in zijn brief van 27 september 2004 te dezen aanvoert, konden volgens de verwerende partij de vormingsdirecteur niet overtuigen van een verband tussen de opleiding en het ambt van de verzoeker. Zij meent dan ook dat er geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Voorts betoogt de verwerende partij dat de enkele vaststelling dat aan sommige ambtenaren een opleidingsverlof werd toegestaan voor het volgen van een cursus Spaans en aan anderen niet, op zich niet toelaat om te besluiten dat het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden, vermits de aanvragen individueel worden beoordeeld aan de hand van de concrete situatie van de aanvrager. Uit artikel 76, IX-4720-12/15 eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 november 1998 blijkt immers dat er rekening moet worden gehouden met de functie “van de ambtenaar” en ook in de nota van 2 februari 1998 betreffende de opleidingsverloven wordt, voor de beoordeling van aanvragen om taalcursussen te volgen voor talen andere dan de drie landstalen en het Engels, uitgegaan van een individuele beoordeling van de aanvragen. 7.
- De verzoeker repliceert dat de omstandigheid dat vanaf het schooljaar 2004-2005 een motivering wordt gevraagd, irrelevant is. Te dezen werden immers twee gelijke gevallen ongelijk behandeld, vermits twee ambtenaren met identieke taken bij dezelfde federale overheidsdienst verschillend behandeld werden. Met name werd aan een collega te Ieper een opleidingsverlof toegekend voor hetzelfde schooljaar Spaans en aan de verzoeker niet. Voor een dergelijke verschillende behandeling bestaat volgens de verzoeker geen deugdelijke motivering. Bovendien meent de verzoeker dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, doordat hem het voorgaande jaar op basis van dezelfde regelgeving wel een opleidingsverlof werd toegestaan voor dezelfde taalcursus en nu niet. Voorts betoogt de verzoeker dat de individuele beoordeling van aanvragen niet wegneemt dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld en ongelijke gevallen ongelijk. Hij houdt voor dat het koninklijk besluit van 19 november 1998 het begrip “in verband met de functie” niet expliciet omschrijft en dat de beslissingen van de opleidingsdirecteur dan ook subjectief zijn en er geen garantie bestaat voor een gelijke behandeling. Volgens de verzoeker geeft de verwerende partij ook toe dat de opleidingsdirecteur niet over de nodige tijd en kennis van de diensten beschikt om zich een duidelijk beeld te vormen. De bijkomende motivering verschaft door de aanvrager zal de opleidingsdirecteur geen bijkomende kennis bijbrengen, wat volgens de verzoeker duidelijk blijkt uit het feit dat twee verschillende beslissingen bestaan voor twee collega’s met identieke taken bij dezelfde dienst. Beoordeling 7.
- Uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de overheid geen pertinente motieven heeft aangebracht waaruit valt af te leiden waarom aan de verzoeker voor het voorgaande schooljaar wel, maar voor het schooljaar 2004-2005 IX-4720-13/15 geen opleidingsverlof voor de cursus Spaans werd toegestaan en waarom de verzoeker ongelijk behandeld wordt ten aanzien van personeelsleden met een gelijkaardige functie die voor het schooljaar 2004-2005 wel opleidingsverlof kregen voor dezelfde cursus Spaans. De verzoeker maakt dan ook aannemelijk dat het gelijkheidsbe- ginsel geschonden werd. Het middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing waarbij namens de opleidings- directeur van de Dienst Vorming van de Federale Overheidsdienst Financiën aan Eddy VANDERMEIRSCH wordt medegedeeld, bij schrijven van 22 september 2004, dat het door hem gevraagde opleidingsverlof niet wordt toegestaan, alsook vernietigt de Raad van State de bevestiging van die beslissing, medegedeeld aan Eddy VANDERMEIRSCH bij schrijven van 21 oktober 2004 van de opleidingsdirecteur.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-4720-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 1 februari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-4720-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.309 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div