← België

Arrest 200310 - Verloven (openbaar ambt) - 01/02/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.310 Rolnummer: Zaak: Arrest 200310 - Verloven (openbaar ambt) - 01/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-10 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-07-02 08:36 Fiche Arrest nr 200.310 van 1 februari 2010 Openbaar ambt - Verloven (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 200.310 van 1 februari 2010 in de zaak A. 168.141/IX-5145 A. 178.796/IX-5473 In zake : Marc VAN ASSCHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 25 november 2005, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing waarbij namens de opleidingsdirecteur van de dienst Vorming van de Federale Overheidsdienst Financiën aan Marc VAN ASSCHE wordt medegedeeld, bij schrijven van 28 september 2005, dat het door hem op 31 augustus 2005 gevraagde opleidingsverlof niet wordt toegestaan (de zaak A. 168.141/IX-5145). Het beroep, ingesteld op 23 november 2006, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing waarbij namens de opleidingsdirecteur van de dienst Vorming van de Federale Overheidsdienst Financiën aan Marc VAN ASSCHE wordt medegedeeld, bij schrijven van 27 september 2006, dat het door hem op 28 augustus 2006 gevraagde opleidingsverlof niet wordt toegestaan (de zaak A. 178.796/IX-5473). IX-5145-1/24 II. Verloop van de rechtspleging
  2. In de zaak A. 168.141/IX-5145 heeft de verwerende partij een memorie van antwoord ingediend en heeft de verzoeker een memorie van wederantwoord ingediend. In de zaak A. 178.796/IX-5473 heeft de verwerende partij een memorie van antwoord ingediend en heeft de verzoeker een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Rudi Van Der Gucht heeft een verslag opgesteld. In de zaak A. 168.141/IX-5145 hebben de verzoeker en de verwerende partij een laatste memorie ingediend. In de zaak A. 178.796/IX-5473 hebben de verzoeker en de verwerende partij een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 januari
  3. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ilse Arnouts, die loco advocaat Pascal Lahousse verschijnt voor de verzoeker, en inspecteur Jan De Vleeschouwer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Rudi Van Der Gucht heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. IX-5145-2/24 III. Feiten 3.
  5. De verzoeker is als verificateur (nieuwe benaming: adjunct-fiscaal deskundige) bij de administratie der directe belastingen, dienst Invordering, verbonden aan het ontvangstkantoor te Lokeren. 3.
  6. Sedert 2001 wordt hem elk schooljaar opleidingsverlof toegestaan voor het volgen van een taalcursus Spaans. 3.
  7. Op 31 augustus 2005 dient de verzoeker een aanvraag in voor het volgen van de opleiding “SPAANS Richtgraad 2 - studiejaar 3” gedurende het schooljaar 2005-
  8. Hij motiveert zijn aanvraag als volgt: “Een grondige kennis van de Spaanse taal verwerven in functie van een toekomstige kandidaatstelling m.b.t. het Fiscalis-programma, uitwisselingszen- ding naar Spanje. Bij tewerkstelling op een eurovignetkantoor voor aflevering vignetten en behandeling P.V.’s van Spaanse en Portugese vrachtwagenbestuur- ders. Toepassing KB van 15/09/1997 en parlementaire vraag nr. 128 de dato 24/11/1999 zittingsperiode 50 aan de Minister van Financien.” In het daartoe voorzien “kader 2” van het aanvraagformulier, bestemd voor het advies van de dienstchef, wordt de optie “ongunstig advies” aangekruist, zonder motivering noch vermelding van de naam, noch de handteke- ning. 3.
  9. Bij schrijven van 2 september 2005 zendt de gewestelijk directeur volgend advies toe aan de opleidingsdirecteur: “Bijgaande aanvraag om opleidingsverlof voor het volgen van de taalcursus Spaans - voor het schooljaar 2005-2006 - op naam van dhr. Van Assche Marc, L., wordt u met negatief advies toegezonden. De door betrokkene opgegeven motivatie is niet relevant aan zijn functie en werkzaamheden op het ontvangkantoor Lokeren. Door het betreffende ontvangkantoor worden namelijk geen eurovignetten afgeleverd. Anderzijds is het programma Fiscalis 2007 reeds begin 2004 bekend gemaakt, mocht daartoe echte interesse voor zijn dan kon betrokkene zijn kandidatuur reeds stellen.” 3.
  10. Met een brief van 28 september 2005 wordt namens de opleidings- directeur aan de verzoeker medegedeeld dat het gevraagde opleidingsverlof niet wordt toegestaan om reden van: “Opleiding niet in verband met de functie”. IX-5145-3/24 Als bijlage bij dit schrijven wordt de volgende motivering opgegeven: “Artikel 76 van het koninklijk besluit van 19.11.1998 stelt: ‘De gekozen opleiding moet een beroepsopleiding zijn. Onder beroepsopleiding wordt elke opleiding verstaan die een verband heeft met: - Hetzij de huidige functie van de ambtenaar; - Hetzij de functie die de ambtenaar in de toekomst zou kunnen uitoefenen in een federaal ministerie, in een federale wetenschappelijke inrichting of in een instelling van openbaar nut die onder de federale Staat ressorteert.’ Uit het ongunstig advies van de dienstchef blijkt dat de gevolgde opleiding niet kan beschouwd worden als in verband met het ambt.” Tevens wordt in fine van dit schrijven de volgende beroepsmoge- lijkheid aangegeven: “BEROEP Als u niet akkoord gaat met de voor uw opleidingsverlof genomen beslissing, neem dan eerst schriftelijk contact op met de Opleidingsdirecteur (Dienst Vorming, Kunstlaan 19H - bus 2, 1000 Brussel) om na te kijken of er geen vergissing gebeurde. Indien dit niet het geval is, beschikt u over de mogelijkheid een beroep in te dienen bij de afdeling Administratie van de Raad van State (Wetenschapsstraat 33 te 1040 Brussel) en dit binnen de 60 dagen na de notificatie van de beslissing.” 3.
  11. Bij schrijven van 7 oktober 2005 tekent de verzoeker bij de opleidingsdirecteur bezwaar aan tegen de voormelde weigeringsbeslissing. Dit bezwaar luidt als volgt: “(...) Dhr. Opleidingsdirecteur verwijst in zijn motivatie bij de weigering naar het ongunstig advies van de dienstchef. Doch de dienstchef (= het personeelslid dat het vakantieverlof toestaat - zie 998, D.I. 203/SF.97174201/08/MM, betreffen- de opleidingsverloven - blz. 2) heeft terzake géén advies verstrekt. Het advies werd daarentegen gegeven door de Dhr. Gewestelijk Directeur Invordering te Gent, aan wie alle dienstchefs die ressorteren onder zijn bevoegdheid de aanvragen om opleidingsverlof voor advies dienen door te sturen. (...) Aldus werden de onderrichtingen vervat in artikel 17 van de D.I. 203 met betrekking tot de opleidingsverloven niet toegepast. (...) Het ongunstig advies van Dhr. Gewestelijk Directeur (waarvan ik niet in kennis werd gesteld) blijkt te stellen dat de gevolgde opleiding niet kan beschouwd worden als ‘in verband met het ambt’. De motivatie van Dhr. Opleidingsdirecteur luidt: ‘Niet in verband met de functie’. IX-5145-4/24 De gevolgde opleiding is echter wel degelijk een beroepsopleiding, daar zij ‘verband houdt met een functie die ik als ambtenaar in de toekomst zou kunnen uitoefenen in een federaal ministerie, in een federale wetenschappelijke instelling of in een instelling van openbaar nut die onder de federale staat ressorteert’. (...) Sedert geruime tijd koester ik immers de ambitie om mijn kandidatuur te stellen voor deelname aan het uitwisselingsprogramma Fiscalis, met voorkeur voor de uitwisselingszendingen naar Spanje. Jarenlange kontakten met Spaanse vrienden (waaronder enkele belastingambtenaren), alsook het uitspitten van het Belgisch-Spaans dubbelbelastingverdrag van 14/06/1995 (teneinde enkele Spaanse vrienden die in ons land tewerkgesteld zijn te kunnen informeren), liggen ongetwijfeld mee aan de basis van mijn belangstelling voor dit uitwisselingsproject. In functie van dit Fiscalis-project worden echter hoge eisen gesteld op vlak van taalbeheersing: ‘De kandidaat moet de andere taal zodanig begrijpen én spreken dat hij/zij in staat is een bespreking op fiscaaltechnisch vlak te volgen en eraan actief deel te nemen. Hij/zij moet zich op behoorlijke wijze schriftelijk kunnen uitdrukken.’ (...) Tevens dient de kandidaat aan te tonen: ‘Bij welke onderwijsinstelling én op welk niveau de talenkennis met vrucht werd verworven, alsook de duur van de talenstudie.’ Teneinde de vereiste taalkennis te verwerven om in aanmerking te komen voor deelname aan het Fiscalis-programma, is een doorgedreven opleiding die met vrucht gevolgd wordt in een erkende onderwijsinstelling noodzakelijk en moet alsdusdanig ook kunnen aangetoond worden. Indien mijn ambitie in het kader van het Fiscalis-programma niet zou kunnen gerealiseerd worden (vb. niet weerhouden van mijn kandidatuur), kan ik evenwel - gezien de uitgebreide talenkennis waarover ik dan zal beschikken - mijn kandidatuur stellen voor een betrekking bij de directie internationale overeenkomsten bij de Centrale Diensten te Brussel. Op die dienst bestaat immers de mogelijkheid mijn opgedane talenkennis Spaans optimaal te benutten en zelfs nog verder uit te diepen bij de uitvoering van taken zoals vb. vertaalwerk m.b.t. voorbereidende werkzaamheden met het oog op besprekingen in het kader van internationale overeenkomsten met Spaanssprekende landen (niet enkel Spanje zelf doch vrijwel geheel Zuid- Amerika op Brazilië na). Momenteel is een deel van mijn functie op kantoor trouwens het toepassen van deze internationale overeenkomsten, daar ik de verzoeken om internationa- le invorderingsbijstand behandel. Tot besluit zou ik wel mijn verwondering willen uiten omtrent de ontvangen weigering van het gevraagde opleidingsverlof. Tot op heden vormde het volgen van een cursus Spaanse taal geen enkel bezwaar voor het toestaan van dit verlof. Het werd immers steeds als beroeps- opleiding erkend. Nu, in identieke omstandigheden (bij mijn weten is het K.B. terzake niet gewijzigd) en bovendien mét de nodige motivatie, lijkt dit plots niet meer te kunnen. Hierbij wordt niet alleen het KB, doch ook de gedragslijn die volgens de Minister van Financiën door zijn administratie dient gevolgd, niet gerespec- teerd. In zijn antwoord op de parlementaire vraag nr. 128, ingediend door Mevr. Trees Pieters op 24/11/1999 (...), stelt Dhr. Minister van Financiën duidelijk: ‘Binnen het departement is derhalve de volgende gedragslijn bepaald IX-5145-5/24 (omzendbrief van 02/02/1998) - alle talen van de Europese Gemeenschap worden aanvaard ...’ Onze Minister van Financiën, Dhr. Reynders, is bovendien een uitgesproken voorstander van het leren van andere talen. Hij laat daarover in een interview met de geschreven pers geen twijfel bestaan. (...) Het opleidingsverlof is ontegensprekelijk een zéér positieve maatregel die beslist zal bijdragen tot de motivatie om een bijkomende opleiding te volgen, dit in het licht van de idee rond levenslang leren die wordt gepropageerd. Persoonlijk vind ik het érg jammer dat het opleidingsverlof maar al te vaak wordt afgeschilderd als een vorm van suplementair vakantieverlof. Het opleidingsverlof is echter slechts een gedeeltelijke compensatie voor de tijd die iemand aan het volgen van een opleiding besteedt. De avondcursus (donderdag van 18.30 u. tot 22.00 u.) die ik persoonlijk volg, omvat een totaal lespakket van 160 uur. Door het opleidingsverlof worden hiervan 120 uur gecompenseerd, wat neerkomt op 75% van de lestijd zonder hierbij rekening te houden met de uren nodig buiten de klas voor het instuderen van de leerstof, het uitvoeren van taken en de voorbereiding van de examens. Mijn persoonlijke inzet mag blijken uit de bijgevoegde studieresultaten. (...) Verwijzend naar de in dit schrijven opgenomen motivatie én verduide- lijking, verzoek ik Dhr. Opleidingsdirecteur mijn vraag tot het toekennen van opleidingsverlof alsnog te willen inwilligen.” 3.
  12. Met een brief van 7 november 2005 geeft de opleidingsdirecteur aan de verzoeker te kennen dat niet kan worden ingegaan op zijn vraag tot herziening van de genomen weigeringsbeslissing, aangezien in zijn schrijven van 7 oktober 2005 “geen bijkomende concrete argumenten (werden) aangebracht die toelaten om de beslissing te wijzigen”. 3.
  13. Op 28 augustus 2006 dient de verzoeker een aanvraag in voor het volgen van de opleiding “SPAANS Richtgraad 3 - studiejaar 1 A+B” gedurende het schooljaar 2006 -
  14. Hij motiveert zijn aanvraag als volgt: “Van zodra ik de nodige kennis verworven heb van de Spaanse taal, wens ik mijn kandidatuur te stellen voor het fiscale uitwisselingsprogramma Fiscalis met betrekking tot de uitwisselingszendingen naar Spanje. Een mogelijke deelname aan dit project wordt echter gekoppeld aan een grondige taalbeheersing. ‘De kandidaat moet de andere taal zodanig begrijpen én spreken dat hij/zij in staat is een bespreking op fiscaaltechnisch vlak te volgen en eraan actief deel te nemen Hij/zij moet zich op behoorlijke wijze schriftelijk kunnen uitdrukken.’ (...) De kandidaat dient bovendien aan te tonen bij welke onderwijsinstelling én op welk niveau de talenkennis met vrucht werd verworven, alsook de duur van de talenstudie. Zelfstudie wordt hier niet aanvaard. De nodige kennis dient te worden verworven in een erkende onderwijsinstelling. IX-5145-6/24 Na verwerving van een grondige kennis van de Spaanse taal, heb ik bovendien belangstelling om in de toekomst een functie bij de vertaaldienst van financiën uit te oefenen. Een dergelijke functie bij een ander federaal ministe- rie, een federale wetenschappelijke inrichting of instelling van openbaar nut ressorterend onder de federale Staat behoort eveneens tot de mogelijkheden, doch mijn huidige departement geniet weliswaar mijn uitgesproken voorkeur. Op kantoor heb ik bovendien de opgedane kennis Spaans reeds meermaals kunnen gebruiken. Aangezien ik loketdienst verzorg, kom ik meermaals per jaar in contact met Spaanssprekende belastingplichtigen. Vaak zijn het mensen van Zuid-Amerikaanse origine, die nog géén of onvoldoende Nederlands spreken. Deze belastingplichtigen zijn dan ook zéér tevreden wanneer zij de nodige toelichting krijgen in een voor hen verstaanbare taal. Bovendien komt het regelmatig voor dat mijn collega kassier, van het ‘eurovignet-kantoor’ waar ik vroeger tewerkgesteld was, met mij telefonisch contact opneemt teneinde hem te assisteren met een Spaanssprekende ‘eurovignet-klant’. Indien ik in de toekomst opnieuw op een ‘eurovignet-kantoor’ zou tewerkgesteld worden, dan zou mijn kennis van de Spaanse taal daar ontegen- sprekelijk van pas komen. Bij de uitoefening van één van mijn huidige taken op kantoor, de behande- ling van verzoeken om internationale invorderingsbijstand, kan deze kennis eveneens nuttig blijken. De opgedane kennis Spaans kan ik momenteel reeds gebruiken als reserve- officier tijdens wederoproepingen in Navo-verband. Ik word dan verzocht de Spaanse delegatie te willen begeleiden. Met een verdere studie van de Spaanse taal heb ik de betrachting om deze opdracht in de toekomst met nóg meer deskundigheid te kunnen uitvoeren. Dit is trouwens een modelvoorbeeld van hoe mijn opleiding Spaans ‘verband houdt met een functie die ik zou kunnen uitoefenen in een federaal ministerie’ zoals Defensie bijvoorbeeld. Tot slot wens ik nog aan te stippen dat, in zijn 21-juli boodschap van dit jaar, onze Koning Albert bovendien zéér sterk het belang van het studeren van ‘vreemde talen’ heeft benadrukt én aangemoedigd. Als federaal ambtenaar die een vreemde taal studeert, mag ik bijgevolg stellen dat ik geheel handel in de geest van deze boodschap van zijne Majesteit.” In het daartoe bestemde “kader 2” van het aanvraagformulier kruist zijn dienstchef de optie “gunstig advies” aan, met de volgende motivatie: “ - de meerwaarde van een gedegen kennis van een wereldtaal - de intentie van betrokkene om deel te nemen aan het Fiscale Uitwisse- lingsprogramma Fiscalis - de bereidheid van betrokkene om Spaanstalige belastingplichtigen te behelpen in hun moedertaal zowel op mijn kantoor als op andere kantoren - de bereidheid van betrokkene om zijn kennis van het Spaans aan te wenden t.b.v. de Administratie”. 3.
  15. Met een brief van 13 september 2006 meldt de gewestelijk directeur aan de opleidingsdirecteur dat “De aangehaalde argumenten betreffende IX-5145-7/24 het schooljaar 2006-2007 (...) niet van die aard (zijn) om een gunstig advies te verstrekken”. 3.
  16. Bij brief van 27 september 2006 wordt namens de opleidingsdirec- teur aan de verzoeker medegedeeld dat het voor het schooljaar 2006-2007 gevraagde opleidingsverlof niet wordt toegestaan om reden van: “Opleiding niet in verband met de functie”. Als bijlage bij dit schrijven wordt de volgende motivering opgegeven: “Artikel 76 van het koninklijk besluit van 19.11.1998 stelt: ‘De gekozen opleiding moet een beroepsopleiding zijn. Onder beroepsopleiding wordt elke opleiding verstaan die een verband heeft met: - Hetzij de huidige functie van de ambtenaar; - Hetzij de functie die de ambtenaar in de toekomst zou kunnen uitoefenen in een federaal ministerie, in een federale wetenschappelijke inrichting of in een instelling van openbaar nut die onder de federale Staat ressorteert.’ De gevolgde opleiding kan niet beschouwd worden als in verband met het ambt:
  17. Dit blijkt uit het negatief advies van de heer Gewestelijk Directeur dd. 13.09.2006 (...).
  18. In de motivatie van de heer Van Assche wordt niet aangegeven dat na het volgen van 5 jaar Spaans een nog grondigere kennis van deze taal vereist is. Integendeel, uit zijn brief blijkt dat zijn huidige kennis volstaat voor het uitvoeren van zijn taken (loket, eurovignet e.d.).
  19. Een functie bij een vertaaldienst vereist specifieke diploma’s die niet worden uitgereikt na het volgen van de huidige opleiding; met dit argument kan dus geen rekening worden gehouden.
  20. In het kader van het uitwisselingsproject ‘Fiscalis’ worden door het departement zelf intern cursussen aangeboden die specifiek gericht zijn op de deelname aan dit project.” Tevens wordt in fine van dit schrijven de volgende beroeps- mogelijkheid aangegeven: “BEROEP Als de ambtenaar niet akkoord gaat met de voor hem (haar) genomen beslissing, kan hij (zij) eerst schriftelijk contact opnemen met de Opleidingsdi- recteur (Dienst Vorming, Kunstlaan 19H - bus 2, 1000 Brussel) om na te kijken IX-5145-8/24 of er geen vergissing gebeurde. Als dit niet het geval is, beschikt de ambtenaar over de mogelijkheid een beroep in te dienen bij de afdeling Administratie van de Raad van State (Wetenschapsstraat 33 te 1040 Brussel) en dit binnen de 60 dagen na de notificatie van de beslissing.” 3.
  21. Bij schrijven van 9 oktober 2006 tekent de verzoeker bij de opleidingsdirecteur bezwaar aan tegen de voormelde weigeringsbeslissing. Dit bezwaar luidt als volgt: “Bij deze verzoekt ondergetekende (...) om herziening van de genomen beslissing dd. 27/09/2006 (...). Ondergetekende verzoekt hierom, rekening houdende met volgende bijkomende motivatie: ‘Het is de bedoeling om na het doorlopen van de volledige opleiding Spaans, en na het verwerven van het einddiploma, mijn kandidatuur in te dienen om zélf lessen Spaans te geven in het avondonderwijs’. In het verleden hebben nog mensen deze stap gezet en geven momenteel zélf les Spaans elementaire kennis in het avondonderwijs. Deze tewerkstelling ressorteert onder de bevoegdheid van de F.O.D. Onderwijs. Gezien de opleiding van ondergetekende gegeven wordt in een erkende instelling en bovendien verband heeft met een functie die hij in de toekomst wenst uit te oefenen in een federaal ministerie, waardoor deze als beroepsoplei- ding dient te worden beschouwd, wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in het K.B. van 19.11.1998 inzake het toestaan van opleidingsverloven.” 3.
  22. Bij brief van 6 november 2006 geeft de opleidingsdirecteur aan de verzoeker te kennen dat er geen reden is om de genomen weigeringsbeslissing te herzien. De opleidingsdirecteur steunt hiervoor op de volgende overweging: “Naar aanleiding van uw schrijven van 09/10/2006 werd uw dossier terug onderzocht. Uit uw bijkomende motivatie blijkt dat: - het verband met de functie niet wordt aangetoond; er wordt enkel verwezen naar de interesse om zelf een cursus Spaans te onderrichten in het avondonderwijs - er verwezen wordt naar een niet bestaande Federale Overheidsdienst (de F.O.D. Onderwijs).” IV. Samenvoeging van de zaken
  23. De partijen zijn in beide zaken dezelfde. In beide zaken wordt een gelijkaardige beslissing bestreden, met name een weigering om opleidingsverlof toe te staan. Bovendien steunen de beide weigeringen op gelijkluidende motieven. De IX-5145-9/24 beide zaken zijn dan ook samenhangend. Met het oog op een goede rechtsbedeling past het om ze samen te voegen. V. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
  24. De aan de verzoeker bij schrijven van 7 november 2005 (de zaak A. 168.141/IX-5145) respectievelijk 6 november 2006 (de zaak A. 178.796/IX-5473) medegedeelde beslissingen van de opleidingsdirecteur zijn beslissingen waarbij de verwerende partij, na en op bezwaar van de verzoeker tegen de hem bij schrijven van 28 september 2005 respectievelijk 27 september 2006 medegedeelde weigeringsbeslissingen hem het gevraagde opleidingsverlof toe te kennen, uitspraak doet betreffende de gerezen weigeringsbeslissingen. Het gaat in beide gevallen om een willig beroep, waarbij de verzoeker zich heeft gericht tot de overheid die de initiële beslissing heeft genomen, met het verzoek die beslissing te wijzigen in een voor hem gunstige beslissing. Dit willig beroep wordt in beide gevallen afgewezen, wat echter niet betekent dat de beslissingen van 7 november 2005 en van 6 november 2006 louter bevestigend zijn. In beide gevallen heeft de verzoeker immers nieuwe gegevens aangevoerd en heeft de verwerende partij die gegevens aan een nieuw onderzoek onderworpen, hoewel de daaropvolgende beslissingen dezelfde draagwijdte hebben als de voorgaande beslissingen en ook al wordt in de beslissing van 7 november 2005 overwogen dat die gegevens geen nieuwe argumenten bevatten. De beslissing van 7 november 2005 respectievelijk 6 november 2006 is dan ook in de plaats gekomen van de beslissing van 28 september 2005 respectievelijk 27 september
  25. Door in die beslissingen te besluiten dat de eerder genomen beslissingen behouden blijven, heeft de directeur evenwel de motieven van die eerste beslissingen overgenomen. De beslissingen van de opleidingsdirecteur van 7 november 2005 en van 6 november 2006 worden geacht mede het voorwerp uit te maken van het ingestelde beroep. VI. Ontvankelijkheid van het beroep 6.
  26. In de zaak A. 178.796/IX-5473 werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoeker. IX-5145-10/24 Zij stelt dat de verzoeker weliswaar de beslissing van 27 september 2006 van de opleidingsdirecteur aanvecht, maar niet de uiteindelijke weigering om het opleidingsverlof toe te staan, die volgt uit de beslissing van 6 november 2006 van de opleidingsdirecteur. Op 9 oktober 2006 heeft de verzoeker immers een nieuw argument geformuleerd om alsnog het gevraagde opleidingsver- lof te verkrijgen en na een nieuw onderzoek heeft de opleidingsdirecteur op 6 november 2006 besloten om ook dit bijkomende argument te verwerpen en de weigering te handhaven. 6.
  27. Zoals reeds werd overwogen, is de beslissing van 6 november 2006 van de opleidingsdirecteur in de plaats gekomen van de bestreden beslissing, aan de verzoeker medegedeeld bij schrijven van 27 september
  28. In de beslissing van 6 november 2006 wordt evenwel besloten om de eerder genomen beslissing niet te herzien. Dit betekent dat die eerste beslissing behouden blijft en dat de motieven van die beslissing overgenomen zijn in de beslissing van 6 november 2006, die tevens het voorwerp uitmaakt van het ingestelde beroep. Zoals zal blijken uit het onderzoek van de middelen, bekritiseert de verzoeker de motivering van de beslissing, medegedeeld bij schrijven van 27 september
  29. Met die kritiek dient derhalve rekening te worden gehouden bij de beoordeling van de wettigheid van de beslissing van 6 november
  30. De exceptie wordt verworpen. 7.
  31. Ook in haar laatste memories in beide zaken werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang in hoofde van de verzoeker. Zij voert aan, onder verwijzing naar de over het opleidingsverlof handelende artikelen van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen (hierna: het koninklijk besluit van 19 november 1998), dat het opleidingsverlof enkel kan worden toegekend voor de duur van de opleiding waarvoor de aanvrager regelmatig ingeschreven is. Indien de aanvrager zich inschrijft voor één schooljaar, wat te dezen het geval is, moet het opleidingsverlof voor dat schooljaar worden aangevraagd. Bij een latere nieuwe inschrijving voor een volgend schooljaar moet het opleidingsverlof opnieuw worden aangevraagd. IX-5145-11/24 De verwerende partij houdt voor dat de aanvraag van de verzoeker om een opleidingsverlof te bekomen voor het schooljaar 2005-2006, respectievelijk 2006-2007, enkel geldt voor de periode van 1 september 2005 tot 31 augustus 2006, respectievelijk 1 september 2006 tot 31 augustus
  32. Indien de verzoeker het opleidingsverlof zou zijn toegekend, diende hij de toegestane uren gedurende die periode op te nemen. De reglementering laat namelijk niet toe om opleidingsverlof gedurende latere jaren te gebruiken. De verwerende partij meent dan ook dat, aangezien de datum van 31 augustus 2006, respectievelijk 31 augustus 2007, ondertussen verstreken is, de verzoeker niet langer een actueel belang bij zijn vorderingen heeft. Er kan hem immers voor het schooljaar 2005-2006, respectievelijk 2006-2007, geen opleidings- verlof meer worden toegekend. 7.
  33. De stelling van de verwerende partij kan niet worden bijgevallen. De verzoeker is immers niet verantwoordelijk voor het feit dat de Raad van State de annulatieberoepen onderzoekt op het ogenblik dat de perioden waarop de vragen tot opleidingsverlof betrekking hebben, reeds verstreken zijn. De stelling van de verwerende partij zou er op neer komen dat, in gevallen zoals dat van de verzoeker, alleen al door het verlopen van termijnen, een verzoeker steeds het belang ontzegd zou moeten worden. Nochtans blijkt niet dat de wetgever dergelijke beslissingen van het vernietigingscontentieux heeft uitgesloten. Omtrent verzoekers vragen tot opleidingsverlof werden afwijzende beslissingen genomen. De verzoeker heeft de negatieve impact van die beslissingen moeten ondergaan. Die vaststelling volstaat om aan te nemen dat de verzoeker thans nog steeds belang heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissingen. Het onderzoek van de vorderingen kan daarenboven ook van belang zijn voor toekomstige beslissingen inzake de toekenning van opleidingsverlof aan de verzoeker. De exceptie wordt verworpen. IX-5145-12/24 VII. Onderzoek van de middelen De zaak A. 168.141/IX-5145 A. Eerste middel Standpunt van de partijen 8.
  34. In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en van de formele motiverings- plicht in het bijzonder. Hij stelt dat hij zowel in zijn aanvraag tot opleidingsverlof als in zijn schrijven van 7 oktober 2005 heeft aangetoond dat de cursus Spaans wel degelijk aansluit bij zijn functie. Een deel van zijn functie is immers het behandelen van de verzoeken om internationale invorderingsbijstand, waardoor hij geregeld in contact komt met Spaanstaligen. Minstens sluit een cursus Spaans volgens hem aan bij zijn ambitie om zich kandidaat te stellen voor deelname aan het uitwisselingspro- gramma Fiscalis, met voorkeur voor een uitwisseling met Spanje. Voorts merkt de verzoeker op dat hij de cursus Spaans de voorgaande jaren wel mocht volgen onder identieke omstandigheden en dat de weigeringsbeslissing in strijd is met de gedragslijn die volgens de minister van Financiën dient te worden gevolgd waarbij “alle talen van de Europese Gemeen- schap worden aanvaard”. Bovendien wijst hij op een collega met een gelijkaardige functie aan wie het opleidingsverlof voor de cursus Spaans wel werd toegestaan voor het schooljaar 2005-2006 en ten aanzien van wie dus wel werd aanvaard dat die cursus verband houdt met zijn functie. 8.
  35. De verwerende partij antwoordt dat de opleidingsdirecteur niet kan worden verweten in zijn eindbeslissing geen rekening te hebben gehouden met het argument van de verzoeker dat hij in zijn huidige functie Spaans dient te gebruiken bij het behandelen van verzoeken om internationale invorderingsbijstand. Noch in de oorspronkelijke aanvraag van de verzoeker, noch in zijn bezwaarschrift van 7 oktober 2005, noch in het advies van zijn hiërarchisch overste wordt dit argument vermeld. IX-5145-13/24 Wat het argument van de deelname aan het Fiscalis-programma betreft, stelt de verwerende partij dat dit argument uitdrukkelijk en in redelijkheid verworpen werd in het advies van de gewestelijk directeur, dat door de verzoeker niet is tegengesproken. Voorts betoogt de verwerende partij dat de vaststelling dat de verzoeker de voorgaande jaren wel het gevraagde opleidingsverlof heeft gekregen, niet met zich meebrengt dat ook een nieuwe aanvraag moet worden ingewilligd. Ingevolge de artikelen 82 en 86 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 dient immers voor elk jaar dat een nieuwe inschrijving wordt genomen een nieuwe aanvraag te worden ingediend die telkens opnieuw moet worden beoordeeld. Volgens de verwerende partij heeft de minister van Financiën niet de intentie noch de bevoegdheid om afbreuk te doen aan de correcte toepassing van artikel 76 van het koninklijk besluit van 19 november
  36. Deze bepaling wordt volgens haar nader toegelicht in artikel 9 van de nota van 2 februari 1998 betreffende de opleidingsverloven, waarin de beleidslijn voor de toekenning van opleidingsverlof voor taalcursussen vervat is. De verwerende partij is van mening dat voormeld artikel 9 te dezen is nageleefd, nu zij bepaalt dat “Frans, Nederlands, Engels en Duits (...) als in verband met het ambt (worden) beschouwd” en “De andere talen (...) als niet in verband met het ambt, behalve mits uitdrukkelijke tegenmotivatie van de dienstchef”. Verder schrijft de verwerende partij dat de opleidingsdirecteur er zich toe kan beperken de redenen te vermelden waarom een aanvraag niet werd ingewilligd, zonder hierbij te moeten aangeven waarom de aanvragen van andere ambtenaren werden toegestaan of geweigerd. Zij wijst op de artikelen 74 en volgende van het koninklijk besluit van 19 november 1998 die een stelsel instellen waarbij elke aanvraag afzonderlijk wordt beoordeeld, zodat er geen sprake is van discriminatie wanneer de ene ambtenaar wegens de door hem ingeroepen redenen wel een opleidingsverlof verkrijgt en de verzoeker wegens de door hem ingeroepen redenen niet. 8.
  37. De verzoeker repliceert dat hij nooit in kennis is gesteld van het advies van de gewestelijk directeur en dus nooit de mogelijkheid heeft gehad dit te weerleggen. IX-5145-14/24 Waar de verzoeker op het belang van Spaans heeft gewezen voor het afleveren van eurovignetten, verduidelijkt hij dit argument te hebben geformu- leerd met het oog op een toekomstige tewerkstelling op een eurovignetkantoor. Overeenkomstig artikel 76 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 dient onder een beroepsopleiding immers ook te worden verstaan elke opleiding die verband houdt met een mogelijke toekomstige functie bij de federale overheid. Met betrekking tot het Fiscalis-programma, meent de verzoeker dat het nog niet aangewezen was zich hiervoor kandidaat te stellen, vermits hij nog niet over het vereiste kennisniveau van het Spaans beschikt, wat bovendien moet worden aangetoond aan de hand van de nodige attesten afgeleverd door de onderwijsinstelling. Voorts stelt de verzoeker dat in het schrijven van 28 september 2005 met geen woord wordt gerept over het Fiscalis-programma, dat geen objectieve verantwoording bestaat voor de plotse weigering van het opleidingsverlof nu dit de voorgaande jaren in identieke omstandigheden wel steeds werd toegestaan en dat, ondanks de door de verwerende partij bedoelde nota van 2 februari 1998, de drie vorige schooljaren het opleidingsverlof voor dezelfde cursus Spaans hem wel werd toegestaan zonder enige tegenmotivatie. Beoordeling 8.4.
  38. Artikel 76 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 luidt als volgt: “De gekozen opleiding moet een beroepsopleiding zijn. Onder beroepsopleiding wordt elke opleiding verstaan die een verband heeft met : - Hetzij de huidige functie van de ambtenaar; - Hetzij de functie die de ambtenaar in de toekomst zou kunnen uitoefenen in een federaal ministerie, in een federale wetenschappelijke inrichting of een instelling van openbaar nut die onder de federale Staat ressorteert.” De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, en dat ze draagkrachtig IX-5145-15/24 moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct beoordeeld heeft, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De formele motiveringsplicht houdt evenwel niet in dat alle door de partijen aangevoerde argumenten moeten worden beantwoord. Het volstaat dat de argumentatie van de betrokkene in de besluitvorming wordt betrokken en dat blijkt, minstens op impliciete wijze, waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. 8.4.
  39. Te dezen moet worden vastgesteld dat de verzoeker zijn aanvraag tot het bekomen van opleidingsverlof heeft gemotiveerd in het aanvraagformulier en uitvoerig in zijn schrijven van 7 oktober 2005 aan de opleidingsdirecteur. Het bestuur heeft evenwel slechts op minimale wijze de argumentatie van de verzoeker bij haar besluitvorming betrokken, door te wijzen op het ongunstig advies van de dienstchef waaruit zou blijken dat de door de verzoeker aangevraagde beroepsopleiding geen verband vertoont met zijn huidige functie. Van enige andere motivering van de weigeringsbeslissing is trouwens geen sprake, noch in het schrijven van 28 september 2005, noch in het schrijven van 7 november
  40. Nu het advies van verzoekers dienstchef op formeel vlak niet gesteund is op het verplicht op het aanvraagformulier aan te brengen gemotiveerd advies van laatstgenoemde, werd door het bestuur wellicht het advies van de gewestelijk directeur bedoeld, toegezonden aan de opleidingsdirecteur bij schrijven van 2 september
  41. Dit advies beantwoordt, zoals gesteld, slechts op minimale wijze de argumentatie van de verzoeker inzake het Fiscalis-programma en het afleveren van eurovignetten en antwoordt verder niet op de andere door de verzoeker aangevoerde argumenten, zoals de beleidslijn die de minister heeft uitgetekend IX-5145-16/24 ingevolge de parlementaire vraag en het nut van de opleiding Spaans voor de toekomstige functie die de verzoeker ambieert. Een verband met een toekomstige functie is trouwens de tweede mogelijke grondslag voor het toestaan van opleidings- verlof, zoals bepaald in artikel 76 van het koninklijk besluit van 19 november
  42. Aldus schendt de verwerende partij de op haar rustende motiveringsplicht en verengt zij op onwettige wijze ten nadele van de verzoeker de toepassingsmodaliteiten voor het verkrijgen van een opleidingsverlof, zoals omschreven in voormeld artikel
  43. 8.4.
  44. Het middel is gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 9.
  45. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en van het vertrouwens-, rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel in het bijzonder. Hij stelt dat het opleidingsverlof hem de vorige vier schooljaren wel werd toegekend in identieke omstandigheden en dat hij er dan ook redelijkerwij- ze op mocht vertrouwen dat de opleidingsdirecteur het hem ook zou toekennen voor het schooljaar 2005-
  46. Bovendien wijst hij op een collega met een gelijkaardige functie aan wie het opleidingsverlof voor de cursus Spaans wel werd toegestaan voor het schooljaar 2005-2006 en ten aanzien van wie dus wel werd aanvaard dat die cursus verband houdt met zijn functie. Voorts benadrukt de verzoeker dat de bestreden weigering indruist tegen de gedragslijn die volgens de minister van Financiën dient te worden gevolgd blijkens diens antwoord op een parlementaire vraag en waarbij “alle talen van de Europese Gemeenschap worden aanvaard”. 9.
  47. De verwerende partij antwoordt dat elk jaar de aanvraag opnieuw moet worden beoordeeld rekening houdend met de door de aanvrager vermelde IX-5145-17/24 redenen en dat de verzoeker er dan ook niet op kon vertrouwen dat hem opnieuw opleidingsverlof zou worden toegestaan omdat dit hem ook de vorige jaren werd verleend. Ingevolge de afzonderlijke beoordeling van iedere aanvraag kan er volgens de verwerende partij evenmin sprake zijn van een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur wanneer aan de ene ambtenaar wel en aan de andere geen opleidingsverlof wordt toegekend. Voorts stelt zij dat te dezen niet afgeweken werd van een beleidsregel die de overheid zichzelf heeft opgelegd. Beoordeling 9.
  48. Uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de overheid geen overtuigende motieven heeft aangebracht waaruit valt af te leiden waarom aan de verzoeker de vier voorgaande schooljaren wel, maar voor het schooljaar 2005-2006 geen opleidingsverlof voor de cursus Spaans werd toegestaan en waarom de verzoeker ongelijk behandeld wordt ten aanzien van personeelsleden met een gelijkaardige functie die voor het schooljaar 2005-2006 wel opleidingsverlof kregen voor dezelfde cursus Spaans. De verzoeker maakt dan ook aannemelijk dat het vertrouwens-, rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel geschonden zijn. Het middel is gegrond. De zaak A. 178.796/IX-5473 A. Eerste middel Standpunt van de partijen 10.
  49. In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en van de formele motiverings- plicht in het bijzonder. Hij houdt voor dat hij zowel in zijn aanvraag tot opleidingsverlof als in zijn schrijven van 9 oktober 2006 heeft aangetoond dat de cursus Spaans wel degelijk aansluit bij zijn functie. In het kader van zijn loketdienst heeft hij immers meermaals per jaar contact met spaanstaligen, regelmatig wordt hij opgebeld om IX-5145-18/24 spaanstalige eurovignet-klanten te helpen, als reserve-officier kan hij Spaans gebruiken bij de wederoproepingen in NAVO-verband en minstens sluit een cursus Spaans aan bij zijn ambities, met name zelf Spaans doceren in het avondonderwijs. Volgens de verzoeker is de motivering “opleiding niet in verband met de functie” niet pertinent. In de motivering van de bestreden beslissing zelf erkent de opleidingsdirecteur immers dat de opleiding verband houdt met verzoekers functie, waar hij stelt dat verzoekers huidige kennis van het Spaans volstaat voor het uitvoeren van zijn taken. Volgens de verzoeker blijkt trouwens niet waarop de opleidingsdirecteur zich baseert voor dit oordeel. Uit verzoekers argumentatie dat hij Spaanstaligen te woord kan staan en Spaanse teksten kan lezen, volgt immers niet dat Spaanstaligen hem probleemloos begrijpen en dat hij teksten zonder woorden- boek kan vertalen. Voorts merkt de verzoeker op dat dezelfde cursus Spaans hem de voorgaande jaren wel werd toegekend in identieke omstandigheden en dat de weigeringsbeslissing in strijd is met de gedragslijn die volgens de minister van Financiën dient te worden gevolgd waarbij “alle talen van de Europese Gemeen- schap worden aanvaard”. Bovendien wijst hij op een collega met een gelijkaardige functie aan wie het opleidingsverlof voor de cursus Spaans wel werd toegestaan voor het schooljaar 2006-2007 en ten aanzien van wie dus wel werd aanvaard dat die cursus verband houdt met zijn functie. Verder betwist de verzoeker de motivering dat in het kader van het uitwisselingsprogramma Fiscalis door het departement zelf cursussen worden aangeboden specifiek gericht op de deelname aan dit project. De circulaire van het Fiscalis-project vermeldt immers dat met betrekking tot de taalopleiding moet worden aangetoond in welke onderwijsinstelling de kennis werd verworven, hoe lang de opleiding heeft geduurd en welke titel werd behaald. Ook betwist de verzoeker de motivering dat een functie bij de vertaaldienst specifieke diploma’s zou vereisen. Er is immers voldoende voorberei- dend werk bij de verschillende vertaaldiensten waarvoor geen specifiek diploma vereist is. 10.
  50. De verwerende partij antwoordt dat nergens uit blijkt dat verzoekers contacten met Spaanstaligen niet vlot zouden verlopen en dat integendeel IX-5145-19/24 blijkt dat hij het Spaans voldoende beheerst nu collega’s op hem een beroep doen om Spaanstalige belastingplichtigen te helpen. Zij meent dat de contacten met Spaanstaligen in Lokeren eerder occasioneel zijn en dat een basisvaardigheid Spaans misschien nog kan worden beschouwd als een beroepsopleiding, maar dat dit niet het geval is met een grondige studie. Verder schrijft de verwerende partij dat les geven in het avondonderwijs geen functie is binnen een federale dienst, zoals vereist in artikel 76 van het koninklijk besluit van 19 november 1998, aangezien de federale overheid niet bevoegd is om avondonderwijs te organiseren. Het betreffend argument van de verzoeker is volgens de verwerende partij trouwens niet aan de orde, vermits het slechts na de totstandkoming van de bestreden beslissing werd aangevoerd. Verzoekers argument inzake het Fiscalis-programma is volgens de verwerende partij reeds verworpen door de gewestelijk directeur die in zijn advies voor het schooljaar 2006-2007 verwijst naar zijn advies voor het schooljaar 2005-
  51. Verder verduidelijkt de verwerende partij dat voor deelname aan het Fiscalis-project de kandidaten geen voorafgaande kennis van een andere taal moeten aantonen, maar enkel hun talenkennis dienen te vermelden en dat een gekozen kandidaat, die niet over de nodige taalkennis beschikt, intern wordt opgeleid. Het gebrek aan taalkennis is dus geen reden om kandidaten uit te sluiten van deelname aan het project. Zij wijst er ook op dat het project afloopt in
  52. Voorts betoogt de verwerende partij dat er slechts één vertaal- dienst bestaat binnen de Federale Overheidsdienst Financiën, waar in de drie landstalen en in het Engels wordt vertaald maar niet in het Spaans en waar de functie van ambtenaar belast met voorbereidend werk niet bestaat maar enkel de functie van vertaler en vertaler-revisor. 10.
  53. De verzoeker repliceert dat wel degelijk de kennis van een andere taal dan de moedertaal vereist is voor deelname aan het Fiscalis-project en dat bij omzendbrief van 4 april 2007 bepaald is dat dit project wordt voortgezet tot
  54. Beoordeling 10.
  55. In zijn schrijven van 6 november 2006 verwerpt de opleidingsdi- recteur de bijkomende motivatie van de verzoeker, vermeld in de brief van 9 oktober IX-5145-20/24 2006 en bevestigt hij de motieven die aan de eerder genomen weigeringsbeslissing, vervat in het schrijven van 27 september 2006, ten grondslag liggen. De verwerping van de bijkomende motieven in de brief van 9 oktober 2006 berust op goede gronden. Lesgeven in het avondonderwijs houdt immers geen verband met de huidige functie van de verzoeker, noch met een toekomstige functie bij de federale overheid, zoals vereist in artikel 76 van het koninklijk besluit van 19 november
  56. Wat de motivering in het schrijven van 27 september 2006 betreft, verwijst het bestuur onder meer naar het negatief advies van 13 september 2006 van de gewestelijk directeur. In dit nietszeggend advies wordt enkel gesteld dat “De aangehaalde argumenten betreffende het schooljaar 2006-2007 (...) niet van die aard (zijn) om een gunstig advies te verstrekken”. In bedoelde motivering wordt evenwel met geen woord gerept over het gunstig advies van 28 augustus 2006 van verzoekers dienstchef, die het voortzetten van de cursus Spaans door de verzoeker aanbeveelt, zowel ten behoeve van het eigen kantoor als van de administratie. In zijn schrijven van 27 september 2006 wijkt het bestuur dan ook -zonder opgave van reden- flagrant af van dit advies van de dienstchef, waar zij het voortzetten van de cursus Spaans door de verzoeker onnodig acht, daar zijn huidige kennis reeds zou volstaan voor het uitvoeren van zijn taken. Voorts heeft het bestuur niet nagegaan of de opleiding Spaans al dan niet verband houdt met een mogelijke toekomstige functie van de verzoeker op een eurovignet-kantoor of bij Defensie. Een verband met een toekomstige functie is de tweede mogelijke grondslag voor het toestaan van opleidingsverlof, zoals bepaald in artikel 76 van het koninklijk besluit van 19 november
  57. Aldus schendt de verwerende partij de op haar rustende motiveringsplicht en verengt zij op onwettige wijze ten nadele van de verzoeker de toepassingsmodaliteiten voor het verkrijgen van een opleidingsverlof, zoals omschreven in voormeld artikel
  58. Het middel is gegrond. IX-5145-21/24 B. Tweede middel Standpunt van de partijen 11.
  59. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en van het gelijkheids-, vertrouwens-, rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel in het bijzonder. Hij stelt dat het opleidingsverlof hem voor de schooljaren 2001- 2002, 2002-2003, 2003-2004 en 2004-2005 wel werd toegekend in identieke omstandigheden en dat hij er dan ook redelijkerwijze op mocht vertrouwen dat de opleidingsdirecteur het hem ook zou toekennen voor het schooljaar 2006-
  60. Bovendien wijst hij op een collega met een gelijkaardige functie aan wie het opleidingsverlof voor de cursus Spaans wel werd toegestaan voor het schooljaar 2006-2007 en ten aanzien van wie dus wel werd aanvaard dat die cursus verband houdt met zijn functie. Voorts benadrukt de verzoeker dat de bestreden weigering indruist tegen de gedragslijn die volgens de minister van Financiën dient te worden gevolgd blijkens diens antwoord op een parlementaire vraag en waarbij “alle talen van de Europese Gemeenschap worden aanvaard”. 11.
  61. De verwerende partij antwoordt dat de vaststelling dat de verzoeker de voorgaande jaren wel het gevraagde opleidingsverlof heeft gekregen, niet met zich meebrengt dat ook een nieuwe aanvraag moet worden ingewilligd. Ingevolge de artikelen 82 en 86 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 dient immers voor elk jaar dat een nieuwe inschrijving wordt genomen een nieuwe aanvraag te worden ingediend die telkens opnieuw moet worden beoordeeld. Verder stelt de verwerende partij dat de opleidingsdirecteur er zich toe kan beperken de redenen te vermelden waarom een aanvraag niet werd ingewilligd, zonder hierbij te moeten aangeven waarom de aanvragen van andere ambtenaren werden toegestaan of geweigerd. Zij wijst op de artikelen 74 en volgende van het koninklijk besluit van 19 november 1998 die een stelsel instellen waarbij elke aanvraag afzonderlijk wordt beoordeeld, zodat er geen sprake is van discriminatie wanneer de ene ambtenaar wegens de door hem ingeroepen redenen IX-5145-22/24 wel een opleidingsverlof verkrijgt en de verzoeker wegens de door hem ingeroepen redenen niet. Volgens de verwerende partij heeft de minister van Financiën niet de intentie noch de bevoegdheid om afbreuk te doen aan de correcte toepassing van artikel 76 van het koninklijk besluit van 19 november
  62. Deze bepaling wordt volgens haar nader toegelicht in artikel 9 van de nota van 2 februari 1998 betreffen- de de opleidingsverloven, waarin de beleidslijn voor de toekenning van opleidings- verlof voor taalcursussen vervat is. De verwerende partij is van mening dat voormeld artikel 9 te dezen is nageleefd, nu zij overweegt dat “Frans, Nederlands, Engels en Duits (...) als in verband met het ambt (worden) beschouwd” en “De andere talen (...) als niet in verband met het ambt, behalve mits uitdrukkelijke tegenmotivatie van de dienstchef”. Beoordeling 11.
  63. Uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de overheid geen overtuigende motieven heeft aangebracht waaruit valt af te leiden waarom aan de verzoeker voor de voorgaande schooljaren wel, maar voor het schooljaar 2006-2007 geen opleidingsverlof voor de cursus Spaans werd toegestaan en waarom de verzoeker ongelijk behandeld wordt ten aanzien van personeelsleden met een gelijkaardige functie die voor het schooljaar 2006-2007 wel opleidingsverlof kregen voor dezelfde cursus Spaans. De verzoeker maakt dan ook aannemelijk dat het gelijkheids-, vertrouwens-, rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel geschonden zijn. Het middel is gegrond. BESLISSING
  64. De zaken nrs. A. 168.141/IX-5145 en A. 178.796/IX-5473 worden samen- gevoegd.
  65. De Raad van State vernietigt de beslissing waarbij namens de opleidingsdirecteur van de dienst Vorming van de Federale Overheidsdienst Financiën aan Marc VAN ASSCHE wordt medegedeeld, bij schrijven van 28 september 2005, dat het door hem op 31 augustus 2005 gevraagde IX-5145-23/24 opleidingsverlof niet wordt toegestaan, alsook vernietigt de Raad van State de bevestiging van die beslissing, medegedeeld aan Marc VAN ASSCHE bij schrijven van 7 november 2005 van de opleidingsdirecteur (de zaak A. 168.141/IX-5145). De Raad van State vernietigt de beslissing waarbij namens de opleidingsdirecteur van de dienst Vorming van de Federale Overheidsdienst Financiën aan Marc VAN ASSCHE wordt medegedeeld, bij schrijven van 27 september 2006, dat het door hem op 28 augustus 2006 gevraagde opleidingsverlof niet wordt toegestaan, alsook vernietigt de Raad van State de bevestiging van die beslissing, medegedeeld aan Marc VAN ASSCHE bij schrijven van 6 november 2006 van de opleidingsdirecteur (de zaak A. 178.796/IX-5473).
  66. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 1 februari 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5145-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.310 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.