id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.416 Rolnummer: A. 166247/X-12501 Zaak: Arrest 200416 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 03/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-11 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 08:37 Fiche Arrest nr 200.416 van 3 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 200.416 van 3 februari 2010 in de zaak A. 166.247/X-12.
- In zake:
- Luc VAN BOUWEL
- Els EYKENS wonende te 2350 VOSSELAAR Hoortverten 7 waar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Annemie Van Deun kantoor houdend te 2360 OUD-TURNHOUT Steenweg op Turnhout 87/1 tegen: de deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 september 2005, strekt tot de nietigverklaring van : a. het besluit van 16 juni 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het beroep van de verzoekende partijen ingesteld tegen het besluit van 16 juli 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Vosselaar houdende, eensdeels, afgifte van de vergunning tot het regulariseren van de twee rechter poorten, respectievelijk 1,38 m en 3 m breed, en, anderdeels, weigering van de vergunning tot het regulariseren van de uiterst linkse houten poort van 3 m, op een terrein gelegen te Vosselaar, Hoortverten 7, kadastraal bekend sectie C, nr. 593/m, niet wordt ingewilligd en het voornoemd besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Vosselaar wordt bevestigd, b. het voornoemd besluit van 16 juli 2004 houdende “de weigering van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Vosselaar daar waar het College van Burgemeester en Schepenen aan verzoekers een vergunning heeft geweigerd voor wat betreft het zetten van een poort meer bepaald de uiterst linkse poort en daar waar het College van Burgemeester en Schepenen verzoekers verplichten om de linkse houten poort van 3 meter te verwijderen en X-12.501-1/9 aldus de linkse verharde parkeerruimte over een breedte van 3 meter geen rechtstreekse aansluiting heeft met het openbaar domein en daar waar verzoekers tussen hun eigendom en het openbaar domein een groenvoorziening dienen aan te planten alsook ten overstaan van het linker buurperceel”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Pierrot T’Kindt heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 december
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk Vliegen, die loco advocaat Annemie Van Deun verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Anneleen Wynants, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Pierrot T’Kindt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verzoekende partijen wonen in Hoortverten 7 te Vosselaar. Het onroerend goed is volgens het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout gelegen in woongebied. X-12.501-2/9 Voor het gebied waarin het perceel is begrepen, bestaat geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan. Evenmin is het perceel gelegen binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling.
- Op 26 juni 2000 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Vosselaar een bouwvergunning voor het bouwen van een garage op ongeveer 40 m van de rooilijn en op de linkerperceelgrens van het betrokken onroerend goed.
- Op 20 april 2004 dienen de verzoekende partijen een regularisatieaanvraag in “voor de houten poorten, geplaatst op de oprit, op 5 m verwijderd van de voorste perceelsgrens” tussen de woning en de linkerperceelgrens.
- Met het tweede bestreden besluit van 16 juli 2004 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Vosselaar de regularisatievergunning voor de twee rechtse poorten en weigert de regularisatievergunning te verlenen voor de uiterst linkse poort op grond van volgende overwegingen: “- Overwegende dat de omgeving gekenmerkt wordt door overwegend aaneengesloten en gekoppelde bebouwing. Op het onmiddellijk links aanpalend perceel staat een kopwoning bestaande uit een gelijkvloers met kamers onder het zadeldak. Naast deze woning is een inrit van 3m voorzien om de achterliggende garage in de tuin te bereiken. Het rechts aanpalend perceel is voorzien van een aaneengesloten bebouwing waarvan het gabarit hetzelfde is als de woning op het perceel in aanvraag. Op het perceel zelf staat een oudere gekoppelde woning bestaande uit een gelijkvloers met een verdieping deels onder het zadeldak. Deze woning is gebouwd van voor het in voege treden van de wet op de stedenbouw. Op 26 juni 2000 werd vergunning verleend voor het bouwen van een garage op de linker gemeenschappelijke perceelsgrens, ingeplant op +/-40m uit de rooilijn. Huidige aanvraag heeft betrekking op het regulariseren van houten afsluitpoorten geplaatst op 5m uit de rooilijn-voorgevelbouwlijn en over de volledige resterende breedte van het perceel. De afsluitpoorten hebben een hoogte van 1,80m, het inkompoortje naast de woning heeft een breedte van 1,38m terwijl de twee overige poorten ieder 3m breed zijn. Op elke brede poort is een bord met een autonummerplaat geplaatst met het verbod te parkeren. De strook tussen de rooilijn en de poorten is volledig verhard met klinkers. Uit de foto’s blijkt dat deze verharding achter de poorten verder doorloopt. - Overwegende dat de eigenaars van het perceel in aanvraag op 12 december 2002 een repel grond tegen de straat hebben verkocht aan de gemeente. Deze grond werd aangekocht in functie van de heraanleg van het Heieinde en Hoortverten waardoor de rooilijn werd verlegd. Bij X-12.501-3/9 deze heraanleg werd ook rekening gehouden met het aanleggen van parkeerstroken. - Overwegende dat op het inplantingsplan gevoegd bij de aanvraag tot het bouwen van een garage een oprit werd vermeld zonder aanduiding van afmetingen. In het aanvraagformulier stond niets vermeld dat de aanvraag eveneens betrekking had op het aanleggen van verhardingen. Hieruit kunnen we enkel interpreteren dat de inrit uitsluitend de strikt noodzakelijke toegang naar de garage omvat. De andere verhardingen zijn niet vergund. - Overwegende dat het links aanpalende perceel een inrit heeft van 3m zonder afsluitpoort. Daar de aanvrager de geplaatste afsluitpoort niet kan koppelen met de linkergebuur is deze afsluitpoort niet aanvaardbaar. Door het volledig verharden van de voortuin wordt naast de inrit naar de achterliggende garage tevens een parkeerruimte gemaakt. Hierdoor wordt een parkeerplaats ontnomen op het openbaar domein. (...) - Overwegende dat de linkse afsluitpoort van 3m niet aanvaardbaar is met de goede plaatselijke ordening; - Gelet op het gebrek aan parkeermogelijkheden in de omgeving; (...)
- De aanvrager is verplicht de linkse houten poort van 3m te verwijderen. De linkse verharde parkeerruimte mag over een breedte van 3m geen rechtstreekse aansluiting hebben met het openbaar domein. De aanvrager dient tussen zijn eigendom en het openbaar domein een groenvoorziening aan te planten alsook ten overstaan van het linker buurperceel. Deze groenvoorziening dient onmiddellijk aangeplant te worden en dit volgens de normen van het Veldwetboek”.
- Met het eerste bestreden besluit van 16 juni 2005 wordt het beroep tegen dit collegebesluit niet ingewilligd op volgende gronden: “Voorliggende aanvraag betreft het regulariseren van houten afsluitpoorten, geplaatst op 5m uit de rooilijn/voorgevelbouwlijn en over de volledige breedte van het perceel. De houten afsluitpoorten hebben beide een breedte van 3m en een hoogte van 1m
- Het inkompoortje naast de woning heeft een breedte van 1m
- Op elke afsluitpoort hangt een bord met de autonummerplaat van de bewoners en met het verbodsteken om te parkeren. De strook tussen de rooilijn en de poorten is volledig verhard met klinkers en deze verharding loopt verder door achter de poorten. Deze verhardingen nemen meer oppervlakte in dan de strikt noodzakelijke toegangen en opritten naar het gebouw en zijn bijgevolg vergunningsplichtig, doch niet vergund. Volgens het gemeentebestuur hebben de aanvragers op 12 december 2002 een strook grond tegen de straat verkocht aan de gemeente. Deze grond werd aangekocht in functie van het heraanleggen van de Heieinde en de Hoortverten, waardoor de rooilijn werd verlegd en samenvalt met de voorgevelbouwlijn. Bij deze heraanleg werd ook rekening gehouden met het aanleggen van parkeerstroken. (...) De aanvraag is in overeenstemming met de planologische bestemming. (...) De straat wordt gekenmerkt door aaneengesloten en gekoppelde bebouwing. Op het links aanpalende perceel staat een kopwoning, met daarnaast een inrit van 3m (zonder afsluitpoort) om de achterliggende garage te bereiken. De X-12.501-4/9 betreffende houten afsluitpoorten worden over de volledige perceelsbreedte tot op de linker perceelsgrens ingeplant. De afsluitpoort van de aanvrager is zo geplaatst dat ze niet kan gekoppeld worden met een eventuele afsluitpoort van de linkerbuur, derhalve is deze niet aanvaardbaar. Bij het destijds afbakenen door het gemeentebestuur van de parkeerstrook op de openbare weg, werd 1 oprit voorzien voor de aanvrager. Door het plaatsen van de poorten, het hangen van verbodstekens tot parkeren en het volledig verharden van de gehele strook vóór de poorten, wordt parkeerruimte op de openbare weg ontnomen. Gelet op het gebrek aan parkeermogelijkheden in de omgeving, dienen de voorziene openbare parkeergelegenheden geoptimaliseerd om zo de hinder voor de buurt te beperken. Ook het volledig verharden van de voortuinstrook is niet verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening. Naast de verharding voor de strikt noodzakelijke toegang en oprit naar de woning, dient toch een minimum aan groen in de voortuin voorzien te worden. In de straat van de betrokkene bevinden zich geen gelijkaardige situaties waarbij het gemeentebestuur wel een vergunning heeft afgeleverd voor het volledig verharden én het plaatsen van afsluitingspoorten over de volledige perceelsbreedte zoals blijkt uit navraag bij het gemeentebestuur. De aanvraag kan uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaard worden”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep van de verzoekende partijen tegen het tweede bestreden besluit omdat daartegen enkel een georganiseerd administratief beroep openstond dat geleid heeft tot het eerste bestreden besluit dat in de plaats is gekomen van het tweede bestreden besluit.
- De verzoekende partijen repliceren dat tussen de beide bestreden besluiten “voldoende samenhang” is.
- Het beroep bij de bestendige deputatie, met toepassing van artikel 53, § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), heeft devolutieve werking. Door het administratief beroep ontvankelijk te verklaren, komt de beslissing van de bestendige deputatie in de plaats van die van het college van burgemeester en schepenen. Tegen de beslissing van de bestendige deputatie kan een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld bij de Raad van State. Het door de verzoekende partijen bestreden eerste besluit is bijgevolg in de plaats gekomen van het tweede bestreden besluit van het college van burgemeester en schepenen dat geen definitieve beslissing was. Het beroep is onontvankelijk in zover het gericht is tegen het tweede bestreden besluit. X-12.501-5/9
- De verwerende partij betwist voorts de ontvankelijkheid van het beroep omdat het verzoekschrift “geen middelen bevat” en de zetel van de verwerende partij niet opgeeft. Zij voert nog “de exceptio obscuri libelli” aan wegens “de vaagheid of onduidelijkheid van de uiteenzetting van de middelen”.
- Een annulatieberoep is slechts ontvankelijk wanneer minstens één ontvankelijk rechtsmiddel aangevoerd wordt. Dat betekent dat de verzoekende partijen, weze het summier maar toch voldoende duidelijk, minstens één onwettigheid moet aanwijzen die de eerste bestreden beslissing vitieert. Ten onrechte voert de verwerende partij aan dat het verzoekschrift geen middelen bevat of dat de middelen vaag en onduidelijk zijn. Immers moet uit de lezing van het verzoekschrift, samen met de verwerende partij in haar memorie van antwoord, worden besloten dat de verzoekende partijen aanvoeren dat het eerste bestreden besluit “niet afdoende gemotiveerd is en niet de middelen van verzoekers afdoende weerlegd heeft en stoelt op een onjuiste feitelijke grondslag” en “bovendien (...) in strijd (is) met het gelijkheidsbeginsel”. In zover deze middelen gericht zijn tegen het tweede bestreden besluit wordt er evenwel geen rekening mee gehouden gelet op de onontvankelijkheid van het beroep tegen dit laatste besluit.
- Het niet vermelden van de “zetel van de tegenpartij” conform het toen geldende artikel 2, § 1, 3/ van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State leidt te dezen niet tot de onontvankelijkheid van het beroep nu blijkt dat dit het verloop van de rechtspleging niet heeft geschaad en in het bijzonder de verwerende partij niet heeft verhinderd zich te verweren met een memorie van antwoord. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel wordt geacht te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet dat bepaalt dat de beslissingen van de bestendige deputatie met redenen zijn omkleed. X-12.501-6/9 Beoordeling
- Wanneer de bestendige deputatie op grond van voormeld artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet, in beroep uitspraak doet over een regularisatieaanvraag, treedt zij niet op als een administratief rechtscollege, maar als een orgaan van het actief bestuur. Hieruit volgt dat zij, om te voldoen aan de haar opgelegde motiveringsverplichting, er niet toe gehouden is al de in het beroep aangevoerde argumenten te beantwoorden. Het volstaat dat zij in de beslissing duidelijk aangeeft door welke, met de goede plaatselijke aanleg verband houdende redenen, zij is verantwoord. De bestreden beslissing moet, zoals elke bestuurshandeling, steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen genomen worden, zodat de aanvrager met kennis van zaken tegen de beslissing kan opkomen. Het behoort niet tot de bevoegdheid van de Raad van State zijn beoordeling van de regularisatieaanvraag in de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur. De Raad van State is wel bevoegd na te gaan of deze overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
- De verzoekende partijen tonen niet aan dat de hierboven weergegeven motieven in het eerste bestreden besluit zouden steunen op onjuiste gegevens of op een niet correcte beoordeling van deze gegevens, noch dat dit besluit kennelijk onredelijk is. De stelling van de verzoekende partijen dat “(d)e goede plaatselijke ordening (...) niet in het gedrang (komt) door het feit dat verzoekers al dan niet de uiterst linkse poort plaatsen” en dat “het al dan niet plaatsen van een uiterst linkse poort (evenmin) invloed (heeft) op de parkeermogelijkheden” is louter opportuniteitskritiek voor de beoordeling waarvan de Raad van State niet bevoegd is. Op het betoog van de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord wordt niet ingegaan vermits het louter kritiek bevat op het tweede bestreden besluit waartegen het beroep onontvankelijk is. Het middel is in al zijn onderdelen ongegrond. X-12.501-7/9 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel betreft de schending van het gelijkheidsbeginsel. De verzoekende partijen betogen dat “(e)en groot aantal woningen in de straat (...) dubbele poorten en of dubbele parkeerplaatsen” hebben. Zij leggen in dit verband foto’s voor. Beoordeling
- Het gelijkheidsbeginsel is geschonden indien in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk zijn behandeld zonder dat er voor deze ongelijke behandeling een objectieve verantwoording bestaat. De verzoekende partij die aanvoert dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden moet dit in het verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aantonen.
- De verzoekende partijen betwisten de overweging in het bestreden besluit dat het gemeentebestuur bij het afbakenen van de parkeerstrook op de openbare weg één oprit heeft voorzien voor de verzoekende partijen, niet. Dit gegeven blijkt ten andere uit één van de door de verzoekende partijen voorgelegde foto’s. Voorts weerleggen de foto’s van de verzoekende partijen niet de concrete vaststelling in het bestreden besluit dat er zich in de straat van de verzoekende partijen geen gelijkaardige situaties voordoen waarbij het college van burgemeester en schepenen wel een vergunning heeft verleend voor het volledig verharden en het plaatsen van afsluitpoorten over de volledige perceelbreedte. Het middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, ieder voor de helft. X-12.501-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie februari 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-12.501-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.416 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div