id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.422 Rolnummer: A. 165814/VII-34569 Zaak: Arrest 200422 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 04/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-12 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-07-02 08:38 Fiche Arrest nr 200.422 van 4 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 200.422 van 4 februari 2010 in de zaak A. 165.814/VII-34.
- In zake: de KERKFABRIEK SINT-LAMBERTUS BROEKOM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gerald Kindermans kantoor houdend te Heers Steenweg 161 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
- de heer DE CANNIERE
- mevrouw VANHEESWIJCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Piet en Guy Schiepers kantoor houdend te Tongeren Darenbergstraat 2 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 5 september 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 4 juli 2005 waarbij geen machtiging verleend wordt om over te gaan tot de verkoop van 0,21 hectare openbaar bos gelegen te Broekom, 8ste afdeling, sectie A, nr. 405F. VII-34.569-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 28 november
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Auditeur Patricia De Somere heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 januari
- Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gerald Kindermans, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Pieter-Jan Staelens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Christophe Wathion, die loco advocaten Piet en Guy Schiepers verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Auditeur Patricia De Somere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij is eigenaar van een perceel gelegen aan de Lindestraat te Broekom, ten kadaster bekend als Borgloon, 8ste afdeling, sectie A, nr. 405F. VII-34.569-2/15 De tussenkomende partijen zijn eigenaars van de voormalige pastorie, welke zich bevindt op perceel nr. 396E, gelegen ten zuiden van kwestieus perceel nr. 405F. Zij zijn de huurders van dat perceel. 3.
- Op 6 maart 2002 wordt de tuin van de voormalige pastorie door de afdeling Monumenten en Landschappen Limburg in de inventaris van historische tuinen en parken geplaatst. 3.
- De verzoekende partij wenst het voornoemd perceel nr. 405F te laten opnemen in een groter geheel van percelen gelegen in het binnengebied aan de Lindestraat te Broekom waaromtrent door de betrokken eigenaars - waaronder de verzoekende partij - een verkavelingsaanvraag voor dertien loten open bebouwing en vier loten halfopen bebouwing wordt ingediend bij het gemeentebestuur van Borgloon. Het openbaar onderzoek wordt geopend op 11 juni 2002 en afgesloten op 10 juli
- De tussenkomende partijen dienen op 5 juli 2002 bezwaar in tegen de toekenning van deze verkavelingsvergunning. 3.
- Een gewijzigde verkavelingsaanvraag en/of aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning wordt bij het gemeentebestuur van Borgloon ingediend voor elf loten open bebouwing en vier loten halfopen bebouwing. Het openbaar onderzoek wordt geopend op 12 januari 2004 en afgesloten op 11 februari
- Deze gewijzigde verkavelingsaanvraag wordt op 1 maart 2004 negatief geadviseerd door de afdeling Monumenten en Landschappen Limburg, voornamelijk omdat het verkavelingsplan de erfgoedwaarde van de voormalige pastorie grotendeels teniet doet. 3.
- In het kader van de gewijzigde verkavelingsaanvraag vraagt de verzoekende partij bij schrijven van 2 september 2004 aan de afdeling Bos en Groen om de machtiging te verlenen om tot vervreemding over te gaan van het perceel nr. 405F dat bebost en 21 are groot is. Bij schrijven van 26 november 2004 deelt de afdeling Monumenten en Landschappen Limburg aan het studiebureau dat de verkavelingsaanvraag behandelt namens de betrokken eigenaars een voorstel van afbakening mee met vrijwaring van de elementen die worden beschreven in de tekst van voornoemde inventaris van historische tuinen en parken. VII-34.569-3/15 Op 22 februari 2005 stelt de verzoekende partij een bezwaarschrift op tegen dit voorstel. Op 9 mei 2005 adviseert de afdeling Bos en Groen ongunstig omtrent de aanvraag tot machtiging vervreemding. 3.
- Op 4 juli 2005 neemt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur het bestreden besluit - waarvan een afschrift op 7 juli 2005 wordt betekend aan de verzoekende partij - waarbij geen machtiging wordt verleend om over te gaan tot de verkoop van voornoemde 21 are openbaar bos op grond van volgende overwegingen : "De aanvraag betreft de vervreemding van 0,21 ha openbaar bos gelegen in woongebied met landelijk karakter. Het bos is gelegen aan de noordelijke zijde van het perceel en bestaat uit een aanplant van populieren met ijle onder en nevenetage van Vlier en Esdoorn, Zomereik en Es. Aan de zuidkant gaat dit populierenbos over in een tuin welke bezet is met oude parkbomen, aansluitend aan de voormalige pastorie. Het betreft hier een zeer waardevolle tuin welke is opgenomen in de inventaris 'Historische tuinen en parken'. Het perceel waarop de aanvraag tot vervreemding betrekking heeft wordt gehuurd door de eigenaar van de voormalige pastorie (n/ 396e). De vervreemding kadert in een aanvraag tot verkaveling waartegen de eigenaars van de voormalige pastorie, huurders van het perceel 405F, bezwaarschrift hebben ingediend. Afdeling Monumenten en Landschappen heeft voor betreffende verkavelingaanvraag negatief advies uitgebracht. Het openbaar karakter van dit domein houdt een bijkomende opdracht in, nl. het vrijwaren van waardevol historisch erfgoed. Het bos, de tuin en de voormalige pastorie vormen samen één geheel en zijn allen onmisbaar voor de erfgoedwaarde ervan. Het advies van de afdeling Bos en Groen moet dan ook in bovenstaande context gelezen worden. De Minister van Openbare werken, Energie, Leefmilieu en Natuur kan zich bij dit advies aansluiten gelet op: - De gewestplanbestemming als woongebied met landelijk karakter; - De vervreemding betreft een perceel dat deel uitmaakt van waardevol historisch erfgoed. - Het negatief advies betreffende de verkavelingaanvraag door de Afdeling Monumenten en Landschappen". IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- De tussenkomende partijen werpen op dat het verzoekschrift tot nietigverklaring laattijdig is ingediend. VII-34.569-4/15 Beoordeling
- Het verzoekschrift tot nietigverklaring werd tijdig, vóór het verstrijken van de annulatietermijn op 6 september 2005, ingediend bij een aangetekend schrijven van 5 september
- De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen Enig middel Standpunt van de partijen
- De verzoekende partij roept in een enig middel de schending, in verscheidene opzichten, in van het formele en materiële zorgvuldigheidsbeginsel en van de materiële motiveringsplicht. 6.
- De verzoekende partij stelt dat in het bestreden besluit wordt uitgegaan van een oppervlakte van 21 are openbaar bos, terwijl het volgens haar 16 are en 19 centiare betreft. 6.
- Zij stelt voorts dat er in het bestreden besluit wordt van uitgegaan dat het bos, de tuin en de voormalige pastorie samen één geheel vormen en onmisbaar zijn voor de erfgoedwaarde van het geheel, terwijl het volgens haar niet gaat om een historisch bos, maar om een recente aanplanting. 6.
- Voor de opname in de inventaris van historisch erfgoed is volgens de verzoekende partij geen feitelijke grondslag aanwezig. 6.
- Zij stelt vervolgens dat noch het advies van de afdeling Bos en Groen, noch het advies van de afdeling Monumenten en Landschappen aan haar ter kennis zijn gebracht of mee met het bestreden besluit zijn betekend. 6.
- De verzoekende partij argumenteert voorts dat het bestreden besluit ter kennis gebracht is bij een schrijven van de afdeling Bos en Groen, waardoor volgens haar de indruk ontstaat dat de afdeling Bos en Groen en optreedt als adviserende en als beslissende instantie. VII-34.569-5/15 6.
- Zij stelt ook dat in het bestreden besluit wordt verwezen naar voornoemde negatieve adviezen, zonder dat op haar nota van 22 februari 2005 wordt geantwoord waarbij wordt verwezen naar de kadastrale schetsen van 1848, 1865 en 1883 en waaruit blijkt dat het perceel waarop de pastorie staat en het perceel waarvoor thans de machtiging tot vervreemding wordt gevraagd, nooit een geheel hebben gevormd. Volgens de verzoekende partij is haar kritiek als zou het bos ontstaan zijn uit recente aanplantingen niet weerlegd, terwijl ook onder meer de cirkelvormige haag van taxusplanten op haar grond is aangeplant op recente datum. 6.
- Ten slotte argumenteert de verzoekende partij dat het motief dat het betreffende perceel gelegen is in een woongebied met landelijk karakter inadequaat is omdat de geplande overdracht tot doel heeft om het betreffende perceel op te nemen in een ruimer geheel waardoor een verkaveling en de creatie van drie extra percelen mogelijk wordt. De verzoekende partij concludeert dat de gevraagde machtiging niet in strijd is met de gewestplanbestemming, maar er uitvoering aan geeft. 7.
- De verwerende partij antwoordt op het eerste onderdeel dat de verzoekende partij in haar aanvraag tot machtiging zelf vermeldt dat dit als voorwerp heeft een bos ter grootte van 21 are, waardoor de verzoekende partij getuigt van een schending van de beginselen van behoorlijk burgerschap en zij niet aantoont dat het bos gelegen op betreffend perceel minder dan 21 are beslaat. De verwerende partij stelt verder dat in de schets gemaakt door de afdeling Bos en Groen Hasselt van 11 februari 2004 de beboste oppervlakte bepaald wordt op 21 are, dat het gegeven dat de som van de drie kavels die gepland zijn op betreffend perceel 16 are 19 centiare bedraagt, niet in strijd is met het feit dat de oppervlakte van het gehele perceel dat de verzoekende partij wenst te vervreemden, 21 are bedraagt en, ten slotte, dat de kavelverdeling niet de bestaande perceelsgrenzen volgt zodat de oppervlakte van deze kavels geen relevantie heeft. 7.
- Zij antwoordt voorts op het tweede onderdeel dat het bestreden besluit voornamelijk genomen is op grond van het feit dat het te vervreemden bos, de tuin en de pastoriewoning één geheel vormen als waardevol historisch erfgoed waarbij elk onderdeel zijn historische waarde heeft en dat de tuin reeds opgenomen is in de inventaris "Historische tuinen en parken" met omschrijving als VII-34.569-6/15 kwaliteitsvolle, recente tuinaanleg die oudere elementen van de 19de eeuwse pastorietuin herbruikt. Zij stelt dat vooral de tuin historisch zeer waardevol is en niet zozeer het bos, alhoewel dit een onafscheidelijk deel uitmaakt van het geheel. 7.
- Met betrekking tot het derde onderdeel, betreft volgens de verwerende partij het bestreden besluit niet de opname van het bos op het kwestieus perceel in waardevol historisch erfgoed, met de vereiste motivering daaromtrent, maar wel de aanvraag tot machtiging tot vervreemding van het perceel, zodat het bestreden besluit geen motivering moet bevatten met betrekking tot de afwegingen die gebeurden met het oog op het verlenen van een bijzonder beschermingsstatuut aan het perceel. Alzo steunt het bestreden besluit onder andere op de vaststelling dat de voormalige pastorietuin gelegen op het perceel opgenomen is in de inventaris "Historische tuinen en parken" en moet het geen motivering bevatten waarom een deel van het perceel, met name het tuingedeelte, werd opgenomen in deze inventaris. Zij stelt verder dat het bestreden besluit genomen is op grond van de vaststelling dat het bos samen met de tuin en de pastoriewoning waardevol te noemen zijn vanuit historisch perspectief, aldus gemotiveerd vanuit de vaststelling dat het tuingedeelte van het perceel waarop ook het bos gelegen is, bijzonder waardevol is en daartoe ook opgenomen werd in een specifieke inventaris. De pastorie, tuin en bos lopen ongemerkt in mekaar omdat de perceelsgrens tussen nr. 405F en nr. 386E niet merkbaar is. Ook het bos loopt ongemerkt over in de tuin en omgekeerd - zij maken fysisch één geheel uit, waardoor dit geheel volledig als waardevol vanuit historisch perspectief moet worden beschouwd. 7.
- De verwerende partij stelt met betrekking tot het vierde onderdeel dat de verzoekende partij wel kennis heeft gekregen van het advies van de afdeling Bos en Groen van 9 mei 2005, aangezien dit advies integraal is overgenomen in het bestreden besluit, en dat ook verwezen wordt naar het advies van de afdeling Monumenten en Landschappen, gegeven in het kader van de verkavelingsvergunning, om de beweegreden van de aanvragers weer te geven. Bij deze verwijzing naar de aanvraag tot verkaveling, wordt gemeld dat de afdeling Monumenten en Landschappen hiervoor een negatief advies uitbracht. VII-34.569-7/15 Zij stelt hierbij dat het bestreden besluit een afdoende motivering bevat die de beslissing volledig draagt en dat de verwijzing naar het feit dat ook de verkavelingsaanvraag negatief geadviseerd werd door een adviesinstantie een overtollig motief uitmaakt. 7.
- Zij stelt voorts met betrekking tot het vijfde onderdeel dat de wijze van verzending van het bestreden besluit geen afbreuk doet aan de onafhankelijkheid waarmee de minister de beslissing neemt en dat deze zich liet adviseren door de afdeling Bos en Groen die met kennis van zaken de nodige gegevens aanreikte om tot een gefundeerde beslissing te komen. Volgens de verwerende partij toont de verzoekende partij niet aan dat de motivering die de minister geeft, niet afdoend of feitelijk onjuist zou zijn. 7.
- De verwerende partij antwoordt vervolgens op het zesde onderdeel dat het bestreden besluit afdoende gemotiveerd is met de verwijzing naar het bijzonder statuut van de tuin, namelijk de vaststelling dat op het betreffende perceel een tuin gelegen is die bewaard moet blijven aangezien deze is opgenomen in de inventaris "Historische tuinen en parken" en aldus tot te beschermen erfgoed behoort. Het bezwaar van de verzoekende partij dat het perceel waarop de pastorie staat en het perceel waarvoor een machtiging tot overdracht wordt aangevraagd, nooit één geheel hebben uitgemaakt, is, volgens de verwerende partij, kritiek op het feit dat de tuin, gelegen op betreffend perceel, opgenomen is in de inventaris "Historische tuinen en parken". Ook de stelling van de verzoekende partij dat de argumentatie van de afdeling Monumenten en Landschappen niet uitgaat van de bestaande toestand, maar van een hypothetische, fictieve voorstelling van zaken, is volgens de verwerende partij onjuist omdat de tuin gelegen op het kwestieus perceel uitgeeft op de pastorie. Zelfs al maken pastorie en tuin/bos deel uit van verschillende percelen, dan nog blijft de tuin waardevol en moet hij worden beschermd als ruimte rond de nog bestaande pastorie. Het gaat volgens de verwerende partij niet op dat een waardevol historisch gebouw zoals de pastorie helemaal ingeklemd wordt tussen nieuwbouwwoningen. VII-34.569-8/15 Het feit dat het bos ontstaan is uit recente aanplantingen terwijl ook onder meer voornoemde cirkelvormige haag van taxusplanten aangeplant is op recente datum, doet volgens de verwerende partij niets af aan het feit dat de pastorie maar tot zijn recht komt door zijn ligging op een ruime, onbebouwde grond, ongeacht de leeftijd van de aanplantingen in het bos. 7.
- Ten slotte antwoordt de verwerende partij op het zevende onderdeel dat de gewestplanbestemming inhoudt dat woningen er op hun plaats zijn, doch dat het bestreden besluit het element "landelijk karakter" benadrukte waardoor ook met bijkomende elementen rekening moet worden gehouden, meer bepaald met open ruimten zoals de tuin en het bos. Indien deze motivering tegenstrijdig is met het dictum van het bestreden besluit, stelt de verwerende partij dat dit motief de beslissing niet ongeldig maakt. 8.
- De tussenkomende partijen stellen dat het bos en de tuin samen het historisch erfgoed uitmaken, waarbij aan de tuin weliswaar een grotere historische waarde kan worden toegedicht, maar waarbij tuin en bos een onafscheidelijk geheel vormen. 8.
- Voorts stellen zij dat de materiële motivering afdoende is aangezien de verwerende partij ingaat op de verkavelingsaanvraag en deze op gemotiveerde wijze afwijst. 8.
- Ten slotte stellen de tussenkomende partijen dat het zorgvuldigheidsbeginsel is gerespecteerd aangezien het bestreden besluit steunt op de adviezen die door de afdeling Bos en Groen werden gegeven. 9.
- De verzoekende partij repliceert dat, voor zover de voorstelling van zaken wat betreft de oppervlakte in de memorie van antwoord overeenkomt met de feiten, deze nuancering niet af te leiden is uit het bestreden besluit. 9.
- Zij antwoordt voorts dat de argumentatie van de verwerende partij in haar memorie van antwoord lijnrecht staat tegenover de argumentatie in het bestreden besluit waarin wordt gesteld dat het bos een historisch karakter heeft en historisch waardevol is, zodat de materiële grondslag voor het bestreden besluit ontbreekt. VII-34.569-9/15 De bewering van de verwerende partij dat de tuin een historisch karakter heeft, wordt volgens de verzoekende partij niet gemotiveerd. 9.
- Voorts repliceert de verzoekende partij dat het voorwerp van haar verzoek niet is uitgebreid tot de beslissing tot opname van het bos in de inventaris van historische tuinen en parken omdat deze opname haar nooit ter kennis is gebracht. Zij stelt dat deze opname door een onwettelijkheid is aangetast en overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten. 9.
- De verzoekende partij argumenteert dat het tegenstrijdig is enerzijds te stellen dat het bestreden besluit gesteund is op een aantal deugdelijke adviezen, waaronder het advies van de afdeling Monumenten en Landschappen, en anderzijds te stellen dat dit advies verder van geen belang is en de kennisgeving ervan aan de aanvrager irrelevant is omdat het advies niet doorslaggevend zou zijn geweest. 9.
- Ten slotte stelt de verzoekende partij dat het bestreden besluit uitgaat van een fictieve voorstelling van zaken omdat uit de kadastrale gegevens, daterend van 1848, 1865 en 1883, blijkt dat de tuin en het bos nooit één geheel hebben uitgemaakt, dat de percelen links en rechts van de pastoriewoning wel één kadastraal geheel hebben uitgemaakt met de pastoriewoning zelf, en men hier wel toelating heeft verleend tot het oprichten van nieuwe woningen, dat de aanplantingen een recent karakter hebben en dat het niet om een historisch bos gaat, maar om spontaan ontstaan ruig land dat thans beschouwd wordt als bos ingevolge het bosdecreet. Zij stelt dat, aangezien zowel de recente datum van de aanplantingen en het bos, als de afwezigheid van kadastrale eenheid doorslaggevende argumenten waren van haar verzet en aangezien deze bezwaren blijken uit het dossier dat werd gevoegd bij de aanvraag, het bestreden besluit terzake een toelichting of motivering moet bevatten.
- In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat de argumentatie van de verwerende partij als zou het bos en de tuin één geheel vormen dat vanuit historisch perspectief waardevol is, niet juist is. Zulks wordt volgens haar aangetoond door de intussen op 5 april 2006 afgeleverde kapvergunning van het bos dat ondertussen ook gekapt is. In deze kapvergunning staat dat het een boombestand van cultuurpopulieren betreft die in plantverband werden aangeplant, waaronder een onderetage van hakhout en/of enkele verspreide exemplaren van loofboomsoorten. VII-34.569-10/15 Volgens de verzoekende partij wordt met deze kapmachtiging het bewijs geleverd dat het niet om een waardevol bos gaat. Voorts deelt de verzoekende partij mee dat de huurovereenkomst van de tussenkomende partijen ten einde is gekomen op 31 december
- De verwerende partij antwoordt in haar laatste memorie dat het bestreden besluit niet de opname van het bos in het waardevol historisch erfgoed betreft, maar de aanvraag tot machtiging tot vervreemding van het betrokken perceel en dat het bestreden besluit dus geen motivering moet bevatten met betrekking tot de afwegingen die gebeurden met het oog op het verlenen van een bijzonder beschermingsstatuut aan het betrokken perceel. Volgens de verwerende partij steunt het bestreden besluit niet op het feit dat het bos op het betrokken perceel historisch waardevol zou zijn, maar op de omstandigheid dat het openbaar karakter van het domein een bijkomende opdracht inhoudt, namelijk het vrijwaren van het waardevol historisch erfgoed, én dat het bos, de tuin en de voormalige pastorie samen één geheel vormen en alle onmisbaar zijn voor de erfgoedwaarde ervan. Ten slotte stelt zij dat de kapvergunning niet inhoudt dat het perceel waarop de populieren gekapt mogen worden zijn waarde zou verliezen. Beoordeling Eerste onderdeel
- De verzoekende partij doet een aanvraag tot machtiging tot de verkoop van het perceel kadastraal gekend als afdeling 8, sectie A, nr. 405F(deel), "hetgeen bebost is voor een oppervlakte van 21 are". In de schets gemaakt door de afdeling Bos en Groen Hasselt van 11 februari 2004 wordt de beboste oppervlakte bepaald op 50 meter op 42 meter, hetzij 21 are. Er is bijgevolg niet uitgegaan van een verkeerde oppervlakte. De omstandigheid dat de afgebakende zone in het "voorstel afbakening" van de afdeling Monumenten en Landschappen in het schrijven van 26 november 2004 zou overeenkomen met de oppervlakte van de loten 13,16 en 17, met name 16 are en 19 centiare, is niet relevant. Het eerste onderdeel is niet gegrond. VII-34.569-11/15 Tweede, derde en zesde onderdeel
- De verzoekende partij betwist niet dat de aanvraag betrekking heeft op een bos. Luidens artikel 3, § 1, van het bosdecreet van 13 juni 1990 vallen onder de voorschriften van dit decreet: "de bossen, zijnde grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen". Het advies van de afdeling Bos en Groen van 9 mei 2005 omschrijft als voorwerp van de aanvraag tot machtiging: de vervreemding van 0,21 hectare openbaar bos gelegen in woongebied met landelijk karakter, bestaande uit een aanplant van populieren met ijle onder- en nevenetage van vlier en esdoorn, zomereik en es. Het motief voor het bestreden besluit is in wezen gesteund op de omstandigheid dat het openbaar karakter van het domein voor de eigenaar een bijkomende opdracht inhoudt, namelijk het vrijwaren van het waardevol historisch erfgoed, én dat het bos, de tuin en de voormalige pastorie samen één geheel vormen en alle onmisbaar zijn voor de erfgoedwaarde ervan. In het bestreden besluit wordt niet gesteld dat het bos een historisch karakter heeft. Het verlenen van een kapmachtiging doet evenmin afbreuk aan voornoemd hoofdmotief van het bestreden besluit. Dergelijke machtiging ontneemt de waarde niet die aan het perceel is toegekend en is bovendien in dezen beperkt tot de op het perceel groeiende populieren. Ook de omstandigheid dat het perceel thans niet meer verhuurd wordt aan de tussenkomende partijen verandert niets aan de waarde van het perceel. De verwerende partij benadrukt in haar memorie van antwoord dit één-geheel-vormen en stelt dat dit geheel volledig als waardevol vanuit historisch perspectief moet worden beschouwd, ook al is het bos, afzonderlijk beschouwd, geen historisch bos. De verzoekende partij bewijst niet het tegendeel. De stelling van de verwerende partij dat pastorie, tuin en bos "fysisch" ongemerkt in mekaar lopen en het bos ongemerkt in de tuin overloopt en omgekeerd, wordt door de verzoekende partij niet betwist. Voorts doet het recent karakter van de aanplantingen in de tuin geen afbreuk aan het feit dat de tuin een historische waarde kan hebben. Een tuin is immers een levend gegeven dat noodzakelijkerwijze nieuwe aanplantingen behoeft. VII-34.569-12/15 In de inventaris "Historische tuinen en parken" is inderdaad sprake van een kwaliteitsvolle, recente tuinaanleg die oudere elementen van de 19de eeuwse pastorietuin herbruikt. De verschillende kadastrale leggers doen evenmin afbreuk aan het gegeven dat bos en tuin fysisch één geheel kunnen vormen en onmisbaar zijn voor de erfgoedwaarde van de pastorie. De verzoekende partij toont niet aan waarom twee percelen onder een verschillend kadastraal nummer opgenomen, geen eigendom kunnen zijn van één persoon en deel kunnen uitmaken van één geheel. Het motief betreffende het openbaar karakter van betreffend domein dat een bijkomende opdracht inhoudt inzake het vrijwaren van waardevol historisch erfgoed, wordt ten slotte niet betwist. De verwerende partij heeft de machtiging om tot vervreemding over te gaan op grond van voldoende deugdelijke motieven geweigerd. De verwerende partij moet niet uitdrukkelijk antwoorden op de argumenten van de verzoekende partij in haar nota van 22 februari 2005, welke werden geformuleerd naar aanleiding van een schrijven van de afdeling Monumenten en Landschappen betreffende de verkavelingsaanvraag en niet naar aanleiding van de aanvraag tot machtiging tot vervreemding van het bos, en waar zelfs niet blijkt dat de verwerende partij kennis had van deze nota. Het tweede, derde en zesde onderdeel zijn niet gegrond. Vierde onderdeel
- Het advies van de afdeling Bos en Groen van 9 mei 2005 is woordelijk overgenomen in het bestreden besluit. De verwijzing naar het advies van de afdeling Bos en Groen maakt het hoofdmotief van het bestreden besluit uit en de verwijzing naar het negatief advies van de afdeling Monumenten en Landschappen voor betreffende verkavelingsaanvraag dient om de beweegreden van de aanvragers weer te geven. Beide negatieve adviezen komen tot de conclusie dat de "achtertuin", omwille van de erfgoedwaarde van de pastorie, moet worden gevrijwaard. Het vierde onderdeel is ongegrond. VII-34.569-13/15 Vijfde onderdeel
- Het bestreden besluit is genomen en ondertekend door de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. De omstandigheid dat zij aan de verzoekende partij ter kennis werd gebracht bij schrijven van de terzake bevoegde administratie van de Vlaamse minister, is geen bewijs van partijdigheid van de Vlaamse minister. Het vijfde onderdeel is ongegrond. Zevende onderdeel
- De verwijzing naar de gewestplanbestemming "woongebied met landelijk karakter" is geen tegenstrijdig motief, voor zover de Vlaamse minister hiermee de nadruk op het landelijk karakter wenste te leggen. Het zevende onderdeel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 250 euro, elk voor de helft. VII-34.569-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier februari tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-34.569-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.422 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div