← België

Arrest 200424 - Monumenten en Landschappen - 04/02/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.424 Rolnummer: A. 107374/VII-37433 Zaak: Arrest 200424 - Monumenten en Landschappen - 04/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-12 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-02 08:38 Fiche Arrest nr 200.424 van 4 februari 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 200.424 van 4 februari 2010 in de zaak A. 107.374/VII-37.

  1. In zake: de BVBA IMMO CHRISTOPHE PROMOTION bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Stijns kantoor houdend te Leuven Ubicenter Philipssite 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Olivier Onghena kantoor houdend te Antwerpen Oude Leeuwenrui19 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 13 juli 2001, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Huisvesting en Ambtenarenzaken van 18 juni 2001 waarbij het kantoorgebouw Brepols te Turnhout als monument wordt beschermd. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij arrest nr. 97.922 van 20 juli 2001 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. VII-37.433-1/13 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur-generaal Patrik De Wolf heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 december
  4. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tessa Cornelissen, die loco advocaat Jan Stijns verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Elisa Van Broeck, die loco advocaat Olivier Onghena verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur-generaal Patrik De Wolf heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De gebouwen van de voormalige fabriek Brepols te Turnhout staan meer dan twintig jaar leeg. Door de stad Turnhout wordt sinds 1992 met promotoren onderhandeld om een geïntegreerd project van winkelen, wonen, bioscoopzalen, zwembad en parking te realiseren op deze terreinen. In 1995 wordt het project toegekend aan de verzoekende partij die eind 1995 een compromis sluit tot aankoop van de terreinen. 3.
  7. Op 25 november 1996 verleent de stad Turnhout, na gunstig advies van de afdeling Ruimtelijke Ordening, aan de verzoekende partij een stedenbouwkundig attest nr. 2 waarin principieel ingestemd wordt met het voorgelegde project "Brepols galerijen". Uit een brief van de stad Turnhout van VII-37.433-2/13 14 juni 1999 blijkt dat één van de voorwaarden erin bestaat dat een structuurplan voor het geheel moet worden opgesteld vooraleer een bouwaanvraag zou worden behandeld. 3.
  8. Op 14 januari 1998 wordt de notariële akte verleden tot aankoop van voornoemde gebouwen en terreinen en op 5 mei 1998 dient de verzoekende partij een definitief ontwerpdossier in bij het stadsbestuur. 3.
  9. In een nota van 19 mei 1998 stelt de afdeling Monumenten en Landschappen voor om het kantoorgebouw Brepols te Turnhout als monument te beschermen wegens zijn historische en architectuur-historische waarde. Op 12 augustus 1998 stelt ook de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen aan de bevoegde minister voor om de kantoorgebouwen van de vroegere fabriek Brepols op een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten te plaatsen. Na bezwaar van onder meer de stad Turnhout, deelt de bevoegde Vlaamse minister bij brief van 2 juni 1999 aan de burgemeester van de stad Turnhout mee dat hij de site Brepols niet meer in aanmerking neemt om beschermd te worden als monument. 3.
  10. Op 23 augustus 1999 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout aan de verzoekende partij een vergunning voor het bouwen van zes eengezinswoningen met garages op een terrein gelegen aan het Akkerpad 27-29-31-33-37, bekend ten kadaster Turnhout, 4de afdeling, sectie R, perceel nrs. 532k/deel, 533l/deel en 533k. 3.
  11. Op 20 juni 2000 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport het kantoorgebouw van de voormalige fabriek Brepols, bekend ten kadaster Turnhout, 4de afdeling, sectie R, perceel nr. 420Z (deel), wegens zijn historische en architectuur-historische waarde, als monument op een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten te plaatsen. Een afschrift van dit voorlopig beschermingsbesluit wordt bij aangetekende brief verstuurd naar, onder meer, de verzoekende partij. 3.
  12. De verzoekende partij dient op 18 juli 2000 een bezwaarschrift in tegen de voorgenomen bescherming bij de administratie Ruimtelijke Ordening, VII-37.433-3/13 Huisvesting en Monumenten & Landschappen (hierna : AROHM) Antwerpen. Ook de stad Turnhout maakt haar bezwaar tegen de voorgenomen bescherming kenbaar. 3.
  13. In een verslag van 24 november 2000 worden de ingediende adviezen en bezwaren uiteengezet en beantwoord door de afdeling Monumenten en Landschappen. 3.
  14. Op 18 juni 2001 neemt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Huisvesting en Ambtenarenzaken het thans bestreden besluit tot bescherming van het kantoorgebouw Brepols als monument, dat luidt als volgt : "Artikel
  15. Wordt beschermd, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 3 maart 1976, gewijzigd bij decreten van 22 februari 1995 en 8 december 1998: Wegens zijn historische waarde: - als monument: Kantoorgebouw Brepols, gelegen te Turnhout, Baron Frans du Fourstraat : bekend ten kadaster: Turnhout, 4de afdeling, sectie R, perceelnummer 420ZDEEL. Art.
  16. de historische en architectuur-historische waarde wordt als volgt omschreven : - historisch: Dit kantoorgebouw maakt deel uit van de voormalige fabriek van Brepols, het oudste en grootste papierverwerkende en grafische bedrijf van Turnhout. Het is een materiële, wezenlijke getuige van een sector die van in de 19de eeuw het Turnhoutse bedrijfsleven beheerste. - architectuurhistorisch: Gaaf bewaard modernistisch kantoorgebouw van 1937 met een opmerkelijk functionalistisch interieur. Art.
  17. Met het oog op de bescherming zijn van toepassing: A. De beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten (Belgisch Staatsblad 10 maart 1994)". IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
  18. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat het beroep niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang. Zij betoogt dat de verzoekende partij kan verbouwen, herbouwen, uitbreiden tot twintig procent en wijzigen van functie, dat haar financiële belangen dus bewaard worden door de decretale bepalingen en ten slotte dat het kantoorgebouw een oppervlakte van ongeveer 1.000 m² bestrijkt terwijl de site een oppervlakte heeft van meer dan 24.000 m². VII-37.433-4/13
  19. De verzoekende partij repliceert dat zij eigenaar is van het beschermde gebouw en dat de argumentatie van de verwerende partij niet dienend is. Beoordeling
  20. In artikel 3 van het bestreden besluit is bepaald dat de beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna : besluit van 17 november 1993) van toepassing zijn. Door artikel 11, § 1, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna : decreet van 3 maart 1976) en voornoemd besluit van 17 november 1993 worden aan de eigenaars van beschermde monumenten allerlei verplichtingen en beperkingen opgelegd. De verzoekende partij die eigenaar is van het beschermde gebouw heeft er belang bij dat de opgelegde erfdienstbaarheden en eigendomsbeperkingen verdwijnen. Er is bovendien geen zekerheid dat de verzoekende partij een vergunning zal krijgen voor werken die in principe verboden zijn door het bestreden besluit. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  21. De verzoekende partij roept in een eerste middel in dat de artikelen 7 en 8 van het decreet van 3 maart 1976 werden geschonden doordat het bestreden besluit haar pas bij aangetekende brief van 10 juli 2001, na de wettelijke vervaltermijn en de datum van het besluit, betekend werd en doordat haar enkel het besluit met bijhorend plan betekend werd, maar niet de bijzondere beperkingen die met het oog op de bescherming van het monument aan het eigendomsrecht worden gesteld.
  22. De verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partij de wettigheid van een overheidsbeslissing verwart met de betekening ervan. Zij stelt dat het bestreden besluit op 18 juni 2001 werd genomen, binnen de termijn van één VII-37.433-5/13 jaar, en dat in het decreet van 3 maart 1976 niet bepaald is wanneer het besluit moet worden betekend. Zij stelt voorts dat het plan samen met het bestreden besluit werd betekend en dat de voorwaarden van het decreet van 3 maart 1976 gelden indien geen bijkomende modaliteiten worden bijgevoegd.
  23. De verzoekende partij repliceert dat de termijn van artikel 7 van het decreet van 3 maart 1976 een vervaltermijn is die haar nut zou verliezen indien de betekening na een jaar zou kunnen gebeuren. Zij herhaalt dat in het bestreden besluit de bijzondere beperkingen aan het eigendomsrecht niet worden vermeld.
  24. De verzoekende partij stelt in haar laatste memorie dat een overheidsbeslissing, bij het niet-naleven van substantiële vormvereisten, in haar geheel nietig moet worden verklaard, zodat te dezen het bestreden besluit ten gevolge van het niet-vermelden van de bijzondere beperkingen aan het eigendomsrecht volledig moet worden nietigverklaard.
  25. De verwerende partij betwist in haar laatste memorie dat de opname in het bestreden besluit van de algemene beschermingsvoorschriften van substantiële aard is en dat de schending van deze bepaling enig nadeel berokkent aan de verzoekende partij. Zij stelt voorts dat het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 haar rechtsgrond vindt in het decreet van 3 maart
  26. Beoordeling
  27. Uit artikel 7 van het decreet van 3 maart 1976 vloeit niet voort dat het beschermingsbesluit moet worden betekend binnen de termijn bepaald in artikel 5, § 7, van dat decreet. Een laattijdige of gebrekkige betekening van een overheidsbeslissing heeft bovendien geen weerslag op de regelmatigheid van die beslissing, tenzij uitdrukkelijk anders zou zijn bepaald.
  28. In de artikelen 7 en 8, § 2, van het decreet van 3 maart 1976 is respectievelijk bepaald dat in het beschermingsbesluit de algemene en eventueel specifieke voorschriften inzake instandhouding en onderhoud worden vermeld en dat in het beschermingsbesluit de bijzondere beperkingen moeten worden vermeld die met het oog op de vrijwaring van de wezenlijke kenmerken van het beschermde monument, stads- of dorpsgezicht aan het eigendomsrecht worden gesteld. Dit zijn substantiële voorschriften die in het belang van de betrokken eigenaars, erfpachthouders, opstalhouders en vruchtgebruikers worden opgelegd. Aan de VII-37.433-6/13 betrokkenen moet immers op ondubbelzinnige wijze ter kennis worden gebracht welke verplichtingen, erfdienstbaarheden en eigendomsbeperkingen voortvloeien uit de bescherming van een bepaald monument, stads- of dorpsgezicht. In het bestreden besluit worden geen bijzondere beperkingen van het eigendomsrecht vermeld en worden enkel de beschikkingen van het besluit van 17 november 1993 van toepassing verklaard.
  29. Rechtsgrond voor het voornoemde besluit van 17 november 1993 wordt volgens de verwerende partij geboden door artikel 11, § 5, van het decreet van 3 maart 1976 dat gewijzigd werd bij decreet van 21 november
  30. Luidens de memorie van toelichting bij het decreet van 21 november 2003 bestond de bepaling van het nieuwe artikel 11, § 5 reeds vroeger maar werd dit voorschrift omwille van de duidelijkheid en leesbaarheid vermeld onder artikel 11, § 5, van het decreet van 3 maart
  31. De verwerende partij maakt aannemelijk dat voor het besluit van 17 november 1993 een voldoende rechtsgrond bestaat. Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  32. De verzoekende partij roept in een tweede middel de schending in van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Zij wijst er op dat zij, na gunstig advies van AROHM, op 25 november 1996 een stedenbouwkundig attest nr. 2 verkregen heeft voor het project, dat het project goedgekeurd is door de stad Turnhout, dat op 23 augustus 1999 een eerste "deelbouwvergunning" wordt verleend en dat het kantoorgebouw eind 1998 geschrapt is van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten. Zij stelt voorts dat het kantoorgebouw in 2000 opnieuw voorlopig beschermd en in 2001 definitief beschermd wordt, ondanks de bezwaren van de stad Turnhout en haarzelf. Zij concludeert dat het project gekelderd wordt nu het in zijn eindfase zit, nadat jarenlang onderhandeld werd, de terreinen aangekocht werden, leningen aangegaan werden, investeringen gedaan werden en contracten met derden werden gesloten. VII-37.433-7/13
  33. De verwerende partij antwoordt dat het stedenbouwkundig attest nr. 2 geen betrekking heeft op de hele site en het hele project, maar enkel op de woningen langs de straatkant en dat de verzoekende partij geen bouwvergunning heeft verkregen voor het hele project. Zij stelt dat de minister enkel een persoonlijk oordeel heeft meegedeeld aan de burgemeester van de stad Turnhout, dat hij niet beslist heeft om de gebouwen te schrappen uit een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten aangezien de gebouwen toen nog niet opgenomen waren op een ontwerp van lijst. De verwerende partij betoogt voorts dat de verzoekende partij niet heeft aangetoond dat de bouwvergunning voor zes woningen gelegen aan het Akkerpad een beletsel vormt voor de bescherming van het kantoorgebouw. Zij stelt dat zij consequent is overgegaan tot het uitwerken van een bescherming, dat de minister een duidelijke en redelijke afweging heeft gemaakt van het dossier en dat het feit dat de verzoekende partij intussen in samenwerking met het stadsbestuur projecten heeft uitgewerkt voor de site vreemd is aan de bescherming van het kantoorgebouw. Ten slotte betoogt zij dat het bestaan van een bestuurlijke vergissing moet worden aangetoond om tot een schending van het vertrouwensbeginsel te kunnen besluiten.
  34. De verzoekende partij repliceert dat de laattijdige betekening na de vervaltermijn een schending van het rechtszekerheidsbeginsel uitmaakt, dat de plannen een evolutie weergeven die getuigt van gevoerde onderhandelingen en afspraken, dat het antwoord van de minister een administratieve akte is en dat uit het feitenrelaas blijkt dat er zich een bestuurlijke vergissing heeft voorgedaan.
  35. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat uit het stedenbouwkundig attest nr. 2 en de brief van de stad Turnhout van 14 juni 1999 kan worden afgeleid dat aan haar de toezegging was gedaan een concreet bouwproject te mogen realiseren waarvan de onderdelen gekend waren en dat het schrijven van de minister van 2 juni 1999 aan de burgemeester van de stad Turnhout moet worden beschouwd als een ministerieel besluit. VII-37.433-8/13 Beoordeling
  36. Voor een nietigverklaring wegens schending van het vertrouwens- beginsel moeten drie voorwaarden vervuld zijn : 1/ het bestaan van een bestuurlijke vergissing, 2/ het ten gevolge van die vergissing verlenen van een voordeel aan de burger en 3/ het ontbreken van een gewichtige reden om de rechtzoekende dat voordeel te ontnemen. De verzoekende partij toont niet aan dat zij per vergissing een voordeel heeft verkregen dat haar zonder gewichtige reden werd ontnomen. Uit het stedenbouwkundig attest nr. 2 en de brief van de stad Turnhout van 14 juni 1999 kan immers niet afgeleid worden dat de overheid aan de verzoekende partij de toezegging gedaan heeft dat zij een bepaald bouwproject zou kunnen realiseren. In het attest wordt onder meer gesteld dat de concrete invulling en uitwerking van het project nog nader moet worden besproken en uit de brief blijkt dat eerst nog "een structuurplan voor het geheel" moest worden opgesteld. Door het standpunt en de gedragingen van het toenmalige stadsbestuur van Turnhout en door de brief van de minister van 2 juni 1999 aan de burgemeester van de stad Turnhout is bij de verzoekende partij gebeurlijk de indruk ontstaan dat het kantoorgebouw van de vroegere fabriek Brepols kon worden gesloopt. Dit volstaat evenwel niet voor de nietigverklaring van het bestreden besluit wegens schending van het vertrouwensbeginsel. De bouwvergunning die verleend werd voor bepaalde woningen in de buurt van het kantoorgebouw en de heffing wegens leegstand kunnen evenmin de gerechtvaardigde verwachting wekken dat het kantoorgebouw mag worden afgebroken. Tot slot blijkt uit geen enkel neergelegd stuk dat de minister in 1999 beslist heeft het betrokken kantoorgebouw te schrappen van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten. In de brief van 2 juni 1999 deelt de minister aan de burgemeester van de stad Turnhout enkel mee dat hij de fabrieksgebouwen Brepols niet meer in aanmerking neemt voor bescherming als monument. Een dergelijk standpunt kan echter niet worden beschouwd als een ministerieel besluit, bindt een opvolger in een volgende regering niet en kan bijgevolg geen verwachtingen rechtvaardigen. VII-37.433-9/13 Het tweede middel is bijgevolg ongegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen
  37. De verzoekende partij roept in een derde middel de schending in van het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Zij stelt dat de overheidsadministraties niet zorgvuldig te werk zijn gegaan, de feiten in het dossier nauwelijks hebben onderzocht en dat ook de laattijdige betekening van het bestreden besluit een schending uitmaakt van het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoekende partij betoogt voorts dat de motivering van het bestreden besluit niet afdoende en pertinent is omdat deze quasi integraal is overgenomen van het voorlopige beschermingsbesluit en dat er geen nieuw element wordt bijgebracht ten opzichte van het voorlopige beschermingsbesluit. Zij stelt ten slotte dat de motivering van het bestreden besluit niet werkelijkheidsgetrouw is omdat het kantoorgebouw volgens haar vervallen en verwaarloosd is en ernstig beschadigd door een brand.
  38. De verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partij in haar argumentatie het zorgvuldigheidsbeginsel vermengt met het motiveringsbeginsel, dat de Raad van State zich uitspreekt over de wettigheid van de bestreden beslissing, dat het bestreden besluit op basis van de juiste juridische en feitelijke gronden werd gemotiveerd, dat de beslissing zorgvuldig werd voorbereid en de decretale voorschriften volledig werden gevolgd.
  39. De verzoekende partij repliceert in verband met het zorgvuldigheidsbeginsel dat het bestreden besluit ingaat tegen de brief van de minister van 2 juni 1999 en tegen het Mercuriusproject van de Vlaamse regering, dat er tegenstrijdigheid is tussen de bevoegde minister en het stadsbestuur, dat er tegenstrijdigheid bestaat tussen de bevoegde minister en de minister van Financiën en dat de verwerende partij niet ingelicht was over alle elementen van het dossier. In verband met de ingeroepen schending van het motiveringsbeginsel stelt zij dat noch het bestreden besluit, noch het administratief dossier een afdoende motivering bevat.
  40. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat de verwerende partij niet op de hoogte was van de plannen van de verzoekende partij en haar afspraken met het stadsbestuur en dat het bestreden besluit onredelijk is. Zij VII-37.433-10/13 betwist dat het interieur van het fabrieksgebouw functioneel is, dat de architectuur van het gebouw modernistisch is en dat het een getuige is van de fabriekssector in Turnhout. Volgens de verzoekende partij wordt de onredelijkheid van het bestreden besluit ook aangetoond door het feit dat het gebouw al twintig jaar leeg staat en verloederd is en dat het als voorbeeld werd voorgesteld in het kader van het Mercuriusproject over hoe complexen kunnen worden ingepast in stadskernen. Ten slotte stelt de verzoekende partij dat het bestreden besluit moet vermelden waarom van het standpunt van de minister is afgeweken. Beoordeling
  41. De verzoekende partij toont niet aan dat de verwerende partij bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet zorgvuldig tewerk is gegaan en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier niet deugdelijk heeft vastgesteld zodat zij niet met kennis van zaken zou hebben kunnen beslissen. Evenmin toont zij aan dat de verwerende partij de betrokken belangen onzorgvuldig heeft afgewogen waardoor de belangen van de verzoekende partij nodeloos werden geschaad. Voorts toont de verzoekende partij niet aan dat de beschermingsprocedure zoals geregeld in het decreet van 3 maart 1976 niet is nageleefd. Het betrokken gebouw werd in 1999 niet geschrapt van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten en het bestreden besluit is niet te laat betekend aan de verzoekende partij. De bezwaren van de verzoekende partij en van de stad Turnhout werden door de afdeling Monumenten en Landschappen onderzocht en beantwoord en derhalve door de overheid bij de besluitvorming betrokken. De omstandigheid dat het bevoegd lid van de Vlaamse regering in een bepaald dossier tot een ander besluit komt dan zijn voorganger of afwijkt van het advies van de stad Turnhout kan niet als een onzorgvuldigheid worden aangemerkt.
  42. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat op een afdoende wijze. Het belangrijkste doel van de verplichting tot uitdrukkelijke motivering bestaat erin dat de bestuurde in de hem betreffende akte zelf de motieven kan aantreffen op grond waarvan ze werd genomen zodat hij met kennis van zaken VII-37.433-11/13 zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Het begrip "afdoende" betekent dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing. De omvang van de motivering is dus afhankelijk van het belang, de aard en het voorwerp van de beslissing en van het belang dat men hecht aan de motivering. Op grond van het decreet van 3 maart 1976 beschikt de verwerende partij over een ruime discretionaire bevoegdheid bij de beslissing dat een onroerend goed als monument wordt beschermd. Gelet op die ruime discretionaire bevoegdheid moet in het beschermingsbesluit duidelijk en concreet vermeld worden omwille van welke waarde van artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel- archeologische of andere sociaal-culturele aard, de verwerende partij van oordeel is dat de bescherming van het betrokken onroerend goed van algemeen belang is. Ingevolge het motiveringsbeginsel of de materiële motiverings- plicht moet elke administratieve beslissing bovendien berusten op rechtens aanvaardbare motieven met een voldoende feitelijke grondslag. Als annulatierechter is de Raad van State belast met een wettigheidstoezicht. Het komt hem niet toe het feitenonderzoek in de behandelde zaak over te doen en in de plaats van de overheid te beoordelen of een goed wel beschermingswaard is. Te dezen wordt in artikel 2 van het bestreden besluit uitdrukkelijk en afdoende gemotiveerd waarom de bescherming van het kantoorgebouw als monument door de overheid van algemeen belang wordt geacht aangezien de historische en architectuur-historische waarde van het kantoorgebouw uitdrukkelijk omschreven worden. Wat de feitelijke grondslag van de motivering betreft, stemmen de feitelijke overwegingen van het bestreden besluit overeen met de motivering van het beschermingsvoorstel van de afdeling Monumenten en Landschappen die berust op historische gegevens, uiteengezet in een nota van 19 mei
  43. De verzoekende partij toont niet aan dat die historische gegevens onjuist zijn. Het derde middel is bijgevolg ongegrond. VII-37.433-12/13 BESLISSING
  44. De Raad van State verwerpt het beroep.
  45. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 347,06 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier februari tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.433-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.424 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.97.922 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.