← België

Arrest 200429 - Voedselveiligheid (FAVV) - 04/02/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.429 Rolnummer: A. 171257/VII-37474 Zaak: Arrest 200429 - Voedselveiligheid (FAVV) - 04/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-16 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 08:38 Fiche Arrest nr 200.429 van 4 februari 2010 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 200.429 van 4 februari 2010 in de zaak A. 171.257/VII-37.

  1. In zake: Carlos DE JAEGER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Georges Van Hecke en tevens door advocaat Dominique Matthys kantoor houdend te Gent Sint-Annaplein 34 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jaak Fransen en Raf Drieskens kantoor houdend te Overpelt Burgemeester Van Lindtstraat 61 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 21 maart 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gedelegeerd bestuurder van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna : FAVV) van 24 januari 2006 waarbij het bezwaar, ingediend tegen de beslissing van de evaluatiecommissie van de Provinciale Controle-Eenheid (hierna : PCE) Oost-Vlaanderen van 17 oktober 2005 waarbij wordt besloten dat Carlos De Jaeger niet in aanmerking komt om taken uit te oefenen voor het FAVV, wordt verworpen en de beroepen beslissing wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. VII-37.474-1/8 De verwerende partij heeft twee verzoeken tot voortzetting van het geding en twee laatste memories ingediend. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 januari
  4. Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tine Peers, die loco advocaten Dominique Matthys en Georges Van Hecke verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Jaak Fransen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Melissa Celis, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. In het kader van het koninklijk besluit van 20 december 2004 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het FAVV taken door zelfstandige dierenartsen kan laten verrichten (hierna: koninklijk besluit van 20 december 2004), stelt de verzoeker zich op 17 mei 2005 kandidaat bij de PCE Oost-Vlaanderen.
  7. Op 29 juni 2005 wordt de verzoeker gehoord door de evaluatiecommissie van de PCE Oost-Vlaanderen. Op 17 oktober 2005 deelt het hoofd van de PCE Oost-Vlaanderen aan de verzoeker mee dat de evaluatiecommissie heeft besloten dat hij niet in aanmerking komt om taken uit te oefenen voor de verwerende partij, omwille van de volgende redenen: "- geen sociale vaardigheid; - onvoldoende realiteitszin; - geen praktische, technische vaardigheid (kent de praktijk van het keuren onvoldoende)". VII-37.474-2/8
  8. Op 14 november 2005 dient de verzoeker bij de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij een bezwaarschrift in tegen deze beslissing. In dit bezwaarschrift wordt onder meer aangehaald dat in verzoekers dossier geen verslagen noch opmerkingen kunnen worden teruggevonden die de aangehaalde redenen zouden staven, dat het dossier geen verslag van de evaluatiezitting van 29 juni 2005 bevat en dat uit het dossier blijkt dat de verzoeker steeds zeer goed werd geëvalueerd. De verschillende redenen worden voorts afzonderlijk aangevochten of in vraag gesteld.
  9. Op 13 december 2005 wordt de verzoeker uitgenodigd om te worden gehoord op 21 december
  10. Het verloop van deze zitting, de beraadslaging en de beslissing van de beroepscommissie worden in het zittingsverslag als volgt genotuleerd: "(...) De raadsman verontschuldigt de heer De Jaeger voor zijn afwezigheid wegens gezondheidsproblemen. Hij stelt ook dat het dossier dat hij ter inzage kreeg niet volledig is. Beraadslaging van de beroepscommissie De beroepscommissie is van oordeel dat de heer De Jaeger persoonlijk aanwezig moet zijn om zijn standpunt toe te lichten. Hij zal later opnieuw opgeroepen worden. De verklaring (tweemaal afgelegd door de raadsman van de heer De Jaeger) dat de heer De Jaeger om gezondheidsredenen niet aanwezig kon zijn op de hoorzitting wordt tegengesproken door een geschreven verklaring van het PCE-Hoofd van de PCE West-Vlaanderen waaruit blijkt dat de heer De Jaeger op 21 december 2005 tussen 13.00u en 15.00u aanwezig was in de PCE West-Vlaanderen om daar zijn uitvoeringsovereenkomst te ondertekenen. De beroepscommissie tilt zwaar aan het afleggen van deze valse verklaring. Beslissing Het bezwaar van de heer Carlos De Jaeger tegen de beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Oost-Vlaanderen dat hij niet in aanmerking komt om taken uit te voeren voor het Voedselagentschap, wordt niet aanvaard. Bijgevolg blijft de beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Oost-Vlaanderen ongewijzigd en komt de heer Carlos De Jaeger niet in aanmerking om taken uit te voeren voor het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen in de PCE Oost-Vlaanderen".
  11. Op 24 januari 2006 wordt het besluit van de gedelegeerd bestuurder met betrekking tot het bezwaar tegen de beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Oost-Vlaanderen aan de verzoeker ter kennis gebracht. Dit besluit vermeldt onder meer: "Op 21 december 2005 heeft de beroepscommissie van het Voedselagentschap van uw raadsman vernomen dat u zelf niet aanwezig kon zijn wegens gezondheidsproblemen. Op basis van deze verklaringen heeft de VII-37.474-3/8 beroepscommissie aan uw raadsman gecommuniceerd dat u later zou uitgenodigd worden. Ik heb vernomen dat u, in plaats van naar Brussel te komen, had verkozen om uw uitvoeringsovereenkomst te ondertekenen in de PCE West-Vlaanderen. In tegenspraak met de verklaring van uw raadsman was u niet ziek. Ik beschouw dit als een valse verklaring en heb beslist om u niet meer uit te nodigen. De beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Oost- Vlaanderen blijft ongewijzigd. Bijgevolg zullen u geen taken door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen worden toegekend in de PCE Oost-Vlaanderen". Dit is het bestreden besluit.
  12. Na het bestreden besluit wordt nog briefwisseling gevoerd tussen de verzoeker, de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij, de directeur- generaal van de verwerende partij en de raadsman van de verzoeker, in verband met de vertegenwoordiging van de verzoeker op de zitting van 21 december 2005 en de reden voor de afwezigheid van de verzoeker op die zitting. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  13. Met een op 1 september 2009 aangetekend verzonden brief stuurt de verwerende partij een tweede laatste memorie naar de Raad van State. Dit stuk is niet voorzien in het procedurereglement en wordt uit de debatten geweerd. V. Onderzoek van het eerste en het tweede middel A. Standpunt van de partijen Eerste middel 11.1 De verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de motiveringsplicht, zoals opgenomen in artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 december 2004, en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet). Het middel houdt in essentie in dat verzoekers bezwaarschrift een uitgebreide reeks gemotiveerde grieven tegen de weigeringsbeslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Oost-Vlaanderen bevat, doch dat het bestreden besluit deze grieven in geen enkel opzicht beantwoordt, en integendeel uitsluitend VII-37.474-4/8 steunt op een beweerd incident, dat de verzoeker overigens met klem betwist, en dat volgens de verzoeker helemaal niet binnen het bestek valt van wat aan de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij ter herbeoordeling werd voorgelegd. 11.
  14. De verwerende partij merkt in haar memorie van antwoord op dat het te dezen niet gaat om een tuchtprocedure, maar om een selectieprocedure. Volgens haar hebben de partijen onderling geen enkele verplichting ten aanzien van het al dan niet afsluiten van een raamovereenkomst. De beslissing van haar gedelegeerd bestuurder is volgens de verwerende partij duidelijk gemotiveerd en steunt op alle vorige stukken van het dossier, in het bijzonder ook de "valse verklaring" van de verzoeker, afgelegd voor de beroepscommissie. 11.
  15. In zijn memorie van wederantwoord merkt de verzoeker op dat die motivering pover is, en op onjuistheden steunt. Wat het door de verwerende partij gemaakte onderscheid tussen een tucht- en een selectieprocedure betreft, stelt de verzoeker dat de verwerende partij aan de hand van dit onderscheid duidelijk wil maken dat zij beschikt over een discretionaire bevoegdheid. Hij wijst er op dat de motivering uitgebreider moet zijn voor een beslissing die op grond van een discretionaire bevoegdheid wordt genomen. 11.
  16. In de laatste memorie voegt de verwerende partij nog toe dat het bestreden besluit, onder de hoofding "betreft", expliciet melding maakt van verzoekers bezwaarschrift, "zodat mag worden aangenomen dat, in de beslissing zelf minstens impliciet blijkt dat rekening gehouden werd met deze bezwaren, verwerende partij in deze niet verplicht zijnde ieder bezwaar uitgebreid te beantwoorden". Tevens merkt de verwerende partij op dat wie "valse verklaringen aflegt niet geschikt is om aangesteld te worden", en dat dit op zich al een afdoende motief uitmaakt voor het bestreden besluit. VII-37.474-5/8 Tweede middel 12.1 De verzoeker voert in een tweede middel bevoegdheidsover- schrijding aan, en de schending van artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 december 2004, het legaliteitsbeginsel en de hoorplicht, doordat het bestreden besluit geen rekening houdt met de krachtens artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 december 2004 te onderzoeken vragen naar "de ervaring, de geschiktheid en de beschikbaarheid van de dierenarts alsmede met de aard van de uit te voeren taken binnen de provinciale controle-eenheid". De verzoeker betoogt dat de verwerende partij hem niet kan sanctioneren omwille van een beweerde "georchestreerde" afwezigheid op de vastgestelde hoorzitting, zonder zijn grieven uit zijn bezwaarschrift van 14 november 2005 te onderzoeken, laat staan te weerleggen. 12.
  17. De verwerende partij wijst er op dat te dezen geen sanctie wordt opgelegd en dat de verzoeker enkel geen nieuw recht bekomt in het kader van de nieuwe procedure. Volgens de verwerende partij heeft haar gedelegeerd bestuurder zijn beslissing deugdelijk gemotiveerd en is die beslissing zonder bevoegdheidsover- schrijding genomen, aangezien de kandidaten die niet geschikt zijn overeenkomstig het koninklijk besluit van 20 december 2004 kunnen worden geweerd. De verwerende partij wijst voorts op het arrest nr. 159.044 van 22 mei 2006 waarin de Raad van State heeft gesteld dat het geschiktheidsonderzoek in het kader van het koninklijk besluit van 20 december 2004 niet gelijkgesteld mag worden aan een evaluatieprocedure zoals die in het ambtenarenrecht bestaat, noch met een tuchtprocedure, dat de voor die aangelegenheden geldende rechten van verdediging of hoorplicht niet van toepassing zijn, ook niet bij analogie, en dat een beslissing die een teleurgestelde kandidaat een voordeel weigert veeleer vergelijkbaar is met een beslissing in een benoemingsprocedure, waarin ook geen recht op tegenspraak bestaat. 12.
  18. In zijn memorie van wederantwoord betoogt de verzoeker nog dat de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij zijn raadsman ten onrechte van valsheid beschuldigt en dat, in zoverre het niet gaat om een verdoken tuchtsanctie, het aan de verwerende partij is om aan te tonen op basis van welke factoren zij tot de afwijzende beslissing komt. Inzake de verwijzing door de verwerende partij naar het arrest van de Raad van State nr. 159.044 van 22 mei 2006, is de verzoeker van oordeel dat die VII-37.474-6/8 zaak moet worden onderscheiden van de voorliggende zaak, doordat nooit sprake is geweest van een degelijk geschiktheidsonderzoek, maar wel van een verdoken tuchtonderzoek, terwijl het in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot voornoemd arrest ging om een geschiktheidsonderzoek dat regelmatig werd gevoerd. B. Beoordeling
  19. Krachtens artikel 6, eerste lid, van het koninklijk besluit van 20 december 2004 worden, met het oog op de toekenning van taken, de kandidaten geëvalueerd door een evaluatiecommissie. De betrokkene beschikt over een termijn van één maand, te rekenen vanaf de datum van de ter post aangetekende brief, om zijn bezwaren tegen een voor hem negatieve beslissing kenbaar te maken bij de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij, die over een termijn van drie maanden beschikt om zijn gemotiveerde beslissing aan de betrokkene mede te delen. Het gaat hier om een georganiseerd administratief beroep. Dit impliceert dat de gedelegeerd bestuurder een nieuw onderzoek aan de zaak moet wijden, waarbij rekening moet worden gehouden met de ingediende bezwaren. Het door de verzoeker ingediende bezwaarschrift was omstandig gemotiveerd. De gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij heeft te dezen de beslissing van de evaluatiecommissie, zoals ze aan de verzoeker ter kennis is gebracht bij brief van 17 oktober 2005, bevestigd zonder in te gaan op de argumenten die tegen deze beslissing door de verzoeker zijn aangehaald in zijn bezwaarschrift. De verzoeker stelt aldus terecht in zijn eerste middel dat zijn grieven uit zijn bezwaarschrift door het bestreden besluit niet worden beantwoord en in het tweede middel dat deze grieven niet zijn onderzocht noch weerlegd. Het bestreden besluit geeft niet aan waarom de argumenten die de verzoeker omstandig in zijn bezwaarschrift heeft uiteengezet, worden verworpen, noch waarom de beslissing van de evaluatiecommissie van de PCE Oost-Vlaanderen wordt gehandhaafd. Aangezien niet blijkt dat de uitgebreide argumentatie uit het bezwaarschrift mede is betrokken geworden in de beoordeling van de gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij, is het bestreden besluit dan ook genomen met schending van artikel 6, vierde lid, van het koninklijk besluit van 20 december
  20. De gedelegeerd bestuurder van de verwerende partij heeft zijn bevestiging van de beslissing van de evaluatiecommissie enkel gesteund op een element dat zich heeft voorgedaan tijdens de bezwaarprocedure naar aanleiding van de hoorzitting van de beroepscommissie waarop de verzoeker alsnog was uitgenodigd, ondanks zijn omstandig gemotiveerd VII-37.474-7/8 bezwaarschrift. Zulks is echter niet voorgeschreven in het koninklijk besluit van 20 december
  21. Het eerste en het tweede middel zijn in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  22. De Raad van State vernietigt het besluit van de gedelegeerd bestuurder van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen van 24 januari 2006 waarbij het bezwaar, ingediend tegen de beslissing van de evaluatiecommissie van de Provinciale Controle-Eenheid Oost-Vlaanderen van 17 oktober 2005 waarbij wordt besloten dat Carlos De Jaeger niet in aanmerking komt om taken uit te oefenen voor dit Agentschap, wordt verworpen en de beroepen beslissing wordt bevestigd.
  23. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  24. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier februari tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Dieter Decock, griffier. De griffier De voorzitter Dieter Decock Luc Hellin VII-37.474-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.429 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.