← België

Arrest 200439 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 04/02/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.439 Rolnummer: A. 96636/XII-5986 Zaak: Arrest 200439 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 04/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-15 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-07-02 08:39 Fiche Arrest nr 200.439 van 4 februari 2010 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 200.439 van 4 februari 2010 in de zaak A. 96.636/XII-5986 In zake: Roger COENEN wonende te Tongeren Gravierstraat 108 tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS Tussenkomende partij: Lut STROOBANTS wonende te Borgerhout Joos Robijnslei 60 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 19 oktober 2000, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het vast bureau van het Gemeenschaps- onderwijs van 31 augustus 2000, waarbij Lut Stroobants met ingang van 1 september 2000 aangesteld wordt als waarnemend adviseur-coördinator bij de pedagogische begeleidingsdienst. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Lut Stroobants heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 8 februari
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Diane Mareen heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. XII-5986-1\7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 januari
  4. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Verzoeker die verschijnt, en advocaat Jan Fransen, die loco advocaat Marc Stommels verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoeker wordt vanaf 1 januari 1998 vast benoemd in het ambt van pedagogisch adviseur. Hij wordt sinds dezelfde datum tijdelijk belast met het ambt van waarnemend adviseur-coördinator, ter vervanging van de adviseur- coördinator die is aangesteld als ondervoorzitter van de Argo. 3.
  7. Op 8 juli 1999 keurt de centrale raad van de Argo een algemene regeling goed “betreffende de selectie van kandidaten voor de pedagogische begeleidingsdienst in het ambt van waarnemend adviseur-coördinator”. Op 25 april 2000, respectievelijk 27 april 2000 verschijnt een oproep tot kandidaatstelling in de nieuwsbrief van het Gemeenschapsonderwijs Trigonaal en in het Belgisch Staatsblad. Verzoeker stelt zich kandidaat “onder voorbehoud van al [zijn] rechten en zonder nadelige erkentenis”. Ook tussenkomende partij stelt zich kandidaat. Na een externe screening worden beide kandidaten geschikt bevonden en als eerste gerangschikt. Het vast bureau vraagt het selectiebureau om XII-5986-2\7 een “eenduidige rangschikking” en de gemotiveerde voordracht van één kandidaat. Dat wordt dan tussenkomende partij, terwijl verzoeker als tweede wordt gerangschikt. 3.
  8. Op 31 augustus 2000 beslist het vast bureau dat Lut Stroobants wordt aangesteld met ingang van 1 september 2000 als waarnemend adviseur- coördinator bij de pedagogische begeleidingsdienst voor de duur van de benoeming van de titularis tot ondervoorzitter bij het Gemeenschapsonderwijs. Op 5 september 2000 wordt verzoeker van deze beslissing op de hoogte gebracht. Daar wordt aan toegevoegd dat ingevolge deze beslissing “een einde gesteld [wordt] aan uw voorlopige aanstelling als waarnemend adviseur- coördinator, aanstelling met ingang van 1 januari 1998 door het toenmalig instellingshoofd in toepassing van artikel 50 § 4 DRP van de op dat ogenblik vigerende wetgeving”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4.
  9. In de laatste memorie betwist verwerende partij de ontvankelijkheid van het beroep. Zij merkt op dat de betrekking ingevolge de pensionering van de titularis vacant werd op 1 januari 2003 en vacant verklaard werd op 4 maart 2003 met het oog op de toelating tot de proeftijd. Verzoeker heeft niet gekandideerd voor deze betrekking en ook anderszins geen bezwaar aangetekend tegen de gevolgde procedure, waarbij uiteindelijk Lut Stroobants werd toegelaten tot de proeftijd met ingang van 1 juni
  10. Zij is vervolgens vast benoemd met ingang van 1 juni
  11. Op 1 januari 2006 ten slotte is verzoeker met pensioen gegaan. Mocht verzoeker nog waarnemend adviseur-coördinator geweest zijn, dan had zijn waarnemende aanstelling met toepassing van artikel 50 van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (hierna het rechtspositiedecreet) van rechtswege een einde genomen op 1 juni
  12. Verzoeker heeft volgens verwerende partij dan ook geen actueel belang meer bij het beroep. Ook wegens de pensionering van verzoeker kan een inwilliging van het beroep hem geen voordeel meer verschaffen. 4.
  13. Terecht merkt de verwerende partij op dat krachtens het rechtspositiedecreet een einde wordt gesteld aan de waarnemende aanstelling in het XII-5986-3\7 geval, onder andere, waarbij een personeelslid toegelaten wordt tot de proeftijd in dezelfde betrekking. Even terecht evenwel antwoordt hierop verzoeker : “Zonder de [...] beslissing van 31 augustus 2000 tot vervanging van mijzelf door mevrouw Lut Stroobants in de waarnemende aanstelling in het ambt van adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst, ambt dat ikzelf sinds 1 januari 1998 waarnam [...] zou ik de facto tot 18 juli 2003 [versta : de iure tot 1 juni 2003] hebben gefungeerd in het ambt van adviseur-coördinator van de pedagogische begeleidingsdienst”. De inwilliging van het voorliggend beroep zou derhalve niet tot gevolg hebben dat verzoeker louter een nieuwe kans op waarnemende aanstelling, laat staan tot toelating tot de proeftijd verwerft -hetgeen hij ook niet beoogt en waarbij dan ook zijn pensionering problematisch ware- maar wel dat verzoeker geacht moet worden steeds waarnemend adviseur-coördinator te zijn geweest en het te zijn gebleven, na 31 augustus
  14. In die omstandigheden kan aan verzoeker geen actueel belang worden ontzegd. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen 5.
  15. Verzoeker put een eerste middel uit de schending van artikel 50 van het rechtspositiedecreet. Hij schetst hoe hij vanaf 1 januari 1998 als waarnemend adviseur-coördinator werd aangesteld met toepassing van het toenmalige artikel 50, § 4, van het rechtspositiedecreet. Ondertussen echter is deze bepaling gewijzigd. De nieuwe procedure moet volgens verzoeker vanaf 1 januari 2000 “onverkort” worden toegepast omdat nergens in overgangsmaatregelen is voorzien, noch in uitzonderingen of afwijkingen. Het vast bureau heeft zich echter niet aan deze nieuwe procedure gehouden, en daarmee de (nieuw) geldende beëindigingsmogelijkheden voor een waarnemende aanstelling miskend, zoals die zijn opgesomd in het vigerende artikel 50, §
  16. XII-5986-4\7 5.
  17. Verwerende partij antwoordt dat de waarnemende aanstelling van verzoeker “van voor 01.01.2000”, niet “zomaar automatisch” omgezet kon worden in een “definitieve aanstelling”. Volgens haar heeft het vast bureau terecht beslist “een procedure ten gronde (met algemene oproeping van de kandidaten)” te volgen overeenkomstig de voorschriften van het (nieuwe) artikel 50 van het rechtspositiedecreet. Verzoekers aanstelling gold maar voor minder dan dertig dagen. Zelfs al is die termijn wegens de continuïteit van de dienst ruimschoots overschreden geworden, dan nog is daarmee de aanstelling van verzoeker niet definitief geworden. Verzoeker diende beschouwd te worden als “verlengd voorlopig waarnemend aangesteld in het belang van de dienst”. Tussenkomende partij voert een gelijkaardig verweer. Beoordeling
  18. Artikel 50 van het rechtspositiedecreet heeft, zoals de partijen het aangeven, meerdere wijzigingen gekend. Tot de effectieve beëindiging van verzoekers opdracht als adviseur-coördinator met ingang van 1 september 2000 is op 31 augustus 2000 beslist, als -impliciet- gevolg van de waarnemende aanstelling van tussenkomende partij. In de kennisgeving op 5 september 2009 van die aanstellingsbeslissing aan verzoeker is hem dat impliciete gevolg overigens ook uitdrukkelijk meegedeeld. Op dat ogenblik bepaalde het artikel 50, § 4, van het rechtspositiedecreet : “Een waarnemende aanstelling in een selectie- of bevorderingsambt eindigt voor het geheel of een deel van de opdracht volgens artikel 23, §1, a, b, c, d, f, h en k, op het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk waarnemend personeelslid geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen aan een personeelslid door toelating tot de proeftijd overeenkomstig artikel 45 dan wel door vaste benoeming en bij toepassing van de artikelen 52 en 53”.
  19. Zoals de Raad van State in zijn arrest nr. 149.864 van 6 oktober 2005 in de bijzonder analoge zaak Dossche reeds heeft overwogen, overweegt hij ook thans “dat de aangehaalde paragraaf 4 geen onderscheid maakt volgens de wijze van waarnemende aanstelling noch overgangsmaatregelen of afwijkende regels stelt voor vroeger voorkomende, thans eventueel betwistbare aanstellingsvormen; dat de Raad van State de verwerende partij dan ook niet bijvalt als zou in mei of juni [versta hier : augustus of september] 2000 door haar nog een einde kunnen worden XII-5986-5\7 gesteld aan een waarnemende aanstelling op een wijze als bepaald bij een eerdere, ondertussen opgeheven paragraaf 5; dat het dan ook niet meer relevant is om te achterhalen of de aanstelling die [verzoeker] op het ogenblik van de bestreden beslissing genoot er een was van meer of minder dan dertig dagen, al dan niet “voorlopig” of “verlengd voorlopig”; dat aan de opdracht van [verzoeker] maar een einde gesteld kon worden om een van de redenen vermeld in de geciteerde paragraaf 4 [...]”. Dat die zaak grote gelijkenissen vertoont met de voorliggende is overigens ook weer niet zo opmerkelijk, aangezien het daar het personeelslid betrof dat op haar beurt in die tijd verzoeker en tussenkomende partij moest vervangen als pedagogisch adviseur.
  20. In het auditoraatsverslag wordt eveneens de analogie met het arrest Dossche vastgesteld. Toegepast op de voorliggende zaak wordt de argumentatie van verzoeker bijgevallen en vastgesteld dat bij de beëindiging van de waarnemende aanstelling de nieuwe bepalingen van artikel 50, § 4, van het rechtspositiedecreet niet zijn nageleefd. Aangenomen wordt “dat in casu geen van de beëindigingswijzen zoals voorzien in art. 50 § 4 zich hebben voorgedaan aangezien een waarneming werd beëindigd ten voordele van een andere waarneming”.
  21. In de laatste memorie verwijst verwerende partij enkel naar de memorie van antwoord en voert zij bijgevolg geen enkel argument aan om in te gaan tegen de zienswijze van het auditoraatsverslag -en dus tegen de toepasselijkheid en de toepassing te dezen van de gememoreerde rechtspraak inzake Dossche, overigens recent nog bevestigd in arrest nr. 179.676 van 15 februari 2008 inzake Van Coster. Ook de Raad van State ziet daartoe geen reden. Het middel is gegrond. BESLISSING
  22. De Raad van State vernietigt de beslissing van het vast bureau van het Gemeenschapsonderwijs van 31 augustus 2000, waarbij Lut Stroobants met ingang van 1 september 2000 aangesteld wordt als waarnemend adviseur- coördinator bij de pedagogische begeleidingsdienst.
  23. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 173,53 euro. XII-5986-6\7 De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 123,95 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 4 februari 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-5986-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.439 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.