id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.440 Rolnummer: A. 178175/XII-4910 Zaak: Arrest 200440 - Examens (onderwijs) - 04/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-15 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 08:39 Fiche Arrest nr 200.440 van 4 februari 2010 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK nr. 200.440 van 4 februari 2010 in de zaak A. 178.175/XII-4910 In zake : Aislinn PARMENTIER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Deridder kantoor houdende te Antwerpen Mechelsesteenweg 210 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VZW SINT-GABRIËL-COLLEGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean Hendrickx kantoor houdende te Antwerpen Lange Lozanastraat 24 ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 oktober 2006, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van 24 oktober 2006 waarbij de delibererende klassenraad 4 Economie-Talen van het Sint-Gabriëlcollege te Boechout Aislinn Parmentier een oriënteringsattest B geeft met clausulering voor alle richtingen ASO. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 164.592 van 9 november 2006 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een verslag opgesteld. Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. XII-4910-1\16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 november
- Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jim Deridder, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster volgt tijdens het schooljaar 2005-2006 de lessen als leerling van het tweede jaar van de tweede graad economie-talen van het Sint- Gabriëlcollege te Boechout. De delibererende klassenraad levert haar op 28 juni 2006 een oriënteringsattest B af met uitsluiting voor ASO en met als motivering : “jaartekorten Frans - godsdienst, zwakke resultaten: wisk - eco - fys - Duits ondanks heel veel inzet”. De algemeen directeur deelt na overleg met de ouders van verzoekster, op 4 juli 2006 mee beslist te hebben om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen omdat “de elementen die u aangebracht hebt, een nieuwe bijeenkomst en beraadslaging van de delibererende klassenraad verrechtvaardigen”. 3.
- De algemeen directeur deelt op 30 augustus 2006 aan verzoekster mee “dat de klassenraad na opnieuw bijeen gekomen te zijn, beslist heeft het eerder uitgesproken advies (een B-attest, met uitsluiting van ASO) te handhaven” omdat de klassenraad van oordeel was “dat de argumenten die [u] had aangebracht, wel degelijk gekend waren en dat die derhalve al mee in de discussie in juni betrokken XII-4910-2\16 waren” zodat er bijgevolg “geen nieuwe elementen [waren] die [een] gewijzigde beslissing verrechtvaardigen”. 3.
- Verzoekster maakt vervolgens bezwaar tegen deze beslissing bij de beroepscommissie, waarbij zij onder meer vraagt de mogelijkheid te onderzoeken van een A-attest of een B-attest met clausulering waarbij toegang tot de humane wetenschappen ASO mogelijk blijft. De ouders van verzoekster ontvangen op 15 september 2006 een schrijven van de voorzitter van het schoolbestuur waarin het volgende wordt gesteld: “Hierbij vindt u het antwoord op uw schriftelijk verzoek van 5 september j.l. om de probleemsituatie die rond uw dochter Aislinn is ontstaan, nader te onderzoeken. In verband hiermee ontving ik vandaag het advies van de heer R. Moretus, voorzitter Interne Beroepscommissie, als antwoord op uw bezwaar tegen de beslissing van de delibererende klassenraden (van juli en augustus) om uw dochter Aislinn een B-attest, met clausulering voor ASO, toe te kennen. Aangezien deze commissie van oordeel is dat er geen nieuwe, bijkomende redenen zijn om de delibererende klassenraad bijeen te roepen, heb ik, hiertoe naar behoren gemandateerd door het Schoolbestuur van het Sint-Gabriëlcollege, beslist dit advies te volgen. Uit dit advies blijkt dat dit bezwaar (dd. 4 en 5/9/2006) ontvankelijk was (want reglementair ingediend), maar niet gegrond. Na verhoor van verschillende partijen en na lezing van de nodige stukken stelde de commissie vast dat : - de klassenraad hierover -op vraag van de algemeen directeur- al opnieuw beraadslaagd heeft, op uw verzoek en met inbreng van uw argumenten; - spijts hard werken van Aislinn en sterke begeleiding van ouders, leerkrachten en graadcoördinator, haar globale resultaat te zwak beoordeeld wordt om de 3de graad ASO aan te kunnen, ongeacht de richting; - de klassenraad derhalve in eer en geweten en op basis van hun professionele opinie van oordeel was, dat Aislinn niet klaar is om een 5de jaar ASO aan te kunnen; - al eerder (d.w.z. in voorgaande jaren) het advies gegeven was om naar een TSO-studierichting over te schakelen. Dit betekent dat de beslissing om een B-attest met clausulering voor ASO toe te kennen, gehandhaafd blijft. Wij zijn er ons van bewust dat dit misschien als een harde beslissing overkomt. Toch hopen we met U dat Aislinn haar draai opnieuw mag vinden”. 3.
- De Raad van State beveelt, bij arrest nr. 162.923 van 28 september 2006, bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing van 15 september 2006 van de voorzitter van het schoolbestuur van het Sint-Gabriëlcollege om de over verzoekster delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. XII-4910-3\16 Na kennisname van dit arrest roept het schoolbestuur de delibererende klassenraad opnieuw samen. 3.
- De delibererende klassenraad bevestigt op 24 oktober 2006 met de thans bestreden beslissing “dat Aislinn Parmentier een B-attest krijgt, met clausulering voor alle ASO-richtingen”. De delibererende klassenraad notuleert zijn motivering als volgt : “De delibererende klassenraad heeft opnieuw beraadslaagd ingevolge het arrest van de Raad van State, dd. 28 september 2006, ons betekend op 2 oktober 2006 (zie bijlage). De delibererende klassenraad heeft kennis genomen van de vragen die de ouders van Aislinn Parmentier langs de diverse kanalen (faxen, e-postberichten, al dan niet aangetekende brieven, memoranda, nota’s e.d.) rechtstreeks of via de raadslieden aan de diverse betrokkenen (directie, Interne Beroepscommissie, Schoolbestuur, Raad van State e.d.) gesteld hebben. De delibererende klassenraad beslist autonoom en is dus niet gebonden door de beslissingen van de delibererende klassenraden van de vroegere schooljaren. Hij kan hier echter wel rekening mee houden. Er wordt opgemerkt dat de beraadslaging op het einde van een 4de jaar ogenschijnlijk strenger is dan de voorgaande jaren. Het gaat dan ook niet alleen over een overgang van het 4de naar het 5de jaar, maar eveneens over een overgang van de 2de naar de 3de graad, de zogenaamde determinatiegraad. Bij zijn beraadslaging houdt de delibererende klassenraad niet alleen rekening met de naakte cijfers, maar ook met tal van andere elementen (zoals studiehouding, absorptievermogen, inzicht, het kunnen verwerken van grotere gehelen e.d.). Op deze zaken zal worden ingegaan. Een beslissing van de delibererende klassenraad is dus geen kwestie van zuivere wiskunde. De omstandigheden en het traject van iedere leerling is verschillend. Bijgevolg dient iedere leerling ook apart besproken en geëvalueerd te worden. Leerlingen gaan immers met elkaar niet in competitie. De (prospectieve) deliberatievraag betreft de vraag of de leerling het volgende (en welk volgend) jaar aankan of niet. De delibererende klassenraad hoort dit in eer en geweten uit te maken. Hij steunt zich hierbij op het volledige leerlingendossier en de jarenlange ervaring van de deelnemende leerkrachten. De delibererende klassenraad stelt vast dat de ouders van Aislinn in essentie een A-attest zonder meer, of een B-attest waarbij Humane Wetenschappen nog mogelijk blijft, vragen. De delibererende klassenraad merkt daarbij op dat de ouders met hun vraag voorbijgaan aan een belangrijke evolutie in het onderwijs. De richting Humane Wetenschappen van nu mag niet vergeleken worden met de richting Menswetenschappen van weleer (cfr. publicaties van DOVO-departement onderwijs en het VVKSO). Menswetenschappen was een richting die als typevoorbeeld gold voor de laatste stap van het watervalsysteem binnen het ASO. Door de oprichting van de richting Humane Wetenschappen wilden zowel het departement Onderwijs als het VVKSO van het negatieve imago van Menswetenschappen af door de naam van de richting te veranderen, het niveau van de nieuwe richting te verhogen en de inhoud van de vakken aan te passen. Bijgevolg is Humane Wetenschappen een volwaardige ASO-richting geworden. Bijgevolg is de eerste vraag die (prospectief) dient gesteld te worden of de leerling ASO aankan. In tweede orde volgt dan de vraag of de leerling de diverse andere ASO-richtingen (waaronder Humane Wetenschappen) aankan. XII-4910-4\16 Het Sint-Gabriëlcollege heeft zich bij de start van Humane Wetenschappen op 1 september 2005 achter deze visie geschaard. Het wil dan ook waken over het ASO-niveau van de opleiding. Dit blijkt ook uit de evaluatie en deliberatie van de bestaande klassen Humane Wetenschappen op het college. Deze richting wordt m.a.w. dus niet als de laagste trap op de ASO-ladder beschouwd. De delibererende klassenraad is van oordeel dat Aislinn te zwak geacht wordt om een 5de jaar ASO aan te kunnen. Dit blijkt uit het globale resultaat, dat behoorlijk zwak is (57 %). Niet alleen zijn er op jaarbasis tekorten (Frans (49 %) en godsdienst (45 %)), maar ook nog diverse zwakkere resultaten (biologie (54 %), chemie (56 %), Duits (51 %), economie (51 %), fysica (50 %), geschiedenis (55 %) en wiskunde (50 %)). Bovendien kan Aislinn grotere gehelen niet aan -zoals vooral uit de trimesterresultaten
(1)(voetnoot 1: tekort: biologie (I: 43 %), economie (I: 46 %), Frans (II: 46 %, III: 49 %), fysica (I: 46 %), godsdienst (I: 46 %, II-III: 45 %) en wiskunde (I, 47 %, II: 46 %) zwak: chemie (I: 54 %, II-III: 58 %), Duits (I: 50 %, II-III: 52 %), economie (II: 52 %, III: 54 %), Frans (I: 51 %), fysica (II-III: 53 %), geschiedenis (I: 56 %, II-III: 54 %) en wiskunde (III: 56 %)) en de examen-resultaten
(2)(voetnoot 2 : enkel de tekorten: 1ste trimester: biologie (37 %), chemie (43 %), Duits (41 %), economie (44 %), Frans (42 %), fysica (44 %), godsdienst (41 %), wiskunde (38 %); 2de trimester (op 4 examens): economie (44 %), Frans (46 %) en wiskunde (48 %); 3de trimester: Duits (49 %), Frans (42 %), geschiedenis (49 %), godsdienst (44 %) en wiskunde (40 %)) blijkt -, wat toch wel essentieel is voor een 3de graad ASO. Dit wordt in de 3de graad nog uitvergroot door het 2-semestersysteem en het in de punten doorwegen van de examens t.o.v. het dagelijks werk. Bovendien beschikt zij niet over de nodige vaardigheden en heeft zij niet het juiste inzicht in de materie en de wijze waarop zij deze materie dient te verwerken. Het klopt weliswaar dat bepaalde vakken (bv. Duits, economie, ...) uit de 2de graad niet meer aan bod komen in bepaalde scholen waar een 5de jaar Humane Wetenschappen aangeboden wordt. Desalniettemin zijn er nog tal van andere algemene (hoofd)vakken die wél nog aan bod komen in een 5de jaar Humane Wetenschappen (bv. Frans, geschiedenis, wiskunde, ...) waarvoor de in het 4de jaar behaalde resultaten zwak zijn. Voor die laatst genoemde vakken behaalde zij de vorige jaren trouwens ook zwakke resultaten. Er wordt dan ook vastgesteld dat de zwakke resultaten in het 4de jaar een reflectie zijn van het feit dat de leerling zich met een het oog op een 3de graad ASO onvoldoende basis van deze vakken heeft eigen gemaakt. Het laten verder bouwen van een leerling op een niet solide basis zou onverantwoord zijn. Gelet op het gebrek aan voldoende verworven kennis in het voorgaande jaar, dient ervan uitgegaan te worden dat ook in het volgend jaar er zich opnieuw problemen voor deze vakken zullen manifesteren. Bovendien moeten de resultaten voor het 3de trimester in de juiste context worden geplaatst aangezien de leerstof voor de hoofdvakken over een in duur beperkt trimester ging, wat in de 3de graad niet meer het geval is. De delibererende klassenraad stelt vast dat Aislinn Parmentier, ondanks de harde en gewaardeerde inzet die zij toont en de bijzonder sterke begeleiding en opvolging die zij thuis en op school aangeboden kreeg, er niet in slaagt om globaal genomen die prestaties neer te zetten die een overgang naar een graad ASO mogelijk maakt. Aislinn Parmentier werd in de loop van het schooljaar voor diverse vakken voldoende remediëring aangeboden. Dit blijkt uit het relaas én de rapporten van diverse leerkrachten. Daaruit blijkt ook dat Aislinn Parmentier, om welke reden dan ook, niet altijd op dit aanbod is ingegaan. Aislinn Parmentier stond in de loop der jaren onder ‘constante’ begeleiding van de ouders. Die volgden hun dochter minutieus op. XII-4910-5\16 Ondanks deze inzet en deze begeleiding en remediëring bleven de resultaten erg zwak. De delibererende klassenraad is er zich terdege van bewust dat Aislinn Parmentier faalangstig is en dat zij hiervoor door de graadcoördinator mevr. Els Pauwels begeleid werd tijdens het 3de jaar. De vader bevestigde t.o.v. de algemeen directeur dat Aislinn hier veel baat bij gehad heeft. Aislinn Parmentier kreeg in het 2de (juni 2004) een A-attest met vakantietaak + controleproef wiskunde. In het 3de jaar (juni 2005) kreeg zij een A-attest met vakantietaak + controleproef Frans. Telkens kreeg zij het uitdrukkelijke advies naar TSO over te schakelen. Ook diverse tussentijdse adviezen spraken zich in die richting uit. Op een bepaald moment -zoals hier, voor de determinatiegraad- moet men echter knopen durven doorhakken in het belang van de leerling, wetende dat in een 3de graad in principe geen B-attesten meer uitgereikt worden. Het is niet in het belang van een leerling -en zeker niet een leerling die te kampen heeft met faalangst- om toegelaten te worden in een ASO-richting 3de graad, waarvoor die bewezen heeft die niet aan te kunnen (cfr. de resultaten van het 4de jaar), waarvan zij dus de basis niet verworven heeft, waarvoor zij niet over de vereiste capaciteiten beschikt om die aan te kunnen. De beslissing om Aislinn Parmentier verder te laten gaan naar een 5de jaar ASO zou impliceren dat de faalangstige leerling zich nog meer zou moeten inzetten - wat onmogelijk is gelet op de enorme inzet die de leerling nu al betoont. Een vijfde jaar ASO zou de druk op Aislinn Parmentier dus enkel nog maar vergroten. Dat dergelijke beslissing niet in het belang zou zijn van de leerling, blijkt uit het feit dat de leerling naar de leerkrachten toe, bij de procedure m.b.t. de studiekeuze voor de 3de graad in mei 2006 de TSO-richting Toerisme als voorkeurrichting heeft opgegeven. De ouders hebben daar de ASO-richting Humane Wetenschappen aan toegevoegd. Wat op dit moment ook de perceptie van de ouders weze over deze richting, de delibererende klassenraad kan de door de leerling geuite studiekeuze niet zomaar naast zich neerleggen en houdt hier dan ook rekening mee. De delibererende klassenraad ziet niet in hoe de vragen m.b.t. bepaalde geplogenheden inzake oudercontacten en het meedelen en becommentariëren van resultaten enige relevantie heeft voor de beslissingen van de delibererende klassenraad. Deze vragen hebben geen uitstaans met toekennen van een attest. Het komt dan ook de directie toe hier een antwoord op te geven. De delibererende klassenraad kan hic et nunc geen rekening houden met de resultaten die het kind tot nu toe behaald heeft in het 5de jaar Humane Wetenschappen in het Koninklijk Atheneum van Mortsel - schooljaar 2006-2007 (zoals de ouders vragen). Hiervoor zijn er verschillende argumenten.
- De delibererende klassenraad dient de draad op te nemen op het ogenblik waarover de schorsing spreekt. Hoewel een delibererende klassenraad van een 4de jaar prospectief hoort te oordelen, kan wat post factum gebeurt, dus niet mee in overweging genomen worden.
- De delibererende klassenraad benadrukt de relativiteit van het eerste rapport, dat vaak nog een vertekend beeld geven van de realiteit op jaarbasis (cfr. het 1ste rapport van het 4de jaar).
- Het door de ouders voorgelegde rapport is het 1ste rapport, m.a.w. uitgereikt in het begin van het schooljaar en vormt geen enkel bewijs van het aankunnen van grote hoeveelheden door de leerling en het feit dat er een beter inzicht zou verworven zijn. Dit rapport doet dan ook geen enkele afbreuk aan de (vast)stelling van de delibererende klassenraad dat de leerling geen grote hoeveelheden aankan, noch toont het aan dat Aislinn Parmentier nu wel zelfstandig zou kunnen werken. XII-4910-6\16 De opmerkingen die over mevr. Els Verhaeghe gemaakt worden, zijn in-correct, onterecht en irrelevant. Een beslissing van een delibererende klassenraad is een collegiale beslissing. Bovendien blijkt uit het relaas van mevr. Els Verhaeghe, gestaafd door de nodige documenten en door getuigenis van de klastitularis, mevr. Goedele Deconinck, dat zij wel degelijk het nodige gedaan heeft om de leerling maximaal te begeleiden voor haar vak, economie. Zowel een A-attest als een B-attest betekenen dat men een schooljaar met vrucht beëindigt. De delibererende klassenraad kan derhalve een B-attest uitspreken als hij van oordeel is dat een leerling voor bepaalde richtingen in het volgende jaar niet klaar staat, zoals dit in casu het geval is. De delibererende klassenraad beschikte over voldoende gegevens om een gefundeerde beslissing te nemen. Daartoe was een vakantietaak met bijkomende proef niet meer nodig”. 3.
- Verzoekster volgt bij het begin van het schooljaar 2006-2007 als vrije leerling de lessen in het vijfde jaar humane wetenschappen van het koninklijk atheneum te Mortsel. Voor de eerste periode voor dagelijks werk behaalt zij een gemiddeld resultaat van 72 %, voor de tweede periode voor dagelijks werk een gemiddelde van 74 % en voor de eerste examenperiode een gemiddelde van 69 % en geen enkel tekort. Na de kerstvakantie stapt verzoekster vervolgens over naar de studierichting Toerisme in het TSO. Op 30 juni 2008 studeert zij af in die richting. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- Verwerende partij werpt in de memorie van antwoord een exceptie op van niet-ontvankelijkheid wegens gebrek aan belang, om reden dat een B-attest niet impliceert dat het om een verloren jaar gaat en het de keuze van verzoekster zelf is om een schooljaar te verliezen.
- In het auditoraatsverslag komt de auditeur, na onderzoek, tot de conclusie dat verzoekster wel belang heeft en de exceptie aldus ongegrond is. Verwerende partij heeft, nu zij zelfs geen laatste memorie heeft ingediend, geen poging ondernomen om de zienswijze van het auditoraat te ontkrachten, zodat moet worden aangenomen dat zij niet in deze exceptie volhardt. XII-4910-7\16 V. Onderzoek van de middelen Uiteenzetting van het eerste middel
- Verzoekster voert als eerste middel de schending aan van het redelijkheidsbeginsel, van het vertrouwensbeginsel en van artikel 38 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna ook: het organisatiebesluit). Zij licht toe de voorbije jaren steeds een A-attest te hebben gekregen zonder enige clausulering met resultaten die niet significant van de huidige afwijken, dat één van de jaartekorten zeer beperkt is, dat zij strenger is beoordeeld dan voorheen en zonder mogelijkheid van vakantietaak, dat het organisatiebesluit geenszins een andere afweging oplegt afhankelijk van het jaar of de graad waarover wordt geoordeeld, dat geen rekening wordt gehouden met de concrete studiekeuze die zij - en niet enkel haar ouders - voor het volgende jaar had gemaakt, dat zij in haar curriculum geen economie en Duits meer zou hebben en minder uren Frans, dat een B-attest nochtans impliceert dat het jaar met vrucht is beëindigd en dus de slaagkansen in het volgende jaar van belang zijn bij de beslissing zodat met de keuze van de leerling wezenlijk rekening moet worden gehouden, dat de klassenraad daarbij ook rekening moet houden met alle beschikbare gegevens en derhalve óók met de resultaten die zij ondertussen heeft behaald als vrije leerling in het eerste jaar van de derde graad, dat die punten op toetsen en haar eerste rapport aantonen dat zij kansen tot slagen heeft en dat die cijfers ontkrachten wat de klassenraad argumenteert. Verzoekster verwijst in de memorie van wederantwoord nog naar twee klasgenoten van verzoekster: R.P., die met een jaarresultaat van 57 % en een hele reeks tekorten, een A-attest kreeg en F.R., die wel toelating kreeg om het eerste jaar van de derde graad in humane wetenschappen te volgen, die door verwerende partij als een prima leerlinge werd beschouwd en die op het koninklijk atheneum te Mortsel dezelfde percentages behaalt als eertijds bij verwerende partij. Verzoekster scoort nagenoeg evengoed als zij. In de laatste memorie blijft verzoekster van oordeel dat de klassen-raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de informatie die zij heeft voortgebracht. Dat zij voor de eerste examenperiode in de richting ASO-humane wetenschappen geen enkel tekort heeft behaald, toont volgens haar aan dat zij wel degelijk in staat was een richting in het ASO met vrucht te kunnen volgen, dat er XII-4910-8\16 immers geen enkele reden is om aan te nemen dat zij minder goede resultaten zou hebben behaald in het tweede semester en dat bijgevolg de bestreden beslissing, ondanks de voorgelegde resultaten van twee periodes dagelijks werk en één examenperiode, die volstaan om zich een volledig en actueel beeld te kunnen vormen van haar kansen, onredelijk is. Beoordeling
- Verzoekster heeft een oriënteringsattest B gekregen. Een dergelijk B-attest betekent luidens artikel 39 van het organisatiebesluit “dat de leerling het leerjaar met vrucht beëindigd heeft in de betrokken onderwijsinstelling en derhalve tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten, behalve in bepaalde onderwijs- vormen en/of onderverdelingen” waarbij artikel 38, 1/, van hetzelfde besluit preciseert dat een leerling met vrucht het tweede leerjaar van de tweede graad beëindigt “indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar”. Dit betekent dat verzoekster “in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, heeft bereikt” om “te kunnen overgaan naar een volgend leerjaar”, doch dit weliswaar met uitzondering van welbepaalde richtingen. 8.
- Verzoekster betwist in wezen dat de bestreden beslissing om haar een B-attest uit te reiken, met clausulering voor alle ASO-richtingen, haar ook de toegang heeft ontzegd tot de ASO-richting humane wetenschappen. Volgens haar kon de klassenraad in het licht van alle beschikbare gegevens van haar dossier niet redelijkerwijze aannemen dat zij niet in staat zou zijn deze richting humane wetenschappen met vrucht te kunnen volgen. 8.
- In tegenstelling tot wat verzoekster beweert, doen de in de bestreden beslissing veruitwendigde motieven er geenszins van blijken dat de delibererende klassenraad zich louter tot een mathematische benadering van verzoeksters schoolresultaten heeft beperkt. De delibererende klassenraad heeft bij zijn beoordeling wel degelijk onderzocht of voor verzoekster niet de mogelijkheid blijft bestaan om in het volgende schooljaar de studierichting ASO-humane wetenschappen te volgen. Dat de klassenraad er van zou zijn uitgegaan dat het enkel de ouders waren die op deze XII-4910-9\16 optie bleven aandringen en dus niet zozeer verzoekster zelf, doet aan de voorgaande vaststelling geen afbreuk. De klassenraad geeft de redenen te kennen waarom die keuze naar zijn overtuiging niet haalbaar is. Hij zet vooreerst uiteen dat de richting van de humane wetenschappen niet mag worden vergeleken met de richting menswetenschappen van weleer, die als typevoorbeeld gold voor de laatste stap van het watervalsysteem binnen het ASO, dat het niveau van die nieuwe richting werd verhoogd en de inhoud van de vakken eraan aangepast en dat ze bijgevolg als een volwaardige ASO-richting dient te worden beschouwd. De cijfers van verzoekster worden vervolgens concreet afgewogen aan de vraag of verzoekster ASO in het algemeen aankan en in tweede orde aan de vraag of de leerling andere ASO-richtingen, waaronder humane wetenschappen, aankan. De klassenraad wijst hierbij op de verschillende tekorten en zwakke resultaten voor trimesterresultaten, examenresultaten en globale resultaten voor verschillende vakken. Niet alleen behaalde verzoekster twee jaartekorten voor Frans en godsdienst, tevens behaalde zij “nog diverse zwakkere resultaten” op jaarbasis : voor de vakken biologie, chemie, Duits, economie, fysica, geschiedenis en wiskunde liggen de resultaten tussen 50% en 55%. Aldus worden in de bestreden beslissing liefst zeven vakken als “zwak” aangemerkt. Die “zwakke resultaten” op jaarbasis betreffen ook de vakken biologie en chemie (biologie: 54 % en chemie: 56 %), zodat de bewering van verzoekster dat “de goede resultaten” voor die vakken “de wat zwakkere prestaties voor fysica kunnen ondervangen”, faalt. De delibererende klassenraad heeft voor zijn beslissing tot ASO- clausulering van verzoekster in de determinatiegraad niet enkel met het globale cijfer -een slaagcijfer immers van 57%- en de twee jaartekorten voor Frans en godsdienst rekening gehouden. In zijn beoordeling moeten álle relevante gegevens worden betrokken. De klassenraad heeft ten zeerste significant gevonden -en mogen vinden- dat verzoekster grotere gehelen niet aankon en dat die nipte slaagcijfers dan wel tekorten verbergen voor acht examens in het eerste trimester, drie van de vier examens in het tweede trimester en 5 examens in het derde trimester, die dus enkel dank zij relatief betere cijfers voor dagelijks werk nog opgehaald zijn geworden. Die tekorten worden gesitueerd in de profielbepalende vakken (economie en talen), maar ook in de wetenschapsvakken (biologie, chemie, fysica), in wiskunde en in algemeen vormende vakken (godsdienst en geschiedenis). XII-4910-10\16 De delibererende klassenraad stelt bovendien dat niettegenstaande verzoekster wel veel inzet toonde en een bijzonder sterke begeleiding en opvolging thuis en op school kreeg, haar resultaten voor het merendeel van de vakken toch erg zwak bleven. Het is een aanvullend argument, dat verzoekster niet meer over marge beschikt om haar cijfers te verbeteren. Voorts zet de klassenraad uiteen dat, niettegenstaande bepaalde vakken uit de tweede graad zoals Duits en economie niet meer aan bod komen in bepaalde scholen waar een vijfde jaar humane wetenschappen wordt aangeboden, tal van algemene hoofdvakken zoals Frans, geschiedenis en wiskunde er nog steeds aan bod komen, waarvoor de door verzoekster in het vierde jaar en zelfs in de vorige jaren behaalde resultaten zwak zijn. Dat het aantal uren voor een aantal vakken, zoals Frans, wiskunde en het geconsolideerd vak natuurwetenschappen (in de plaats van de vakken fysica, biologie en chemie) in de ASO-richting humane weten- schappen met één uur wordt verminderd, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat ze nog aan bod komen. De klassenraad zet voorts, en zeker niet het minst, het verschil uiteen tussen de derde graad en de vroegere jaren, om te verantwoorden waarom verzoekster zelfs met gelijke of vergelijkbare resultaten er niet op mocht vertrouwen opnieuw een A-attest te krijgen maar haar thans een ander attest wordt gegeven, en dit onder meer door te wijzen op de eigen aard van de zogenaamde determinatie- graad, die meer bepaald de verwerking van de leerstof in een semestersysteem toetst in de plaats van in een trimestersysteem, waarin de punten van de examens doorwegen ten opzichte van het dagelijks werk en in principe geen B-attestering meer uitgereikt wordt. Ook wordt gewezen op het opgebouwde tekort aan verworven kennis in de voorgaande jaren. 9.
- Verzoekster zoekt ook in de resultaten die zij behaalde als vrij leerling in het eerste semester van het eerste jaar van de derde graad humane wetenschappen een argument om aan te tonen dat de delibererende klassenraad een verkeerde inschatting heeft gemaakt van haar slaagkansen. 9.
- Het antwoord evenwel op de deliberatievraag, of de leerling in het betrokken leerjaar in voldoende mate de leerdoelstellingen heeft bereikt en bekwaam wordt geacht om haar studies voor te zetten, moet in de eerste plaats steunen op alle relevante gegevens die tijdens dat zelfde schooljaar over de leerling XII-4910-11\16 zijn verzameld. De -te dezen dan nog gedeeltelijke- studieresultaten van een leerling in een later studiejaar kunnen immers niet worden gerekend tot de in artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit bedoelde gegevens waarop de beslissing over het al dan niet slagen moet steunen. Voorts mag een klassenraad niet ten kwade worden geduid dat hij geen rekening houdt met gegevens die hem op het ogenblik van zijn beslissing niet bekend waren, meer bepaald de resultaten van verzoekster op de kerstexamens. Blijven dan wel nog de rapporten voor dagelijks werk die verzoekster aan de klassenraad kon voorleggen toen deze zich ingevolge het (eerste) schorsingsarrest opnieuw moest uitspreken. Zoals in het (tweede) schorsingsarrest daarover reeds is vastgesteld, hééft de klassenraad die gegevens in zijn beoordeling betrokken, met name door vast te stellen “dat de klassenraad immers [...] aangeeft de relativiteit van het eerste rapport te benadrukken omdat het enkel punten zijn voor dagelijks werk en nog geen enkel bewijs vormt van het aankunnen van grote hoeveelheden leerstof door verzoekster; dat precies de inschatting dat verzoekster in de derde graad met een semestersysteem in het ASO geen grote hoeveelheden leerstof zou aankunnen een determinerend motief is voor het uitreiken van het B-attest”. In het schorsingsarrest werd vervolgens aangenomen “dat de klassenraad, consequent met dit motief, de ondertussen door verzoekster behaalde resultaten als nieuw gegeven wel mee heeft beoordeeld maar omdat het voor de inschatting van verzoeksters slaagkansen niet kan worden gerelateerd aan een geheel schooljaar of minstens aan semesterexamenresultaten, het als niet overtuigend heeft afgewezen”. De Raad van State blijft die zienswijze gestand.
- De Raad van State mag zich als wettigheidsrechter niet in de plaats van de delibererende klassenraad stellen voor de beoordeling van de examen- resultaten en van de geschiktheid van de leerling om het volgende jaar ASO humane wetenschappen aan te vatten, vermits het alleen aan de delibererende klassenraad toekomt om die keuze te maken. De delibererende klassenraad beschikt daarbij over een -ruime- discretionaire bevoegdheid. De Raad van State kan verzoekster derhalve niet beschermen tegen strenge beslissingen, alleen tegen onwettige beslissingen. Een strenge beslissing kan door de betrokken leerling allicht als onredelijk of onbillijk ervaren worden. Het is ook niet uitgesloten dat een ándere delibererende klassenraad, op zicht van dezelfde gegevens en op grond van de hem toekomende XII-4910-12\16 beoordelingsbevoegdheid, evengoed binnen de grenzen van de redelijkheid tot een ander oordeel zou komen en het risico op een verkeerde studiekeuze aan de leerling of haar ouders zou overlaten. Een beoordeling door de delibererende klassenraad kan door de Raad van State echter enkel voor onwettig worden gehouden indien blijkt dat die beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de er voor ingeroepen motieven of indien het om een beslissing gaat die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon dat niet te begrijpen valt hoe ze zelfs binnen die ruim geachte discretionaire bevoegdheid tot stand is kunnen komen. De door de delibererende klassenraad aldus gemaakte inschatting van de kennis en de kunde van verzoekster, gesteund op de relevante concrete gegevens van haar dossier, vermogen in feite en in rechte de beslissing om aan verzoekster het bewuste B-attest te geven te verantwoorden.
- De enkele vaststelling dat andere leerlingen met tekorten wel een A-attest kregen brengt deze conclusie niet in het gedrang en is bovendien niet in het inleidend verzoekschrift aangebracht.
- Zoals verzoekster het zelf aanvoert in haar laatste memorie, kan van een delibererende klassenraad geen onfeilbaarheid worden verwacht bij zijn “prospectieve” en noodzakelijk ook deels subjectieve beslissing om een B-attest uit te reiken. Met verzoekster wordt aangenomen dat er leerlingen zullen zijn die, spijts het A-attest dat zij kregen, toch struikelen in een volgend jaar. Omgekeerd is het evenmin uitgesloten dat leerlingen met een B-attest toch, indien zij de mogelijkheid daartoe hadden gekregen, met vrucht welbepaalde geclausuleerde richtingen zouden volgen -en het bewijs daarvan zelfs leveren via de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap. Noch verzoekster, noch de delibererende klassenraad, noch de Raad van State beschikken over de gave te voorspellen wat zou gebeurd zijn, mocht verzoekster toch niet zijn geclausuleerd voor humane wetenschappen. Om in rechte aanvaardbaar te zijn, wordt van de delibererende klassenraad daarom enkel -niet meer, maar vooral ook niet minder- verwacht dat hij zijn overtuiging over het ontbreken van elke redelijke slaagkans relateert aan de objectieve gegevens van het leerlingendossier, hetgeen ook in de formele motivering van zijn beslissing moet worden veruitwendigd. Dat hij zulks te dezen niet of niet afdoende zou hebben gedaan, heeft verzoekster niet aangetoond.
- Het eerste middel is dan ook ongegrond. XII-4910-13\16 Uiteenzetting van het tweede middel
- Verzoekster put een tweede middel uit de schending van de materiële motiveringsplicht. Zij licht toe dat de bestreden beslissing “in belangrijke mate gesteund [is] op de cijfermatige beoordeling”, dat dergelijke werkwijze veronderstelt dat de cijfers waarmee wordt gewerkt correct zijn en dat in casu vastgesteld moet worden dat de verwerking van de cijfers “met de grootste onzorgvuldigheid is gebeurd” en bijgevolg de beoordeling als “tekort” of “zwak” niet of onvoldoende materieel gemotiveerd is. Beoordeling
- In het tussenarrest nr. 164.592 van 9 november 2006, wordt geoordeeld: “5.
- Overwegende dat verzoekster in het inleidend verzoekschrift ter adstructie een reeks voorbeelden van dergelijke onzorgvuldigheden opsomt voor de vakken economie, Frans en wiskunde; dat ter terechtzitting de verwerende partij op die aantijgingen een voor een repliceert, daarbij overigens stellende dat ook al te hebben gedaan ten overstaan van de vader van verzoekster tijdens een twee uren durend overleg; dat verwerende partij afschrift voorlegt van de door verzoekster bedoelde toetsen, de quotering toont en de optelling van de gegeven punten om aan te tonen dat niet zij maar verzoekster zich -meestal dan toch- heeft vergist; dat die uitleg op het eerste gezicht overtuigt en overigens door verzoeksters raadsman ter terechtzitting niet meer wordt tegengesproken; dat verwerende partij wél erkent zich vergist te hebben bij een optelling, met slechts verwaarloosbaar verschil en ook bij de verrekening van de cijfers voor wiskunde in het derde trimester, waarvoor verzoekster 66% in plaats van 56% behaalde wat een verschil uitmaakt voor het eindresultaat op jaarbasis van 53% in plaats van de op het rapport vermelde 50%; dat verwerende partij ten slotte over een beweerd wegens ziekte van verzoekster onterecht gegeven nulscore voor een niet gemaakte filmkritiek niet wordt tegengesproken dat die nulscore ook betrekking had op een vrij in te leveren filmrecensie die verzoekster ook niet heeft gemaakt; Overwegende dat uit de stukken en het debat ter terechtzitting wel is gebleken dat verwerende partij enkele te betreuren en te vermijden materiële vergissingen heeft begaan, vooral wat het rapporteren van de punten voor wiskunde voor het derde trimester betreft; dat zij evenwel vooralsnog wordt bijgevallen dat die vergissing niet van aard is de zwakke verdienste van verzoekster voor het vak wiskunde of voor het vak economie in een ander daglicht te moeten zien; dat de meeste overige verwijten van verzoekster niet terecht lijken; dat overigens hiervoor reeds is aangenomen dat de klassenraad zich niet louter op een cijfermatige beoordeling heeft gesteund; dat de Raad in de huidige stand van de procedure niet aanneemt dat een en ander op een verregaande ‘grootste onzorgvuldigheid’ wijst die de motivering van de bestreden beslissing op losse schroeven zou zetten of de beslissing er anders had kunnen laten uitzien”. XII-4910-14\16 In de memorie van wederantwoord tilt verzoekster nog aan de samenloop van al de materiële vergissingen en wijst zij er op dat het psychologisch een heel verschil maakt om de juiste percentages voor wiskunde gerapporteerd te zien. Het is een repliek die de auditeur niet ertoe kan brengen tot een van het schorsingsarrest afwijkende conclusie te komen. In het auditoraatsverslag wordt vastgesteld dat de repliek van verzoekster in de memorie van wederantwoord alle elementen die in de vorige procedure aan bod zijn gekomen, opnieuw belicht, doch dat de Raad van State reeds met de verwaarloosbare impact van het verschil van 3 % in het vak wiskunde bij zijn beoordeling rekening had gehouden. In de laatste memorie brengt verzoekster tegen deze vaststelling van het auditoraatsverslag niets in, doch beperkt zij zich er toe te verwijzen naar de uiteenzetting in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord.
- In de gegeven omstandigheden - de Raad van State ontwaart evenmin nieuwe gegevens die tot een ander standpunt zouden nopen -, kan de Raad er zich toe beperken, om de redenen uiteengezet in het tussenarrest, het middel dat niet ernstig was, thans ook ongegrond te achten. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. XII-4910-15\16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 4 februari 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-4910-16\16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.440 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.592 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div