← België

Arrest 200444 - Examens (onderwijs) - 04/02/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.444 Rolnummer: A. 185799/XII-5267 Zaak: Arrest 200444 - Examens (onderwijs) - 04/02/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-02-15 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-07-02 08:39 Fiche Arrest nr 200.444 van 4 februari 2010 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK nr. 200.444 van 4 februari 2010 in de zaak A. 185.799/XII-5267 In zake : Kathleen PAUWELS, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris De Nyn en Jeroen Pinoy kantoor houdende te Londerzeel Oudemanstraat 25, bus 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VZW SINT-THERESIACOLLEGE, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrick Mensalt en Liesbet De Munck kantoor houdende te Grimbergen Gemeentehuisstraat 26 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 3 januari 2008, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 6 november 2007 van de delibererende klassenraad van het vijfde jaar wetenschappen-wiskunde van het Sint-Theresiacollege te Kapelle-op-den-Bos, waarbij aan Kathleen Pauwels een oriënteringsattest C wordt gegeven. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 177.028 van 22 november 2007 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Bij arrest nr. 184.356 van 19 juni 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. XII-5267-1/15 Verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een verslag opgesteld. Verzoekster en verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 januari
  3. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Silke Hoebeek, die loco advocaten Chris De Nyn en Jeroen Pinoy verschijnt voor verzoekster, en advocaat Steven Vandendriessche, die loco advocaat Patrick Mensalt verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2006-2007 ingeschreven als leerling in het eerste jaar van de derde graad wetenschappen-wiskunde van het Sint-Theresiacollege te Kapelle-op-den-Bos. Tijdens de deliberatie van 25 juni 2007 beslist de klassenraad haar een oriënteringsattest C te verlenen. Na overleg hierover op 28 juni 2007 tussen de ouders en de school, bevestigt de klassenraad het C-attest op 29 juni
  6. De beroepscommissie adviseert op 23 augustus 2007 dat er geen elementen zijn die een derde bijeenroeping van de klassenraad rechtvaardigen. Met XII-5267-2/15 een verwijzing naar dit advies, beslist het schoolbestuur op 28 augustus 2007 om de klassenraad niet opnieuw samen te roepen. Op 5 september 2007 wordt de weigering van 28 augustus 2007 evenwel ingetrokken en wordt de klassenraad eens te meer samengeroepen. Deze beslist op 17 september 2007 het C-attest te handhaven. 3.
  7. Bij arrest nr. 175.279 van 2 oktober 2007 in de zaak A.185.237/XII-5213 beveelt de Raad van State op vordering van verzoekster de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 17 september
  8. Met betrekking tot het ernstig bevonden tweede middel, afgeleid uit de schending van de materiële-motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, overweegt de Raad dat voor de beslissing om verzoekster in het tweede semester 19,6 op 70 te geven voor het mondelinge examen geschiedenis “elke mogelijkheid [lijkt te ontbreken] voor de rechter om te beoordelen of die quotering berust op de rechtens vereiste feitelijke grondslag”. Overwogen wordt nog : “Het zal de delibererende klassenraad toevallen om te oordelen of hij voldoende voorgelicht is over de kennis en de kunde van verzoekster aan de hand van de niet-betwiste concrete gegevens van het dossier, om over haar slagen te oordelen. Zo is het denkbaar dat een klassenraad die niet over de punten beschikt van alle examens [...] toch van oordeel is zich over die leerling een voldoende beeld te hebben gevormd om zich te kunnen uitspreken met kennis van zaken. Dat zal die klassenraad dan wel afdoende moeten motiveren. Zeker indien de beslissing uitvalt in het nadeel van de leerling zal de klassenraad overtuigend moeten uiteenzetten waarom de ontbrekende punten de betrokken leerling hoe dan ook niet kunnen helpen aan een gunstiger resultaat. Anderzijds is het ook denkbaar dat een klassenraad meent dat het ontbreken van de punten voor een welbepaald examen of examenonderdeel tot gevolg heeft dat hij onvoldoende voorgelicht is, wat er dan op neerkomt, zo lijkt, dat hij zijn beslissing moet uitstellen om de leerling uitgestelde proeven te laten afleggen. Die afweging mag de Raad van State evenwel niet in de plaats van de delibererende klassenraad maken”. 3.
  9. Ten gevolge van het voormeld schorsingsarrest en “in het belang van Kathleen” trekt de delibererende klassenraad op 15 oktober 2007 zijn beslissing van 17 september 2007 in. Tevens wordt besloten verzoekster een bijkomende proef te laten afleggen voor het vak geschiedenis. Daarbij overweegt de klassenraad: “De klassenraad kan er niet omheen dat het geschorste resultaat voor het mondelinge proefwerk geschiedenis in het tweede semester niet kan meespelen bij het eindoordeel over het al dan niet slagen van Kathleen voor het vijfde jaar wetenschappen-wiskunde. In de gegeven omstandigheden wenst hij tegemoet te komen aan de suggestie van de Raad van State en beslist hij om Kathleen Pauwels een bijkomende proef te laten afleggen voor het vak geschiedenis. De delibererende klassenraad zal na kennisname van het resultaat op de bijkomende proef voor het vak geschiedenis opnieuw de deliberatievraag beantwoorden op basis van alle concrete gegevens uit het dossier, dit zijn alle XII-5267-3/15 resultaten van proeven, taken, toetsen en proefwerken tijdens het schooljaar 2006-2007 afgelegd, het resultaat op de bijkomende proef voor het vak geschiedenis en de beslissingen, vaststellingen en adviezen van de begeleidende klassenraad”. Verzoekster legt de bijkomende proef af op 5 november
  10. Op 6 november 2007 beslist de delibererende klassenraad opnieuw aan verzoekster een C-attest te geven. De delibererende klassenraad notuleert zijn motivering als volgt: “
  11. Vaststellingen van de klassenraad, overwegingen, afwegingen 2.
  12. De klassenraad geeft hierna een overzicht van de puntenscores die Kathleen Pauwels voor de verscheidene vakken (hoofdvakken en bijvakken) heeft behaald. Vervolgens beoordeelt de klassenraad de verscheidene puntenscores en weegt deze onderling af. In dat verband wordt onder meer geëvalueerd of Kathleen voor bepaalde vakken al dan niet vooruitgang heeft geboekt. FYSICA. Voor het vak fysica behaalde Kathleen met Kerstmis 63% en in juni 43%, een jaartotaal van 53%. In het vooruitzicht van 6 WWI stellen we vast dat het vak fysica nog zwaarder wordt. Kathleen kan grote leerstofgehelen (van januari tot juni) niet aan. De basisvaardigheden om oefeningen op te lossen zijn onvoldoende. Dit blijkt b.v. uit de resultaten van grote herhalingsoefeningen. De klassenraad vermoedt dat Kathleen haar inzet verplaatste naar andere vakken, wat het resultaat in juni voor o.a. fysica kan verklaren. Dit zou kunnen betekenen dat een constante inzet voor alle vakken niet echt haalbaar was. Op het proefwerk fysica van 08/06/2007 haalt Kathleen Pauwels een totaal van 65 punten op150 punten, ofwel 43,3% (tekort).. Volgende leerplandoelstellingen van het leerplan Fysica (VVKSO D/2006/0279/058) werden hierbij onvoldoende gerealiseerd :
  13. Met behulp van de elektrische structuur van halfgeleidermateriaal de geleiding bij een halfgeleider verklaren. (behaalde punten proefwerk 2 op 12)
  14. Magnetische verschijnselen bij permanente magneten beschrijven met behulp van magneetpolen, magnetische krachtwerking, magnetisch veld en veldlijnen.
  15. Het magnetisch veld opgewekt door een rechte stroom, een winding en een spoel beschrijven en met behulp van veldlijnen voorstellen. (behaalde punten proefwerk 1 op 9)
  16. Het begrip magnetische flux omschrijven.
  17. Met behulp van de wet van Lenz de zin van de inductiestroom bepalen
  18. De principiële werking van technische toestellen die verband houden met het opwekken van inductiespanning uitleggen (vb. inductieklos) (behaalde punten proefwerk 9,5 op 22) BIOLOGIE Voor het vak biologie behaalde Kathleen met Kerstmis 66,4% en in juni 46,1%. Vaststellingen: Kathleen kan moeilijk van macroscopisch naar microscopisch niveau gaan; op kennisvragen scoort ze onvoldoende, b.v. mutose, de DNA-replicatie kan ze niet voldoende uitleggen en de biologische terminologie is onvoldoende gekend. Het leggen van verbanden verloopt eveneens moeizaam en bovendien is de deling van cellen en de verdubbeling van genetisch materiaal XII-5267-4/15 onvoldoende gekend. Deze leerstofonderwerpen zijn van fundamenteel belang in het zesde jaar Wetenschappen-Wiskunde. Juni
  19. Het mondelinge proefwerk van leerlingen uit 5WWI zoals Kathleen Pauwels wordt geëvalueerd volgens het leerplan BIOLOGIE derde graad ASO, studierichting met component wetenschappen. Leerplan secundair onderwijs - LICAP - BRUSSEL D/2006/0279/035 Bij het beantwoorden van deze vragen zijn volgende leerplandoelstellingen door Kathleen Pauwels niet gerealiseerd. - Het energetisch en chemische gebeuren van de fotosynthese schematisch weergeven. (B5, B10-partim)/ (SET6) - Macroscopische, microscopische en submicroscopische structuren als aanpassingen aan de fotosynthese duiden. (W8)/(B4, B9, B10-partim) - Experimenteel vaststellen dat enzymen reacties katalyseren, dat hun werking beïnvloed wordt door o.a. temperatuur en pH en die invloeden grafisch voorstellen. (W2, W3, W4, W5, W6, W7, W8, W11, W12, W23, W25, W29, W30, W31)/(B4)/(SET29, SET30, SET31) (Dit is geëvalueerd met de voorstelling van een experiment gedaan door andere leerlingen) - Experimenteel vaststellen dat enzymen uit eiwitten bestaan, dat hun specifieke werking hiermee verband houdt en de enzymwerking schematisch voorstellen. (W4, W7, W11, W12, W23, W25, W28, W30, W31)/(B4, B10-partim)/(SET7, SET29, SET30, SET31) - Het proces van de celademhaling in de cel lokaliseren en dit biochemisch proces schematisch weergeven. (W11)/(SET6) - Aanpassingen van gasuitwisselingsstructuren aan hun functie vergelijken bij organismen uit verschillende milieus. (SET5) - Een inhoud formuleren voor het begrip homeostase. (W9)/(SET13) - De niet-specifieke en specifieke afweer van het lichaam tegen antigenen beschrijven. (B 1)(B8) - In een celcyclus de DNA-replicatie situeren en het verloop ervan beschrijven. (B10-partim, B12) (SET2, SET3, SET16, SET17) - Het verloop van een mitose en de betekenis ervan voor het organisme toelichten.(W29)(B5, B11)(SET5, SET7, SET17, SET29) CHEMIE Voor het vak chemie blijven de resultaten min of meer dezelfde: met Kerstmis 61,3% en in juni 64,3%. Er is evenwel een slechte herhalingstoets gemaakt, vermeld op het tussentijds rapport 4 en ook op het tussentijds rapport
  20. Bij deze laatste toets viel het resultaat relatief mee omwille van de practica. Er is wel een stijging van de resultaten merkbaar wat de proefwerken betreft. WISKUNDE Voor wiskunde behaalde Kathleen met Kerstmis 46% (een tekort voor algebra en geslaagd voor analyse) en in juni 45,1% (een tekort op de drie onderdelen: goniometrie, complexe getallen en analyse). Kathleen leert veel uit het hoofd omwille van haar beperkt inzicht. Eenvoudige bewijzen lukken minder goed, ze kan geen gerichte vragen stellen en ze kan moeilijk uitleggen wat ze niet begrijpt. Een voorbeeld van een eenvoudig bewijs dat niet lukt: Leid de formule af voor de worteltrekking van complexe getallen in goniometrische vorm. Desondanks haar inzet, de vele oefeningen die ze maakte en gevolgde bijlessen, lukt het niet. Kathleen kan niet toepassen of met andere parameters werken. Ze behaalde op alle proefwerken een onvoldoende en op de 28 toetsen dagelijks werk slaagde ze voor amper 10 toetsen. Wat het vooruitzicht naar het zesde jaar betreft, is er een duidelijk gebrek aan inzicht. Volgens leerplan SO D/2004/0279/019 zijn voor het vak wiskunde de volgende algemene leerplandoelstellingen niet behaald : XII-5267-5/15 * het inzicht in verbanden tussen wiskundige instrumenten en problemen die wiskundig vertolkt kunnen worden * de wiskundige denkmethoden om o.m. verbanden te leggen, systematisch te ordenen en te structureren * denk- en redeneervaardigheden i.h.b.vaardigheden in argumenteren en bewijzen * probleemoplossende vaardigheden zoals het analyseren van gesloten en open problemen Wat de inhoudelijke doelstellingen betreft m.b.t de leerstof die nodig is om het zesde jaar succesvol te starten ontbreken specifiek voor het vakonderdeel Analyse de vaardigheden : * m.b.v beschikbare analysekennis problemen wiskundig modelleren en oplossen * vergelijkingen en ongelijkheden vanuit exponentiële en logaritmische functies oplossen en eigenschappen van logaritmen gebruiken in berekeningen * gebruik van goniometrische formules om eenvoudige identiteiten te bewijzen en vergelijkingen op te lossen * verloop van een functie onderzoeken * limieten van functies bepalen * extremumproblemen oplossen GESCHIEDENIS Voor geschiedenis behaalde Kathleen met Kerstmis 60,3% en in juni 35,9%. Haar inzicht is eerder beperkt. Kathleen heeft een probleem met het chronologisch situeren van gebeurtenissen en legt moeilijk verbanden. Bij het dagelijks werk merken we dat zij bij de evaluatiemomenten die verwijzen naar de vooropgestelde doelstellingen de volgende punten behaalde: 3/6 (romantiek/verlichting), 4,5/ 13 (inzichtvragen bij de eerste herhaling), 4/12 (Bismarck), 15, 5 /32 (laatste herhaling). Bij het proefwerk met Kerstmis behaalde Kathleen voor de inzichtvragen 12,5/
  21. Bij het commentaar werd dit ook opgemerkt. Gedurende het tweede semester heeft de vakleerkracht Kathleen ook geholpen met het nemen van notities. Kathleen kreeg meermals tips om efficiënter de leerstof te verwerken. Ook hier bleek dat zelfstandig noteren voor haar heel moeilijk was. De reden dat Kathleen bij het dagelijks werk toch ruimschoots een voldoende haalde, is te danken aan de vele groepswerken die bij deze toetsen worden opgeteld. Kathleen kreeg dan punten die aan de groep in zijn geheel werden toegekend. Op deze manier heeft zij bijvoorbeeld het tekort van het tussentijds rapport 3 kunnen wegwerken. Bij het mondeling proefwerk in juni stond Kathleen er natuurlijk alleen voor en hier stelde de vakleerkracht vast dat het verwerken van een groter geheel voor haar heel moeilijk is. De antwoorden op de twee hoofdvragen resulteerden elk in een 2/10, de bijvraag op 3/
  22. De vooropgestelde doelstellingen werden niet behaald. Op de bijkomende proef op maandag 5 november 2007 behaalde Kathleen 31/60, d.i. 36,2/
  23. De resultaten van geschiedenis blijven dus min of meer dezelfde: met Kerstmis 38,8/70 en nu 36,2/
  24. We merken nog op dat het proefwerk geschiedenis in december werd afgelegd als proefwerk van een hele reeks proefwerken, terwijl de bijkomende proef werd afgelegd als enig proefwerk na een week herfstvakantie. Nummer van het leerplan: Brussel/ D 2001/0279/006-september-
  25. Kathleen Pauwels heeft de onderstaande doestellingen voor geschiedenis zwak tot onvoldoende behaald * Met betrekking tot 2.
  26. Algemene doelstellingen XII-5267-6/15 Inzicht in evolutie en complexiteit van het maatschappelijke gebeuren, namelijk continuïteit en discontinuïteit kunnen herkennen, samenhang en interactie tussen maatschappelijke domeinen onderkennen en de evenementen op de toepasselijke structurele langetermijnlijn kunnen plaatsen. Omgang vanuit de historische methode met het gevarieerd historisch informatiemateriaal. * Met betrekking tot 3.
  27. Historische kennis Sleutelbegrippen inzake de hedendaagse samenleving kennen EN deze beredeneerd toepassen in een bredere historische context. * Met betrekking tot punt 3.
  28. Historische vaardigheden Diverse soorten primaire en secundaire bronnen herkennen. Historische en algemene vaardigheden toepassen op uiteenlopende soorten bronnen. * Met betrekking tot punt 3.
  29. Historische attitude Beseffen dat de fundamentele problemen van mens en samenleving dezelfde blijven maar dat de oplossingen veranderlijk zijn en met de historische context verbonden. FRANS Op de proefwerkonderdelen woordenschat en grammatica slaagde Kathleen nooit. Met Kerstmis behaalde Kathleen voor Frans 42,5% en in juni 43,9% (jaarresultaat 43,2%). Kathleen Pauwels behaalde voor het vak Frans de volgende doelstellingen, zoals ze geformuleerd staan in het leerplan ISBN 978-90-6858-602-2, niet. Het behalen van deze doelstellingen is niet alleen van belang bij het aanvatten van het 6de jaar maar eveneens voor het uiteindelijk behalen van de eindtermen op het einde van de derde graad. A. COMMUNICATIEVE VAARDIGHEDEN A.l. Luistervaardigheid - Een gesprekspartner voldoende begrijpen in een relatief complex gesprek. - Selectief luisteren (bijv. getallen, bedragen, tijdstippen e.d. begrijpen en opschrijven in een telefoongesprek) . - De hoofdgedachte en gedachtegang achterhalen in allerlei soorten gesproken tekstvormen. - Leerstrategieën toepassen die het bereiken van een luisterdoel bevorderen. A.
  30. Leesvaardigheid - Domeinspecifieke teksten zoals zakelijke en wetenschappelijke teksten, structureren, verwerken en gepast presenteren in functie van de ontvanger. - Elementen uit de literatuurgeschiedenis, zoals stromingen, aanwenden om teksten in hun historische, politieke en sociale context te plaatsten. - Zelfstandige communicatiestrategieën aanwenden. - Een onderzoeksopdracht voorbereiden, uitvoeren en evalueren over een literair en/of linguïstisch vraagstuk. A.
  31. Gespreksvaardigheid - In een discussie gefundeerde standpunten naar voor brengen. - De nodige bereidheid en spreekdurf opbrengen om in relevante communicatieve situaties te functioneren. - Zelfstandig deelnemen aan relatief complexe rechtstreekse gesprekken. A.
  32. Spreekvaardigheid - Zelfstandig het woord voeren (bijv. verslag uitbrengen en commentaar geven) - Domeinspecifieke teksten zoals zakelijke en wetenschappelijke teksten, structureren, verwerken en gepast presenteren in functie van de ontvanger. - Na het uitvoeren van een onderzoeksopdracht, de onderzoeksresultaten en conclusies rapporteren en ze confronteren met andere standpunten. XII-5267-7/15 - Het woord nemen en daarbij een zo groot mogelijke lexicale en grammaticale correctheid en een gevarieerd taalgebruik nastreven. A.
  33. Schrijfvaardigheid - Zelfstandig een aantal specifieke schrijftaken uitvoeren (bijv. een verslag schrijven, een beredeneerd standpunt verwoorden, een synthese) - Gevoelens en leeservaringen op een creatieve manier vorm geven. - Na het uitvoeren van een onderzoeksopdracht, de onderzoeksresultaten en conclusies rapporteren en ze confronteren met andere standpunten. - Zelfstandige strategieën inzetten om het taalleerproces te evalueren, bij te sturen en verder te zetten. B. DE TAALKUNDIGE COMPONENT B.
  34. Woordenschat - Vertrouwd zijn met woorden en uitdrukkingen die vereist zijn om relevante luister- en leestaken uit te voeren. - Woorden en uitdrukkingen aanwenden die toelaten adequaat te spreken en te schrijven - Woordenschat zelf opbouwen en aldus leervaardigheid ontwikkelen (bijv. afgeleiden van gekende woorden, andere talen, ...) - Gelijkenissen en verschillen tussen talen herkennen. B.
  35. Grammatica - Grammaticale structuren gebruiken en de vereiste gebruiksregels toepassen die nodig zijn voor het zo correct mogelijk uitvoeren van luister- en leestaken en om zo adequaat en correct mogelijk te spreken en te schrijven. - Strategieën inzetten en passende hulpmiddelen hanteren om inzicht te verwerven in spellingsysteem, uitspraak, betekenis van woorden, zinsconstructies en de relatie klank-teken. ENGELS Voor Engels behaalde Kathleen met Kerstmis 47,2% en in juni 53,3%. Gebrek aan inzicht, onvoldoende kennis van de woordenschat en zwakke resultaten voor grammatica liggen aan de basis van het minder goede resultaat met Kerstmis. Op het mondelinge proefwerk van juni heeft ze beter gescoord omwille van de expliciete ondersteuning van de leerkracht. VOP (vakoverschrijdende projecten) Kathleen blijkt hier een zeer creatieve leerling te zijn die samen met haar groepsleden een behoorlijk product afleverde. Ontegensprekelijk heeft de sterkte van haar groep haar eindscore mee beïnvloed. AARDRIJKSKUNDE Constante resultaten maar ong. 10% onder het klassengemiddelde. De klassenraad wijst eveneens op het bijzondere belang van de vakken waarvoor een tekort werd behaald. - Wiskunde (6u per week) en een tekort op de proefwerken met Kerstmis en in juni. - Biologie (2u per week) en een tekort op het proefwerk in juni. - Fysica (3u per week) en een tekort op het proefwerk in juni. - Frans (3u per week) en een tekort op de proefwerken met Kerstmis en in juni. - Engels (2u per week) en een tekort op het proefwerk met Kerstmis. Het gaat hier toch om 16u, zijnde de helft van de totale pakket lesuren per week. Bovendien zijn de drie eerstvermelde vakken precies erg belangrijk in de richting die Kathleen volgde, nl. Wetenschappen-Wiskunde. We stellen dus vast dat, wanneer we de tekorten relateren aan de leerplannen, Kathleen de doelstellingen van verschillende vakken niet heeft bereikt. XII-5267-8/15 2.
  36. De motivering De tussentijdse rapporten bevatten de punten van taken en toetsen, die in de loop van het schooljaar door de leerling worden afgelegd. Deze taken en toetsen werden met Kathleen meegegeven, zodanig dat de ouders daadwerkelijk konden zien hoe hun dochter studeerde. De puntenscores tonen op zich reeds voldoende de tekorten van Kathleen aan op de respectieve vakken. Een en ander geldt eens te meer gelet op het advies dat de klassenraad van het vierde jaar Wetenschappen aan Kathleen gaf, om niet te kiezen voor een studierichting met zes uur wiskunde en gelet op de diverse mondelinge en schriftelijke commentaren en bijsturingen van de leerkrachten tijdens het afgelopen schooljaar. Gedurende het schooljaar werden door de ouders geen bedenkingen geuit over de wijze waarop hun dochter voor haar prestaties werd gequoteerd. Het is duidelijk dat deze quoteringen op zich reeds vanaf Kerstmis aangaven dat de kans op slagen in het vijfde jaar Wetenschappen-Wiskunde steeds kleiner zou worden. Deze lijn werd bevestigd door de proefwerken, zowel tijdens het eerste semester (gezakt voor vier examens) als tijdens het tweede semester (gezakt voor vijf examens). De commentaren op het rapport geven eveneens aan dat extra inspanningen noodzakelijk zijn om het schooljaar succesvol te laten verlopen. Deze signalen ondersteunen het principe dat een school op zoek moet gaan naar de positieve elementen en deze moet bovenhalen. Helaas is motivatie niet genoeg. Wij hebben steeds getracht vanuit pedagogische motieven Kathleen aan te moedigen om vol te houden. Dit blijkt uit enkele rapportcommentaren. ‘Vraag uitleg’ en ‘blijf extra oefeningen maken’ zijn signalen dat de resultaten onvoldoende waren. ‘Met jouw motivatie en nog wat extra inspanning moet het wel lukken’ is een signaal dat Kathleen gemotiveerd was. ‘Je doet grotendeels je best’ is weer een bemoediging maar tegelijk ook een waarschuwing. Daar wijst het woord ‘grotendeels’ op. Dit woord laat uitschijnen dat de inzet niet voldoende is. Die indruk wordt bevestigd in het vervolg van het advies: ‘... voor de talen je kennis van woordenschat onvoldoende is en dit is te studeren.’ De verdere commentaren voor Engels, Frans en wiskunde liegen er niet om: de voorliggende resultaten zijn onvoldoende: bijlessen te nemen, beter studeren, je best doen. De tekorten op negen examens (vier in december en vijf in juni) en de jaartekorten die Kathleen behaalde op Frans en wiskunde is voor de klassenraad een voldoende reden om deze tekorten niet te delibereren. Dit geldt eens te meer nu de evolutie in het merendeel van deze vakken negatief is naar de proefwerken toe (lagere puntenscores voor biologie, Frans, Engels en geschiedenis) of een quasi-gelijke lage score (wiskunde). Kathleen boekte in de tweede jaarhelft in het algemeen dus geen vooruitgang, wel integendeel. Een verdere succesvolle studiegang in het zesde jaar Wetenschappen-Wiskunde en zelfs in het ASO in het algemeen kunnen in die omstandigheden erg betwijfeld worden. Een verdere lectuur van de commentaren leert dat de basislijn van de resultaten die onvoldoende waren niet werd verlaten. Het ganse schooljaar lang voerde deze basislijn de boventoon. Bovenop werd er regelmatig teruggekomen op de bekommernis dat de gekozen studierichting te zwaar was, zodat er best naar andere mogelijkheden werd uitgekeken. Het feit dat binnen deze context de leerkrachten regelmatig een woord van bemoediging spraken, doet hieraan geen afbreuk. Zij zagen wel dat Kathleen haar best deed en best wel werkte. Dat wordt in elk geval positief beoordeeld. Op dat vlak wilden zij haar overigens niet ontmoedigen maar inzet en motivatie alleen volstaan niet. Wij adviseren consequent en rechtlijnig om verder te studeren in een TS0- studierichting. Met Kerstmis 2006 was er, op basis van de toen behaalde resultaten, het voorstel tot heroriëntering naar een ASO-studierichting met drie of vier uur wiskunde, zie b.v. de commentaar bij het vak wiskunde. Op basis van XII-5267-9/15 alle resultaten die nu voorliggen kan de klassenraad geen ASO-studierichting adviseren en verwijst voor alle informatie over een gepaste TSO-studierichting naar onze medewerker van het CLB. Het probleem begon bij de instap in het vijfde jaar Wetenschappen-Wiskunde waardoor het advies op het einde van het vierde jaar Wetenschappen om niet te beginnen in een vijfde jaar met 6u wiskunde, werd genegeerd. Op de scharniermomenten van Kerstmis 2006 werd tijdens het oudercontact minstens mondeling geadviseerd (en schriftelijk bij het vak wiskunde) om alsnog over te stappen naar een studierichting met 3 of 4 u wiskunde. Bovendien bevat het rapport enkele elementen die het advies van de klassenraad ondersteunen.
  37. Beslissing van de klassenraad Gelet op de vier proefwerktekorten tijdens het eerste semester, nl. Engels (30/70), Frans (26,9/70), Nederlands (33/70) en wiskunde (32,6/70) en vijf tekorten tijdens het tweede semester, nl. biologie (26,6/70), Frans (25,8/70), fysica (30/70), geschiedenis (19,6/70, BP 36,2/70), en wiskunde (30,3/70); gelet op de jaartekorten voor Frans (43,2%) en wiskunde (45%); gelet op de onvoldoendes voor de wetenschappelijke vakken en wiskunde en beoordelend in het vooruitzicht van vervolgonderwijs in het zesde jaar Wetenschappen-Wiskunde, gelet op voorliggende resultaten van taken, toetsen en examens en op de vaststellingen en adviezen van de begeleidende klassenraad, oordeelt de delibererende klassenraad dat Kathleen, ondanks haar inzet en goede wil, niet over de nodige capaciteiten beschikt om de studierichting Wetenschappen- Wiskunde verder te zetten en handhaaft dus het C-attest”. IV. Onderzoek van de middelen Uiteenzetting van het eerste middel
  38. In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van de materiële-motiveringsplicht, respectievelijk het zorgvuldigheids- en het vertrouwens- beginsel. Verzoekster licht toe dat haar resultaat voor het mondelinge proefwerk geschiedenis van juni toch als een doorslaggevend element heeft meegespeeld bij het nemen van de bestreden beslissing, ofschoon de Raad van State in zijn arrest van 2 oktober 2007 beslist had dat het niet mocht meetellen bij de eindbeoordeling. De verwijzingen in de bestreden beslissing naar het cijfer voor geschiedenis in juni kunnen volgens verzoekster niet worden beschouwd als een marginaal, aanvullend motief voor het toekennen van een C-attest. Indien de delibererende klassenraad dat zo had bevonden, had hij er immers niet voor geopteerd om een bijkomende proef op te leggen. XII-5267-10/15 Beoordeling
  39. Volgens het schorsingsarrest nr. 175.279 was niet aangetoond en ook niet meer aantoonbaar dat de aan verzoekster gegeven quotering van 19,6 op 70 voor het mondelinge examen geschiedenis in juni op de rechtens vereiste feitelijke grondslag beruste. De klassenraad kon hieruit kiezen: ofwel meteen uitspraak doen op grond van de niet-betwiste concrete gegevens van het dossier, ofwel uitspraak doen na het ontbreken van de punten voor geschiedenis in het tweede semester te hebben opgevangen door verzoekster een uitgestelde proef te laten afleggen. Welke keuze de delibererende klassenraad ook maakt, in beide gevallen mag hij geen rekening meer houden met de punten van het juni-examen voor geschiedenis omdat hij van die punten nu eenmaal, in strijd met de materiële- motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, niet aannemelijk kon maken dat er de noodzakelijke “feitelijke grondslag” voor bestond. Aldus bekeken, bekritiseert verzoekster terécht dat in de bestreden beslissing nog naar de punten van geschiedenis in juni wordt verwezen.
  40. Daartegenover staat dan weer, gelet op het geheel van de reden- geving van de bestreden beslissing, dat die verwijzingen maar een bijkomstig belang vertonen en zonder decisieve waarde zijn. Vooreerst erkent reeds op 15 oktober 2007 de delibererende klassenraad “dat het geschorste resultaat voor het mondelinge proefwerk geschiedenis in het tweede semester niet kan meespelen bij het eindoordeel”. Uit de notulen van de bestreden beslissing zelf blijkt dan dat de delibererende klassenraad voor zijn conclusie dat verzoekster “ondanks haar inzet en goede wil, niet over de nodige capaciteiten beschikt om de studierichting Wetenschappen-Wiskunde verder te zetten”, steunt op acht semestertekorten, op twee jaartekorten (43,2 % voor Frans en 45 % voor wiskunde), op “de onvoldoendes voor de wetenschappelijke vakken en wiskunde” die inzonderheid problematisch zijn “in het vooruitzicht van vervolgonderwijs in het zesde jaar Wetenschappen-Wiskunde”, en op de tussentijdse rapporten en de vaststellingen en adviezen van de begeleidende klassenraad. XII-5267-11/15 Deze motieven kunnen afdoende de beslissing om verzoekster een C-attest toe te kennen, schragen. In die context - de overheid beschikt terzake over een ruime discretionaire bevoegdheid - blijkt de bestreden beslissing op een voldoende feitelijke en juridische grondslag te zijn gesteund.
  41. Daarenboven blijkt, wat het vak geschiedenis betreft, dat de delibererende klassenraad weliswaar onterecht verwijst naar het cijfer van de mondelinge juni-proef, en er zelfs een bijkomende commentaar aan wijdt, doch dat hij wat zijn conclusie betreft, de resultaten van de proef van december enkel vergelijkt met het resultaat van de bijkomende proef afgelegd op 5 november
  42. Hij concludeert hieruit dat de resultaten voor geschiedenis “dus min of meer dezelfde [blijven]: met Kerstmis 38,8/70 en nu 36,2/70” en merkt hierbij nog op dat “het proefwerk geschiedenis in december werd afgelegd als proefwerk van een hele reeks proefwerken, terwijl de bijkomende proef werd afgelegd als enig proefwerk na een week herfstvakantie”. Hieruit blijkt dat de delibererende klassenraad de essentiële vergelijking doortrekt tussen de proef in december en de uitgestelde proef in november, en hij uiteindelijk enkel met die laatste proef rekening heeft gehouden.
  43. Aldus blijft de Raad van State de mening gestand dat de verwijzingen naar het tekort voor geschiedenis in juni, geen determinerende invloed hebben gehad op de beslissing om verzoekster een C-attest te geven. In het cijfer voor geschiedenis in juni meer dan een marginaal, aanvullend motief zien, doet de uitvoerig gemotiveerde beslissing van de klassenraad onrecht aan. De verwijzingen zijn niet van aard de wettigheid van die beslissing aan te tasten. Het middel dient dan ook te worden verworpen. Uiteenzetting van het tweede middel
  44. Verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van het vertrouwens- en het redelijkheidsbeginsel, doordat verwerende partij amper rekening houdt met de resultaten van de bijkomende proef (er wordt slechts driemaal naar verwezen, terwijl uitgebreid wordt verwezen naar het resultaat van het mondelinge juni-examen) en zij zich hieromtrent bovendien laatdunkend uitlaat. XII-5267-12/15 Beoordeling
  45. Bij de bespreking van het eerste middel is al gebleken dat de delibererende klassenraad wel degelijk, voor wat de conclusie over het vak geschiedenis betreft, rekening heeft gehouden met de resultaten van de bijkomend opgelegde proef. Op bladzijde 5 komt de proef uitdrukkelijk ter sprake en wordt er de gevolgtrekking uit gemaakt dat de resultaten voor geschiedenis “dus min of meer dezelfde [blijven]: met Kerstmis 38,8/70 en nu 36,2/70”. Ook in “De motivering” op bladzijde 10 worden de 36, 2 op 70 punten van de bijkomende proef vermeld.
  46. Iets anders is of dat resultaat verwerende partij belet moest hebben om verzoekster opnieuw een C-attest uit te reiken. In de uitgestelde proef bleek verzoekster zeer nipt geslaagd. Dat, gesteld tegenover de tekorten, dit resultaat dan decisief moet zijn om verzoekster over het geheel toch geslaagd te verklaren is allesbehalve duidelijk en wordt door verzoekster ook niet beargumenteerd. Mede gelet op hetgeen reeds sub 6 is uiteengezet omtrent de vele andere gegevens waarop de klassenraad te dezen acht heeft geslagen, is er geen reden om aan te nemen dat verwerende partij het betrokken resultaat voor het vak geschiedenis in de richting wetenschappen-wiskunde niet het gewicht heeft gegeven dat het verdiende en dat zij, door te dezen een C-attest uit te reiken, niet binnen de grenzen is gebleven van haar -ruime- beoordelingsbevoegdheid. Uiteenzetting van het derde middel
  47. Verzoekster voert in een derde middel de schending aan van het gelijkheidsbeginsel, alsook van “het beginsel van tegenspraak, zoals verankerd in artikel 6 van het [EVRM]”. Zij betoogt dat het bij verwerende partij een gewoonte is om in geval van twee tekorten gunstig te delibereren, minstens een uitgestelde proef uit te schrijven. Verwijzend naar andere leerlingen is zij van mening dat “zij het voordeel [had] dienen te genieten van uitgestelde proeven en zelfs deliberaties”. Dat er aan twee van die klasgenoten uiteindelijk een C-attest werd uitgereikt, kan volgens verzoekster niet tot de conclusie leiden dat zij na uitgestelde proeven eveneens een C-attest zou hebben gekregen. Voorts voert zij aan dat haar rechten van verdediging en het principe van tegenspraak zijn geschonden, doordat haar verschillende malen inzage werd geweigerd in de notulen wat betreft de overige leerlingen, terwijl de Raad van XII-5267-13/15 State wel inzage krijgt in deze stukken en zijn beslissing er op kan baseren, zoals blijkt uit het arrest nr. 177.028 van 22 november
  48. Bijgevolg kan zij niet het feit dat er bij haar sprake zou zijn van “willen maar niet kunnen”, terwijl het bij de andere leerlingen ging om een “onvoldoende willen” op haar waarachtigheid controleren. Beoordeling
  49. Voor zover de schending van het gelijkheidsbeginsel wordt ingeroepen, stemt het middel overeen met het derde middel in de procedure van schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. In het tussenarrest nr. 177.028 van 22 november 2007, wordt daarover geoordeeld: “Voorlopig wordt met de verwerende partij aangenomen dat het ‘deliberatiedossier’ van verzoekster zich niet laat vergelijken met dat van de leerlingen waarnaar zij verwijst. Daartoe wordt niet alleen rekening gehouden met de toelichting van verwerende partij ter terechtzitting, maar ook met de notulen aangaande de deliberatie van verzoeksters klasgenoten, welke notulen als stukken 2a en 2b deel uitmaken van het administratief dossier dat verwerende partij heeft neergelegd naar aanleiding van verzoeksters vordering tot schorsing in de zaak met nr. A. 185.237/XII-
  50. Naar uit die notulen op het eerste gezicht kan worden opgemaakt is er in het geval van verzoekster sprake van ‘willen maar niet kunnen’: zij werkt zeer hard, maar kan het niet aan. Voor de klasgenoten daarentegen lijkt vooral te gelden dat zij onvoldoende hebben gewerkt, een kwestie dus -zo lijkt- van onvoldoende willen. Het is een verschil dat niet zonder pertinentie lijkt bij de beoordeling of er al dan niet een bijkomende proef wordt opgelegd. Overigens wijzen de genoemde stukken 2a en 2b uit dat van de drie klasgenoten waarmee verzoekster zich vergelijkt, twee ervan uiteindelijk evengoed als verzoekster een C-attest hebben gekregen. De derde klasgenoot, die finaal een A-attest verkreeg, liep haar jaartekorten uitsluitend in het tweede semester op. Verzoekster van haar kant scoorde -in de lijn van het advies bij het einde van het vierde jaar om geen vijfde jaar met zes uur wiskunde te beginnen- ook al met Kerstmis ruim ontoereikend voor onder andere wiskunde”. In het verzoekschrift in de huidige annulatieprocedure tilt verzoekster bijkomend aan het feit dat de Raad van State zich, in voormeld tussenarrest, heeft gebaseerd op gegevens, die verzoekster nooit onder ogen zou hebben gekregen. Dit bezwaar kan evenwel niet ernstig worden genomen. Zoals verwerende partij opmerkt kon verzoekster in elk geval ter griffie van de Raad van State inzage nemen van de notulen aangaande de deliberatie van haar klasgenoten, die als stukken 2a en 2b deel uitmaakten van het administratief dossier dat verwerende partij had neergelegd naar aanleiding van verzoeksters eerste vordering tot schorsing in de zaak gekend onder rolnummer A. 185.237/XII-5213, dat tot het schorsingsarrest van 2 oktober 1997 aanleiding gaf en, later, tot het arrest nr. 181.826 van 8 april 2008 XII-5267-14/15 waarbij de bevolen schorsing wordt opgeheven. Ook de Raad van State ziet niet in wat verzoekster zou hebben verhinderd om, ná de neerlegging van het administratief dossier in de zaak A.185.237/XII-5213 en vóór het inleiden van het voorliggend beroep op 3 januari 2008, ter griffie de notulen te komen inzien of er kopie van te nemen. De conclusie van het auditoraatsverslag, dat naar de overwegingen in het schorsingsarrest kan worden verwezen, wordt door verzoekster niet meer tegengesproken in haar laatste memorie waarin zij zich er toe beperkt om de voortzetting van het geding te verzoeken. In de gegeven omstandigheden, kan ook de Raad van State er zich toe beperken, om de redenen uiteengezet in het tussenarrest, het middel thans ongegrond te achten. BESLISSING
  51. De Raad van State verwerpt het beroep.
  52. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 4 februari 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-5267-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.444 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.028 ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.356 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.